Begraafplaatsen - funerair erfgoed tussen zorg en regels


Introductie

Er is een onmiskenbaar spanningsveld tussen de zorg voor funerair erfgoed, de wettelijke regelgeving en religieuze regels en voorschriften. Er is sprake van een krachtenveld waarbij wetgeving, de wensen uit de maatschappij en het klimaat soms tegenover elkaar staan. Zorg voor een historische bomenlaan op een begraafplaats kan door een storm leiden tot een moeizaam traject, waarbij vanuit de overheid en de maatschappij druk wordt uitgeoefend. De een wil exact dezelfde bomen terug, de ander wil eerst nader onderzoek, misschien zelfs wel archeologisch. Dat kan als het gaat om een middeleeuws kerkhof waar misschien sporen van eerdere kerken aanwezig zijn. Waar de keuze op valt is niet altijd duidelijk en dat de kosten uit de hand kunnen lopen, is ook vaak te horen.

Tijdens een bijeenkomst van het platform Funerair Erfgoed op 25 maart 2026 deelden vier sprekers hun ervaring en kennis ten aanzien van de dagelijkse praktijk. Daarbij werd ingegaan op de regelgeving, de kerkrechtelijke eisen op Joodse begraafplaatsen, de archeologische praktijk rondom stoffelijke resten en de praktijk van het tuinlandschappelijk beheer. Vooraf werd een inleiding gegeven over het krachtenveld rondom begraafplaatsen. In dit kennisartikel wordt een weerslag gegeven van het webinar. De bijeenkomst is ook in zijn geheel terug te kijken via publicaties.
Schematisch overzicht met verschillende blokken en pijlen die naar elkaar verwijzen.
Afb. 1. Het complete kader zoals beschreven in de inleiding van Leon Bok over begraafplaatsen in Nederland.
Man achter een grote zul met achter hem een presentatie op de wand.
Afb. 2. Igle Weidenaar van de LOB over regelgeving en zorg.
Veld met diverse stenen in verschillende vormen en kleuren.
Afb. 3. Zonder voorschriften worden de monumentale waarden op de duur aangetast. Nieuwe grafmonumenten kunnen uiteraard, maar wel beter ingepast.
Zanderige vlakte met daarin grijze staande stenen met een haag rondom.
Afb. 4. De ideale Joodse begraafplaats, zonder enig groen, ligt in Geffen. Deze wordt onderhouden naar de Joodse maatstaven.
Een heuvel met begroeiing onder een blauwe lucht in een wijds landschap.
Afb. 5. Hoewel er op het Jodenbergje in Hardenberg bomen staan, horen deze bij de gegroeide situatie en zal de Joodse gemeente deze zeker niet verwijderen.
Plattegrond met centraal een kerk en daaromheen vakjes die graven representeren.
Afb. 6. Opgraving in Oldenzaal waar de dichtheid van de graven rond de kerk goed wordt weergegeven.
Schematisch overzicht met vakjes en pijlen.
Afb. 7. De AMZ-cyclus die binnen de archeologie gehanteerd wordt.
Een groot gat, afgedekt met plastic met erin twee mensen en rondom toeschouwers.
Afb. 8. In Arnhem werd een deel van de opgegraven stoffelijke resten op plechtige wijze herbegraven. Een ander deel, dat meer complete en goed geconserveerde individuen bevatte, werd toegankelijk herbegraven in een crypte van de kerk.
Centraal een machine op een pad met aan weerszijden hoge bomen.
Afb. 9. Deze laan met treursparren op de begraafplaats (hier in 2006) bleef grotendeels gespaard.
Paden in het gras met centraal een boom met hangende takken.
Afb. 10. Beeld van het centrum van de begraafplaats in Castricum met een treurbeuk.

Funeraire landschap in Nederland – aantallen en krachtenveld

Nederland telt anno 2026 4.600 begraafplaatsen. Daarvan zijn er 2.545 in beheer bij een kerkelijke of particuliere instelling, 1.565 bij een gemeente en 239 zijn van Joodse origine. Ook zijn er 289 begraafplaatsen die bovengronds geruimd zijn, maar niet geheel verdwenen. Juist in de laatste categorie komt verschillende regelgeving bij elkaar. Van de 4.600 begraafplaatsen zijn er 580 geheel of gedeeltelijk beschermd als rijksmonument en 508 zijn gemeentelijk monument.

