Bladzink op monumenten

Introductie[bewerken]

Sinds het begin van de 19e eeuw past men zink toe aan gebouwen. De introductie van zink in Nederland viel vrijwel gelijk met de heroriëntatie op oude bouwstijlen, de intree van de zogenoemde neostijlen. Het gebruik van zink nam een grote vlucht, niet alleen voor dakbedekking, goten en hemelwaterafvoeren, maar ook voor de vele ornamenten die men in de neostijlen toepaste. Dit artikel geeft inzicht in de eigenschappen en het gebruik van bladzink, zijn verwerkbaarheid, de schades die kunnen ontstaan en hoe je deze kunt voorkomen.

Je ziet een zinken vuurtoren op het dak van een viswinkel.
Decoratief gebruik van zink: een vuurtoren op het dak van een voormalige viswinkel.
Een oeil-de-boeuf met als achtergrond een zinken dak.
Een oeil-de-boeuf met als achtergrond een zinken dak.
Een oeil-de-boeuf op een leiendak
Een oeil-de-boeuf op een leiendak in Ruinerwold. Foto: K. Boeder
Een dak met houten balken.
Aanbrengen van een zinken roevendak op de Oude Kerk in Zeist. Foto: K. Boeder
Een dak met houten balken.
Aanbrengen van een zinken roevendak op de Oude Kerk in Zeist. Foto: K. Boeder
Een zinken dak.
Aanbrengen van een zinken roevendak op de Oude Kerk in Zeist. Foto: K. Boeder
Een schematische weergave laat zien hoe je een roefconstructie opbouwt en bevestigt met klangen.
De opbouw van een roefconstructie en bevestiging met klangen. Door de klang niet direct aan de plaat vast te maken blijft schuiven bij uitzetting mogelijk. Afbeelding: K. Boeder
Een zinken dak.
Kenmerkend dak uit de tweede helft van de 19de eeuw met zinken losanges, goot, hoekkepers en dakrand. (Foto: K. Boeder)
Een schematische weergave van een losange en hoe de klangen daaraan worden bevestigd.
Losange met de wijze waarop de klangen daaraan worden bevestigd. Afbeelding: K. Boeder
Een rijk versierde koepel op het dak van een gebouw.
Buitenplaats De Rozenhof in Dordrecht, met op de koepel een schitterende losangebedekking. Foto: K. Boeder
Schematische weergave van verschillende soorten goten
Verschillende goottypen.
Detail van een zinken bakgoot.
Detail van een zinken bakgoot met broekstuk op de St. Martinuskerk in Wehl. Het broekstuk deelt de goot op en maakt uitzetten van het metaal mogelijk. Foto: K. Boeder
Schematische weergave van de opbouw van een broekstuk.
De opbouw van een broekstuk, een verbinding tussen twee gootdelen die uitzetting van zink mogelijk maakt. (Bron: Titaanzink in de bouw, Billiton Zink 1986)
Een rubberen expansiestuk in een goot.
Waar een broekstuk niet mogelijk is, past men een rubberen expansiestuk toe. Dit heeft echter een beperkte levensduur en gaat op den duur barsten vertonen. Foto: K. Boeder
Een afvoerpijp met figuren.
Bijzondere geperste zinken afvoerpijp. Door soms onnodige vervanging worden ze zeer zeldzaam. Foto: K. Boeder
Een vierkanten gele afvoerpijp aan de muur.
Leuk voorbeeld aan de Henri Polaklaan in Amsterdam van een vierkanten afvoerbuis vastgezet met een geprofileerde beugel. Foto: K. Boeder
Een rek houdt bladen tegen de afvoer in te waaien.
Bladvanger in een afvoerbuis van het Wildemanshofje in Alkmaar. Foto: K. Boeder
Schematische weergave van de manier waarop een regenpijp wordt bevestigd
Schematische weergave van de bevestiging van een regenpijp. Links met neus, rechts met dubbele wrong. (Bron: Titaanzink in de bouw, Billiton Zink 1986)
Een grijzen dak met zinken vormen.
Dakbedekking met zinken losanges. De uitloop van het platte dak met bitumen en grind tekent zich af als donkere strepen en kan leiden tot plaatselijke aantasting.
Een zinken goot met slijtage.
Een zinken goot met puntslijtage onder de afdruippunten van de dakpannen. Gaatjes zijn, zoals te zien is, uiteindelijk het gevolg. Foto: K. Boeder
Een groen verweerde bliksemafleider.
Koperhoudend water versnelt de verwering van zink. De foto toont de aantasting door het water dat van de koperen bliksemafleider af komt. Foto: K. Boeder
Een donker gekleurde dakkapel onder een strakblauwe hemel.
Sprekend voorbeeld van een in zink uitgevoerde, rijk gedecoreerde dakkapel aan de Markt in Steenwijk. Foto: K. Boeder

