Bladlood op monumenten

Introductie[bewerken]

Al zeer lang past men bladlood toe aan gebouwen. Gedurende vele eeuwen is het vaak gebruikt als dakbedekking, voor de bekleding van houtconstructies, voor goten, aansluitingen, waterafvoeren en decoratieve elementen. Dit kennisartikel geeft inzicht in het gebruik en de eigenschappen van lood, de verwerkbaarheid, de schades die kunnen ontstaan en hoe je die kunt voorkomen.

Karakteristieke met lood beklede 16e-eeuwse speeltoren van Edam.
Karakteristieke met lood beklede 16e-eeuwse speeltoren van Edam. (Foto: K. Boeder)
Detail van loodbekleding, waarop patronen te zien zijn.
Detail van de bijzondere loodbekleding van de speeltoren van Edam tijdens restauratie.
Detail van torenspits.
Door de lage stijfheid van het metaal laat lood zich uitstekend in bepaalde vormen kloppen, zoals hier bij de torenspits van de Grote of St.-Bavo in Haarlem.
Dakbedekking met loden leien.
Dakbedekking in Amsterdam met loden leien. (Foto: K. Boeder)
Detail van een loden dak
Detail van een loden dak. De platen lood zijn aan elkaar bevestigd met een aanhaak of platte fels. Het lood is om de ronding van het dak geklopt.
Tabel waarin het gewicht, de Nederlandse codering, de nominale dikte in mm, de lengte per rol in cm en de kleur zijn aangegeven
Codering looddikten (loodzwaartes) (Deze tabel is ontleend aan de lesstof van het Nationaal Centrum Erfgoedopleidingen (NCE) voor de opleiding leidekkers en loodgieters, en zijn conform de ERM (Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg) URL 4011)
Tabel waarin de verschillende toepassingen van de verschillende soorten lood zijn weergegeven
Toepassing looddikten. o: te gebruiken bij redelijke kwaliteitseisen bij eenvoudige constructies, redelijk gunstige atmosferische omstandigheden, zeer beperkte bezonning van kleine stukken; +: te gebruiken voor gemiddelde kwaliteitseisen, normale atmosferische omstandigheden, normale constructies, zonbeschenen vlakken; ++: te gebruiken bij hoge eisen aan duurzaamheid, ongunstige atmosferische omstandigheden, grote naar de zon gekeerde oppervlakken. (Deze tabel is ontleend aan de lesstof van het Nationaal Centrum Erfgoedopleidingen (NCE) voor de opleiding leidekkers en loodgieters, en zijn conform de ERM (Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg) URL 4011)
Schematische weergave van hoe enkele fels en dubbele fels vervaardigd wordt.
De wijze waarop men een enkele fels (boven) en een dubbele fels vervaardigt. De staande versie komt bij lood niet voor. Deze zou door zijn eigen gewicht omzakken.
Loodbekleding op dak van aanbouw van een kerk.
Loodbekleding op dak van aanbouw van een kerk in Wommels (Friesland) (foto: K. Boeder). De platen lood zijn aan elkaar bevestigd met een aanhaak of platte fels. Het lood is om de ronding van het dak geklopt.
Schematische weergave van de wijze van het bevestigen van een liggende fels.
De wijze van het bevestigen van een liggende fels met een koperen klang aan de ondergrond.
Met koperen klangen vastgezet lood.
Met koperen klangen vastgezet lood van de traptoren van de Grote Kerk in Alkmaar. (Foto: K. Boeder)
Schematische weergave van een kraal/roef en verheven kraal/roefverbinding.
Detaillering van een kraal/roef en verheven kraal/roefverbinding.
De bekleding van de traptoren van de Grote Kerk in Alkmaar heeft de vorm van taartpunten.
Bekleding van de traptoren van de Grote Kerk in Alkmaar met roeflatconstructie (verticaal) en felsnaden (horizontaal). Bij lood is de roeflat aan de bovenzijde rond (of afgerond) om scheurvorming te voorkomen; bij zink is de roeflat hoekig. (Foto: K. Boeder).
De bekleding van de traptoren van de Grote Kerk in Alkmaar heeft de vorm van taartpunten.
Taartpunten roetlapconstructie op het bellenplat van de vieringtoren van de RK Barbarakerk in Vreeswijk. (Foto: K. Boeder)
Schematische weergave van een lapnaadbedekking.
Detailtekening van een lapnaadbedekking.
Pannendak met noklood.
Pannendak met noklood in drie delen verschervend gefelst op de Hervormde Kerk in Herwijnen. (Foto: K. Boeder)
Leibedekking op de Tussenkerk in Middelburg met noklood.
Leibedekking op de Tussenkerk in Middelburg met noklood in drie delen verschervend gefelst. (Foto: K. Boeder)
Gefelst keperlood op een woonhuis.
In meterstukken gefelst keperlood op een woonhuis in Nijkerk. Na het felsen is het lood gepatineerd. (Foto: K. Boeder)
Loodloketten bij een schoorsteen.
Loodloketten bij een schoorsteen van Kasteel De Haar in Haarzuilens. De lange kanten zijn omgeslagen tegen opwaaien. (Foto: K. Boeder)
Loodproppen.
Wijze van vastzetten van het lood met loodproppen bij de Hervormde Kerk in Heerde. (Foto: K. Boeder)
Schematische weergave van het vastzetten van een loodslab in metselwerk.
Detailtekening van het vastzetten van een loodslab in metselwerk.
Schematische weergave van drie goottypen.
Enkele goottypen, van boven naar onder: bakgoot, schampgoot, zakgoot.
Een goot waar een stuk rubber in is gezet.
Waar een broekstuk niet mogelijk is, past men een rubber expansiestuk toe. Dit heeft echter een beperkte levensduur en gaat op den duur barsten vertonen. (Foto: K. Boeder)
Een goot met verschillende hoogten tussen twee daken in.
Een cascadegoot. Broekstukken en hemelwaterafvoeren zijn niet altijd mogelijk. Om de lengte van de gootdelen toch te beperken maakt men een cascadegoot. De getrapte vorm bevordert bovendien de snelle afvoer van water.