Het krachtenveld rondom begraafplaatsen zet de wetgeving en maatschappij naast elkaar met als gemene deler het klimaat en de biodiversiteit. Alle krachten werken op elkaar in, maar elk op geheel eigen wijze. Vanuit de wetgeving spelen op landelijke niveau de Wet op de lijkbezorging (Wlb) en de Erfgoedwet een rol. Zo is het beheer van een begraafplaats geregeld in de Wlb, maar vindt aanwijzing tot rijksmonument plaats via de Erfgoedwet. Vanuit de maatschappij spelen tendensen, wensen en voorkeuren een rol die tot wet geformuleerd kunnen worden. Gemeenten in Nederland dienen de Omgevingswet in te zetten voor aanpassingen aan begraafplaatsen, maar kunnen via hun eigen erfgoedverordening ook begraafplaatsen aanwijzen als gemeentelijk monument.

De regelgeving uit de Wlb stelt eisen aan het eigenaarschap van begraafplaatsen, maar dat kan ook liggen bij een stichting met vrijwilligers. Zeker als een kerkelijk genootschap het eigendom heeft van een begraafplaats, dan wil ze haar religieus kader toepassen, zowel in de regelgeving als in de uitvoering. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat men geen asbestemmingen toepast. Verder spelen culturele gebruiken een rol. Vanzelfsprekend zijn er dan maatschappelijke ontwikkelingen die een rol spelen, zoals de toename van het cremeren in de 20e eeuw of de wens meer aandacht aan gedenken te besteden op een begraafplaats in een groene omgeving. Het vergroenen van een begraafplaats kan juist de historische opzet doen verdwijnen of vrijwilligers planten soorten aan die niet bij het ontwerp passen. Maatregelen om verdroging tegen te gaan, vallen niet altijd goed, terwijl juist klimaatadaptie steeds belangrijker wordt. Zie afb. 1. Maar het is een kader en in werkelijkheid is het wettelijk kader nog veel complexer, zoals Igle Weidenaar van de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB) in zijn presentatie laat zien.

Het wettelijke kader in de beheerpraktijk – bescherming of belemmering

De LOB is de algemene brancheorganisatie voor de houders van begraafplaatsen. Zie afb. 2. Dat kunnen zowel gemeenten zijn als houders van bijzondere begraafplaatsen. Het gaat om ruim 600 leden die gezamenlijk bijna 80% van alle begravingen in Nederland uitvoeren. Alle begraafplaatsen hebben op hoofdlijnen te maken met hetzelfde wettelijke kader, maar door de tijd is een woud aan verschillende wet- en regelgeving ontstaan. De basis daarvoor werd gelegd met de Begrafeniswet uit 1869, later de Wet op de lijkbezorging (Wlb). Deze wet bevat de kaders voor de lijkbezorging in Nederland en bevat voorschriften voor het beheer en de instandhouding van begraafplaatsen, graven en crematoria. In het Besluit op de lijkbezorging, een Algemene maatregel van bestuur, worden regels gesteld voor bijvoorbeeld de wijze van begraven, afstand tussen de graven onderling en de minimale afstand tot de gemiddeld hoogste grondwaterniveau.

Op gemeentelijk niveau speelt de Beheersverordening voor gemeentelijke begraafplaatsen een rol, vastgesteld door de gemeenteraad. Voor bijzondere begraafplaatsen is dat een beheersregelement, vastgesteld door de houder van de begraafplaats, bijvoorbeeld een College van kerkrentmeesters. In beide gevallen kan men nog Nadere regels of een Uitvoeringsbesluit vaststellen.

Daarnaast speelt op landelijk niveau de Erfgoedwet die de bescherming, beheer en toezicht regelt op het cultureel erfgoed in Nederland. Elke gemeente kan een Erfgoedverordening opstellen voor regels en voorschriften met betrekking tot cultureel erfgoed. Vanaf 2024 geldt landelijk de Omgevingswet. Hierin wordt alles geregeld wat te maken heeft met de fysieke leefomgeving, zoals bouwen, milieu, waterbeheer en natuur. De Omgevingswet zou een vereenvoudiging moeten zijn van bestaande wetgeving door 26 wetten te bundelen. Op grond van Omgevingswet dienen gemeenten een Omgevingsplan op te stellen dat specifieke regels voor de gemeente bevat voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan vervangt het traditionele bestemmingsplan. Implementatie is voorzien voor 1 januari 2032.

Beheerders van begraafplaatsen hebben ook nog te maken met andere wetten, zoals de Algemene wet bestuursrecht, bijvoorbeeld bij een bezwaar tegen een vergunning tot opgraving of de Wet basisregistratie personen voor het vastleggen van namen, adressen, BSN-nummers en dergelijke. Veel regels, maar niet alle relevant voor instandhouding van begraafplaatsen. De Wlb bevat artikelen die toezien op de instandhouding van begraafplaatsen die ook kunnen doorwerken voor de instandhouding van het funerair erfgoed.