Hoe kijkt de RCE tegen het gebruik van zink aan?

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) streeft zowel naar behoud van het oorspronkelijke materiaal als naar een duurzaam herstel; dit om schade en onnodige restauratie te voorkomen. Zink is een bouwmateriaal met een lange levensduur. Echter, door een verkeerde wijze van toepassen of verwerken kan het zink aan de boven- of onderzijde door vocht, al dan niet in combinatie met agressieve stoffen, worden aangetast. Ook komt het voor dat zink dat slechts plaatselijk is beschadigd, onnodig in zijn geheel wordt vernieuwd.

Het streven naar een lange levensduur leidt echter steeds vaker tot toepassing van koper, dat minder snel verweert dan zink. Wanneer koper het oorspronkelijke materiaal vervangt gaat dit ten koste van cultuurhistorische waarden. Zink is immers bepalend voor de architectuur en de tijd waarin het is toegepast: vooral in de tweede helft van de 19de en aan het begin van de 20ste eeuw.

Geschiedenis

Oudheid

In de bronstijd kende men geen zink, hoewel het wel in de koperlegeringen voorkwam. Uit de oudheid zijn enkele zinken voorwerpen bekend, zoals een afgodsbeeldje van de Daciërs in Transsylvanië, twee armbanden uit de ruïnes van Kameros in Griekenland (stad verwoest 500 v.Chr.) en het bovenstuk van een fontein in Pompeï (in 79 n.Chr. bedolven onder lava).

===Middeleeuwen===

In de Middeleeuwen is uit de ertsgroeven bij het Belgische Vieille Montagne, in het dorp Kelmis (La Calamin), de kalamine gewonnen voor de vervaardiging van messing, een legering van koper en zink. Toch kwam het toen niet tot een grote productie. In die periode beschouwde men in India en China het zink als een kostbare variant op tin. Het was bijvoorbeeld een van de maharadja’s van Mewar die in de 14de eeuw op grote schaal zink produceerde. Met enige onderbrekingen duurde dit tot omstreeks 1830.

===17de en 18de eeuw===

In de 17de en 18de eeuw kwam ook veel zink, bekend als Indisch tin, uit de Oost. De Chinese kennis van het smelten kwam omstreeks 1740 naar Engeland. De Engelsen hadden tot het eind van de 18de eeuw een soort productiemonopolie. Omstreeks 1798 begon men in Silezië met het distilleren van zink.

===19de eeuw===

In 1806 kreeg de Luikse scheikundige Jean-Jacques Daniël Dony (1759-1819) een concessie voor de ontginning van de groeven in Moresnet. Het op Dony’s naam staande zogenoemde Luikse proces om zink te winnen uit erts werd in 1809 toegepast. Hieruit ontwikkelde zich de productie van bladzink.

Dakbedekkingen en ornamenten

Men paste bladzink voor het eerst toe als dakbedekking in 1811 in België bij de Sint-Bartholomeuskerk in Luik. Dony zag zich in 1813 financieel gedwongen driekwart van de zinkfabriek te verkopen aan de Brusselse zakenman Dominique Mosselman, en in laat 19de-eeuwse bestekken beschrijft men de beoogde kwaliteit van het zink als ‘zoogenaamd Mosselmans’. In de 19de eeuw paste men veel zinken ornamenten toe. Het ornament werd gegoten of geforceerd (‘gestampt’) en waar nodig aan elkaar gesoldeerd. Men paste de ornamenten hoofdzakelijk toe op en aan daken, zoals oeils-de-boeuf, vorstkammen, pironnen, daklijsten en hoekkepers.