Tekening met langdoorsnede van een cascadegoot.
Tekening met langdoorsnede van een cascadegoot.
Detail van een loden goot met broekstuk, uitloop en een vergaarbak met verklikker (een buisje aan de voorzijde)
Detail van een loden goot met broekstuk (boven), uitloop en een vergaarbak met verklikker (het buisje aan de voorzijde). De vergaarbak is ondersteund met hout op ijzeren beugels om uitzakken te voorkomen.
Historische vergaarbak met ornament aan de voorzijde.
Historische vergaarbak met ornament aan de voorzijde. Behoud staat voorop, de scheur boven het ornament is dan ook geen reden om deze bak te vernieuwen. Reparatie is mogelijk en heeft de voorkeur.
Een leidak met witgrijze strepen
Witgrijze strepen onstabiele loodoxide ontsieren het leidak van het Stadhouderlijk Kwartier in Den Haag. (Foto: K. Boeder)
Aangetast voetlood
Aangetast voetlood door zurig afdruipend regenwater. (Foto: K. Boeder)
Aangetast lood
Lood wordt aan de achterzijde aangetast door condens en zuren uit het achterliggende eikenhout. Het lood wordt dan omgezet in loodoxide, ook wel loodwit genaamd. Doordat de aantasting niet zichtbaar is, is het lood vaak bijna geheel omgezet en is de schade groot.
Een decoratieve loden bekroning
Bijzondere decoratieve loden bekroning op de Oosterkerk in Middelburg. (Foto: K. Boeder).

Hoe kijkt de RCE tegen het gebruik van lood aan?

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) streeft zowel naar behoud van het oorspronkelijke materiaal als naar een duurzaam herstel; dit laatste om schade en een daaruit voortvloeiende restauratie te voorkomen. Lood is een duurzaam bouwmateriaal, maar vraagt door zijn karakteristieke eigenschappen - zoals de lage hardheid, het hoge eigengewicht en de grote vervormbaarheid - om een geheel eigen wijze van detailleren en verwerken.

Cultuurhistorische waarde

Op monumenten kan oud, soms zelfs gegoten lood voorkomen met een bijzondere detaillering en kenmerkende bevestigingswijze. In veel gevallen draagt dat in belangrijke mate bij aan de cultuurhistorische waarde van het monument. Veel van dit lood kan na lokaal herstel en eventuele kleine aanpassingen nog decennia mee en het vernieuwen is lang niet altijd noodzakelijk. Het streven naar een lange levensduur leidt echter steeds vaker tot toepassing van koper, dat het minst snel verweert. Wanneer koper het oorspronkelijke materiaal vervangt, kan dit ten koste gaan van cultuurhistorische waarde. Lood is immers bepalend voor de architectuur en de tijd waarin het is toegepast.

Geschiedenis

Lood was reeds in de Oudheid bekend. De Egyptenaren zouden overwonnen volkeren in Azië hebben verplicht de oorlogsschatting te voldoen in lood. Volgens afbeeldingen in de tempel van Ramses III zou het door farao Thoetmosis III als oorlogsbuit bemachtigde lood tot langwerpige platen zijn verwerkt en gebruikt als dakbedekking. Ook voor de in de 6e eeuw v. Chr. gemaakte vloeren van de hangende tuinen van Babylon zijn loden platen gebruikt. De Romeinen produceerden tot 80.000 ton per jaar en gebruikten het metaal onder meer voor waterleidingen en dakbedekking.

Het gebruik van bladlood op daken kwam in Nederland pas in het begin van de 16e eeuw in gebruik, nadat men in staat was redelijk dunne platen te gieten. Uit deze tijd dateren ook de met lood omklede opengewerkte torenspitsen.

Eigenschappen

Lood krijgt in de buitenlucht een beschermende oxidehuid - ook wel patina genoemd - met een blauwgrijze of zilvergrijze kleur. De oxidelaag die wordt gevormd is in eerste instantie oplosbaar, maar binnen enkele dagen ontstaat een goed hechtende onoplosbare laag.

