Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - herkomstonderzoek museale verwervingen vanaf 1933

Introductie

De Nederlandse musea werden in 2009 door de Museumvereniging gevraagd de herkomstgeschiedenis van hun collecties te onderzoeken. Het doel was te komen tot een inventarisatie van voorwerpen, waarvan de herkomstgeschiedenis verwijst naar roof, confiscatie, gedwongen verkoop of naar andere verdachte omstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1933 tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoek Museale Verwervingen vanaf 1933 richt zich uitsluitend op kunstvoorwerpen en joodse rituele objecten in de Nederlandse musea. Dit onderzoek is een vervolg op het museumonderzoek Museale Verwervingen 1940-1948, dat de Nederlandse Museumvereniging in 1998-1999 door haar leden liet uitvoeren. Bekijk de introductievideo over het herkomstonderzoek van dit project.

Per 31 december 2018 is er geen sprake meer van actief herkomstonderzoek binnen het project Museale Verwervingen vanaf 1933. Herkomstonderzoek gaat echter altijd door. Omdat steeds meer bronnen digitaal beschikbaar zijn, komt voortdurend nieuwe informatie over de herkomst van collecties beschikbaar.

In 2023 zijn de resultaten van dit project overgedragen aan de RCE.

Onderzoek vanaf 2009

Het herkomstonderzoek Museale Verwervingen vanaf 1933 startte in 2009. Het richtte zich uitsluitend op kunstvoorwerpen in de Nederlandse musea. Herkomstonderzoek werd uitgevoerd naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945. Zijn vanaf 1933 aanwinsten in de collecties terechtgekomen waarvan de herkomstgeschiedenis verwijst naar roof, confiscatie, gedwongen verkoop of verdachte omstandigheden in de periode ná 1933 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog?

Het onderzoek is een vervolg op het herkomstonderzoek Museale Verwervingen 1940-1948, dat de Museumvereniging in 1998-1999 door haar leden liet uitvoeren. Het onderzoek Museale Verwervingen voor de periode 1933-1948 is weliswaar afgerond, maar musea moeten onderzoek blijven doen.

Waarom het onderzoek?

Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofden de nazi’s op grote schaal kunstvoorwerpen, voor een belangrijk deel afkomstig van joodse eigenaren. Duizenden andere kunstvoorwerpen moesten onder dwang en voor een te lage prijs worden verkocht. Kunstwerken met een dergelijke geschiedenis kunnen in Nederlandse musea terechtgekomen zijn. Dat was de reden dat de Museumvereniging in 1998 met het project Museale Verwervingen 1940-1948 onderzoek deed naar de aanwinsten tijdens en vlak na de oorlog om te onderzoeken of hier zogenaamde ‘roofkunst’ tussen zat. Het denken over dit onderwerp heeft sindsdien niet stil gestaan.

Voortschrijdend inzicht

Voortschrijdend inzicht wees uit dat niet alleen kunstwerken die tussen 1940 en 1945 waren geroofd of gedwongen verkocht in Nederlandse musea terecht zijn gekomen. Al vanaf 1933 werden joden in Duitsland en vanaf 1938 in Oostenrijk vervolgd en onderdrukt. Mogelijk is hun geroofde bezit via vele omwegen jaren na de oorlog verworven door Nederlandse musea.

Dit vroeg om nader onderzoek. Daarom staan in dit project de museale aanwinsten uit de jaren 1933-1940 en 1948-heden centraal. Musea die in 1999 niet deelnamen aan het onderzoek voor de periode 1940-1948, werden verzocht deze periode alsnog mee te nemen. Zo kwam Museale Verwervingen vanaf 1933 tot stand. De Museumvereniging coördineerde het project, de commissie Museale Verwervingen vanaf 1933 hield inhoudelijk toezicht en het ministerie van OCW bood financiële ondersteuning.

Herkomstonderzoek door 163 musea

Musea waarvan de collecties zich leenden voor herkomstonderzoek hebben deelgenomen. De bereidheid om mee te doen was groot. De musea hebben allen zelf het herkomstonderzoek uitgevoerd. Zij onderzochten hun collectie op werken waarvan een vermoeden bestond dat het ging om roofkunst of verkoop onder dwang. Met name schilderijen, maar ook tekeningen, belangrijke meubelstukken of zilveren voorwerpen kwamen voor onderzoek in aanmerking omdat het objecten zijn met unieke herkenbare eigenschappen.