In 1836 startte de zinkbereiding in Stolberg bij Aken, in ovens die kenmerken van zowel de Silezische als de Luikse ovens hadden. Bladzink wordt sinds 1926 in Nederland geproduceerd in Budel-Dorplein, eerst onder de naam Kempense Zink Maatschappij, nu onder de naam NedZink. 
==Eigenschappen==

Het metaal zink is een grijswit, enigszins blauwachtig metaal. In de buitenlucht wordt een oxidelaag gevormd - ook wel patina genoemd - die goed hecht, slecht oplosbaar is en zelfherstellend, waardoor zink wordt beschermd. Het materiaal verweert onder normale omstandigheden langzaam: 0,3 tot 0,5 μm per jaar.

Kristalstructuur

Door de specifieke kristalstructuur van zink onderscheidt het zich van andere non-ferro metalen zoals koper. De fysische en mechanische eigenschappen van zink en zinklegeringen verschillen per richting, met name wanneer het zink is gewalst: het materiaal is, met andere woorden, anisotroop. Het smeltpunt van zink is 420°C.

Zink mag niet worden verwerkt onder de 5°C. Bij dergelijke lage temperaturen is het materiaal tijdens het verwerken bros en daarmee gevoeliger voor scheurvorming.

Men onderscheidt twee soorten bladzink, met duidelijk verschillende kwaliteiten: traditioneel bladzink en titaanhoudend bladzink.

Traditioneel (oud) bladzink

Traditioneel bladzink is niet meer verkrijgbaar, maar komt nog wel veel voor op monumenten. Men maakte dit zink door het zogenoemde pakketwalsen. Het bestond voor ongeveer 98,5% uit zink, een klein deel lood en andere bestanddelen. Door bijmengsels was het niet erg drukvast en het was sterk anisotroop. Dat wil zeggen dat de eigenschappen afhankelijk zijn van de richting. De zinkplaten hadden een zogenoemde vezelstructuur. Ook de thermische uitzettingscoëfficiënt was afhankelijk van de richting en was relatief hoog. Het zink kon alleen dwars op de walsrichting worden gezet en daarom in 1 m lange stukken worden gebruikt. Dit had te maken met de betere vouwbaarheid dwars op de walsrichting; bij bewerking in de lengterichting, zoals vouwen, kon op de plek van de buigkanten breuk optreden.

Modern titaanhoudend bladzink

Vanwege de nadelen van het traditionele bladzink - zoals omslachtige productiemethoden, beperkte afmetingen, beperkte vervormbaarheid, lage sterkte en anisotropie - heeft men een nieuw soort bladzink ontwikkeld, het zogenoemde titaanzink. Dit zink kwam in de handel als STZ (Stolberger Titaan Zink). Titaanzink bestaat voor ten minste 99,7% uit zeer zuiver zink. Daarnaast bevat het ongeveer 0,1% titaan, 0,1% koper en kleine percentages andere elementen. Door de toevoeging van titaan en koper is de anisotropie zodanig verminderd dat je deze kunt verwaarlozen voor wat betreft de verwerkbaarheid. Daardoor kun je zink in de lengterichting gebruiken, waardoor grote lengtes mogelijk zijn. De thermische uitzettingscoëfficiënt is 0,022 mm/m°C. Zo is 1 m zink op een warme zomerdag 2,2 mm langer dan op een koude winterdag.

===Bandgewalst platzink===

Vanaf 1956 produceert men bladzink via een modern bandwalsprocedé, met parabolische walsen. Bandgewalst titaanzink heeft wat betreft sterkte, vervormbaarheid, kruipvastheid en brosheid aanzienlijk betere eigenschappen dan traditioneel pakketgewalst zink. Na 1965 maakt men in West-Europa uitsluitend bandgewalst bladzink. Dit zink kan onafhankelijk van de walsrichting worden gevouwen, gebogen, gekant of geknipt. Tussen 1965 en 1973 waren beide soorten zink in Nederland echter nog verkrijgbaar. Vanaf 1973 kun je alleen nog bandgewalst krijgen. Het in Nederland gefabriceerde zink komt als NTZ in de handel.

Lengte

De maatvoering van bladzink is in de loop der tijd vrij constant gebleven. Aan het begin van de 19de eeuw leverde men zink in lengtes van 2 tot 2,25 m, soms ook in rollen tot 3,6 à 3,9 m. De breedte bedroeg 0,48 m, 0,65 m, 0,81 m en 1 m. Deze maten zijn tot in de jaren vijftig van de 20ste eeuw gangbaar gebleven.