Zacht metaal

Lood is een van de zachtste metalen. De treksterkte is relatief laag, het is gemakkelijk vervormbaar en zeer gevoelig voor kruip. Zo vervormt het onder invloed van het eigen gewicht. Bladlood voor de bouw bevat legeringselementen en heeft een fijnere korrelstructuur. De mechanische eigenschappen, zoals treksterkte en kruipgrens, zijn daardoor verbeterd ten opzichte van zuiver lood. Toch zijn treksterkte en kruipgrens ten opzichte van andere metalen, zoals zink en koper, relatief laag.

Isotroop

Bladlood gedraagt zich isotroop, wat wil zeggen dat de eigenschappen in alle richting gelijk zijn. Je kunt het dus in elke richting vervormen, buigen en uitdrijven, zonder dat je rekening hoeft te houden met een zogenoemde vezelstructuur.

Grote thermische uitzettingscoëfficiënt

Men moet wel rekening houden met de grote thermische uitzettingscoëfficiënt van 0,03 mm/m°C. Zo is 1 m lood op een warme zomerdag 3,0 mm langer dan op een koude winterdag. Je mag lood niet onder de 5°C verwerken. Bij dergelijke lage temperaturen is het materiaal tijdens het verwerken gevoeliger voor scheurvorming. Wanneer het bij lage temperaturen is aangebracht, is de kans bovendien groter dat bij hogere temperaturen schade ontstaat door thermische werking.

Maatvoering

De maatvoering van lood is in de loop der tijd enigszins gewijzigd. Lood werd aan het begin van de 19e eeuw geleverd in rollen van 7 à 8 m. De breedte bedroeg 1,26 tot 1,62 m, soms ook wel 1,88 m. In de loop der tijd is de lengte door wijzigingen in het productieproces groter geworden, terwijl de breedte redelijk constant bleef. In 1950 bedroeg de standaardbreedte 1 m, maar een breedte van 2 m was nog mogelijk.

Dikte

Bij het huidige productieproces van het gewalste lood wordt de lengte eigenlijk alleen beperkt door de maximale maat die bij het walsen te verkrijgen is uit één blok lood, en is de lengte dus afhankelijk van de dikte van het lood. De lengte is gemaximaliseerd tot 50 kg per rol. De huidige standaardbreedte is 1 m.

Vroeger specificeerde men de dikte van het lood in ponden. Tegenwoordig geeft men het op in kilogram per vierkante meter (kg/m²). Als men nu over 30-pondslood spreekt bedoelt men 30kg/m². In de huidige bouwpraktijk maakt men - conform de URL 4011 Metalen dakbedekkingen en goten bij monumenten - gebruik van de aanduidingen zwaar, normaal, eenvoudig wat betreft situatie en eisen. De aanduiding heeft betrekking op de omstandigheden van de toepassing. Zo kan afhankelijk van de toepassing de dikte van bijvoorbeeld de kwaliteit zwaar variëren van 20kg/m² voor kozijnlood tot 30 kg/m² voor dakbedekking.

Toepassingen

Men gebruikt lood als dakbedekking, voor goten en hemelwaterafvoeren, voor bekleding van onder meer torenspitsen en om aansluitingen tussen bijvoorbeeld daken en muren te realiseren. Daarnaast gebruikt men het onder meer voor ornamenten, het afdekken van steunberen, luiken, vloeren van klokkenzolders, platte daken van dakkapellen, frontons, insnoeringen van torens en oeils-de-boeuf. Ook komen loden leien voor. Als dakbedekking voor grote hellende en platte daken komt lood in Nederland niet heel veel voor. Een voorbeeld van een gebouw met een loden dak is de Vleeshal in Haarlem. Wel komt het vaak voor als bekleding van torenbekroningen, bijvoorbeeld de toren van de Grote of St.-Bavokerk in Haarlem.

Gegoten lood

Lood komt van oudsher voor in gegoten platen. Men vervaardigde gegoten lood door op speciale, licht schuingeplaatste giettafels lood te gieten en af te strijken (daarom ook wel gestreken lood genoemd). Voor het gebruik als bladlood in de bouw goot men het tot circa 1906 op deze wijze. Gegoten lood is meestal relatief dik. Tegenwoordig wordt het uitgegoten in blokken en daarna gewalst tot de gewenste dikte (gewalst lood). In verband met de relatief hoge thermische uitzettingscoëfficiënt, het eigen gewicht, de lage treksterkte, lage kruipgrens en lage stijfheid moet men lood verwerken in stukken met beperkte afmeting en voldoende dikte. Daarbij moeten genoeg expansiemogelijkheden zijn in plaatnaden en bevestigingspunten. In beginsel geldt dat je kleinere afmetingen moet hanteren naarmate de dikte van het lood gering, de helling groot en de bezonning sterk is. Op monumenten ligt in het algemeen dikker lood dan het lood dat men tegenwoordig voor vergelijkbare nieuwbouw gebruikt. Als vuistregel geldt voor monumenten dat een plaat verticaal lood met een dikte van 3,4 mm die rondom is gehaakt een maximale afmeting mag hebben van 0,6 m². De juiste plaatdikten staan in tabel 1.