Een kleine 400 musea lieten weten dat hun collectie niet voor onderzoek in aanmerking kwam. In kleinere instellingen, streekgebonden musea of oudheidkamers bevinden zich meestal objecten of kunstvoorwerpen met weinig individuele karakteristieken, zoals tegels, prenten en kleine gebruiksvoorwerpen. Daarbij is het vrijwel altijd onmogelijk een herkomstgeschiedenis te reconstrueren. Botanische en agrarische collecties vielen buiten het onderzoek. Ook musea voor moderne kunst met enkel kunstwerken in de collectie die na 1945 vervaardigd werden, hadden geen reden hun collectie te onderzoeken.

Onderzoek door de musea zelf

Onder inhoudelijk toezicht van de commissie Museale Verwervingen vanaf 1933 gaven de musea zelf invulling aan het onderzoek. Museummedewerkers werden ingezet om met behulp van het registratiesysteem en het museumarchief een eerste selectie te maken van de objecten die voor het onderzoek in aanmerking kwamen. Zo vielen aanwinsten van voor 1933 en kunstwerken gemaakt na 1945 buiten het onderzoek, als mede schenkingen uit oud familiebezit en objecten waarvan de volledige herkomstgeschiedenis al bekend was en waarvan was vastgesteld dat het niet om roofkunst ging.

Bij het onderzoek lag een bijzondere nadruk op de jaren 1933-1940 voor de objecten die in die jaren vanuit Duitsland en vanaf 1938 vanuit Oostenrijk naar ons land zijn gekomen en op de jaren 1948-1954, een periode waarin veel objecten met een problematische herkomstgeschiedenis op de markt kwamen. Het onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van kunstvoorwerpen die na 1954 werden verworven, was gecompliceerd. Het ging om grote aantallen kunstwerken en aanwijzingen over een mogelijk problematische herkomstgeschiedenis waren vaak lastig te vinden. Het bleek lang niet altijd mogelijk de volledige herkomstgeschiedenis in kaart te brengen.

Voor vervolgonderzoek werden de beelddocumentatie en de bibliotheek van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) geraadpleegd. Met name veilingcatalogi zijn een belangrijke bron. Ook het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (Nationaal Archief) was voor het onderzoek onmisbaar. Dit vervolgonderzoek vroeg om meer expertise. Hierbij bood de Museumvereniging ondersteuning. Op de website werden documenten ter ondersteuning en richtlijnen geboden maar in sommige gevallen bleek ook in de uitvoering van het onderzoek ondersteuning nodig. Op die manier konden objecten met een mogelijk problematische herkomstgeschiedenis in kaart worden gebracht. Alles is in het werk gesteld om de transacties en de verhalen achter de objecten zo volledig mogelijk te maken.

Objecten Museale Verwervingen op website RCE

Vermoeden van roof, confiscatie of gedwongen verkoop

Op de WO2 portal Museale Verwervingen worden objecten getoond waarbij een vermoeden bestaat dat ze tussen 1933 tot 1945 geroofd, geconfisqueerd of gedwongen verkocht zijn. In veel gevallen is, ook na onderzoek, geen duidelijkheid over de exacte herkomstgeschiedenis van de kunstwerken. Een ieder die meer informatie over de herkomstgeschiedenis van een getoond kunstwerk heeft, wordt verzocht contact met het betreffende museum op te nemen. Wellicht kan met hulp van bezoekers van de website de herkomstgeschiedenis volledig in kaart worden gebracht. In andere gevallen is duidelijk dat er sprake is van roof of onvrijwillig bezitsverlies en tracht het museum in contact te treden met familieleden of erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar. Per object is de herkomstgeschiedenis te zien en wordt er vermeld waarom er een vermoeden van roof of onvrijwillig bezitsverlies is.

Aanwijzingen voor een mogelijk problematische herkomstgeschiedenis

De selectie van de objecten met een (mogelijke) problematische herkomstgeschiedenis is gebaseerd op de volgende criteria:

  • Joodse verzamelaars of handelaren, die het kunstwerk in de periode 1933-1945 in bezit hebben gehad, zonder dat daarbij duidelijkheid bestaat dat zij het betreffende object op geheel vrijwillige en reguliere wijze hebben verkocht of geschonken
  • Veilingen in Duitsland in de jaren 1933-1945 en in Oostenrijk uit de jaren 1938-1945, waarvan de ingebrachte objecten mogelijk mede uit verbeurd verklaarde goederen bestonden
  • Veilinghuizen, handelaren en particulieren uit de jaren 1933-1945, van wie bekend is dat zij vaker roofkunst hebben verhandeld of die door de aard van hun bedrijf een verhoogd risico vormen, zoals bij voorbeeld kleinere Nederlandse veilinghuizen uit de periode 1940-1945
  • Herkomst uit na de oorlog door de Nederlandse autoriteiten in beslag genomen bezit van oorlogsdelinquenten of door de Duitsers in 1945 achtergelaten bezit
  • Anonieme schenkingen aan musea in de jaren na 1945, vooral wanneer deze in de eerste reeks van jaren na de oorlog plaats vonden
  • Geheel afwijkende vorm van inschrijving van de verwerving in de museuminventaris of een vermelding daarbij die vragen oproept
  • Alle andere specifieke, niet onder een van deze regels te vatten, aanwijzingen, die twijfel oproepen

Alle objecten uit Museale Verwervingen zijn te vinden onder Cultuurgoederen WOII .

