Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - kunsthandel en veilinghuizen
Introductie
De kunsthandelaren en veilinghuizen hebben in de periode 1933-1945 veel (toegepaste) kunst verhandeld. Ook tijdens de bezettingsjaren floreerde de handel. Er waren grote en middelgrote handelaren, en ook veel gelegenheidshandelaren. Daarbij werden ook objecten namens een ander verkocht, oftewel in consignatie.
Deze artikelen gaan over veilinghuizen, en over Joodse en niet Joodse handelaren in Nederland.Joodse en niet Joodse kunsthandelaren
Kunsthandel Aalderink
Oprichting en locatie
Jacques Aalderink (1892-1974) opende in 1930 Algemeene Ethnografica en Kunsthandel Aalderink op Singel 348/hoek Oude Spiegelstraat 2 Amsterdam. Later verhuisde de zaak naar Jacob van Lennepkade en nog later naar Spiegelgracht 15 tot 17. Kunsthandel Aalderink specialiseerde zich in non-Europese toegepaste kunst uit Azië, Afrika en Oceanië. Aalderink verkocht zowel aan individuen als aan musea. Van 1945 tot 1951 was Jacques Aalderink secretaris van de Vereeniging Handelaren van Oude Kunst (VHOK). Aalderink was ook een van de initiatiefnemers van de Oude Kunst en Antiek Beurs in Delft.
Tijdens de bezetting
In de bezettingsjaren van Nederland (1940-1945) bleef Kunsthandel Aalderink actief binnen de Europese kunsthandel. Aalderink bleef verkopen aan verschillende personen en musea. In de database van de Nederlandse Kunst Collectie zijn de meest voorkomende verkopen van Aalderink aan Museum Thaulow in Kiel, Duitsland. Hier verkocht hij tussen 1942 en 1944 meerdere keren objecten aan. Ook zijn in de jaren 1940-1945 veel objecten door Aalderink verkocht aan Anton Exner, de belangrijkste verzamelaar van Oost-Aziatische kunst tussen 1919 en 1945 en lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) vanaf 1931. Van alle objecten die bij Aalderink zijn verkocht tussen 1933 en 1945, is een deel inmiddels deel van de NK-collectie, maar een ander deel staat aangegeven als niet-teruggekeerde werken.
Herkomst van de verkochte objecten
Het is onbekend waar de in de Tweede Wereldoorlog bij Aalderink verkochte objecten vandaan kwamen en wanneer deze in zijn bezit kwamen. Dit werd ook niet duidelijk nadat Aalderink in 1950 werd gevraagd om verschillende objecten die via zijn kunsthandel tussen 1940 en 1945 in Duitsland terecht waren gekomen te bezichtigen bij de claim tentoonstelling van de Stichting Nederlands Kunstbezit in het Rijksmuseum. Door dat de meeste objecten toegepaste kunst zijn, is dit ook lastig vast te stellen aan de hand van herkomstonderzoek. Na het aflopen van de oorlog is Kunsthandel Aalderink onderzocht door Bureau Bijzondere Rechtspleging voor financieel gewin aan de vijand, maar de zaak werd geseponeerd door een gebrek aan bewijs.
Jacques Aalderink overleed in 1973, waarna in 1975 de kunsthandel werd overgenomen door Wim Bouwman. De handelsnaam veranderde naar Aalderink Oriental Art. Uiteindelijk sloot eigenaar Wim Bouwman op 31 maart 2023 Kunsthandel Aalderink definitief.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), nummer toegang 2.08.42, inventarisnummer 178.
- Nationaal Archief, Den Haag. Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), nummer toegang 2.09.09, inventarisnummer 10727 (dossier T55962)
Literatuur en digitale bronnen
- J. F. Heijbroek and A. Th. P. van Griensven. Kunst, kennis en kwaliteit: De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1917–heden. Zwolle: Waanders, 2007.
- RKD – Netherlands Institute for Art History. Algemeene Ethnografica- en Kunsthandel Aalderink.
- Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Vloertegel, aardewerk, glazuur, groen/geel decoratie met ruitmotief en Franse lelie in het midden. Collectie Nederland, inventarisnummer NK794.
Kunst- en Antiekhandel Alberge
Oprichting en antisemitische maatregelen
Antiekhandel Alberge werd aan het begin van de twintigste eeuw geopend op Plaats 11 in Den Haag, door de Joodse Salomon Alberge (1843–1915) en Samuel Alberge (1867–1942), hoewel de familie al vanaf 1880 in antiek handelde. Na het overlijden van Salomon in 1915 zette Samuel de zaak voort, samen met zijn echtgenote Clasina Alberge-Looman (1889-1954). In de jaren dertig verhuisde de onderneming naar Laan van Meerdervoort 1, eveneens in Den Haag. De kunsthandel was één van de bekendste en best aangeschreven van Den Haag.
Vanaf het begin van de Duitse bezetting werd de familie Alberge geconfronteerd met antisemitische maatregelen. Zo gaf Franz Kieslinger opdracht om een aantal objecten uit de antiekzaak in beslag te laten nemen en moest de familie haar privé vermogen onderbrengen bij de roofbank Liro. In februari 1942 kwam Antiekhandel Alberge onder het beheer van Verwalter Friedrich Markus Huebner (ook bekend als Friedrich Ernst Otto Hübner) (1886 – 1964). Samuel Alberge behield daarbij de dagelijkse leiding van de zaak.
Kunsthandel Alberge onder beheer van Friedrich Markus Huebner
Huebner woonde sinds 1919 in Nederland en was schrijver en kunsthistoricus. Hij publiceerde verschillende artikelen over Nederlandse en Duitse kunst en schreef tevens voor het nationaalsocialistische cultuurblad De Schouw. In 1938 werd hij lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP), naar eigen zeggen enkel om te kunnen blijven publiceren, aangezien dat uitsluitend was toegestaan voor partijleden. Hij werd in datzelfde jaar benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Naast Antiekhandel Alberge trad Huebner ook op als Verwalter voor andere kunsthandels, waaronder die van Rubens, Van Lier, Van Leeuwen en Van Messel. Hij kreeg de opdracht om Rubens en Alberge administratief samen te voegen. Hoewel hij de bedrijven formeel fuseerde, hield hij volgens eigen verklaring de voorraden en verkopen strikt gescheiden, zodat beide families na de bezetting hun rechtmatige deel van de voorraad en opbrengsten weer zouden kunnen terugkrijgen. Na een verordening van de Grundstücksverwaltung in juli 1942 werd de handelsvoorraad van Alberge fysiek overgebracht naar Kunsthandel Rubens.
Op 3 december 1942 overleed Samuel Alberge in het Ziekenhuis Zuidwal in Den Haag, als gevolg van een zelfdoding door vergiftiging. Na zijn overlijden stelde Huebner aan Clasina Alberge-Looman voor dat zij het dagelijkse bestuur van de zaak zou overnemen, maar zij sloeg dit aanbod af vanwege haar onderduik. Hierop kreeg A. de Boo de leiding over de antiekhandel. In de jaren die volgden bleef de onderneming actief handelen, ook met de handelsvoorraad die was aangelegd voor de bezetting. Het is onbekend of de familie Alberge (een deel van) de opbrengst van deze handel heeft ontvangen. Tijdens het bombardement op het Bezuidenhout in maart 1945 raakte het gebouw waarin de voorraden van Alberge en Rubens waren ondergebracht zwaar beschadigd en stortte uiteindelijk in. Hierdoor ging vrijwel de gehele handelsvoorraad verloren, evenals alle correspondentie die betrekking had op transacties.