Uit oude bestekken blijkt dat men vroeger voorschreef dat lood ‘uit de breedte van de rol’ moest worden gebruikt. De reden hiervoor was dat men zo de maximale lengte van de stukken lood beperkte. Het had niet te maken met een eventuele vezelstructuur.

Aandachtspunten duurzame loodconstructies

Voor duurzame loodconstructies gelden de volgende uitgangspunten:

  1. Kies de juiste grootte en dikte van het lood. Bij het bepalen van de juiste afmetingen van de loodplaten zijn de volgende factoren van betekenis:
    1. De juiste grootte en dikte van het lood. Hoe dunner het lood, hoe kleiner de afmeting van de platen. Houd als vuistregel aan dat het netto oppervlak maximaal 1/100 x een factor 1,5 à 2,0 van de loodzwaarte bedraagt in m². Bijvoorbeeld: lood 35 kg/m² x 2 x 0,01 = maximaal 0,7 m². Blijf daarbij altijd aan de veilige kant. Snij, om te grote lengtes te voorkomen, het lood uit de breedte van de rol.
    2. De relatie met de wijze waarop het lood is verbonden. Is het uitgevoerd met een lapnaad, enkele fels of vouw of met een dubbele fels?
    3. De relatie met de hellinghoek: verticaal, hellend of (bijna) horizontaal. In het algemeen geldt dat de stukken lood kleiner moeten zijn naarmate de hellinghoek groter is. Houd voor lood op staande vlakken, zoals een wang van een dakkapel, 60 x 60 cm aan.
  2. Het op de juiste wijze samenvoegen van de stukken lood met de juiste bevestiging. Volg de tekening voor de wijze waarop het lood wordt vernageld of met klangen wordt bevestigd.
  3. Het lood zodanig detailleren dat het zo veel mogelijk kan worden gedreven. Uitgangspunt is dat er zo weinig mogelijk wordt gesoldeerd of gelast.
  4. De juiste vorm van de ondergrond. Dit houdt onder meer in: geen gebruik van haakse hoeken, maar kiezen voor het detailleren van de ondergrond. Bij het uitzetten werkt het lood zich iets naar boven. Pas zo glad mogelijk (dus geschaafd) hout toe en breng als aanvulling lagen non-woven vlies aan van 2 x 1,5 mm of masoniteplaten, teneinde de schuifweerstand te verminderen.

Wijze van bevestiging

Gevelbekleding en dakbedekking worden op vergelijkbare wijze bevestigd. Het belangrijkst is de bevestiging aan de bovenzijde die meestal bestaat uit één of twee rijen koperen platkopnagels of een aantal koperen klangen. In het verleden bevestigde men loden platen aan de bovenzijde ook wel eens door ze tussen de naden van het dakbeschot te steken en ze aan de binnenzijde vast te zetten; dit kan alleen bij lapnaden en is ongewenst bij felsnaden. De zij- en onderkanten van platen bladlood zet men vast met klangen, zodat ze bewegingsvrijheid hebben. De klangen zijn bij voorkeur circa 80 mm breed en 0,8 mm dik en gemaakt van een zachte kwaliteit koper. Men zet de klangen vast met koperen nagels of koperen of roestvaststalen schroeven. Bij relatief grote of hangende platen is ook een tussenbevestiging nodig om te voorkomen dat ze uitzakken onder invloed van het eigen gewicht. Ze belemmeren echter de bewegingsvrijheid en vergroten de kans op scheurvorming.

Dakbedekking

Een loden dakbedekking komt voor in platen die aan de zijkant (verticale bevestiging) zijn verbonden door een platte fels (aanhaak) of een roef en aan de boven- en onderkant (horizontale bevestiging) met een aanhaak of lapnaad. Lood komt ook voor in de vorm van leien.

Felsverbinding

Een felsverbinding kan enkel en dubbel zijn. Bij een fels zet men een hoge opstand tegen een lagere opstand en vouwt men het bovenste deel van de hoge opstand over de lage opstand. Vervolgens klopt men de naad horizontaal. Deze enkele platte fels noemde men vroeger ook wel aanhaak. Een aanhaak kun je ook tot stand brengen door de platen van een vouwrand te voorzien (180° omgezet) en ze in elkaar te haken.

Roeflatconstructie

Voor de langsverbinding van platen lood gebruikt men ook vuren roef- of kraallatten die op het dak worden gespijkerd. Een roeflat is een hoekig trapeziumvormige lat, bij lood met de brede zijde naar onder (en niet zoals bij zink met de smalle zijde naar onder). Een kraallat heeft een cirkelvormige doorsnede met een afgeplatte kant aan de onderzijde voor de bevestiging op het dakbeschot. Aan beide zijden zet men bladen lood met een opstand tegen de lat. De ene opstand klopt men over de lat tot halverwege de lat, de andere opstand, voorzien van een haak aan de rand, klopt men over de eerste heen. De termen roef en kraal worden door elkaar gebruikt.