Richtlijnen onderzoek vanaf 1933

De Commissie Museale Verwervingen heeft de richtlijn, zoals opgesteld naar aanleiding van het museumonderzoek (1999) over de periode 1940-1948, voor het onderzoek overgenomen en waar nodig geactualiseerd. Met de richtlijn wil de Museumvereniging de Nederlandse musea voor de duur van het onderzoek, dat wil zeggen tot en met 2013, een handreiking bieden voor de omgang met museale voorwerpen van twijfelachtige herkomst, met name voorwerpen die na 1933 zijn verhandeld dan wel zijn verworven. De richtlijn geeft aan hoe om te gaan met deze voorwerpen die reeds in bezit zijn van musea, maar ook met toekomstige verwervingen en bruiklenen, zowel uit binnen- als buitenland.

Met betrekking tot toekomstige verwervingen kan de richtlijn gezien worden als een praktische aanvulling op de Ethische Code voor Musea (2006), die – enkele aanpassingen daargelaten – een vertaling is van de ICOM Code of Professional Ethics van 1986 (opnieuw onderschreven in 2004). Hierin wordt onder meer de eis gesteld dat aanwinsten voorzien moeten zijn van een deugdelijk bewijs van herkomst en dat het museum een onderzoeksplicht naar de herkomst heeft (art. 2.20).

De richtlijn heeft betrekking op die museale voorwerpen die na 1933 van bezitter zijn gewisseld. Het kan zijn dat reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voorwerpen door joodse eigenaars en eigenaars uit andere vervolgde groepen onder druk zijn verkocht, dan wel afkomstig zijn uit geconfisqueerd of geroofd bezit. Het onderzoek richt zich in de periode 1933-1940 op verwervingen met een Duitse, of vanaf 1938, ook met een Oostenrijkse herkomst.

Ook na de oorlog kunnen dergelijke voorwerpen in musea terecht zijn gekomen. Er circuleren nog steeds objecten met mogelijk onduidelijke herkomst op veilingen, in de handel en bij particulieren.

De richtlijn heeft betrekking op museale voorwerpen waarbij de oorspronkelijke eigenaars onvrijwillig bezitsverlies hebben geleden. Tot onvrijwillig bezitsverlies worden naast de situatie waarin door de eigenaars niet is meegewerkt aan het bezitsverlies, ook die gevallen gerekend waarin wel zodanige medewerking is verleend die echter tot stand kwam onder dwang, bedreiging of onbehoorlijke invloed vanwege het naziregime.

De richtlijn heeft geen betrekking op aanspraken waarvoor in het verleden reeds een regeling is getroffen of enige vorm van rechtsherstel heeft plaatsgevonden. Slechts indien zich in een specifiek geval nieuwe feiten voordoen die het rechtsherstel van destijds in een ander daglicht zetten, is heroverweging geboden.

In het geval een (vermeende) rechthebbende aanspraak maakt op een museaal voorwerp moet bedacht worden dat juridisch gezien sprake kan zijn van verjaring. De redactie van de ter zake van aanspraken geldende richtlijn is echter zo gekozen dat in zeer bijzondere en/of schrijnende gevallen, in afwijking van een strikt juridische benadering, zo nodig recht gedaan kan worden aan verplichtingen van moraal en fatsoen.

Waar mogelijke claims niet in onderlinge overeenstemming kunnen worden afgehandeld, voorziet de minister van OCW in de mogelijkheid de geschillen voor bindend advies voor te leggen aan de in 2002 ingestelde Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, de Restitutiecommissie.

Als het museum niet zelf eigenaar is van de collectie of onderdelen daarvan, maar deze voor een ander (bijvoorbeeld de staat) beheert, dienen de in de richtlijn voorziene maatregelen in nauw overleg met deze eigenaar getroffen te worden. 

I Bestaande collecties

Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van alle bij het museum in beheer zijnde museale voorwerpen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat op welke wijze de voorwerpen vanaf 1933 zijn verhandeld dan wel verworven.

Van alle museale voorwerpen wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek. De geregistreerde gegevens zijn op verzoek ter inzage voor alle belangstellenden tenzij redenen van privacy dwingen tot selectieve vrijgave van informatie.

Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een museaal voorwerp stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen. Hoe sterker de aanwijzingen zijn, hoe groter de inspanning is die het museum moet verrichten.

Het museum meldt alle gevallen waarbij er gerede twijfel over de herkomst bestaat aan de Museumvereniging, waarbij het project Museale Verwervingen is ondergebracht.

Indien komt vast te staan dat de herkomst elementen bevat die duiden op een onrechtmatige en/of discutabele verhandeling dan wel verkrijging in de betreffende periode neemt het museum, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval, de noodzakelijke maatregelen om tot een redelijke en billijke beslissing te komen over de vraag wat er met het object moet gebeuren.

In het geval dat de oorspronkelijke eigenaar(s) of zijn rechtsopvolgers onbekend zijn, doet het museum alles wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om de identiteit van deze personen te achterhalen.

In het geval van een claim van derden ten aanzien van museale voorwerpen die in de betreffende periode zijn verhandeld dan wel verworven, zal het museum na melding van de claim bij de Museumvereniging een nader onderzoek instellen en conform het gestelde onder I.5 tot een uitspraak komen c.q. samen met de claimant de zaak voor bindend advies voorleggen aan de Restitutiecommissie.

II Verwervingen

Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van museale voorwerpen die het door koop, schenking, legaat of anderszins in beheer wil krijgen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat of de voorwerpen die na 1933 zijn verworven, op rechtmatige wijze zijn verhandeld.

Van alle museale voorwerpen die nieuw zijn verworven, wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek.

Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een te verwerven voorwerp, gezien de betreffende periode, stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen. In het geval onduidelijkheid blijft bestaan over de herkomst en er daarenboven gerede twijfel is over het verblijf of bezit van het voorwerp dat na 1933 is verworven, ziet het museum, onder vermelding aan de aanbieder van de redenen, af van het verkrijgen van het voorwerp.

III Bruiklenen

Het museum streeft ernaar geen museale voorwerpen in tijdelijk bruikleen te nemen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is en er geen rechtsherstel heeft plaatsgevonden in de zin van het bepaalde onder I.5.

Bij bruikleenaanvragen van museale voorwerpen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is, wijst het museum de bruikleenaanvrager op deze omstandigheid.

Hoe verder?

In contact treden

Indien aannemelijk is dat een kunstwerk door roof, confiscatie of gedwongen verkoop uit de collectie van de oorspronkelijke eigenaar is geraakt, tracht het museum in contact te treden met familieleden of erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar en met hen tot een goede oplossing te komen. Als de erfgenamen een claim willen leggen op het kunstwerk, dan kunnen musea en erfgenamen gezamenlijk besluiten de zaak aan de Restitutiecommissie voor te leggen voor bindend advies. Betreft het een voorwerp in Rijksbezit, dan kunnen familieleden of erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar een schriftelijk verzoek tot restitutie indienen bij de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW).

De Restitutiecommissie, een onafhankelijke adviescommissie, werd in 2002 door de Nederlandse regering ingesteld ten behoeve van een onafhankelijke beoordeling van aanspraken op kunstvoorwerpen die als direct gevolg van het naziregime, onvrijwillig waren verloren.

Publicatie Museale Verwervingen vanaf 1933

Museale Verwervingen vanaf 1933: herkomstonderzoek naar museale collecties in verband met roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945 Auteurs: Prof. dr. Rudi E.O. Ekkart en drs. Helen C.M. Schretlen Uitgave: Museumvereniging, 2014

In de publicatie Museale Verwervingen vanaf 1933 wordt verantwoording afgelegd over dit project en het doen van herkomstonderzoek. Het bevat een overzicht van de in het kader van het onderzoek uitgevoerde werkzaamheden en dient als naslagwerk.

Afrondend symposium 2013

Op 29 oktober 2013 werden tijdens een symposium de resultaten van het museumonderzoek Museale Verwervingen vanaf 1933 bekend gemaakt.

De teksten van de voordrachten die tijdens het symposium werden gehouden door Rudi Ekkart, voorzitter van de onderzoekscommissie, Nelleke Noordervliet, publicist en Marjan Hammersma, directeur-generaal Cultuur en Media van het ministerie van OCW, zijn integraal opgenomen in de publicatie Museale Verwervingen vanaf 1933.

De commissie

Een onafhankelijke commissie van deskundigen zag toe op de uitvoering van het onderzoek. De negen leden werden geselecteerd vanwege hun gezag in de sector, hun affiniteit met het onderwerp dan wel vanwege hun deskundigheid op het gebied van het recht.

Vanaf januari 2014 tot en met 2018 werden de werkzaamheden uitgevoerd door een kleinere bezetting.

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 mei 2024 om 03:02.