boorijzers
IJzeren boor, die in een booromslag of ander type boor bevestigd wordt om er mee te kunnen boren. Aan een boorijzer zijn drie delen te onderscheiden: kolf. hals en boor. De kolf kan plat of vierkant van doorsnede zijn. Later komen ook ronde kolven voor. Het eenvoudigste is de puntige spijkerboor waarmee gaten voor het aanbrengen van taaie nagels in hard hout werden voorgeboord. Het boorijzer kan lepelvormig zijn. de lepelboor. Diameters 2 tot 15 mm. Een spiraalboor kan een langzame of snelle spoed hebben. afhankelijk van de hardheid van het te boren hout fig. 38 nr. 1 en 2. Diameters 1 tot 25 mm. Wordt ook houtspiraalboor genoemd. Een centerboor heeft in het midden een uitstekende punt. aan een zijde een voorsnijmesje en aan de andere kant een horizontaal snijmesje fig. 38 nr. 3. Diameters 6 tot 50 mm. Vlaams: appelboor. Er zijn ook uitzonderlijke handgesmede exemplaren voor zeer grote gaten fig. 38 nr. 8. Een soevereinboor heeft een kegelvormige punt met scherpe ribbels en dient om de bovenkant van een geboord gat conisch te maken voor het verzinken van een schroefkop fig. 38 nr. 4. Diameters 12 tot 18 mm. Andere naam: opruimer. NB: er bestaan ook gereedschappen voor het ruimer maken van boorgaten die opruimer heten. Een verzinkboor dient een soortgelijk doel, maar is plat en minder scherp fig. 38 nr. 5. Andere namen: verzenkboor, koffiemolentje (Achterhoek). Een slangen boor kan een enkele of dubbele spoed hebben en is aan de onderzijde voorzien van een kleine spiraalvormige punt die de boor in het hout trekt. Onder aan de spiraal zijn soms snijmesjes aangebracht fig. 38 nr. 6 en 7. Diameters 5 tot 32 mm. Wordt ook spiraalboor genoemd.
- Synoniem: boorijzer
- Breder: boren (gereedschap)
- Begrippenkader: Cultuurhistorische Thesaurus
- Thesaurus: boorijzers
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 20 aug 2024 om 07:01.