Lapnaadverbinding

De lapnaad is eigenlijk geen verbinding; de platen liggen hier overlappend op elkaar. Men past de lapnaad toe bij de hellende vlakken voor de horizontale naden. De grootte van de overlap is afhankelijk van de hellingshoek en varieert van 225 mm bij kleine hellingen van 20° tot 85 mm bij een helling van 60°. Om het lood tegen opwaaien te beschermen brengt men aan de onderzijde koperen klangen aan. Deze worden om esthetische redenen, maar ook om kleurverschillen en streepvorming door afdruipend regenwater te voorkomen, vertind.

Noklood

Men past noklood toe op nokken van daken gedekt met pannen of leien. Men kan het lood als één strook in meterstukken aanbrengen. De onderlinge verbinding bestaat uit een platte fels van de windrichting af dichtgevouwen. Het lood dient uiteraard voldoende breed te zijn om de pannen of leien met een goede overlap te bedekken. Wanneer het aanwezige lood goed is maar te dun, kun je tegen het opwaaien de onderzijde van het lood dubbelvouwen voor extra dikte. Men bevestigt het lood aan de zijkant van de ruiter met koperen platkopnagels. De nagels worden afgedekt met een trotseerloodje. De nokruiter moet ruim - circa 10 cm - boven de hoogste lijn van de dakbedekking (pannen of leien) uitsteken.

Je kunt het lood ook in drie delen aanbrengen: een afdekking van de nok en aan elke zijde een strook lood. De stroken lood en de afdekking van de nok zijn verspringend in elkaar gefelst. Dit noemen we verschervend felsen. Het lood is met een platte fels van de windrichting dichtgevouwen. Soms voorziet men de ruiter bij leien daken van een ruiterlat waar men het lood omheen klopt. Er ontstaat dan een T-vormig nokprofiel.

Bij een pannendak moet men de pannen zover mogelijk tegen de ruiter opzetten om te voorkomen dat het lood uitzakt en er gootjes ontstaan achter de wel van de pannen. Belangrijk is dat men het lood goed in de holte van de pannen drijft. Dit voorkomt het opwaaien van het lood.

Keperlood

Keperlood dient om de uitwendige hoeken (de kepers) van een pannen- of leiendak waterdicht te maken. Daarmee is het feitelijk een soort noklood. De constructie bij een pannendak is vrijwel gelijk als bij de nok. Om te voorkomen dat het lood uitzakt, kun je de stroken vastzetten met een nagel, beschermd door een trotseerloodje. Bij een leiendak zijn er verschillende manieren om de hoek te dekken. Je kunt werken met verdekte vlinderloketten, keperlatten en afdeklood.

Muurlood en loketten

Muurlood en loodloketten past men toe om de aansluiting van daken tegen opgaand muurwerk waterdicht af te sluiten. Men klemt het lood in een voldoende diep uitgehakte of geslepen voeg van 3 à 4 cm diepte met een loodklem of een loodprop. Bij monumenten zet men de voegen dicht met een hydraulische kalk NHL 3.5. Het gebruik van kit is ondeugdelijk en niet passend, en daarom onwenselijk.

Goten en hemelwaterafvoeren

Goed functionerende goten en hemelwaterafvoeren zijn van groot belang voor de instandhouding van monumenten. Vaak is het onderhoud onvoldoende, waardoor aantasting ontstaat of gebreken laat worden ontdekt.

Goten

Men onderscheidt verschillende typen goten. De meest voorkomende zijn de bakgoot en tussen twee daken de zakgoot. Door de geringe stijfheid van het materiaal komen geen vrijdragende loden goten voor. Veel problemen ontstaan door verkeerde detaillering en/of verkeerd materiaalgebruik. De volgende regels gelden:

  • Om het water snel uit de goot te voeren is een afschot van 2 tot 10 mm/m essentieel.
  • Stukken langer dan 4 tot 6 meter moet men (afhankelijk van eerdergenoemde factoren) scheiden door een broekstuk of - in uitzonderlijke gevallen - een expansiestuk. Om schade te voorkomen moet men de lengte van gootdelen zo veel mogelijk beperken. (Gootstukken zijn de afzonderlijke delen van een lengte goot. Gootdelen is de lengte van de goot tussen broekstukken of expansieband.) Desondanks kan het voorkomen dat men op een oud dak stukken gegoten lood aantreft van wel 8 m die goed functioneren. Pas een expansiestuk - een strook rubber tussen twee stroken lood of koper die het uitzetten van de gootdelen opvangt - alleen toe als er geen mogelijkheden zijn om een broekstuk toe te passen, bijvoorbeeld omdat het stroomprofiel gehandhaafd moet blijven of omdat er onvoldoende afvoermogelijkheden zijn. Een goot opdelen met broekstukken houdt namelijk in dat men evenveel afvoeren moet maken. Expansiestukken hebben een beperkte levensduur van 20 à 25 jaar.
  • Je mag gootstukken nooit nagelen aan de gootbodem of tegen de voetkanten of op de neuslijsten, en je mag ze niet te strak in de gootbetimmering leggen. Zo kunnen de gootdelen bij uitzetting en krimp vrij bewegen.
  • Goten moet je bij voorkeur in het voor- én najaar schoonmaken. Eén keer per jaar de goot laten reinigen is veel te weinig.
  • Het verdient aanbeveling om goten, met name zakgoten, te voorzien van een (houten) gootrooster. Hiermee voorkom je problemen door uitzetten en krimpen, evenals de kans op lekkage door smeltwater, doordat de goot verstopt raakt met sneeuw.
  • Wanneer dit mogelijk is voorziet men loden goten vaak van een cascade. Het is een lapnaadverbinding in de vorm van een trap. De treden hebben een hoogte van ten minste 5 cm en zorgen daardoor voor een goede afwatering. Zowel bakgoten als zakgoten kun je maken met vervallen.
  • De achteropstand moet altijd aanzienlijk hoger zijn dan de vooropstand (bij voorkeur 30 mm) en moet men voorzien van een enkele vouwrand van 15 mm als waterkering.
  • Om problemen bij bestaande goten met een te lage achteropstand te ondervangen, kan men een verklikker of spuwer aan de voorzijde maken. Door middel van een verlaging van de buitenopstand of een ingesoldeerd pijpje zal bij een verstopping het water aan de voorzijde wegstromen. Hierdoor dringt het niet de constructie binnen en wordt de eigenaar/beheerder gewaarschuwd.

