Binnenisolatiesystemen: werking, consequenties en aandachtspunten


Introductie

Het aanbod aan binnenisolatiesystemen is de voorbije decennia enorm toegenomen (zie Figuur 3). Tot ongeveer 2005 waren vooral de traditionele systemen in gebruik. Met de restauratie en verbouwing van het Rijksmuseum in Amsterdam maakte Nederland (2003-2013) voor het eerst kennis met een capillair actief systeem: calcium silicaat (Scheffler and Grunewald 2020; Grunewald, Ruisinger, and Häupl 2006). In (2012) werd de Potgieterschool opgeleverd waarbij het als een van de eerste projecten in Nederland, weliswaar in het dak, gebruik maakte van een innovatieve vochtvariabele folie (Künzel and Kaufmann 1995). Vanaf 2015 kwam met het sluiten van het Klimaatakkoord verduurzaming van erfgoed langzaam in een stroomversnelling en kwamen er ook nieuwe binnenisolatiesystemen en -materialen op de markt. Anno 2024 wordt er steeds vaker ‘dampopen’ geïsoleerd, soms in combinatie met biobased isolatiematerialen. Maar daar is wel kennis voor nodig. De werking is verschillend en daardoor ook de mogelijk toe te passen isolatiematerialen. Om de verschillen toe te kunnen lichten worden in deze bijdrage de verschillende binnenisolatiesystemen opgedeeld in dampremmende (A-systemen), hybride (B-systemen) en dampopen (C-systemen). Bij elk van deze systemen wordt nog een onderverdeling gemaakt, wat resulteert in de toelichting van zeven verschillende types binnenisolatiesystemen.
in deze afbeelding wordt aan de linkerkant een aan de binnenzijde geisoleerde wand getoond met in het midden het temperatuurprofiel en aan de rechterkant het verloop van de de verzadigingsdampspanning in rood en de partiële dampspanning in blauw.
Afbeelding 1. Schematische weergave van (a) inwendige condensatie bij een dampopen niet-capillair actief binnenisolatiesysteem (C1-systeem), (b) vermijden van inwendige condensatie door toepassing van een dampremmend binnenisolatiesysteem (A1-systeem) (afbeelding: Vereecken, E., Roels, S. (sup.) (2013). Hygrothermal Analysis of Interior Insulation for Renovation Projects (Hygrothermische analyse van binnenisolatie bij renovatieprojecten). PhD thesis, KU Leuven, Belgium).
in de afbeelding zijn veel tekeningen te zien, de bovenste twee van een ongeïsoleerde metselwerk wand en de onderste twee van een geïsoleerde metselwerk wand
Afbeelding 2. Reductie van het drogingspotentieel na de plaatsing van binnenisolatie (afbeelding: Vereecken, E., Roels, S. (KU Leuven)).
matrix waarin in verticale kolommen de verschillende systemen zijn gezet en in de horizontale rijen de verschillende materiaaleigenschappen
Afbeelding 3. Overzicht van de zeven isolatiesystemen met voor drie bouwfysische grootheden (warmtegeleidingscoëfficiënt, waterdampdiffusieweerstandsgetal en waterabsorptiecoëfficiënt) indicatief aangeven of de waarde voor de isolatie respectievelijk folie hoog of laag is.
een afbeelding met twee grafieken, met links het vochtverloop in de diepte voor XPS waarbij het isolatiemateriaal droog blijf en recht het vochtverloop in calciumsilicaat waarbij het isolatiemateriaal op het scheidingvlak wat natter is dan het metselwerk
Afbeelding 4. Vochtprofielen in een wand met (a) een dampremmend systeem (A1-systeem) en (b) een dampopen capillair actief systeem (C3-systeem) [3]. (1 = baksteen, 2 = XPS, 3 = gipskarton, 4 = lijmmortel, 5 = calciumsilicaat, 6 = pleister) (afbeelding: Vereecken, E., Roels, S. (2015). Capillary active interior insulation: Do the advantages really offset potential disadvantages? Materials and Structures, 48 (9), Art.No. DOI 10.1617/s11527-014-0373-9, 3009-3021. doi: 10.1617/s11527-014-0373-9)
in de afbeelding zijn twee tekeningen te zien waarbij in de linker tekening met pijlen is weergeven hoe damp het materiaal in en uit gaat en in de linker tekening met pijlen is weergegeven hoe damp het materiaal ingaat en daar vloeibaar wordt
Afbeelding 5. Schematische weergave van een capillair actief binnenisolatiesysteem (C3-systeem) waarbij in (a) het vochttransport op de juiste wijze plaats vindt en waarbij in (b) het falen van het capillair actief binnenisolatiesysteem ten gevolge van een slecht contact (luchtspleet) tussen de metselwerkmuur en het binnenisolatiesysteem is weergegeven (Vereecken, E., Roels, S. (2016). Capillary active interior insulation systems for wall retrofitting: A more nuanced story. International Journal of Architectural Heritage: Conservation, Analysis and Restoration, 10 (5), doi: 10.1080/15583058.2015.1009575).