Bij het huidige productieproces wordt de lengte eigenlijk alleen beperkt door de maximale maat die bij het walsen te verkrijgen is uit één blok zink. De huidige standaardbreedte is 1 m. Omdat titaanzink zich eenvoudig in de lengterichting laat snijden, zijn de oudere, kleinere breedtematen bij restauratie dus eenvoudig te realiseren.

===Dikte===

De dikte van bladzink specificeert men nog vaak met nummers zoals die werden gebruikt ten tijde van het pakketwalsen. Omdat de relatie tussen de nummers en de werkelijke dikte niet is genormaliseerd, wordt het gebruik van de nummers afgeraden. In de praktijk gebruikt men ze echter toch nog vaak. Daarom wordt het nummer tussen haakjes weergegeven. De meest voorkomende diktes waren de nummers 12, 14 en 16. Tegenwoordig geeft men de dikte van de platen aan in mm’s. De meest voorkomende diktes zijn nu 0,8 en 1,0 mm. De dikte 1,10 mm kan nog wel op aanvraag geleverd worden. In verband met de stijfheid van de banen zink bij een roevendak wordt hiervoor 1,10 mm aanbevolen.

Toe te passen zink moet voldoen aan NEN-EN 988 ‘Zink en zinklegeringen - Technische leveringsvoorwaarden voor gewalste platte producten voor de bouw’.

Dakbedekking

Zink als dakbedekking komt voor in vlakke platen (stroken) als roevendak en in de vorm van losanges. Gegoten zinken pannen zijn voor zover bekend in Nederland niet toegepast. Zinken felsdaken, zoals men die tegenwoordig maakt, komen oorspronkelijk niet voor op historische gebouwen. Zij worden pas toegepast vanaf 1956, omdat ze alleen mogelijk zijn in titaanzink. Voor roevendaken en daken belegd met losanges wordt zink met een dikte van 0,80 mm (nr. 14) het meest toegepast.

Roevendak

De Belgische of Hollandse roefconstructie is de meest gebruikte in Nederland. Zij bestaat uit trapeziumvormige roeflatten die met de smalle evenwijdige zijde op het dak worden geschroefd. De schroefkoppen moeten wat verdiept liggen zodat ze niet in aanraking komen met het zink. De hart-op-hart afstand van deze latten wordt bepaald door de breedte van de aan de randen omgezette dakbanen zink. Bij een breedte van 1000 mm houdt men standaard een breedte van 890 mm aan met opgezette kanten van 55 mm. Aan beide zijden worden de dakbanen zink tegen de roeflat gezet en met klangen tegen de zijkant van de roeflat bevestigd. De roeflatten tussen de dakbanen zorgen ervoor dat het zink van de dakbanen kan werken. Dit houdt ook in dat boven en onder de roeflatten schuifstukken zijn aangebracht om deze werking mogelijk te maken. Hierna wordt de roeflat afgedekt met een los stuk zink - de roefkap - dat over de klangen wordt geschoven. In de lengte worden de roefbanen aan elkaar gesoldeerd of, bij voldoende helling, met een dubbele aanhaking met elkaar verbonden.

===Ondersteuning===

Het roevendak moet volledig worden ondersteund door een (beloopbaar) dakbeschot van houten delen van 23 of 25 mm dik. Het beste kun je ongeschaafde vuren delen gebruiken, zodat de ruigte van het houtoppervlak het schuiven van het zink over het hout bij uitzetting mogelijk maakt. Plaatmaterialen zijn ongeschikt. De houten delen zonder messing en groef moeten minimaal 5 mm en mogen maximaal 10 mm kieren. De koppen van de spijkers moeten worden verzonken (in het hout gedreven) om contact met het zink te voorkomen. Gebruik roestvaste bevestigingsmiddelen.