Hemelwaterafvoeren

  • De hemelwaterafvoeren moeten voldoende afvoercapaciteit hebben. In het algemeen geldt dat goten langer dan 6 tot 8 meter voorzien moeten zijn van twee afvoeren.
  • Bij de doorvoer van een tapeind door de (houten) bodem van een bakgoot moet het gat in die bodem groter (slobvormig) zijn dan de diameter van het tapeind om het schuiven van de loodbekleding met het tapeind bij uitzetting en krimp mogelijk te maken.
  • Vergaarbakken hebben als functie het hemelwater uit twee goten of gootdelen te verzamelen om het vervolgens via een gezamenlijke afvoerpijp af te voeren. Meestal hebben ze door een overlooppijpje ook een signaalfunctie voor het geval de afvoer verstopt raakt.
  • Wanneer er een vergroot risico bestaat op het platdrukken van het onderste deel van de pijp ter hoogte van het maaiveld, is het verstandig deze af te schermen of te verstevigen. Zo kun je een loden hemelwaterafvoer beschermen door een dikwandige koperpijp, een roestvaststalen pijp of een demontabele houten omkasting.
  • Lood is gevoelig voor uitzakken. Het enkel bevestigen met loden beugels is vaak onvoldoende. Een technisch goede, maar weinig historische methode is de bevestiging met een roestvaststalen beugel tussen twee wrongen.

Solderen

In principe wordt lood in de bouw zo min mogelijk gesoldeerd. Lood wordt gelast of met haken (van de wind af) aan elkaar bevestigd en daar waar mogelijk in de vorm gedreven. Een lasverbinding is sterker dan een soldeerverbinding.

In verband met het lage smeltpunt van lood komt alleen het gebruik van zachtsoldeer, op basis van tin, in aanmerking. Voor het solderen maakte men in het begin van de 19e eeuw onderscheid tussen grof, middel en fijnsoldeer. Grofsoldeer, met een samenstelling van 50% lood en 50% tin, gebruikte men voor het dichten van scheuren. Middelsoldeer, met een samenstelling van ongeveer 30% lood en 70% tin, gebruikte men bij nieuw werk. Fijnsoldeer - omschreven als het beste soldeer - had een samenstelling van ongeveer 15% lood en 85% ‘Engelsch’ tin en werd gebruikt voor het aan elkaar voegen van stukken van pompbakken, pompen, etc. Tegenwoordig soldeert men lood met een tinsoldeer in de kwaliteit 33% tin en 67% lood. Vlak voor het solderen moet men het lood schoonschrapen. Als vloeimiddel gebruikt men een stearinekaars of stearineolie.

Brandpreventie

Het gebruik van open vuur leidt jaarlijks tot zware beschadiging en verlies van monumenten. Brand ontstaat vaak lang nadat de werkzaamheden zijn beëindigd. Wanneer open vuur voor loodgieterswerk onontbeerlijk is, dient men de hierna volgende voorzorgsmaatregelen te nemen om brand te voorkomen.

  • Tref voldoende organisatorische maatregelen en zorg dat allen die bij het werk betrokken zijn, van timmerman tot loodgieter, doordrongen zijn van het brandgevaar.
  • Zorg dat de ondergrond en de omgeving stofvrij zijn. Denk ook aan spinrag en sterke tocht die een vlam naar binnen zuigt. Stof kan lang na het beëindigen van het werk nog ontbranden.
  • Verwijder ingerotte houtconstructies. Deze gelden als zeer brandgevaarlijk.
  • Maak houtconstructies onder het te solderen metaal vochtig met een natte doek.
  • Zorg dat 2 brandblussers van 12 kg en 2 blusdekens direct bij de hand zijn.
  • Controleer minimaal 2 uur na het einde van de werkzaamheden het uitgevoerde werk op smeulbranden of laat dit doen door een ingehuurde brandwacht. In overleg met de opdrachtgever kan hiervan worden afgeweken.
  • Scherm bij het werken met een open vlam de andere constructies af met een vuurvast materiaal.