Algemene bouwfysische consequenties van na-isolatiesystemen aan de binnenzijde

Door de buitengevel na te isoleren, wijzigt het warmte- en vochtgedrag van de gevel, wat aan de basis ligt van het verhoogd risico op schadepatronen. Hieronder zijn drie aandachtspunten kort toegelicht met de benodigde ontwerpregels die hierbij horen om de bouwfysische consequenties te beperken.

Inwendige condensatie

Om inwendige condensatie te vermijden, geldt vanuit bouwfysisch oogpunt dat (Vereecken and Roels 2023):

  • Ontwerpregel 1: de sterkst isolerende laag aan de buitenzijde (koude zijde) van de gevel moet geplaatst worden;
  • Ontwerpregel 2: de meest dampdichte laag aan de binnenzijde (warme zijde) van de gevel moet geplaatst worden.

De toepassing van binnenisolatie gaat in tegen de eerste ontwerpregel. Aan de tweede ontwerpregel kan voldaan worden door het gebruik van een binnenisolatiemateriaal met voldoende dampdiffusieweerstand (systeem A1), zoals weergegeven in Afbeelding 1, of door het toevoegen van een dampremmende (vochtvariabele) folie (systeem A2 of B1).

Vorstschade en houtrot

Door het aanbrengen van een binnenisolatiesysteem neemt de temperatuur van het metselwerk af waardoor het langzamer droogt met mogelijk een verhoogd risico op vorstschade en houtrot van bijvoorbeeld houten balkkoppen tot gevolg. Om vorstschade van het metselwerk aan de buitenzijde en houtrot van vensters, muurplaten, balkkoppen, etc. te voorkomen is het belangrijk om droging te optimaliseren. Het toepassen van de tweede ontwerpregel bemoeilijkt echter ook de droging van de metselwerkwand. Droging naar de binnenomgeving is immers niet meer, of slechts in beperkte mate, mogelijk (Afbeelding 2). Dit brengt ons tot twee bijkomende ontwerpregels (Vereecken and Roels 2023):

  • Ontwerpregel 3: de blootstelling aan vochtbronnen (b.v. slagregen, lekkende goten, opstijgend vocht etc.) moet zo veel mogelijk beperkt worden;
  • Ontwerpregel 4: droging naar de binnenomgeving moet zo veel mogelijk toegelaten worden.

Laat het duidelijk zijn dat het voldoen aan zowel de tweede als vierde ontwerpregel een uitdaging vormt. Om zowel de gevolgen van inwendige condensatie te beperken als droging naar de binnenomgeving toe te laten, zetten de meer recente binnenisolatiesystemen in op dampopen, vochtbufferende (op de markt ook soms verkocht onder de naam ‘capillair actieve’) systemen (systeem C3).

Lucht- en kierdichting

Een ander belangrijk aspect is het vermijden van luchtstromen van binnen naar buiten via kieren en holtes in het isolatiepakket (Hens 2008). Om die reden nog twee extra ontwerpregels:

  • Ontwerpregel 5: aangebrachte binnenisolatiesystemen, alsook aansluitingen (bijvoorbeeld tussen het binnenisolatiesysteem en hierop aansluitende binnengevels, vloerbalken, etc.) moeten luchtdicht zijn;
  • Ontwerpregel 6: holtes achter de isolatie moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

In de bijdrage Houten balkkoppen en binnenisolatie: risico’s en aandachtspunten verderop in deze syllabus zal voor balkkoppen nader toegelicht worden waarom de luchtdichting zo belangrijk is en hoe die het beste gerealiseerd kan worden.

