banden (gevelonderdeel)


Laag van natuursteen, enkel, maar gewoonlijk in veelvoud aangebracht om een bakstenen gevel te verlevendigen. Oorspr. meestal in witte arduin, later zandsteen of mergel. Van c. 1400 tot 1650 in de Nederlanden een geliefde versiering. Aanvankelijk bevonden zich de lagen vrij dicht bij elkaar, z.g. (zie) speklagen. Vroegste voorb. van dit ‘larderen’: transeptgevels van de St.-Bavo te Haarlem (1445), voet van de St.-Laurenstoren te Rotterdam (1449), Oude Kerk te Amsterdam (c. 1460), Markiezenhof te Bergen op Zoom (c. 1490). De late renaissance plaatste de banden verder uiteen en meer constructief aansluitend bij de indeling van de kozijnen (zeer sprekend in de Maaslandse renaissance). Ook versierde men de band met reliëf (vlechtwerk, rustica, bossage). Als de band geprofileerd is, spreekt men van cordonband of -lijst. (Haslinghuis)






Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het reactieformulier

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 20 aug 2024 om 05:02.