Zie eventueel voor een checklist brandgevaarlijke activiteiten ook bijlage 9 van de ERM URL 4011.

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van de voor de werkzaamheden vereiste omgevingsvergunning(en) nadere eisen stellen aan het uitvoeren van brandgevaarlijke werkzaamheden.

Schade aan lood en de relatie tot andere materialen

Lood is in principe goed bestand tegen atmosferische aantasting. De onstabiele oxidelaag die zich in eerst instantie vormt, kan met hemelwater naar beneden stromen en witgrijze strepen op bijvoorbeeld leien of pannen veroorzaken. Door het gebruik van patineerolie kun je de instabiele fase van het oxideren (vorming van slecht hechtende loodoxide) voorkomen, waardoor je de streepvorming sterk vermindert. De olie dien je dan wel direct na het leggen van het lood (dus nog dezelfde dag) aan te brengen, omdat anders de oxidatie tot loodcarbonaat al in gang is gezet.

Patineren

Lood dat aan de buitenlucht wordt blootgesteld vormt al snel een oxidehuidje. In het begin wordt (basisch) loodcarbonaat oftewel loodwit gevormd. Dit hecht slecht en spoelt gemakkelijk weg, besmeurt leien en pannen, dringt erin en is niet meer te verwijderen. Gaandeweg vormt zich ook loodsulfide, dat goed hecht en ondoordringbaar is. Uiteindelijk ontstaat na circa 2 jaar het karakteristieke zilvergrijze patina. Patineer, om dit proces te bespoedigen en uitspoelen van loodwit tegen te gaan, al het loodwerk met patineerolie.

Patineren bij nieuw loodwerk:

  1. Patineer vooraf al het gesneden en gezette lood. Doe dit als extra zekerheid zowel aan de boven- als aan de onderzijde.
  2. Breng de patineerolie onmiddelijk aan op het aangebrachte lood; in ieder geval voor een regenbui of voor het einde van de dagtaak.
  3. Strijk de patineerolie met een zachte katoenen of flanellen doek uit om strepen en krassen te voorkomen. Wrijf in dezelfde richting (horizontaal of verticaal).

In de praktijk kan bladlood (ook met patineerolie) onder invloed van verschillende atmosferische verontreinigingen steeds donkerder en zelfs bijna zwart kleuren. De verkleuring is afhankelijk van de situering. Bepaalde stoffen of materiaalcombinaties kunnen lood aantasten, zeker in goten en op platte daken die regelmatig langdurig onder water staan en bovendien sterk zijn vervuild. Er is kans op versnelde aantasting, omdat een verhoging van de concentratie van schadelijke stoffen kan ontstaan. De schade tekent zich af door vlekken, strepen en uiteindelijk gaten en wordt veroorzaakt door algen, mossen en grind, kalk en/of metalen.

Algen, mossen en grind

Water dat afkomstig is van sterk door algen en/of mossen begroeide dakvlakken kan lood aantasten. Dit water bevat, vooral wanneer het traag stroomt (bij motregen of zware mist), een relatief hoog gehalte aan organisch zuur. Dit vocht tast de beschermende oxidelaag van het lood aan. Op den duur wordt het lood daardoor lokaal aangetast. Ook kiezelzuur dat vrijkomt uit grind kan lood aantasten. Het is sterk aan te raden dakdoorvoeren, hemelwaterafvoeren en plakplaten te voorzien van een UV-bestendige bitumineuze afstrijklaag. Bitumineuze producten (zoals a-tactisch polypropyleen, APP) kunnen ook organische zuren afscheiden die het lood aantasten.

Kalk

Vrije kalk uit kalkmortel of cement kan, in aanwezigheid van water en zuurstof, lood aantasten. De mate van aantasting is afhankelijk van de snelheid waarmee de kalk kan carbonateren. Vaak is de aantasting minimaal omdat de kalk voldoende snel carbonateert, bijvoorbeeld bij het vastzetten met specie van loodslabben in voegen. Bij directe bevestiging van bladlood in metselwerk of beton, zoals bij voetlood, verdient het aanbeveling het lood te verven of een scheidingslaag te gebruiken.

Metalen

Je kunt lood met de meeste in de bouw voorkomende metalen direct combineren. Galvanische corrosie door contact met koper, zink, roestvast staal of gegalvaniseerd ijzer is minimaal en mag worden verwaarloosd. Een combinatie met aluminium of ijzer kan, afhankelijk van het milieu, kritisch zijn.

Om het contact tussen lood en andere materialen te vermijden kun je scheidingslagen, zoals asfalt bitumenvilt of -weefsel, gebitumineerd glasvlies of -weefsel of kunststoffolie gebruiken, of kun je het lood aan de binnenzijde verven met bitumen- of aluminiumverf.

Niet zelden wordt lood ook aan de niet-zichtbare onderzijde aangetast. De aantasting is vanaf de voorzijde vaak pas zichtbaar als het materiaal over de gehele dikte is omgezet. De schade is bij dit soort aantastingen, die worden veroorzaakt door condens en hout, dus veel groter.