Grafrechten

Voordat de nieuwe Wlb in 1991 van kracht werd, was het niet ongebruikelijk om grafrechten voor onbepaalde tijd uit te geven. Er was geen verplichting om grafrechten schriftelijk te vestigen. Daardoor waren nabestaanden vaak in de veronderstelling dat graven voor altijd in stand zouden blijven, terwijl dat in de praktijk lang niet altijd zo was. Met het aanpassen van het grafrecht dacht men destijds dat een kortere uitgiftetermijn capaciteitsproblemen op begraafplaatsen zou voorkomen. Grafrecht voor bepaalde tijd met recht op verlenging werd de norm. De werkelijkheid pakte anders uit, want door crematie liep het aantal begravingen sterk terug. Ook vonden minder verlengingen plaats waardoor graven sneller in aanmerking komen om geruimd te worden. Daarmee valt veel van het jongere funeraire erfgoed al na 20 tot 30 jaar weg. Er zijn wel beleidsmatige keuzes te maken om toch grafmonumenten te behouden, maar dit drukt op de begroting van een begraafplaats, terwijl de inkomsten teruglopen.

Opgraven in het kader van de Wlb

Voor het opgraven van individuele stoffelijke resten is altijd een vergunning vereist. De Wlb stelt geen beperking aan een termijn na begraven wanneer geen vergunning meer nodig zou zijn. Bij opgravingen kan de instandhouding van funerair erfgoed in het geding komen. Meestal worden de stoffelijke resten gecremeerd en wordt het grafmonument verwijderd. Voor bijzondere personen die op zo’n begraafplaats begraven liggen, kan dat betekenen dat hun graf verloren gaat.

Ruimen van graven is een verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de houder van de begraafplaats op grond van de Wlb. Het ruimen van graven is onder te verdelen in bovengronds en ondergronds ruimen. Bij dat eerste, als de grafrechten niet verlengd worden, wordt het grafmonument verwijderd, terwijl de stoffelijke resten blijven liggen. Na het einde van het grafrecht wordt het grafmonument eigendom van de begraafplaats. Zelfs dan mogen de grafmonumenten daarna niet altijd verwijderd worden. Zo kan het zijn dat grafmonumenten zijn aangewezen om te worden behouden omdat ze op een lijst van graven zijn geplaatst die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. Bij ruiming moet het college meestal eerst onderzoeken of een grafmonument niet in aanmerking komt om op de lijst te worden bijgeschreven. Aanleiding voor deze lijst komt uit de Modelverordening van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) en veel gemeenten hebben dit artikel in hun beheersverordening overgenomen. Te vaak wordt echter geen gevolg gegeven aan dit artikel wat ook de vraag oproept of het opstellen van zo’n lijst misschien niet geregeld zou moeten worden via de Erfgoedverordening.

In de Wlb is ook geregeld dat begraafplaatsen of delen daarvan gesloten kunnen worden. Draagt het gesloten verklaren van een begraafplaats bij aan de instandhouding van funerair erfgoed? Er mag niet meer begraven worden, maar asbestemmingen mogen nog wel. Afhankelijk van de bepalingen in verordening of reglement eindigen grafrechten als de begraafplaats zijn bestemming verliest. Het sluiten van de begraafplaats is daar de voorloper van. In de Wlb zijn termijnen opgenomen hoe lang een begraafplaats, nadat deze gesloten verklaard is, in stand gehouden moet worden. Deze maatregel is zeker van belang voor de instandhouding van funerair erfgoed. Zolang er op een gesloten begraafplaats nog graven liggen, zijn de voorwaarden vanuit de Wlb van kracht. Veel zogenaamd gesloten begraafplaatsen blijken in werkelijkheid helemaal nooit gesloten te zijn, er wordt alleen niet meer begraven. Een dergelijke begraafplaats kan evenwel een rijke bron van zowel funerair erfgoed als een ecologisch waardevolle plek vormen.

Erfgoedwet en beperkingen

Geeft de aanwijzing als monument ook beperkingen bij het beheer van een begraafplaats? Of brengt het juist kansen? De meningen daarover verschillen. De houder van de begraafplaats heeft een instandhoudingsplicht op basis van de aanwijzing tot monument. Mogelijke beperkingen ten aanzien van nieuwe grafmonumenten zijn goed te ondervangen in de Nadere regels voor grafbedekking. Daarmee kan een aantasting van de monumentale status voorkomen worden. Zie afb. 3.

Aan de andere kant kan de monumentale status kansen bieden. Denk daarbij aan de heruitgifte van een graf of graven met een bijzonder grafmoment. Met goede regelgeving voor de instandhouding van dat grafmonument kan het rijksmonument ‘levend’ gehouden worden. Dat kan weer nieuwe grafuitgifte of langere instandhouding van bestaande graven betekenen. Dit vraagt wel iets van zowel de houder van de begraafplaats, als van de gebruikers van de begraafplaats.

Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet regelt alles wat te maken heeft met de fysieke leefomgeving, zoals bouwen, milieu, waterbeheer en natuur. De vertaling van de Omgevingswet naar regelgeving op gemeentelijk niveau is geregeld in een Omgevingsplan. Voor allerlei activiteiten die raakvlakken hebben met wijzigingen van de fysieke leefomgeving is een omgevingsvergunning vereist. Om na te gaan of een vergunning vereist is of dat een melding volstaat, kan het Digitale omgevingsloket geraadpleegd worden. De Omgevingswet en het omgevingsplan hebben echter ook invloed op de Beheersverordening van begraafplaatsen. Zo moeten een aantal artikelen die nu via zo’n verordening zijn geregeld, overgebracht worden naar het Omgevingsplan. Denk hierbij aan de aanvraag van een vergunning grafbedekking, het uitvoeren van onderhoud door de rechthebbende, ruiming van graven en de eerder genoemde lijst van historische graven. Daarnaast zijn er een aantal artikelen die beslist in de Beheersverordening/reglement of Nadere Regels blijven omdat ze geen gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

De VNG heeft voor deze complexe materie handreikingen opgesteld zoals de Handreiking Erfgoedverordening en omgevingsplan en Handreiking Beheersverordening begraafplaatsen en omgevingsplan.

Bescherming of belemmering?

Wettelijke kaders kunnen zeker bescherming bieden. De Wlb geeft graven en nabestaanden zekerheid en bescherming. Niet alleen aan hen, maar ook aan de houder van een begraafplaats. Dat geldt ook voor andere wetgeving, met name bij een monumentale status van begraafplaatsen. Zo geldt een instandhoudingsplicht, maar dit vraagt ook om financiering. De begraafplaats is daarbij niet verantwoordelijk voor alle kosten. De grafmonumenten zijn immers eigendom van de rechthebbenden en volgens de Beheersverordening zijn zij in de basis verantwoordelijk voor het onderhoud van hun monument. De houder van de begraafplaats is daarbij verantwoordelijk voor de instandhouding van de begraafplaats op zich. Op basis van wetgeving kan een rechthebbende gedwongen worden om het grafmonument te onderhouden.

Aan de andere kant kan wetgeving een belemmering vormen bij het dagelijks beheer van begraafplaatsen. Graven waarop nog grafrecht voor onbepaalde tijd rust kunnen een belemmering vormen bij een herinrichting. Instandhouding van monumentale graven die in beheer zijn bij de houder van de begraafplaats kunnen een financiële last vormen. Zoek dan echter naar mogelijkheden voor cofinanciering en laten we met elkaar ervoor zorgen dat het funeraire erfgoed niet verloren gaat.

Joodse begraafplaatsen – Bein Kodesj Lechol (tussen heilig en profaan)

Namens het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap sprak Eduard Huisman over Joodse begraafplaatsen. Hij was van 2014 tot 2023 consulent voor de Joodse begraafplaatsen en deelt vanuit die ervaring zijn kennis.

Het dagelijkse handelen van Joden is gebaseerd op de heilige Tora. Wil je weten hoe je om moet gaan met begraven en begraafplaatsen, dan is dat te vinden in de Tora of in de geschriften die hun oorsprong hebben in de Tora. Een Joodse begraafplaats is altijd een afgescheiden ruimte. Dat kan een hek zijn, een heg, een muur. Primair dient een begraafplaats om te begraven, liefst heel kort na het overlijden. Ook grafbezoek is voor Joden erg belangrijk. Dat kan omdat graven op Joodse begraafplaatsen in principe niet geruimd worden. Sommige begraafplaatsen in Nederland gaan terug tot de 17e eeuw waar oude graven nog intact zijn. Het is ook een soort bedevaartsoord waar familieleden en anderen komen om gebeden te zeggen. Aan het bezoek zijn wel wat richtlijnen verbonden, op zaterdag wordt geen begraafplaats betreden omdat dat de rustdag is. Verder dienen jongens en mannen bij een bezoek hun hoofd te bedekken en verder zijn recreatieve activiteiten niet toegestaan.

In de Tora wordt de eerste keer over een grafmonument gesproken bij de dood van Sarah. Verder staat daar ook beschreven hoe een begrafenis verloopt. De persoon wordt met het grootste respect gewassen en gereed gemaakt voor de begrafenis. Dit werk wordt vooral gedaan door vrijwilligers of door gecontracteerde uitvaartverenigingen. De dode wordt in een speciaal gewaad gekleed onder het reciteren van gebeden. Zo gebeurt het al duizenden jaren, en overal ter wereld.

Begraven doen Joden omdat in de Tenach (het Oude Testament) staat beschreven dat er op enig moment een opstanding van de doden zal plaatsvinden. Begraafplaatsen heten in het Hebreeuws vaak Beth Haim, huis des levens. Als de wederopstanding plaatsvindt moet het lichaam intact zijn. Daarom wordt er ook niet direct boven elkaar begraven.