Na de Nederlandse bevrijding
Na de bevrijding verklaarde Huebner dat hij er tijdens zijn rol als Verwalter alles aan had gedaan om de eigenaren van de kunsthandels onder zijn beheer te blijven uitbetalen. Ook zou hij hebben geweigerd de bedrijven te liquideren, zodat het beheer na de oorlog weer terug kon worden overgedragen aan de oorspronkelijke eigenaar. Uit verschillende getuigenverklaringen kan worden bevestigd dat zij inderdaad werden uitbetaald en dat verschillende eigenaren geen problemen hebben gehad met Huebners beheer. Clasina Alberge-Looman was echter van mening, dat Huebner financieel voordeel had behaald uit zijn rol als Verwalter en dat objecten voor een te laag bedrag waren verkocht, waardoor de familie Alberge financiële schade heeft opgelopen aan de Verwaltung. Na 1945 zette zij de antiekhandel voort.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.01, inventarisnummer 27322.
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.06, inventarisnummer 94306.
- RKD – Netherlands Institute for Art History. Archief en collectie Friedrich Markus Huebner, NL-HaRKD-0409.
Digitale bronnen
- Digitaal Joods Monument. Alberge.
Kunsthandel Bachstitz
Kurt Walter Bachstitz was een Joodse kunsthandelaar met kunstzalen in München en Den Haag. Tijdens de bezetting meldde Bachstitz aan de Duitse autoriteiten dat hij van gedeeltelijk Joodse afkomst was. Nadat de autoriteiten in mei 1943 hadden bepaald dat hij Volljude was, kwam Bachstitz terecht in de gevangenis te Scheveningen. In juli 1943 verzocht Hofer uit naam van Hermann Göring om zijn vrijlating. Als tegenprestatie voor zijn interventie vergde Göring dat de drie kostbaarste stukken uit het bezit van Bachstitz, waaronder een schilderij van Jan Steen, aan hem toegestuurd zouden worden. De kunstwerken zijn door toedoen van Hofer uiteindelijk niet door hem aangekocht, maar werden evenmin teruggezonden. Bachstitz heeft een uitreisvisum naar Zwitserland weten te verkrijgen. Lili Bachstitz, de niet-Joodse echtgenote van Bachstitz, vroeg een scheiding aan en bleef in Den Haag, waardoor een liquidatie van de firma werd voorkomen.
Na de bevrijding heeft mevrouw Bachstitz bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangifte gedaan van een hoeveelheid voorwerpen die de kunsthandel tijdens de oorlog naar Duitsland had verkocht. In 1950 stuurde zij een lijst met verschillende kunstvoorwerpen naar de SNK. Mevrouw Bachstitz geeft hierbij aan dat haar echtgenoot ‘ook de genoemde kunstvoorwerpen – evenals de destijds opgegeven verkopen – tijdens de vijandelijke bezetting onder onbehoorlijke invloed heeft moeten verkopen’.
Archieven
- RKD: Archief (verzameling) Gallery Bachstitz. rkd.nl/collections/558
- Frick: Kunsthandel Kurt Bachstitz Gallery - Archives Directory for the History of Collecting in America. frick.org
Digitale bronnen
- Zie voor objecten met de herkomst Bachstitz: Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.
Kunsthandel G. Cramer Oude Kunst
Verhuizing naar Den Haag
Vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Joodse kunsthandelaar Gustav Max Cramer (Felsberg, 3 juni 1881-Den Haag, 1961) al betrokken bij het familiebedrijf in Kassel, Duitsland. Later, in 1933, opende Cramer zijn eigen galerie in Berlijn, die hij slechts twee jaar later moest sluiten vanwege de antisemitische wetten van de nazi’s. Vanwege deze omstandigheden verhuisde de familie Cramer, bestaande uit Cramers niet-Joodse vrouw Gertrud Viktoria Anna Maria Reisewitz en hun twee kinderen Hans Max en Margot, in 1938 naar Nederland. In Nederland woonde de familie Cramer aan de Javastraat 38 in Den Haag, op dit adres was ook de kunsthandel G. Cramer Oude Kunst (geopend 1881 - gesloten 2007) gevestigd.
