Bouwhistorisch onderzoek (in de archeologie)

Introductie[bewerken]

Bouwhistorisch onderzoek is een discipline die voor archeologisch onderzoek van toegevoegde waarde kan zijn, zeker in geval van de bebouwde omgeving, stads- en dorpskernen, boerderij- en kasteelsites, kerken/kerkhoven, etc.

In het kort

Doel: kennis van het bouwen en de bouwpraktijk in het verleden vergroten om zo nog beter duiding te kunnen geven aan bouw- en gebruiksaspecten van historische bebouwing en bebouwingsrestanten.
Bruikbaar voor: het verwerven van inzicht in bouwconstructies en -tradities.
Nodig: integrale aanpak onderzoek boven- en ondergrondse bebouwing(sresten), sporen en vondsten.
Archieven zijn een dankbare bron voor bouwhistorische informatie. Hier zien we aantekeningen van Adolf Mulder, die hij maakte in 1886 over de Mariakerk in Nisse, Borsele. Hij beschrijft onder andere de grafzerken die in latere jaren verder vervaagd zijn. Collectie RCE.
Archieven zijn een dankbare bron voor bouwhistorische informatie. Hier zien we aantekeningen van Adolf Mulder, die hij maakte in 1886 over de Mariakerk in Nisse, Borsele. Hij beschrijft onder andere de grafzerken die in latere jaren verder vervaagd zijn. Collectie RCE.
Binnen het stedelijk gebied komen archeologisch graafwerk en bouwhistorisch onderzoek vaak samen, zoals hier in een kelder in 's-Hertogenbosch. Foto: RCE.
Binnen het stedelijk gebied komen archeologisch graafwerk en bouwhistorisch onderzoek vaak samen, zoals hier in een kelder in 's-Hertogenbosch. Foto: RCE.
Schoorsteen in het stadhuis van Schiedam waarin duidelijk diverse reparaties zichtbaar zijn in het metselwerk, waarschijnlijk steeds uitgevoerd in nieuwe (ver)bouwfases. Foto: RCE.
Schoorsteen in het stadhuis van Schiedam waarin duidelijk diverse reparaties zichtbaar zijn in het metselwerk, waarschijnlijk steeds uitgevoerd in nieuwe (ver)bouwfases. Foto: RCE.

Te denken valt aan vragen over funderingsmethoden, een typologie en chronologie van constructietechnieken en -methoden en het ontstaan van stratenplannen en percelering. Primair kan het een bijdrage leveren aan het onderscheiden van bouwfaseringen in metselwerk, doordat de bouwhistoricus, meer dan de archeoloog, bedreven is in het duiden van sporen in opstanden/bouwwerken.

De bouwhistoricus gebruikt de aangetroffen bouwelementen als primaire bron. Die bouwelementen zijn dan voor de bouwhistoricus wat een archiefstuk is voor een historicus. De waarde van fysiek onderzoek aan gebouwen wordt vaak onderschat. De ervaring leert dat wat we in geschreven bronnen kunnen achterhalen, lang niet altijd in overeenstemming is met hoe er in het verleden gebouwd en verbouwd is. Alleen een combinatie van archeologisch, bouwhistorisch en bronnenonderzoek kan een zo getrouw mogelijk beeld van de biografie van historische bebouwing en bebouwingsrestanten weergeven.

Kansen en beperkingen

Onderzoek naar percelering, bouwconstructies en functionaliteit van gebouwen is sinds de jaren ‘90 van de vorige eeuw op individueel huisniveau en bouwblokniveau in diverse middeleeuwse steden uitgevoerd. Onlangs is een belangrijke studie Bouwhistorisch onderzoek verschenen waarbij een synthese is gemaakt van de diverse onderzoeken in de grote steden met een voorstel voor een chronologie en typologie van huisconstructies. Op basis daarvan is het nu mogelijk onderzoeksresultaten in dezelfde lijn te beschrijven, waardoor ze te vergelijken zijn en het zicht op veranderingen door de tijd heen beter wordt. Ook de integratie van bouwhistorisch en archeologisch onderzoek wordt in steeds meer stadsarcheologisch onderzoek toegepast, wat door de kruisbestuiving een positief effect heeft op de resultaten en de inhoudelijke kwaliteit van het stadskernonderzoek.