Condens

Wanneer warme vochtige lucht kan condenseren op de binnenzijde van het lood kan het lood op den duur door corrosie worden aangetast. Lood wordt daarbij langzaam omgezet in giftig loodoxide, ook wel loodwit genaamd. Het is daarom belangrijk om de ruimte achter en onder een loden bedekking goed te ventileren.

Hout

Hout kan zuren afscheiden. Wanneer tussen het hout en het lood vocht aanwezig is, bijvoorbeeld door condensatie van warme vochtige lucht, kan een waterige oplossing van organische zuren ontstaan. Het lood wordt daardoor vanaf de binnenzijde ernstig aangetast door corrosie; het wordt langzaam omgezet in loodwit. Veel voorkomend voorbeeld is eikenhout, maar ook andere soorten zoals teak en Oregon Pine kunnen schade veroorzaken. Ter bescherming van het lood kun je een scheidingslaag toepassen of het lood verven, bijvoorbeeld met aluminium- of bitumenverf. In Engeland strijkt men het lood aan de achterzijde ook wel in met een kalkpapje om zuren te neutraliseren.

Schade aan lood: natuurlijke oorzaken en onjuiste detaillering en bevestiging

  • Te lange lengtes lood, waardoor plooivorming ontstaat en uiteindelijk scheurvorming.
  • Uitzakken van lood, onder meer door doorroesten van ijzeren vernageling.
  • Scheurvorming door onjuist kloppen of drijven, waardoor het lood te dun wordt.
  • Gaatjes door houtaantasters (bonte knaagkever) die vanuit aangetast eiken naar buiten komen.
  • Lokale beschadigingen van lood, zoals scheurtjes of spijkergaatjes, kun je eenvoudig herstellen door ze dicht te solderen of dicht te vloeren, of, bij grotere scheuren, door er een stukje lood op te solderen.

Milieu

Ondanks het beschermende patina bevat afkomend regenwater sporen van het lood. Om het afspoelen van metaaldelen (de emissie) te verminderen bestaat de mogelijkheid het lood te coaten. Het coaten heeft echter wel invloed op de uiterlijke verschijningsvorm van het lood. Daarmee zou het coaten op gespannen voet kunnen komen te staan met de monumentenzorg. Het direct lozen van de loodsporen op het riool kun je eventueel ook voorkomen door het plaatsen van een filter. Een filtersysteem is relatief kostbaar.

De Nederlandse wetgeving bevat geen bepalingen die het gebruik van lood verbieden. De bouwregelgeving bevat weliswaar voorschriften over materialen die je niet mag toepassen, maar daar valt lood niet onder.

Bovendien geldt dat het bevoegd gezag met het oog op het behoud van een beschermd monument via een omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit kan afwijken van algemene bouwregels.

Vergunning en subsidie

Voor restauratie (werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel) van beschermde monumenten is een omgevingsvergunning vereist. Voor normaal onderhoud (noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde) is niet altijd een vergunning vereist. Voor gemeentelijke monumenten of provinciale monumenten kunt u contact opnemen met de gemeente. Voor werkzaamheden ten behoeve van de instandhouding van een rijksmonument kan de eigenaar in veel gevallen subsidie aanvragen.

Nuttige adressen

Stichting Informatiecentrum Bewerkt Lood

Stichting Duurzaam Bouwmetaal

Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM)

Literatuur

  • Hendriks, N.A., en H. Janse (bew.), Lood en loodtoepassingen in de restauratie, RVbijdrage 06, Zeist/Den Haag 1987.
  • Inspectiehandboek Monumentenwacht, moduul 2.3 ‘loodaansluitingen’.
  • Lood voor bouwkundige doeleinden, deel 1 Lood: algemene gegevens en eigenschappen, Rotterdam 1967.
  • Lood voor bouwkundige doeleinden, deel 2 Bladlood voor vochtwerende constructies, Rotterdam 1967.
  • Polet, Th.P. red., Lood in de bouw, Zoetermeer 1983.
  • Polet, Th.P. red., Loodbewerking voor de loodgieter, Zoetermeer 1983.
  • Stokroos, M., Lood in Nederland, Amsterdam z.j. [1988].
  • Tilborg, W.J.M. van, Emissies van bouwmaterialen in Nederland in perspectief, Rozendaal 2001.
  • Zwaanenburg, J., R. Vandebosch red,. Bladlood, Rijswijk/Brussel 1996.
  • Hemert, Ries van, Lood, zink & koper: dakbedekkingen en goten. Handboek voor loodgieters, alle andere ambachtslieden en bouwkundigen betrokken bij restauraties van monumenten, NRC Amsterdam 2012.
  • ERM Uitvoeringsrichtlijn URL 4011: Metalen dakbedekkingen en goten bij monumenten in lood, zink en koper
  • URL 0299/15: Ontwerp- en uitvoerings richtlijnen voor zinken en/of koperen dak-, gevel- en gootconstructies.

Tekst: Klaas Boeder

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen


Hoort bij deze thema's


Specialist(en)


Contact

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 mei 2022 om 03:02.