De kunsthandel tijdens de Duitse bezetting
De kunsthandel was gespecialiseerd in oude meesters, maar bood ook andere kunst en antiquiteiten van vóór de 19e eeuw aan. Op basis van zijn expertise op het gebied van oude meesters werd Cramer regelmatig gevraagd om schilderijen te beoordelen. In 1940 nam Hans Posse, Hitlers kunst inkoper, contact op met Cramer en vroeg hij om informatie over de Nederlandse kunstmarkt. Eerst aarzelde Cramer om zijn expertise en kennis te delen, maar Posse maakte duidelijk dat hij in ruil daarvoor beschermd zou worden tegen antisemitische maatregelen. Hierna ging Cramer over naar het lokaliseren van kunstwerken voor Posse, Erhard Göpel en andere Duitse handelaren. Later verkocht Cramer onder dwang ook rechtstreeks kunstvoorwerpen uit zijn eigen handel aan Posse.
Göpel zette Cramer ook onder druk om valse aankoopbewijzen te maken voor aankopen die niet bij de kunsthandel Cramer waren gedaan. Op die manier kon Göpel echter de ware herkomst van de kunstwerken verbergen. Verkopers konden daarbij anoniem blijven, en Cramer kon zo zijn betekenis voor het naziregime blijven onderstrepen. In 1943 onderzochten de nazi’s 90 personen in Nederland die waren vrijgesteld van het dragen van de Jodenster. Ze besloten dat slechts drie Joodse kunsthandelaren vrijgesteld moesten blijven, waaronder Cramer. In september 1941 droeg Cramer het bedrijf op papier over aan zijn twintigjarige zoon Hans Max. Omdat Hans Max niet als Joods wordt beschouwd, wordt deze maatregel genomen om de kunsthandel binnen de familie te houden.
Het einde van de oorlog en sluiting van de kunsthandel
De laatste maanden van de oorlog zocht de familie haar toevlucht in een geheime kamer in hun appartement in Den Haag. Volgens Cramers eigen verklaring heeft hij ook een Joodse vrouw geholpen die onderduiker was. Zij had kunstwerken bij hem opgeslagen, en hij heeft haar stukken verkocht om haar verblijf te kunnen bekostigen. Het belang van de kunsthandel G. Cramer Oude Kunst ligt in het feit dat deze tijdens de oorlog niet wordt onteigend, wat mede mogelijk werd gemaakt door Cramers uitgebreide kennis van kunst en de kunstmarkt. In 1961 overleed Cramer en in 2007 sloot de kunsthandel haar deuren. Vier jaar later, in 2012 overleed Hans Max.
Archieven
- Getty Research Institute, Los Angeles. G. Cramer Oude Kunst gallery records, 1873–1998 (bulk 1938–1998). Accession no. 2001.M.5.
- Nationaal Archief. Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Dossier Gustav Cramer, inv.nr. 91490 (7966/IB/46).
Literatuur en digitale bronnen
- Restitutiecommissie. Advies inzake Gustav Cramer. Dossiernummer RC 1.199. March 3, 2025.
- Oosterlinck, Kim. "Gustav Cramer, Max J. Friedländer, and the Value of Expertise in the Arts." Capitalism: A Journal of History and Economics 3, no. 1 (2022): 19-56.
Kunsthandel G.C. Dekkers
Oprichting en relaties met Nazi-Duitsland
Kunsthandel G.C. Dekkers werd in november 1940 opgericht door de broers Gerardus Cornelis “Tin” Dekkers (1916-2005) en Heinrich Gerardus “Hens” Dekkers (1915-1966). Beide broers hielden zich naast kunst bezig met boksen op professioneel niveau en later ook met renpaardensport. De broers werden vijfde bij het boksen op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, beide in hun eigen gewichtsklasse.
Al voor de bezetting hadden de broers interesse in het gedachtegoed van het nationaalsocialisme. In juni 1940 bezochten Gerardus en Heinrich een politieke opleidingsschool van de Duitse SS in München. Hier leerden ze verschillende Duitse officieren kennen, met wie ze een vriendelijke band opbouwden, die ze later ook op zakelijk vlak bij hun kunsthandel konden inzetten. Binnen het gezin Dekkers bestonden bovendien al vriendschappelijke en zakelijke contacten met hooggeplaatste Duitse officieren. Dit kwam onder andere door het lidmaatschap van hun vader Joseph Maria Antonius Dekkers bij de NSB. Joseph Dekkers was handelaar in levensmiddelen en leverde onder meer cacao, chocolade en andere levensmiddelen aan de Duitse Wehrmacht. Dit gebeurde tegen hoge (zwarte) prijzen. Ook was hij Verwalter van de Joodse firma N.V. Winter en Konijn, die ook handelde in levensmiddelen.