Ventilatie en isolatie

Bij bestaand dakbeschot dient men extra aandacht te besteden aan een goede ventilatie aan de onderzijde van de zinken bedekking. Geïsoleerde zinken daken vereisen een zorgvuldige bouwkundige detaillering gericht op een hele goede ventilatie, om corrosie van het zink en aantasting van de onderliggende constructie te voorkomen. Bij een geïsoleerd dak moet men onder het ondersteunende dakbeschot de constructie voorzien van een geventileerde spouw tussen isolatie en dakbeschot. De spouw moet condensvorming aan de onderzijde van het zink voorkomen. Aan de warme zijde van de isolatie wordt dampremmende folie toegepast.

De roefbanen moeten tussen de roeflatten vrij kunnen uitzetten en krimpen, zowel in de lengte als in de breedte.

De dakbanen worden met klangen bevestigd die het schuiven in de lengterichting mogelijk maken. Bij lengtes tot 7 m en hellingen flauwer dan 10° kun je de platen horizontaal aan elkaar solderen. Tegenwoordig kun je ook lengtes tot circa 7 m uit een stuk zetten. Bij dakhellingen groter dan 10° en baanlengtes langer dan 7 meter verbindt men de roefbanen door één of meerdere dubbele haakconstructies. Iedere baan wordt voorzien van een vaste klangconstructie om de roefbaan te positioneren.

Losanges

Een losangebedekking is opgebouwd uit kleine plaatstukken, die alle met een haakverbinding in elkaar grijpen. Ze worden gebruikt als dakbedekking en gevelbekleding. Zij zijn er in meerdere vormen: de rechthoekige en de spitse of ruitvormige modellen komen het meest voor, maar er zijn ook zeshoekige modellen. De platen worden met roestvaststalen of verzinkte stalen nagels op het dak gespijkerd en met klangen aan de randen op het beschot bevestigd.

Tegenwoordig worden de losanges op de kop van het beschot bevestigd met een gesoldeerde klang en aan de zijkanten gehaakt met een schuifklang. De standaarddikte bedraagt 0,8 of 1,0 mm.

De volgorde van bevestiging is van onder naar boven. Om het patroon keurig recht te krijgen is aftekenen op het dakbeschot nodig. Licht gebogen vlakken zijn met een kleinere maat losanges heel mooi te dekken. Heel veel onderdelen kunnen op maat worden besteld bij de groothandel.

Goten en hemelwaterafvoeren

De invloed die goten en hemelwaterafvoeren kunnen hebben op de instandhouding van monumenten wordt vaak onderschat. De schade die aan exterieur en interieur kan ontstaan door een niet goed functionerend hemelwaterafvoersysteem is enorm. Zo leidt een lekke of verstopte dakgoot regelmatig tot het moeten vernieuwen van voeg- en pleisterwerk of grote delen van de houten kapvoet.

Goten

Men onderscheidt verschillende typen goten. De meest voorkomende typen zijn de vrijdragende mastgoot en de bakgoot zowel vrijdragend als bekleed met zink. De dakgoot tussen twee daken is een zakgoot.

Een grote bedreiging voor de levensduur van goten vormt de onwetendheid bij eigenaren en beheerders. Er vindt geen of onvoldoende onderhoud plaats en gebreken worden te laat ontdekt. Ook ontstaan veel problemen door verkeerde detaillering en/of materiaalgebruik.

Algemeen gelden de volgende regels:

