's-Graveland - Leeuwenlaan 42 - Complex Jagtlust


(468004) monumentenregister Complexnummer: 468004



Introductie

Buitenplaats Jagtlust bestaat uit een hoofdhuis (monumentnummer 468113) en een historische tuin- en parkaanleg (monumentnummer 468114).

Hierin bevinden zich de volgende onderdelen:

  • het koetshuis, paardenstal annex tuinmanswoning (monumentnummer 468116)
  • een theekoepel (monumentnummer 468117)
  • een kinderspeelhuisje (monumentnummer 468118)
  • een duiventoren (monumentnummer 468119)
  • toegangshekken met pijlers (monumentnummer 468120)
  • een brug (monumentnummer 468121)
  • een boothuisje (monumentnummer 458122)
  • een moestuinmuur (monumentnummer 468123)
  • een schutting (monumentnummer 468124)
  • de westelijke druivenkas (monumentnummer 468125)
  • de oostelijke druivenkas (monumentnummer 468126)
  • de centrale kas (monumentnummer 468127)
  • drie kweekbakken (monumentnummer 468128)
  • een schuur (monumentnummer 468129)
  • een grot (monumentnummer 468130)
  • een hunebed (monumentnummer 468131)
Zwart-witfoto van de voor- en zijgevel van het grote huis met een pad en hoge struiken in de voorgrond.
Afb. 1 Huis Jagtlust. Foto door A.H.C. Schollen, 1983. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.O
Foto van de zijgevel van het grote bakstenen huis met hiervoor een tuin met hoge heggen en sierstruiken. Door de tuin lopen paadjes met hierop twee wandelaars.
Afb. 2 Historische tuin- en parkaanleg. Foto door Friesburg, CC BY 3.0 via Wikimedia Commons



Geschiedenis

In tegenstelling tot de andere buitenplaatsen in ’s-Graveland is Jagtlust niet gesticht op de gronden van de ontginning van ’s-Graveland. De buitenplaats ligt namelijk net hiernaast op het zogeheten Trompenveld, dit lag in het gerecht Hilversum. De eerste vermelding van het terrein van Jagtlust dateert uit 1661. In dit jaar verwierf de Nederlandse admiraal en opperbevelhebber van de Nederlands-Deense vloot Cornelis Tromp (1629-1691) het terrein. Het Trompenveld was een smalle strook land ten oosten van de ’s-Gravelandse polder. Tromp liet dit terrein afgraven tot polderniveau en markeerde de oostrand met een houtwal en een sloot. Deze scheidingswal is nog gedeeltelijk herkenbaar in de aanleg.

In de achttiende eeuw veranderde het terrein van Jagtlust meermaals van naam en eigenaar. Vermoedelijk deed de oude hofstede in deze periode dienst als herberg. In verschillende bronnen wordt de hofstede genoemd als ‘Romen’ en ‘De Laatste Stuyver’. In 1791 kocht Hendrik Otto Arntzenius het Trompenveld met daarop ‘De Laatste Stuyver’. Drie jaar later liet hij de oude hofstede afbreken en bouwde hij een vierkant hoofdhuis met zadeldak, bestaande uit een souterrain en een bel-etage. Aan de achterzijde stond een aangebouwde boerderij. Met deze bebouwing kreeg het terrein voor het eerst een functie als buitenplaats. Arntzenius gaf het de naam Jagtlust. Deze achttiende-eeuwse bebouwing vormt de kern van het huidige negentiende-eeuwse hoofdhuis. Arntzenius verwierf eveneens een groot rechthoekig weiland ten westen en ten oosten van de oostelijke scheidingswal; deze liet hij opnemen in de parkaanleg. Aan het noordelijke deel van de ’s-Gravelandse scheidingswal lag een scheidingssloot met scheepswerf. Ten behoeve van deze werf liet Arntzenius het noordelijke deel van zijn buitenplaats afgraven. Het boothuisje dat hij hier bouwde, herinnert hieraan. Verder liet hij een koetshuis met stallen, een tuinmanswoning, een vinkenhuis, kassen en schuren op het terrein van Jagtlust bouwen. Deze bebouwing bestaat niet meer. Zij zijn gesloopt of hebben negentiende-eeuwse aanpassingen ondergaan.

In 1820 werd Jagtlust eigendom van Teunis Helmich Backer. Hij kocht in ditzelfde jaar ook de westelijk gelegen buitenplaats Heilust. Backer liet Heilust afbreken en trok de gronden aan bij de parkaanleg van Jagtlust. Deze parkaanleg had een eenvoudige landschapsstijl waarin hij de noordelijke scheidingsloot liet vergraven tot een gebogen waterpartij. Met de grond die hierbij vrijkwam, werd een heuvelpartij aan de noordzijde van het terrein van Heilust aangelegd. Tussen 1820 en 1829 werd op deze heuvel een achtzijdige neoclassicistische theekoepel gebouwd. Tussen het hoofdhuis en het koetshuis werd een stenen brug aangelegd over de scheidingssloot. Deze werd rond 1900 vervangen door de huidige houten brug. Vermoedelijk liet Backer ook de aanleg in landschapsstijl op het voormalige Trompenveld realiseren. Deze aanleg kenmerkt zich evenals de aanleg op de voormalige buitenplaats Heilust door een eenvoudige ingreep in de formele polderstructuur. Het terrein werd in landschapsstijl ingericht met een vertakte vijverpartij, een slingerbos en een lage heuvel, waarbij delen van het padensysteem over de oude scheidingswallen werden gelegd. Deze elementen zijn bewaard gebleven.