Bij het begraven speelt onderhoud een rol. Veel onderhoud is na 1945 nagelaten omdat er simpelweg te weinig mensen waren die het werk konden doen of de middelen konden opbrengen. Veel begraafplaatsen zijn ondergebracht bij het NIK, maar er zijn ook veel nog in handen van een Joodse gemeente of soms een andere organisatie. Vrijwilligers, soms ook van Joodse oorsprong, op Joodse begraafplaatsen weten niet altijd wat ze moeten doen. Als ze niet zeker zijn van wat ze kunnen doen, dan kunnen ze altijd contact leggen met het rabbinaat of het NIK.

Er kunnen zaken optreden waar de Joodse wetgeving strijdig is met de Nederlandse wetgeving. Daarbij is het credo om eerst goed advies in te winnen, zodat niet onbezonnen met het erfgoed omgegaan wordt. Bij de aanleg van nieuwe Joodse begraafplaatsen worden geen bomen geplant. Zie afb. 4. Dat heeft te maken met het feit dat de Joodse priesters (Koheen genaamd) zich niet mogen verontreinigen aan een stoffelijk overschot, behalve als dat een nabij familielid is. Een boom of grote struik over een graf wordt opgevat als een dak waardoor de Koheen onder een dak is met de dode en dat is niet toegestaan. Toch zijn er uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld de fraaie aanplant op het Jodenbergje in Hardenberg. Zie afb. 5.

Dodenakkers als bodemarchief – Een samenspel van wetenschap, projectbeheersing en ethiek

Juliet Rebergen is projectleider in de archeologie en daarbij gespecialiseerd in funeraire archeologie en in het bijzonder menselijk botmateriaal. Dit is een groot en omvangrijk onderwerp. Alleen al over de ethische kant en hoe in de archeologie met menselijke resten omgegaan wordt, valt een heel symposium te vullen. Hier gaat het nu specifiek over de ondergrond van historische kerken en begraafplaatsen. Daarvan wordt een zo concreet mogelijk beeld geschetst, wat hierin te verwachten is en hoe daar het beste mee omgegaan kan worden. Dat geldt voor het erfgoed, voor de belanghebbende en voor de mensen van wie we mogelijk de grafrust verstoren.

De realiteit van de ondergrond, wat te verwachten?

Wat men bovengronds ziet bij een kerkhof, de grafmonumenten, paden, de indeling, of soms alleen een restant van de kerkhofmuur tot alleen maar gras of stenen, is slechts een momentopname. Ondertussen zit er in de ondergrond een schat aan informatie opgeslagen uit het verleden, een heel archief in de bodem. Bij oudere kerken is het een resultaat van eeuwen begraven, ophogen en opnieuw begraven. Steeds weer uitgevoerd door een volgende generatie, met net een andere kerkhofindeling of zelfs een volgende versie van een kerkgebouw, die dan weer door de tijd heen is vergroot en iets is verplaatst. Het resultaat is een gelaagde bodem met de oudste resten onderin, gevuld met opeenvolgende lagen van begravingen en oude funderingen, maar ook van oudere bewoningslagen uit de tijd voor de kerk of de begraafplaats.

En dan zijn er natuurlijk menselijke begravingen, want dat is wat we veel tegenkomen op dergelijke locaties. Vaak hebben we te maken met de aanname die bij elk project bij een kerk of voormalige begraafplaats speelt: namelijk dat de graven al geruimd zouden zijn. De archeologie laat zien dat dit bijna nooit zo is of in ieder geval nooit volledig. Als voorbeeld de 19e-eeuwse begraafplaats Onder de Linden in Arnhem, nu een speelplaats. Daar was de verwachting dat de graven geruimd waren, maar een archeologische proefput toonde aan van niet, waardoor vervolgens tijdig een opgraving in het proces kon worden gebracht. Zie afb. 6.

Vooral bij kerken waar langere tijd is begraven kunnen grote hoeveelheden menselijke begravingen worden verwacht. Begravingen liggen tot makkelijk meer dan twee meter diepte. Vandaag de dag liggen stoffelijke resten een stuk dieper in de ondergrond. Rond kerken liggen ze soms niet dieper dan ongeveer twintig/dertig centimeter en soms zelfs maar enkele centimeters onder het maaiveld of de kerkvloer. Dus ook kleine bodemingrepen kunnen potentieel funerair erfgoed in de ondergrond verstoren.

Grenzen

De ruimtelijke begrenzing van oude graven is vaak niet wat we verwachten. Vaak wordt naar 19e-eeuwse kaarten gekeken en op grond daarvan bepaalt men wat men kan verwachten. De grenzen van een oud kerkhof zijn door de tijd heen veranderd en kloppen zelden met wat nu zichtbaar is. Conclusie daarvan is dat wat er in de ondergrond zit, vaak niet volledig historisch bekend is en dus vaak intact en vaak in een grotere hoeveelheid dan gedacht.