  • Om het water snel uit de goot te voeren is een afschot van 2 tot 10 mm/m essentieel.
  • Stukken langer dan 8 tot 10 m moet men scheiden door een broekstuk of - in uitzonderlijke gevallen - een rubberen expansiestuk. Pas een expansiestuk alleen dan toe als er geen mogelijkheden zijn om een broekstuk toe te passen, bijvoorbeeld omdat het stroomprofiel gehandhaafd moet blijven of omdat er onvoldoende afvoermogelijkheden zijn. Een goot opdelen met broekstukken houdt namelijk in dat men evenveel afvoeren moet maken. Dit heeft de voorkeur, maar is niet altijd mogelijk. Een expansiestuk bestaat uit een strook dubbel gevulkaniseerd rubber tussen twee stroken zink die het uitzetten van de gootdelen opvangt. De expansiestukken hebben echter een beperkte levensduur van 20 à 25 jaar.
  • Gootstukken mogen nooit worden gespijkerd aan de gootbodem of op de neuslijst. Ook mag je gootstukken niet te strak in de gootbetimmering leggen. Je zet de gootstukken met klangen vast op de neuslijst en aan de zijde van de dakvoet, zodat de gootdelen bij uitzetting en krimp vrij kunnen bewegen.
  • Goten moet je bij voorkeur in het voor- én najaar schoonmaken. Eén keer per jaar de goot laten reinigen is veel te weinig.
  • Om puntslijtage door de drup van de pannen of leien tegen te gaan kun je onder de onderste rij pannen of leien een coating aanbrengen of een druipstrook solderen. Wanneer de strook door corrosie is aangetast kun je deze eenvoudig vervangen en hoef je niet de hele goot te vernieuwen. Ook wordt wel een smalle strook EPDM aangebracht op de plaats waar de drup valt. Bij monumenten wordt voor goten zink met een dikte van 1,0 à 1,1 mm (NTZ 16) toegepast.
  • De achteropstand moet altijd aanzienlijk hoger zijn dan de vooropstand (minimaal 30 mm) en zijn voorzien van een waterslag of klisrand van 10 tot 15 mm als waterkering.
  • Om problemen bij bestaande goten met een te lage achteropstand te voorkomen kun je een verklikker of spuwer aan de voorzijde maken. Door een verlaging van de buitenopstand op een ingesoldeerd pijpje stroomt bij een verstopping het water aan de voorzijde weg. Hierdoor dringt het niet de constructie binnen en wordt de eigenaar/beheerder gewaarschuwd.

Hemelwaterafvoeren

Zinken hemelwaterafvoeren komen voor als ronde, rechthoekige of vierkante buizen. Vaak liggen de vierkante buizen terug in het gevelvlak in een speciaal daarvoor uitgespaarde nis. Vooral de 19de-eeuwse bouwkunst kende bewerkte, geperste, rechthoekige of getordeerde zinken afvoerbuizen en fraai gedecoreerde vergaarbakken. Te vaak worden deze buizen en bakken verwijderd. Men moet ze waar mogelijk handhaven, omdat zij mede bepalend zijn voor de architectuur van de huizen. Soms kan in de oude pijp een nieuwe pijp met een kleinere diameter worden geschoven.

De ronde hemelwaterafvoer kun je op verschillende manieren aan de muur bevestigen. De wijze waarbij de buis met één zijde strak tegen de muur wordt vastgemaakt, moet men vermijden. Bij lekkage kan hemelwater gemakkelijk in de gevel dringen en je kunt de buis aan de muurzijde niet controleren op perforaties. De optimale wijze van bevestigen, met name bij grotere diameters en lengtes, is met behulp van scharnierbeugels tussen opgesoldeerde wrongen. In geval van een verstopping kun je de stukken gemakkelijk uit elkaar halen. Je mag de verschillende stukken niet aan elkaar solderen. Om verstopping te voorkomen mogen knikken in een buis nooit een haakse hoek maken. De hoek moet minimaal 120° zijn.

Wanneer er een vergroot risico bestaat op het platdrukken van het onderste deel (maaiveld) van de pijp is het verstandig deze af te schermen of te verstevigen. Zo kun je het onderste deel vervangen door een geplastificeerde of verzinkt stalen buis of een demontabele houten omkasting.

De afvoer wordt bij voorkeur aangesloten op een riool. Zo wordt voorkomen dat water vlak langs een fundering de grond in loopt en in de muren optrekt en zo schade veroorzaakt. Overigens is regenwater afvoeren via het riool niet meer vanzelfsprekend; bij woonhuizen is dit in principe niet meer toegestaan.

Bij de doorvoer van het tapeind door de (houten) bodem van een bakgoot moet het gat in die bodem groter (slobvormig) zijn dan de diameter van het tapeind om het schuiven van de zinkbekleding met het tapeind bij uitzetting en krimp mogelijk te maken.

Voor hemelwaterafvoeren past men zink met een dikte van 0,80 mm (NTZ 14) toe. Om verstopping van een hemelwaterafvoer te voorkomen kun je een boldraadrooster in het tapeind plaatsen. Let wel: een boldraadrooster heeft niet in alle gevallen het gewenste effect. Wanneer te veel blad in de goot valt dat niet tijdig wordt verwijderd, stroomt de goot alsnog over. Het middel is dan erger dan de kwaal. Een bladvanger op maaiveldhoogte biedt een betere oplossing.