Zeven binnenisolatiesystemen

Er zijn zeven binnenisolatiesystemen te onderscheiden die qua opbouw, werking, impact op de monumentale waarden en bouwfysisch gedrag soms gelijkenissen vertonen en soms heel anders zijn. In Afbeelding 3 wordt een schematisch overzicht gegeven van de zeven systemen, geclusterd in drie categorieën: A: dampremmende (2), B: hybride (3) en C; dampopen (2) systemen. Daarbij is voor elk systeem voor drie bouwfysische grootheden (warmtegeleidingscoëfficiënt, waterdampdiffusieweerstandgetal en waterabsorptiecoëfficiënt) een indicatie gegeven van de ordegrootte voor zowel het isolatiemateriaal als de eventuele folie. Let wel: bij B- en C-systemen kan een grote spreiding in deze eigenschappen teruggevonden worden. Meer info hierover kan teruggevonden worden in (Vereecken and Roels 2016).

In de onderstaande paragrafen worden alle zeven systemen nader toegelicht.

A. Dampremmende systemen

A1. Dampremmende isolatie (zonder folie)

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht. Die kan direct op de buitengevel worden verlijmd met behulp van een isolatielijm of lijmmortel. Soms is een hulpconstructie van een houten of metalen (metal stud) stijl- en regelwerk nodig. Tussen de stijlen en regels wordt dampremmende isolatie aangebracht. In de meeste gevallen in de vorm van platen. De naden tussen de platen onderling, de platen en de hulpconstructie en de platen en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn. Raadzaam is om deze af te tapen of af te kitten. De uitvoering is bij voorkeur spouwloos. Wanneer een spouw tussen de originele buitenwand en de hulpconstructie wordt gelaten, bijvoorbeeld bij een oneffen binnengevel, is het raadzaam om ook deze spouw op te vullen met isolatie. Daar tussen de stijlen en regels het isolatiemateriaal dampremmend is, mag deze isolatie dampopen zijn, mits deze niet in staat is om vocht op te nemen. De afwerking aan de binnenzijde is met houtplaat en/of gipsplaat, stucwerk en eventuele verflaag.

Door de dikte en de aansluiting van het pakket, wijzigen de ruimteverhoudingen en de detaillering bij de aansluitingen. Doordat het systeem dampremmend en luchtdicht is, is de kans op inwendige condensatie in de winter gering en daarmee het risico op houtrot. Let op: ondanks dat het risico op inwendige condensatie gering is, kan slagregen toch zorgen voor een hoger houtvochtgehalte in bijvoorbeeld balkkoppen (Afbeelding 4, Vereecken et al. 2015), zeker wanneer de balkkop tot dicht bij het buitenoppervlak komt, zoals bij dunne muren. Ook neemt de temperatuur van het metselwerk in de winter af en neemt de kans op vorstschade bij regenbelaste gevels toe. Het droogpotentieel is om ten gevolge van de diffusieweerstand van het binnenisolatiesysteem en de lagere temperatuur in het metselwerk in de zomer ook lager.

Typische isolatiematerialen zijn: PIR, EPS, XPS.

A2. Dampopen isolatie en dampremmende folie

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht. In de meeste gevallen is daarvoor een hulpconstructie nodig van een houten of metalen (metal stud) stijl- en regelwerk. Tussen de stijlen en regels wordt dampopen isolatie aangebracht. In de meeste gevallen in de vorm van dekens of losse vulling. De dampdichting wordt verkregen door het aanbrengen van een dampremmende folie aan de warme zijde van de isolatie (tussen isolatie en binnenafwerking). De naden tussen de foliebanen onderling en tussen de folie en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn. Raadzaam is om deze af te tapen. De uitvoering is bij voorkeur spouwloos. Wanneer een spouw tussen de originele buitenwand en de hulpconstructie wordt gelaten, bijvoorbeeld bij een oneffen binnengevel, is het raadzaam om ook deze spouw op te vullen met hetzelfde isolatiemateriaal. De afwerking aan de binnenzijde is met houtplaat en/of gipsplaat, stucwerk en eventuele verflaag.

