planken
Deel, plaat; stuk hout breder dan het dik is en langer dan breed.
- Synoniem: deel,delen,plank
- Breder: bouwelementen
- Smaller: baarlatten, radiale planken, duimsen, doften, klampplanken, naadlatten, kluisborden, schipplanken, weijen, bladen (plank), watergangen (plank), knijpdelen, zetboorden, bunplaten, schuurlijsten, vlakplanken, windveren, wegers, tengels (plank), vullingplanken, instekers, stevenplaten, wegeringsplanken, mastbanken, duizen, kabbellatten, blokdelen, kliphouten, stellingdelen, maststeunen, vuurplanken, kop- en staartdelen, vullingen (plank), duisplanken, haaieinden, schalklatten, slijtplanken, deklatten, gootklampen, kimwegers, boeiklampen, lijfhouten, kielplanken, platen (bouwelement), smetplanken, moslatten, tongen (scheepvaart), vogelschroten, scharen (plank), schenen (scheepvaart), tingels, dokken (plank), opboeisels, kimlatten, huidplanken, slijtlatten, mantelbretten, dekplanken, schaarstokken (scheepvaart), kimplanken, inzetstukken, zweetlatten, potdeksels, buikdenningsplanken en scheiplanken
- Begrippenkader: Cultuurhistorische Thesaurus
- Thesaurus: planken
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 jan 2025 om 03:23.