Handelswijze en samenwerking met Han Jungeling
Naar eigen zeggen ontwikkelde Gerardus al voor de oorlog een systeem waarmee hij in korte tijd een groot handelsnetwerk voor zijn kunsthandel kon opzetten. Hij plaatste beschrijvende advertenties in Duitse, Franse en Zwitserse kranten, waarna geïnteresseerden naar zijn huisadres, Hogeweg 6 in Den Haag, konden schrijven. De klanten werden thuis uitgenodigd om het werk aan te kopen. Het streven was om zo zonder grote voorraden te handelen en vooral te verkopen aan particulieren. Vooral Gerardus hield zich bezig met de kunsthandel.
In 1941 ontmoette hij de Haagse veilinghouder Han Jungeling (of Jüngeling). Tussen de twee groeide een samenwerkingsverband uit dat in 1943 formeel werd met de combinatie Dekkers-Jungeling-Tuininga (Cato Tuininga was de echtgenote van Han Jungeling en geldschieter voor aankopen). In dit samenwerkingsverband hield Jungeling zich bezig met aankopen van objecten, met name op verschillende Nederlandse veilingen (onder andere bij Mak van Waay, Frederik Muller, Van Marle en Bignell en Paul Brandt). Het is bekend dat verschillende objecten die bij Mak van Waay werden gekocht, afkomstig waren van de roofbank Liro. Gerardus Dekkers bleef zich vooral bezighouden met de verkoop van de aangekochte objecten. Ook organiseerde Jungeling veilingen waarbij ingebrachte werken door hem of door Dekkers voor een relatief goedkope prijs konden worden opgekocht, om ze weer met winst te verkopen aan Duitse klanten. Volgens Han Jungeling werden vooral werken van “inferieure kwaliteit” verkocht aan Duitsland en behielden ze werken van hoge kwaliteit in Nederland. Getuigenissen van betrokkenen na de bezetting spreken dit tegen. Er zou voor hoge bedragen gehandeld zijn. Ook kochten Dekkers en Jungeling, naar eigen zeggen, veel oude meesters aan om deze te beschermen tegen Duitse kopers. Volgens Jungeling irriteerde dit de bezetter, die de werken maar al te graag zelf wilden hebben. Het zou hebben geleid tot een inval waarbij verschillende werken onder dwang werden meegenomen door Erhard Göpel. Hierbij zou ook correspondentie tussen Jungeling en Dekkers vernietigd zijn. Voor werken van kunstenaars die niet bij de Kultuurkamer stonden ingeschreven, werden volgens Dekkers soms overlijdensberichten vervalst om verkoop toch mogelijk te maken. Van overleden schilders mochten namelijk alle werken verkocht worden.
De handelsvoorraad werd ondergebracht op verschillende plekken. Dit was onder andere op Coenraadstraat 53 in Den Haag, Mauritsweg 31 in Rotterdam en 2e Emmastraat 156 in Den Haag. De werken op deze laatste locatie zijn hoogstwaarschijnlijk vernietigd tijdens een brand. Volgens expeditieur Van der Stap, bracht Dekkers de handelsvoorraad op verschillende plekken onder om zo het risico op schade door bombardementen te verkleinen. Transport van de objecten naar Duitsland zou gedaan zijn door N.V. Expeditiebedrijf Bordewijk op de Fijnjekade in Den Haag. Transport binnen Nederland werd gedaan door Van der Stap. In totaal werden op deze wijze ruim 200 werken naar Duitsland geëxporteerd. Dekkers verklaarde dat beide broers hier ongeveer 25.000 gulden mee verdiende, maar dit bedrag ligt waarschijnlijk veel hoger. Heinrich verklaarde dat hij nooit bij de verkoop van objecten betrokken was, maar dit aan zijn broer en Jungeling toevertrouwde en hij dus niets te maken had met deze economische collaboratie.