De gevolgen voor de monumentale waarden en de temperatuur- en vochthuishouding zijn gelijk aan systeem A1.

Typische isolatiematerialen zijn: steenwol, rotswol, schapenwol.

B. Hybride systemen

B1. Dampopen isolatie en vochtvariabele folie

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht. In de meeste gevallen is daarvoor een hulpconstructie nodig van een houten of metalen (metal stud) stijl- en regelwerk. Tussen de stijlen en regels wordt dampopen isolatie aangebracht. In de meeste gevallen in de vorm van dekens of losse vulling. De dampdichting wordt verkregen door het aanbrengen van een vochtvariabele folie aan de warme zijde van de isolatie (tussen isolatie en binnenafwerking). De naden tussen de foliebanen onderling en tussen de folie en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn. Raadzaam is om deze af te tapen. De uitvoering is bij voorkeur spouwloos. Wanneer een spouw tussen de originele wand en de hulpconstructie wordt gelaten, bijvoorbeeld bij een oneffen binnengevel, is het raadzaam om ook deze spouw op te vullen met hetzelfde isolatiemateriaal. De afwerking aan de binnenzijde is met houtplaat en/of gipsplaat, stucwerk en eventuele verflaag.

De gevolgen voor de monumentale waarden zijn gelijk aan systeem A1. Doordat de folie vochtvariabel is, wordt condensatie in de winter vermeden (de folie heeft dan een hoge Sd-waarde, dus een hoge dampdiffusieweerstand) en wordt droging in de zomer minder beperkt (de folie heeft dan een lage Sd-waarde, dus een lage dampdiffusieweerstand).

Typische isolatiematerialen zijn: steenwol, rotswol, schapenwol.

B2. Combinatie van dampremmende en dampopen capillair actieve isolatiematerialen

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht die met behulp van een egaliserende lijmmortel volvlakkig tegen de buitengevel verlijmd wordt. Het isolatiemateriaal, meestal een plaatmateriaal, is een combinatie van een dampremmend en dampopen capillair actief materiaal. De naden tussen de platen onderling en tussen het plaatmateriaal en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn. De gevolgen voor de monumentale waarden zijn doorgaans wat groter dan bij de systemen met hulpconstructie (systemen A1, A2, B1 en C1). De reden daarvoor is dat voor een goede verlijming de ondergrond vlak moet zijn en dat een hydraulisch contact tussen de lijmmortel en het metselwerk (alsook tussen de lijmmortel en het isolatiemateriaal) aanwezig moet zijn. Dat maak dat bestaande afwerkingslagen verwijderd moeten worden en dat gebreken aan het metselwerk hersteld moeten zijn voor een juiste werking. Door de combinatie van twee verschillende materialen met verschillende vochteigenschappen wordt het bouwfysische gedrag onvoorspelbaar en dus risicovol (Vereecken and Roels 2016).

Typische isolatiematerialen zijn: calciumsilicaat in combinatie met bijvoorbeeld PUR of vacuümpanelen.

C. Dampopen systemen

C1. Dampopen niet-capillair actief

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht. In de meeste gevallen is daarvoor een hulpconstructie nodig van een houten of metalen (metal stud) stijl- en regelwerk. Tussen de stijlen en regels wordt dampopen niet vochtabsorberende isolatie aangebracht, dit in de meeste gevallen in de vorm van dekens. De naden tussen de dekens onderling, de dekens en de hulpconstructie en de dekens en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed aansluiten. De uitvoering is bij voorkeur spouwloos. Wanneer een spouw tussen de originele buitengevel en de hulpconstructie wordt gelaten, bijvoorbeeld bij een oneffen binnengevel, is het raadzaam om ook deze spouw op te vullen met isolatie. De afwerking aan de binnenzijde is met houtplaat en/of gipsplaat, stucwerk en eventuele verflaag. Een dampremmende laag ontbreekt.