Hoe kan hier mee omgegaan worden, uitgaande van het feit dat archeologisch erfgoed wettelijk beschermd is door de Erfgoedwet? Voorafgaand aan elke ingreep moeten archeologische belangen meewegen. Daarom is archeologie geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Elke geplande verstoring vereist een vergunning. Of daarbij ook archeologisch onderzoek vereist is, hangt af van het gemeentelijk beleid. De Erfgoedwet schrijft namelijk niet voor wát er precies moet gebeuren maar dát er nagedacht moet worden voordat er gehandeld wordt. Dat laat ruimte voor maatwerk, met als gevolg de gemeentelijke verschillen.

De wet dekt echter niet alles, wat gevolgen heeft die belangrijk zijn om hier te noemen. Zo vallen actieve, maar historische begraafplaatsen, bij ruimingen grotendeels buiten de Erfgoedwet. Missen we misschien iets door deze vanuit archeologisch oogpunt, ongeziene ruimingen? We denken te weten hoe grafrituelen in de 19e eeuw eruitzagen, maar uitzonderingen zijn eerder de regel. Waar begroeven grafdelvers honderd jaar geleden bijvoorbeeld de doodgeboren kinderen? Het archief weet het vaak niet. De bodem wel.

En voor deze periode zijn rijke historische bronnen beschikbaar: archieven, registers, foto's. Die combinatie met skeletmateriaal is uniek en nog nauwelijks benut. Dit is de archeologie van de toekomst en die verdwijnt onzichtbaar bij elke ruiming zonder archeologisch onderzoek. Dat geldt ook voor kleine leidingtracés buiten de vergunningsplicht van een gemeente om.

Archeologie, wanneer een last, Wanneer een kans?

Feitelijk gaan beide op. Het verschil zit bijna nooit in de archeologie zelf, dat wil zeggen in wat er in de grond zit. Het zit eerder in het moment waarop het onderzoek wordt ingepland en de keuze voor het type onderzoek. In de archeologische monumentenzorg (AMZ) hanteert men de zogenaamde AMZ-cyclus. Zie afb. 7. Dit proces gaat uit van de wetenschap dat opgraven destructief is. Het kan maar één keer. Het streven is dan ook behoud in situ, want de ondergrond is de beste bewaarplek voor archeologische resten. En zo wordt het bewaard voor de toekomst, voor misschien betere technieken, voor vragen die we nu nog niet weten te stellen. Daarom graven we niet zomaar alles op. Er gaat een heel proces aan vooraf. De cyclus begint altijd met bureauonderzoek waarin de vraag wordt beantwoord wat de archeologische verwachting voor een plangebied is en of er vervolgonderzoek nodig is. Dat kan een inventariserend veldonderzoek zijn waarbij door middel van proefputten en boringen gekeken wordt of de ondergrond nog intact is en of er ook echt archeologie zit. Op basis daarvan neemt de bevoegde overheid een selectiebesluit: wat onderzoeken we, kunnen de bouwplannen misschien aangepast worden, zodat het minder verstorend is voor de archeologie? Pas als er echt geen andere optie is, volgt een opgraving.

Er bestaat ook zoiets als archeologische begeleiding. Dat is een aanpak waarbij een archeoloog de werkzaamheden begeleidt en ingrijpt als er iets opdaagt. De inventariserende fase wordt dan overgeslagen. Dat lijkt efficiënt en kostenbesparend, maar zo ga je eigenlijk blind een project in. Zodra er namelijk meer archeologie blijkt te zitten, staat het project stil—zonder overzicht over wat er nog komt. Dat geeft vertraging en de kans bestaat dat een goedbedoelde archeologische begeleiding leidt tot een onbeheersbaar project in tijd en dus in kosten.

Het is dus beter wanneer de archeologie al vroeg in de planfase wordt betrokken. Daar kunnen dan de afwegingen worden gemaakt en is maatwerk mogelijk.

Ethische afwegingen

Menselijke resten nemen een bijzondere plek in de archeologie in. Ze zijn niet alleen een archeologische vondst en daarmee erfgoed, het zijn ook de resten van mensen die gedachten hadden over wat er na de dood gebeurt en over de eindbestemming van hun beenderen. Ethisch werken in de funeraire archeologie betekent niet alleen dat beenderen met respect worden behandeld, maar ook dat verschillende belangen per situatie worden afgewogen. Het is maatwerk. Er spelen drie belangen: het wetenschappelijk belang, het project/maatschappelijke belang en het belang van de individuen zelf.

