Veengebied Weerribben - Wieden
Kaart: Aardkundig Erfgoed
Samenvatting
Het veengebied Weerribben – Wieden is het grootste laagveengebied van noordwest Europa. De veenontwikkeling kwam tot stand in het begin van het Holoceen (11.700) als gevolg van grondwaterstijging en toegenomen vegetatie. Vanaf de Middeleeuwen is het veengebied afgegraven voor de turfwinning, waardoor het hoogveen verdwenen is een kenmerkend landschap is ontstaan bestaande uit trekgaten, legakkers en plassen.
Aardkundig fenomeen (primair)
veenrest
Periode(s)
- Holoceen
Gevormd door
mens, veenvorming
Kenmerkendheid
- Grootste laagveengebied van noordwest Europa.
- Kenmerkend landschap van trekgaten, legakkers en plassen ontstaan door intensief landgebruik door de mens, samenspel van de mens en aardkunde duidelijk te zien.
- Grote verscheidenheid aan successiestadia van veenlandschappen, van open water tot moerasbos.
Ontstaansgeschiedenis
De Weerribben en Wieden zijn ten dele vergraven veengebieden in de kop van Overijssel. Samen hebben ze een omvang van ruim 10.000 hectare en vormden daarmee het grootste aaneengesloten laagveengebied van noordwest Europa. Het menselijk ingrijpen in het landschap is hier duidelijk te zien aan de aanwezige veengaten (weren) en legakkers (ribben), die werden aangelegd voor het winnen van turf. Sindsdien is het gebied een waardevol natuurreservaat en zijn ook natuurlijke landschappen als kraggeland en moerasbossen te vinden, zoals bij Kalenberg en Dwarsgracht. Het huidige veenpakket heeft aan de westzijde van het gebied een dikte tot 4 meter, aan de oostzijde is deze dunner en bereikt een diepte tot 2 meter.
Veengroei
In het uitgestrekte laaggelegen gebied tussen de heuvelruggen van Vollenhoven en Steenwijk is veen gevormd vanaf het Holoceen (11.700 jaar geleden). Het klimaat verwarmde en vernatte, waardoor de vegetatiegroei toenam en de grondwaterspiegel steeg. Vanaf het Boreaal (10.800 – 8.900 jaar geleden) ontwikkelde broekveen in het gebied. Dit mesotroof veen bestaat voornamelijk uit resten van zegge en hout. De veengroei ging door tot in het Atlanticum (8.900 – 5.800 jaar geleden) wanneer zich ook hoogveen begon te ontwikkelen. Langs plaatselijke riviertjes, zoals de Linde en Steenwijker Aa, bestond het gebied nog voornamelijk uit broekveen, vanwege de aanvoer van voedselrijk water. Verder van deze rivieren kon onder voedselarme omstandigheden hoogveen ontwikkelen, dat uit veenmosveen bestond. Sinds het ontstaan van de Zuiderzee vanaf de 12e eeuw nam de invloed van de zee in het gebied toe. Hierdoor werd klei boven op het veen afgezet en onder invloed van stormen trad afkalving van het veen plaats
Menselijk ingrijpen
Onder invloed van de mens is het landschap sterk veranderd. Het veengebied werd sinds de 14e eeuw gebruikt voor de turfwinning. In de eerste instantie gebeurde dit door slechts de bovenste laag hoogveen af te graven, maar langzaamaan begon men ook onder de grondwaterspiegel veen te winnen. Deze methode is vanaf de 16e eeuw op grote schaal gebruikt. De turfwinning vond plaats doormiddel van langwerpige trekgaten (weren) die werden gegraven en vervolgens volliepen met water. Tussen de trekgaten lagen legakkers (ribben) waar de turf op werd gelegd om te drogen. In de loop van de tijd is het hoogveen verdwenen en is een landschap ontstaan langgerekte akkers en waterlopen. Veel trekgaten zijn na de vervening verland, waarbij kraggeland is ontstaan. Bij dijkdoorbraken en stormen konden legakkers worden weggeslagen door golfwerking, waarbij grote plassen (wieden) ontstonden. Op deze manier zijn de Beulakkerwijde en Belterwijde gevormd tijdens de stormvloeden van 1775 en 1776. In het begin van de 20e eeuw is de turfwinning gestopt.
Doordat het veengebied Weerribben - Wieden hoger ligt dan de omgeven polders, vindt wegzijging van water plaats uit het veengebied. Hierdoor daalt het gebied Weerribben - Wieden. Dit proces is toegenomen door de aanleg van de Noordoostpolder in 1941.
Huidige aardkundige processen
In de trekgaten vindt verlanding plaats, waardoog kraggeland ontstaat.
Bodems en waterhuishouding
Het grootste deel van het gebied bestaat uit open water. De intacte legakkers bestaan uit veenbodems, zoals vlierveengronden en meerveengronden.
Relatie met cultuurhistorie en archeologie
- Het veengebied is sterk veranderd door intensief landgebruik. In het gebied is de geschiedenis van de veenafgraving nog goed zien aan de overgebleven structuren van ontwatering, gevormd door trekgaten (weren), legakkers (ribben) en plassen (wieden).
- Woonkernen werden gesticht als basis van waaruit de ontginning plaatsvond, zoals Giethoorn, Kalenberg en Wetering. Zo’n ontginningsbasis lag gewoonlijk langs een gegraven of natuurlijke waterloop, waar vanuit het veengebied door sloten in 1 – 1,5 km lange smalle percelen werd verdeeld.
Verder lezen
- De Soet, F. (1975). Gea-objecten van Overijssel. Arnhem, Rijksinstituut voor natuurbeheer, RIN-rapport, 32, 605.
- Makken, H. (1988). Bodemkaart van Nederland, Schaal 1:50 000: Toelichting bij de kaartbladen 16 West Steenwijk en 16 Oost Steenwijk. Pudoc, Wageningen.
- Neefjes, J., H. Bleumink, A. Jansen (2023). Landschapsbiografie Weerribben-Wieden.
Overlap met eerder genoemd aardkundig erfgoed
- GEA-object: 16W2 Weerribben, 21O1 Wieden
- Van Beusekom (2007): OV 57
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema'sTrefwoordenLaagveen, Hoogveen
Begrippen
Specialist(en)Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 22 mei 2026 om 02:06.