Door de dikte en de aansluiting van het isolatiepakket, wijzigen de ruimteverhoudingen en de detaillering bij de aansluitingen. Doordat het systeem niet dampremmend en matig luchtdicht is, is de kans op inwendige condensatie in de winter groot en daarmee ook het risico op houtrot. Dit is de reden dat dit systeem in de meeste gevallen wordt afgeraden. Door het ontbreken van een dampremmende laag is het droogpotentieel in de zomer groter, maar zelden groot genoeg om te voorkomen dat het materiaalvochtgehalte toeneemt.

Typische isolatiematerialen zijn: steenwol, rotswol, schapenwol.

C2. Dampopen en beperkt capillair actief

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht die met behulp van een egaliserende lijmmortel die volvlakkig tegen de buitengevel verlijmd wordt. Het isolatiemateriaal, meestal een plaatmateriaal, is dampopen en beperkt vochtbufferend. De naden tussen de platen onderling en tussen het plaatmateriaal en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn.

De gevolgen voor de monumentale waarden zijn doorgaans wat groter dan bij de systemen met hulpconstructie (systemen A1, A2, B1 en C1). De reden daarvoor is dat voor een goede verlijming de ondergrond vlak moet zijn en dat een hydraulisch contact tussen de lijmmortel en het metselwerk (alsook tussen de lijmmortel en het isolatiemateriaal) aanwezig moet zijn. Dat maakt dat bestaande afwerklagen verwijderd moeten worden en dat gebreken aan het metselwerk (bijvoorbeeld losse metselwerkvoegen) hersteld moeten zijn voor een juiste werking. Doordat het materiaal dampopen is, kan er mogelijks inwendige condensatie ontstaan. Door het vochtbufferend vermogen kan een deel daarvan door het isolatiemateriaal worden opgenomen. Door de beperkte (of eerder verwaarloosbare) capillaire werking kan (slechts) een deel ervan naar de warme zijde (binnenoppervlak) getransporteerd worden (Vereecken and Roels 2014; Vereecken and Roels 2016), maar dat zal niet altijd vermijden dat het metselwerk (zeer) nat wordt. Het bouwfysische gedrag wordt daardoor onvoorspelbaar en dus risicovol. Doordat het materiaal dampopen is kan het vocht uit het materiaal naar binnen toe gemakkelijker drogen (in vergelijking tot de dampremmende systemen) mits de dikte niet al te groot is; mogelijk is de grens vergelijkbaar met die van C3-systemen welke lijkt te liggen rond een dikte van 15 cm of meer (Tijskens, Janssen, and Roels 2017). De aanwezigheid van vocht in het isolatiemateriaal kan een reductie van de thermische weerstand (ten opzichte van de droge toestand) tot gevolg hebben.

Typische isolatiematerialen zijn: isolatieplaten uit cellenbeton en sommige houtvezelisolatiesystemen, houtwol.

C3. Dampopen capillair actief

Bij dit systeem wordt aan de binnenzijde van de buitengevel een isolatielaag met afwerking aangebracht die met behulp van een egaliserende lijmmortel die volvlakkig tegen de buitengevel verlijmd wordt. Het isolatiemateriaal, meestal een plaatmateriaal, is dampopen, vochtbufferend en capillair actief. De naden tussen de platen onderling en tussen het plaatmateriaal en de bestaande constructie, zoals binnenmuren, vloeren, balken, etc., moeten goed luchtdicht zijn.

De gevolgen voor de monumentale waarden zijn doorgaans wat groter dan bij de systemen met hulpconstructie (systemen A1, A2, B1 en C1). De reden daarvoor is dat voor een goede verlijming de ondergrond vlak moet zijn en dat voor het hydraulisch contact de lijmmortel direct op de baksteen moet worden aangebracht (Scheffler and Grunewald 2020), zie Afbeelding 5. Dat maakt dat bestaande afwerkingslagen verwijderd moeten worden en dat gebreken aan het metselwerk (bijvoorbeeld losse metselwerkvoegen) hersteld moeten zijn voor een juiste werking. Doordat het materiaal dampopen is, kan er mogelijks inwendige condensatie ontstaan. Door de vochtbuffering en capillaire werking kan deze eenvoudig door het isolatiemateriaal worden opgenomen en naar de warme zijde (binnenoppervlak) getransporteerd worden (Evy Vereecken and Roels 2014; E. Vereecken and Roels 2016), wat voorkomt dat het metselwerk zeer nat wordt. Doordat het materiaal dampopen is kan het vocht uit het materiaal naar binnen toe gemakkelijker drogen mits de dikte niet al te groot is; de grens lijkt te liggen rond een dikte van 15 cm of meer (Tijskens, Janssen, and Roels 2017). De aanwezigheid van vocht in het isolatiemateriaal heeft wel een reductie van de thermische weerstand (t.o.v. de droge toestand) tot gevolg (Evy Vereecken et al. 2015).