Na de Nederlandse bevrijding
Na de bevrijding werd de kunsthandel wegens handel met de vijand onder beheer gesteld en werden de broers gearresteerd op verdenking van economische collaboratie en (vermeend) lidmaatschap van de NSB. Ze werden geïnterneerd in Kamp Duindorp in Scheveningen. Beide werden in februari 1946 vrijgelaten, maar ze kregen wel een boete van 10.000 gulden. Ook de vader van de broers werd opgepakt en geïnterneerd in Duindorp. Hij werd verdacht van grootschalige economische samenwerking en lidmaatschap van de NSB. Hij zou miljoenen gulden hebben omgezet in de handel van luxe goederen met de bezetter. Hij werd in 1948 vrijgelaten, maar werd uitgesloten van leidinggevende functies bij bedrijven en kreeg ook een boete. Han Jungeling werd eveneens geïnterneerd tot 1948. Hij werd uit het kiesrecht ontsloten vanwege zijn lidmaatschap van de NSB en de SS.
Kunsthandel G.C. Dekkers ging na de vrijlating van de broers verder, al is onbekend op welke schaal en tot wanneer. De herkomstnaam G.C. Dekkers komt nog af en toe voor in de herkomst van op veilingen aangeboden werken. Het is niet bekend of dit werken zijn die door hen tijdens de bezetting zijn verworven.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), nummer toegang 2.09.09, inventarisnummers 108985 (dossier 1965/45), 89819 (dossier 14996), 101142 (dossier 5228/47).
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.07, inventarisnummer 98139.
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.03, inventarisnummers 57053, 57046, 57078
Digitale bronnen
Kunsthandel Etienne Delaunoy N.V.
De oprichting van de kunsthandel
De in Amsterdam gevestigde kunsthandel Etienne Delaunoy N.V. (geopend 1871–gesloten 1951) werd in 1871 opgericht door Etienne Françoise Delaunoy (14 juli 1819-21 juni 1884). De kunsthandel specialiseerde zich in antiquiteiten, meubels en in mindere mate in schilderijen. De adel van Engeland, Italië en België behoorde tot de clientèle van Etienne Delaunoy N.V., en nadat koning Willem II in 1889 klant werd, ontving de kunsthandel het predicaat Hofleverancier.
In 1934 heropende Delaunoys zoon, Louis Albert Armand Etienne Delaunoy (3 maart 1879 – 29 oktober 1947), de kunsthandel aan de Voetboogstraat 13 en in 1936 verhuisde de zaak opnieuw naar Rokin 18, waar Delaunoy het gehele pand aankocht en de eerste verdieping tot kunstzaal liet verbouwen. Toen bleek dat meer ruimte nodig was, liet hij ook de andere bovenverdiepingen verbouwen, waarbij de zalen werden ingedeeld naar verschillende stijlperioden, bijvoorbeeld een gotische kamer of een renaissance kamer. In 1920 organiseerde Delaunoy, als lid van de commissie van de Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst (VHOK), een tentoonstelling in het Rijksmuseum en in 1935 werd hij bestuurslid van de VHOK. Delaunoy was niet alleen een belangrijke handelaar op de Nederlandse kunstmarkt, maar vertegenwoordigde Nederland ook op de Olympische Spelen in Antwerpen in 1920, waar hij een bronzen medaille won bij het schermen.
De Duitse bezetting en de handel in kunst
Tijdens de bezetting handelde Delaunoy rechtstreeks met de bezetter en met andere Duitse handelaren en musea. Veel van de in deze periode verkochte goederen bestonden uit antiek meubilair en schilderijen. Hooggeplaatste nazi-functionarissen, zoals Reichsmarschall Hermann Göring, bezochten persoonlijk de kunsthandel van Delaunoy en kochten onder meer tapijten en Nederlandse scheepskisten, die hij onder zijn vrienden verspreidde als tabakshumidors. Görings belangrijkste kunst inkoper, Walter Andreas Hofer, kocht eveneens diverse schilderijen voor de Reichsmarschall, voornamelijk zeventiende en achttiende-eeuwse schilderijen en zeegezichten. Andere nazi-functionarissen die tot de klanten behoorden waren Arthur Seyß-Inquart, Rijkscommissaris voor het bezette Nederland, en Kajetan Mühlmann, hoofd van de kunstrooforganisatie Dienststelle Mühlmann.