Solderen

Titaanzink heeft een relatief laag smeltpunt, waardoor je alleen zachtsoldeer en een bout kunt gebruiken. Je kunt werken met 50% tin-50% lood of met 40% tin-60% loodsoldeer. Nieuw zink kun je in het algemeen na behandeling of instrijken met een vloeimiddel direct solderen. Ook oud zink kun je solderen, maar dat vraagt extra voorbereiding. Je moet oud zink eerst door schrapen en schuren reinigen totdat je een metaalblank oppervlak hebt verkregen. Vroeger reinigde men ook nog met zoutzuur, maar dat is niet meer toegestaan. Er zijn vloeimiddelen in de handel die bijzonder geschikt zijn voor het solderen van oud zink.

===Naden===

Het is van groot belang dat je naden goed vloeiend en capillair soldeert. Soldeernaden moeten een minimale overlap hebben van 10 mm. In verband met de sterkte mag de soldeerfilm maximaal 0,5 mm dik zijn. Het met ruggen solderen van verticale naden heeft nauwelijks invloed op de sterkte van de verbinding, maar wordt om esthetische redenen gedaan of komt voort uit de gehanteerde soldeertechniek.

Brandpreventie

Het gebruik van open vuur leidt jaarlijks tot zware beschadiging en verlies van monumenten. Brand ontstaat vaak lang nadat de werkzaamheden zijn beëindigd. Wanneer open vuur voor loodgieterswerk onontbeerlijk is, dient men de hierna volgende voorzorgsmaatregelen te nemen om brand te voorkomen (overgenomen uit de uitvoeringsrichtlijn (URL) 4011 van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). In deze URL is ook nog een checklist van brandgevaarlijke activiteiten opgenomen als bijlage 9).

  • Tref voldoende organisatorische maatregelen en zorg dat allen die bij het werk betrokken zijn, van timmerman tot loodgieter, doordrongen zijn van het brandgevaar.
  • Zorg dat de ondergrond en de omgeving stofvrij zijn. Denk ook aan spinrag en sterke tocht die een vlam naar binnen zuigt. Stof kan lang na het beëindigen van het werk nog ontbranden.
  • Verwijder ingerotte houtconstructies. Deze gelden als zeer brandgevaarlijk.
  • Maak houtconstructies onder het te solderen metaal vochtig met een natte doek.
  • Zorg dat 2 brandblussers van 12 kg en 2 blusdekens direct bij de hand zijn.
  • Controleer minimaal 2 uur na het einde van de werkzaamheden het uitgevoerde werk op smeulbranden, of laat dit doen door een ingehuurde brandwacht. In overleg met de opdrachtgever kun je hiervan afwijken.
  • Scherm bij het werken met een open vlam de andere constructies af met een vuurvast materiaal.

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van de voor de werkzaamheden vereiste omgevingsvergunning(en) nadere eisen stellen aan het uitvoeren van brandgevaarlijke werkzaamheden.

Schade aan zink en de relatie tot andere materialen

Op het metaal vormt zich onder invloed van de buitenlucht een patinalaag, die het metaal beschermt tegen corrosie, waardoor een lange levensduur wordt bereikt. Het gevormde patina kan onder bepaalde omstandigheden zijn beschermende werking verliezen. Bepaalde stoffen, omstandigheden (slecht afschot, onvoldoende reiniging) of materiaalcombinaties kunnen tot aantasting van het materiaal leiden.

In zinken goten en op platte daken die regelmatig langdurig onder water (blijven) staan en bovendien sterk zijn vervuild, wordt geen goede beschermende oxidelaag gevormd, maar een poreuze brosse laag. Er is kans op versnelde aantasting, mede omdat een hogere concentratie van schadelijke stoffen kan ontstaan. De schade tekent zich af door vlekken, strepen en uiteindelijk gaten en wordt veroorzaakt door organische vervuiling, bitumen/kunststoffen, metalen en riet, hout, leien en grind.

Organische vervuiling

Bladeren in een natte goot worden omgezet in humus waarin zich sulfiden ontwikkelen die het zink aantasten. Duivenmest heeft een hoge zuurgraad en ook uit eikenbladeren kunnen zuren vrijkomen. Ook deze zuren tasten het zink aan.