Typische isolatiematerialen zijn: calcium silicaat.

Besluit

Bij het na-isoleren van ons historische erfgoed is het vermijden van bouwfysische risico’s belangrijk. De zes genoemde ontwerpregels helpen daarbij. Maar tegenwoordig zijn er verschillende isolatiesystemen en -materialen op de markt en die presteren niet allemaal hetzelfde. Er zijn hierboven zeven verschillende systemen onderscheden en toegelicht. Sommigen proberen condensatie in de winter zoveel mogelijk te voorkomen (ontwerpregel 2, systemen A1, A2 en B1). Andere systemen proberen de droging in de zomer zoveel mogelijk te bevorderen (ontwerpregel 4, systemen B1 en C3). Door een beter begrip van de werking van deze systemen kan beter ingeschat worden welke materialen geschikt zijn voor welk systeem en onder welke omstandigheden, en kan bouwfysische schade vermeden worden.

Take-aways

  • De dag van vandaag zijn verschillende binnenisolatiesystemen op de markt, welke op te delen zijn in (A) dampremmende, (B) hybride en (C) dampopen (al dan niet vochtbufferende/capillair actieve) systemen.
  • Elk van deze systemen vertoont een verschillend gedrag. Een goed begrip van deze binnenisolatiesystemen is noodzakelijk om tot een goede keuze te komen.

Referenties

  • Grunewald, J, U Ruisinger, and P Häupl. 2006. “The Rijksmuseum Amsterdam - Hygrothermal Analysis and Dimensioning of Thermal Insulation.”
  • Hens, H. 2008. “Koudeburggen en luchtdichtheid: berekening, impact op de gebouwprestaties.” In ATIC Studiemiddag Koudebruggen, 14.
  • Künzel, H.M., and A. Kaufmann. 1995. “Feuchteadaptive Dampfbremse für Gebäudedämmungen.”
  • Scheffler, G., and J. Grunewald. 2020. “Material Development and Optimisation Supported by Numerical Simulation for a Capillary-Active inside Insulation Material.” In Research in Building Physics, edited by J. Carmeliet, H. Hens, and G. Vermeir, ed., 77–85. CRC Press.
  • Stappers, M. 2023. “Zo kies je het juiste isolatiemateriaal.” Monument en Duurzaamheid, 2023.
  • Tijskens, A., Janssen, H., and Roels, S. 2017. “Retrofitting Historical Buildings: A Probabilistic Assessment of Interior Insulation Measures.” Proceedings of the 4th WTA International PhD Symposium, 149–56.
  • Vereecken, E., and Roels, S. 2016. “Capillary Active Interior Insulation Systems for Wall Retrofitting: A More Nuanced Story.” International Journal of Architectural Heritage 10 (5): 558–69.
  • Vereecken, E., and Roels, S. 2014. “A Comparison of the Hygric Performance of Interior Insulation Systems: A Hot Box–Cold Box Experiment.” Energy and Buildings 80 (September):37–44.
  • Vereecken, E., en Roels, S. 2023. “Tradionele versus meer recente binnenisolatiesystemen: pros en cons.” Duurzaam behoud van massief baksteenmetselwerk, 2023.
  • Vereecken, E., Van Gelder, L., Janssen, H., and Roels, S. 2015. “Interior Insulation for Wall Retrofitting – A Probabilistic Analysis of Energy Savings and Hygrothermal Risks.” Energy and Buildings 89 (February):231–44.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Syllabus Energetische prestaties van massieve baksteengevels in woonhuismonumenten en is geschreven door Marc Stappers, RCE, Evy Vereecken (KUL) en Jill Vervoort.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het reactieformulier

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 16 jan 2026 om 11:33.