Wanneer er, voorafgaand aan archeologisch onderzoek, een bouwhistorische opname verricht wordt (zeker in geval van sloop) zijn archeologische vraagstellingen regelmatig vóór aanvang van de werkzaamheden al (deels) te beantwoorden door informatie die aan de bovengrondse restanten is af te lezen.

Hoe ga je te werk?

Er wordt onderscheid gemaakt tussen, in volgorde van toenemende diepgang/invloed, een bouwhistorische inventarisatie (beoordeling op mogelijk monumentale status vanaf de openbare weg), verkenning (beoordeling exterieur en interieur zichtbare onderdelen), opname (bureau-onderzoek in combinatie met diepgaandere verkenning) en ontleding (in geval van sloop wordt meegekeken naar vooraf onzichtbare bouwsporen).

Voor de combinatie met archeologisch onderzoek zal het in veel gevallen gaan om onderzoek bij sloop (ontleding), waarbij met name de funderingsresten onderzocht en gedocumenteerd worden. Er worden echter ook opgravingen uitgevoerd in kelders van bestaande gebouwen die niet ontleed zullen worden. Door de inzet van een bouwhistoricus wordt de archeologische vraagstelling van een andere kant benaderd.

Combineren met andere methoden

In combinatie met historisch, architectuur-historisch en dendrochronologisch onderzoek en bijvoorbeeld onderzoek naar kleurgebruik door de tijd heen (kleur-historisch onderzoek), kan het bouwhistorisch onderzoek binnen de archeologie op een nog hoger niveau getild worden. Voor archeologische vraagstukken uit met name de latere perioden is dit zeker relevant.

Hoe interpreteer ik mijn resultaten?

Een bouwhistoricus kijkt in principe met de blik van een bouwer naar (de resten) van een pand. In het kader van archeologisch onderzoek wordt er specifiek gekeken naar faseringen, constructie- en funderingsmethoden, perceleringsvraagstukken, de toegepaste materialen en de wijze waarop deze zijn gebruikt en de biografie van een gebouw. In combinatie met archeologische sporen en vondsten uit de bodem onder het gebouw of uit de directe omgeving kan dit leiden tot extra antwoorden maar ook tot nieuwe vragen. Waarom werd een werkvertrek bijvoorbeeld niet verwarmd met een haard als er op basis van spinsteentjes wordt aangenomen dat er gesponnen werd?

Resultaten delen

Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het e-depot voor de Nederlandse archeologie. De gebruikte meet- en kalibratiemethodes, methode van monstername en behandeling, hoeveelheden monsters en metingen, relativering van data-precisie, en eventuele overwegingen/aanpassingen worden gerapporteerd. Deze zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met onderzoek op andere sites. Specialistisch onderzoek wordt bij voorkeur opgezet als onderdeel van interdisciplinair archeologisch onderzoek, waarbij de verschillende deelstudies in samenhang met overkoepelend onderzoek worden uitgevoerd, geïnterpreteerd en gerapporteerd.

Lees verder

  • Cleijne, I.J., A.M.J.H. Huijbers, A.D. Brand & R.J.W.M. Gruben 2017: Huizenbouw en percelering in de late middeleeuwen en nieuwe tijd, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 59).
  • Dijk, X.C.C. van & A. Viersen 2019: Archeologische en bouwhistorische waarneming Kasteel de Keverberg in Kessel, gemeente Peel en Maas, Weert.
  • Kort, J.W. de, D.J.K. Zweers & O. Brinkkemper 2016: Rijke oogst van een armenhoef, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 234).

Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van Rob Gruben en Geert Oldenmenger (BAAC Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek), Roel Lauwerier en Bjørn Smit.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 29 sep 2021 om 08:28.