beitels (gereedschap)
Lang ijzeren gereedschap met aan één zijde een scherpe snede. Als gereedschap voor houtbewerking heeft het meestal een houten heft of is het in een schaaf gevat. De snijkant wordt vouw genoemd. Men onderscheidt de steekbeitel, hakbeitel of fermoor, schiet- en kantbeitel (voor lichter werk), scharnier- of knierbeitel en de guts. Schaafbeitels zijn verschillend van vorm, afhankelijk van vorm en functie van de schaaf. De breedte van hak- en steekbeitels wordt doorgaans in duimen of delen ervan aangegeven: 1/2, 3/4, 1, 5/4, 11/2 enz.. (Haslinghuis)
- Synoniem: beitel (gereedschap)
- Breder: gereedschap en uitrusting voor materialen
- Smaller: schrooien, knierbeitels, gutsen, ceselen, prikijzers, puntijzers (beitel), kokerbeitels, kloofbeitels, passeerbeitels, joppen (beitel), steekbeitels, tandijzers, schietbeitels, schaafbeitels, ritsbeitels, fitsbeitels, voegbeitels, tandbeitels, kantbeitels, steenhouwersbeitels, pelijzers, letterbeitels, draaibeitels, snikken (beitel), houbeitels, draaigutsen, hakbeitels, dopbeitels, platte beitels, klingbeitels, oliegroefbeitels, koubeitels, beitelonderdelen, scharnierbeitels, rondèlen (beitel), kookbeitels, kruisbeitels, bouchardijzers, bordijzers en fermoren
- Begrippenkader: Cultuurhistorische Thesaurus
- Thesaurus: beitels (gereedschap)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 jan 2025 om 03:24.