Het gaat erom dat archeologie een kans biedt om een balans te vinden in de verschillende belangen die spelen, waardoor het ook makkelijker is hierover transparant te zijn. Transparantie in communicatie hoort bij ethisch werken. Vroeg archeologie betrekken betekent ook nadenken over communicatie. Een goede communicatie is onderdeel van de zorgplicht die bij dit werk hoort. Wanneer dit ontbreekt of te laat komt, kan een zorgvuldig uitgevoerd project alsnog beschadigd raken. Niet altijd omdat er iets fout is gegaan, maar omdat er niet tijdig of open gecommuniceerd is. Terwijl netjes uitgevoerde archeologie juist een punt van zorg en verantwoordelijkheid laat zien, met als resultaat een verhaal dat teruggegeven kan worden aan de maatschappij. Zie afb. 8.

Afsluitend:

  1. De ondergrond bevat meer archeologie dan men denkt. Dat geldt ook voor locaties die als geruimd te boek staan, het ligt ondieper en ook buiten de bekende grenzen.
  2. Vroeg nadenken over archeologie voorkomt verrassingen, beheerst kosten en geeft ruimte voor een kwalitatief goed en ethisch verantwoord proces. Betrek daarbij tijdig de juiste specialist.
  3. Wetenschap, projectbeheersing en ethiek zijn geen tegengestelde belangen. Ze versterken elkaar, mits ze alle drie tijdig serieus worden genomen.

Begraafplaatsen – Cultuurhistorie versus biodiversiteit … klimaat

De presentatie van Anja Guinée, landschapsarchitect, ging over het maken van beheervisies voor historische begraafplaatsen. Net als voor ander groen erfgoed zijn de herkenbaarheid van de periode van aanleg en de specifieke kenmerken van de aanleg belangrijke uitgangspunten voor het beheer. Dat geldt niet alleen voor de ontwerpen, maar ook voor de toegepaste beplantingen en materialen. In de praktijk kost behoud en herstel de nodige hoofdbrekens. De juiste historische cultivars zijn niet altijd te verkrijgen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met belangrijke ecologische waarden en de huidige eisen voor gebruik en onderhoud.

Bij bomen zorgen vooral ziekten en plagen voor dilemma’s. Wanneer kun je het wagen een gevoelige soort terug te planten en wanneer niet? Klimaatverandering maakt het nemen van beslissingen extra lastig, omdat klimaat invloed heeft op groeiplaatsen van bomen en daarmee op hun gezondheid. Aan de hand van twee projecten illustreerde Anja Guinée deze problematiek.

Eerste project: de begraafplaats Tongerseweg in Maastricht

In 1809 zorgde stadsarchitect Jean François Soiron voor een bescheiden begraafplaats op een goed bereikbare locatie buiten de stad. In fasen is deze uitgebreid tot uiteindelijk een groot complex dat Begraaf- en Gedenkpark Tongerseweg wordt genoemd. De oudste delen (tot 1920) zijn rijksmonument. De gemeente Maastricht wilde graag een tuinhistorisch onderzoek als basis voor een beheerplan. Omdat langs het grid van paden érg veel coniferen staan, had men vooraf twee wensen: het zorgen voor betere oriëntatiemogelijkheden en een groter aandeel loofbomen.

Aanvankelijk waren er geen bomen, behalve coniferen achter de monumenten aan de paden. Pas na de eerste uitbreiding - geïnspireerd op een classicistisch voorbeeldontwerp van architect C. Kramm - werden de twee toegangspaden vanaf de Tongerseweg voorzien van kastanjelanen. Bij de tweede uitbreiding kwam er nog een kastanjelaan bij, maar zorgde de Leuvense tuinarchitect Pierre Egide Rosseels tevens voor enige verbijzondering. Hij plantte enkele samengestelde bruine beuken langs een as en een mammoetboom in een rotonde.

Rond 1910 werd de begraafplaats naar het noorden toe bijna verdubbeld. Ook de Joodse begraafplaats werd twee keer zo groot en voorzien van een nieuwe toegang. Ditmaal maakte zoon Livin Gustave Rosseels een beplantingsplan, zowel voor de uitbreiding als de bestaande delen. Hij voegde lanen van bruine beuken en treursparren toe en accentueerde de rotondes, vooral met treurbomen op hoeken. De Joodse begraafplaats kreeg een laantje van donkergroene coniferen.

In 2022 was de bomenstructuur sterk verbrokkeld. Kastanjes waren er helemaal niet meer. De hoofdpadenstructuur was nog wel intact en langs sommige paden lagen zelfs oorspronkelijke opsluitbanden. Voor begrafenissen en het rijden met beheermaterieel was een circuit geasfalteerd en voorzien van een slijtlaag van grind. Voor het historische karakter is dat niet storend. Temeer niet omdat bij de poorten nog steeds kasseien liggen. In de tijd dat alle paden onverhard waren, was hier verharding noodzakelijk voor de koetsen met paarden.