Backer liet aan de zuidzijde van de aanleg een grote moestuin aanleggen, ommuurd met een houten schutting. Bijzonder is dat deze schutting nog bestaat. De combinatie van het materiaal en de ouderdom maakt deze schutting bijzonder in Nederland. In 1824 bouwde hij aan de westzijde een rode bakstenen druivenkas. De oostelijke druivenkas, de centrale druivenkas en de drie kweekbakken dateren vermoedelijk uit het einde van de negentiende eeuw (periode Six).

Periode Six (1861-1922)

In 1861 werd Jagtlust gekocht door numismaticus en oudheidkundige Jan Pieter Six (1824-1899). De buitenplaats bleef tot 1992 in bezit van de familie Six. Jan Pieter Six introduceerde zeldzame bomen en planten in de tuin en liet twee folly’s bouwen: een duiventoren in de vorm van een burchttoren met kantelen, en een met kiezelstenen bezette grot met zicht op de slingerende waterpartij vlak bij het hoofdhuis.

Na zijn overlijden liet hij Jagtlust na aan zijn zoon Willem Six (1872-1936). Hij liet rond 1900 het hoofdhuis ingrijpend verbouwen en vergroten door het architectenbureau Schill en Haverkamp. Het hoofdhuis werd verbouwd tot een landhuis in eclectische bouwstijl. Hierbij werd het oorspronkelijke achttiende-eeuwse huis verhoogd met twee verdiepingen en werd aan de zuid- en oostzijde uitgebouwd. Het hoofdhuis is hierdoor deels gedekt onder zwarte kruispannen en deels onder een plat dak. De noordzijde, waarin zich de hoofdingang bevindt, toont gelijkenissen met een Amsterdams grachtenpand uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

In het interieur van Jagtlust werd in de hal eenvoudig stucwerk aangebracht in Lodewijk XIV-stijl, met een marmeren vloer en lambrisering. In de hal bevindt zich het ronde trappenhuis met een houten trap en balustervormige spijlen. In de eetkamer is nog de oorspronkelijke Rath en Doodeheefver-wandbespanning aanwezig. Deze papieren wandbespanning dateert uit omstreeks 1900 en heeft een rijk en kleurig patroon met bloemmotieven. Aan de weerzijden van de entree van de eetkamer bevinden zich twee ingebouwde buffetkasten uit circa 1900 in Lodewijk XVI-stijl. Aan de zuidzijde van deze ruimte staat een achttiende-eeuwse schoorsteenmantel met schelpmotief in Lodewijk XV-stijl centraal.

De zuidoostelijke aanbouw is een grote inpandige oranjerie. De oranjerie roept architectonische associaties op met een Italiaanse renaissancevilla. De interieurafwerking van deze oranjerie betreft rijkelijk stucwerk in Lodewijk XIV-stijl. De wanden van de oranjerie zijn eveneens gestuct. Deze zijn door lisenen in velden verdeeld en worden afwisselend door mans- en vrouwenbustes bekroond. Op de lisenen zijn tien Jugendstil wandlampen bevestigd. De oranjerie op Jagtlust is de enige inpandige oranjerie in Nederland.

Het oude koetshuis, aangrenzend aan de oranjerie, liet Willem Six verbouwen in Lodewijk XIV-stijl. Aan deze zuidzijde van dit koetshuis liet hij een paardenstal annex tuinmanswoning bouwen. De oude boerderij, die tegen de zuidzijde van het achttiende-eeuwse hoofdhuis was gebouwd, werd bij deze verbouwing ontmanteld en in de noordwesthoek van de moestuin weer opgebouwd. Waarschijnlijk liet Willem Six ook de smeedijzeren toegangshekken aan weerszijden van de oprit van de Leeuwenlaan plaatsen. Het resultaat van de verbouwing van Willem Six is een hoofdhuis met referenties aan de achttiende-eeuwse stijlen van het eerste hoofdhuis, de Italiaanse renaissance en Amsterdamse Grachtenpanden. Deze laatste twee zijn in overeenstemming met de culturele voorkeuren en achtergrond van de familie Six.

Het park liet Willem Six uitbreiden met een grote wintertuin met daarin een koepel. Tussen 1900 en 1919 liet hij in de noordoosthoek van de parkaanleg een stapel zwerfkeien plaatsen. Deze hebben in het park een waarde als tuinornament. Dit ornament heeft de bijnaam ‘het Hunebed’. Voor de kinderen werd in 1910 door de timmerman het kinderhuis ‘Heilust’ gebouwd. Hiervoor werden speciaal kleine gesmoorde blauwer Hollandse dakpannen gemaakt.

In 1992 verkocht de familie Six Jagtlust aan de familie Ebbinge-Kaiser. Zij lieten tussen 1994 en 1997 het hoofdhuis restaureren door architectenbureau Bob van Beek. Ook lieten zij de negentiende-eeuwse kassen, het koetshuis, de folly’s, het kinderhuisje en de duiventoren restaureren. In de moestuin werd de negentiende-eeuwse houten schutting hersteld en werden weer traditionele leifruitgewassen aangeplant. Piet Oudolf werd betrokken bij het herstel van de landschappelijke aanleg rondom het hoofdhuis. Oudolf legde eveneens een bloementuin aan op de plek van een tennisbaan. In 2006 werd Jagtlust aangekocht door Natuurmonumenten en werd er een wandelroute uitgezet.




Bronnen en verwijzingen


Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.




Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 15 apr 2026 om 02:05.