Bitumen/kunststoffen

Wanneer bitumineuze producten (bijvoorbeeld APP) direct blootstaan aan zonlicht, kunnen organische zuren, zoals carbolzuur, worden gevormd. Wanneer deze zuren met weinig regenwater worden meegenomen en in contact komen met zink, kan dit leiden tot (plaatselijke) aantasting van het zink. Je kunt de vorming van zuren tegengaan door de bitumineuze producten af te dekken met een strooilaag of te voorzien van een anti-UV strijklaag. Ook regenwater afkomstig van bepaalde (chloridehoudende) kunststofdakbedekkingen kan zink aantasten.

Metalen

Zink mag niet in direct contact staan met koper of ijzer (staal, niet verzinkt). Denk hierbij zeker ook aan ijzerslijpsel en spijkers, die na een (ver)bouw in de goten achterblijven. Zink wordt ook versneld aangetast door koperhoudend (hemel)water dat bijvoorbeeld afkomstig is van koperen goten, lei- en klimhaken, hemelwaterafvoeren, bliksemafleiders of bronzen klokken. Problemen door een koperen bliksemafleider kun je voorkomen door vertind koper toe te passen of de bliksemafleider in aluminium uit te voeren. Ook een plaatstalen of gietijzeren kap op een schoorsteen boven een zinken goot kan van invloed zijn op de aantasting. Contact met lood, roestvast staal, aluminium en (thermisch) verzinkt staal geeft geen problemen.

Riet, hout, leien en grind

De organische zuren die uit riet vrijkomen bij regen kunnen vrij sterke aantasting van zink veroorzaken, evenals bepaalde stoffen waarmee hout wordt geïmpregneerd. Dit geldt ook voor red cedar en eikenhout boven het zink. Ook ijzer-zwavelverbindingen (pyriet), afkomstig van een leibedekking, kunnen zink aantasten.

Ondercorrosie

Niet zelden wordt het zink ook aan de niet zichtbare onderzijde aangetast. Doordat de schade lange tijd verborgen blijft, is zij vaak veel groter. Condens tegen de onderzijde van het titaanzink kan aanleiding geven tot ernstige corrosieve aantasting van het zink. Ook de houten onderconstructie kan worden aangetast doordat het houtvochtgehalte te hoog wordt, waardoor schimmelvorming ontstaat. Om problemen te voorkomen moet men het zink voldoende beluchten (ventileren).

Milieu

Ondanks de beschermende patinalaag bevat afkomend regenwater sporen zink. Dat is echter geen reden om zink niet toe te passen op een monument. De hoeveelheid is zeer gering en de afspoeling is de laatste 20 tot 30 jaar enorm afgenomen, met een factor 10. Deze afname is vooral bereikt door de sterke vermindering van de SO2-uitstoot. Dit is ook herkenbaar aan de langere levensduur van dakgoten en andere zinktoepassingen.

In verband met milieueisen kun je het zink eventueel coaten. Dit heeft echter wel invloed op de uiterlijke verschijningsvorm van zink en kan daarmee op gespannen voet komen te staan met de monumentenzorg. Je kunt het direct lozen van de sporen zink tegengaan door het plaatsen van een filter. Een filtersysteem is relatief kostbaar en vraagt onderhoud.

De Nederlandse wetgeving bevat geen bepalingen die het gebruik van zink verbieden. De bouwregelgeving bevat weliswaar voorschriften over materialen die niet mogen worden toegepast, maar daar valt zink niet onder. Bovendien geldt dat het bevoegd gezag met het oog op het behoud van een beschermd monument via een omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit kan afwijken van algemene bouwregels.

Meer informatie: Stichting Duurzaam Bouwmetaal.

Vergunning en subsidie

Voor restauratie (werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel) van beschermde monumenten is een omgevingsvergunning vereist. Voor normaal onderhoud (noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde) is niet altijd een vergunning vereist. Voor gemeentelijke monumenten of provinciale monumenten kan contact worden opgenomen met de gemeente. Voor werkzaamheden ten behoeve van de instandhouding van een rijksmonument kan de eigenaar in veel gevallen subsidie aanvragen.

Tekst: Michiel van Hunen, Taco Hermans en Klaas Boeder

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

Hoort bij deze thema's

Trefwoorden

Specialist(en)


Reageren
U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

Wilt u ons helpen?
De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 29 sep 2022 om 10:46.