Het bedenken van een gevarieerde en tegelijk historisch verantwoorde lanenstructuur was een puzzel met veel variabelen. Er is voor gekozen om de kastanjes in de hoofdassen achter de poorten te vervangen door drie andere soorten die bij de perioden van aanleg passen, herkenbaar zijn en ecologisch nuttig. Vervanging van een oost-westrij coniferen door Robinia’s maakt verder de grens van de uitbreiding van 1910 duidelijk. De treursparrenlanen van Gustave Rosseels zijn bijzonder en te kenmerkend om ze te vervangen door loofbomen. Zie afb. 9. Gezien de gezondheid van de resterende exemplaren is inboet goed mogelijk. Voor de populatie eekhoorns wel zo fijn.

Tweede project: de begraafplaats Duin en Bosch in Castricum

In 1908 stichtte de provincie Noord-Holland in het voormalige Koningsduin de psychiatrische instelling Duin en Bosch. De bijhorende begraafplaats dateert uit 1909 en was bedoeld voor zowel patiënten als personeelsleden en hun familie. De begraafplaats is nu eigendom van PWN, een organisatie die is toegespitst op natuurbeheer, maar in toenemende mate ook aandacht heeft voor cultuurhistorische waarden.

Voor de aanleg van de begraafplaats werd een stuk duinvallei opgehoogd met zand en vervolgens sober ingericht. Vanaf het mortuarium leidde een pad naar de toegang en sloot daar aan op een middenas. Het padenstelsel van zand en graspaden verdeelde het veld in een algemeen en een katholiek deel en vervolgens in vakken voor graven van de eerste, tweede en derde klasse. Voor de katholieken werd een kleine calvarieberg opgericht aan het einde van een dwarsas.

Omstreeks 1917 kreeg Leonard Springer bemoeienis met Duin en Bosch. Er zijn tekeningen van hem bewaard gebleven voor een reeks afgesloten tuinen bij gebouwen. Vermoedelijk heeft zijn neef Gerard Bleeker vervolgens een verbeteringsplan voor de begraafplaats gemaakt, dat tussen 1920 en 1925 werd uitgevoerd. Bleeker werkte op het bureau van Springer in Haarlem, maar had ook eigen opdrachten en was meer vernieuwend in zijn werk.

De bestaande plattegrond paste Bleeker aan tot een handvorm die rijk en arm symbolisch samen vasthoudt. Daarnaast gaf hij met de plaatsing van een dertigtal zuilvormige iepen ruimtelijk vorm aan het ritueel van de begraafprocessies, die begonnen bij het mortuarium. Een iep in treurvorm zorgde daarbij voor een focuspunt in de middenas.

De begraafplaats werd In 1963 gesloten en later afgestoten door de nieuwe eigenaar van de gebouwen. In 1993 waren de paden nog hersteld met schelpen, maar de begraafplaats kreeg als onderdeel van de duinen ook de status van natuurgebied. Er waren in 2008 nog zo’n 25 iepen aanwezig, inclusief de treuriep, maar deze werden vanwege iepziekte zes jaar later allemaal gerooid. Ondertussen waren er vrij veel nieuwe bomen aangeplant op willekeurige plekken.

Het was voor PWN geen uitgemaakte zaak dat het ontwerp van Gerard Bleeker zou worden hersteld. Sommige boswachters vonden de schrale vegetatie tussen de resterende grafstenen van grotere waarde. De meningen over het handhaven van de in- en uitheemse bomen liepen ook uiteen. Omdat de rijen zuilbomen langs het omhooglopende pad en de treurboom in de middenas cruciaal zijn voor de beleving van het concept van Bleeker, zijn deze opgenomen in alle inrichtingsvarianten die zijn getekend. Met een boomkweker is overlegd over alternatieven voor de historische iepencultivars.

De versleten paden moesten in ieder geval geheel worden vernieuwd. Daarvoor werden duurzame en onderhoudsarme alternatieven voor schelpen vergeleken.

Op zeker moment is binnen de organisatie een compromis bereikt tussen nietsdoen en radicaal herstel. Er zijn zuilvormige haagbeuken geplant langs het toegangspad en in de middencirkel een treurboom. De paden kregen een halfverharding maar van de hand is één vinger niet compleet hersteld, waarschijnlijk omdat er een beuk in de weg stond. Ondanks hun betrokkenheid zijn de onderzoekers niet op de hoogte gesteld van de uiteindelijke uitvoering. Ook dat is onderdeel van het spanningsveld. Zie afb. 10.

Voor meer informatie: • Landelijke Organisatie van BegraafplaatsenNederlands Israëlitisch Kerkgenootschap.

Zie ook

Hoort bij deze thema's Begrippen

funerair erfgoed

Specialist(en)

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 15 apr 2026 om 02:11.