Uit rapporten van de Art Looting Investigation Unit (ALIU) blijkt dat personen, die in Nederland meubels wilden kopen, op aanbeveling van andere Duitsers naar Delaunoy werden verwezen. Een van de architecten die Delaunoy van meubilair voorzag was Franz Köttgen. Köttgen richtte de villa’s in van Duitse officieren in het bezette Polen. Hij verwierf bij Delaunoy toegepaste kunst. Delaunoy zocht ook actief contact met de bezettende autoriteiten. De kunsthandelaar bezocht Seyß-Inquart en de Dienststelle Mühlmann om schilderijen te presenteren voor verkoop. Archiefmateriaal laat zien dat Delaunoy een graag geziene gast was in Duitse kringen.
Tot de overige klanten van Etienne Delaunoy N.V. behoorden Duitse veilinghuizen en musea. Een van de veilinghuizen waaraan Delaunoy verkocht was Carl Eugen Pongs Kunstversteigerer in Düsseldorf. Delaunoy verkocht meer dan circa 40 objecten aan Pongs. Een ander Duits veilinghuis waarmee Delaunoy handelde was Hans W. Lange in Berlijn. In 1942 verkocht Delaunoy aan Lange vier fauteuils met tapisserie ter waarde van 16.000 gulden. Nog lucratiever was de verkoop van Delaunoy aan het St. Annen-Museum in Lübeck. Meer dan twaalf objecten maakten deel uit van deze transactie tussen Delaunoy en museumdirecteur Hans Schröder, waaronder het schilderij De notaris. Het schilderij werd verkocht voor 1.000 gulden en de totale verkoop bedroeg 38.000 gulden, wat nu overeenkomt met ongeveer 230.000–340.000 euro. Daarnaast deed Delaunoy ook zaken met Hans Wilhelm Hupp, directeur van de Museen der Stadt Düsseldorf.
Uit meerdere bronnen blijkt dat Delaunoy kunst kocht bij onder andere de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) in Amsterdam. Naoorlogse onderzoeken stelden vast dat Delaunoy goederen van de Liro verwierf ter waarde van ten minste 6.540 gulden. Delaunoy kocht rechtstreeks bij de Liro maar op enkele facturen staat baron Von Stechow vermeld in plaats van Delaunoy. Baron von Stechow was bij de Liro werkzaam als kunstadviseur, waardoor het mogelijk is dat hij de objecten via de Liro verwierf en deze vervolgens aan Delaunoy overdroeg of verkocht.
Na de oorlog
Na de oorlog werden de activiteiten van de kunsthandel tijdens de bezettingsjaren onderzocht. Delaunoy overleed in 1947 en Herman Jarmach werd benoemd tot directeur en liquidateur van Etienne Delaunoy N.V. Het liquidatieproces duurde echter slechts twee dagen. Na deze procedure nam Hendrikus Albertus Carolus Janmart de firma over als testamentair opvolger van Delaunoy. Janmart verklaarde dat hij bereid was 3.000 gulden aan de Nederlandse Staat te betalen naar aanleiding van Delaunoys aankopen bij de Liro, die via baron Von Stechow waren gedaan. Janmart erkende dat Delaunoy hoogstwaarschijnlijk wist dat de goederen door de Duitsers waren geconfisqueerd en dat deze aankopen moreel twijfelachtig waren.
In november 1950 vond bij veilinghuis Frederik Muller & Co. in Amsterdam de veiling Liquidation de la collection Etienne Delaunoy plaats, waarbij meer dan 300 objecten uit Delaunoys handelsvoorraad werden aangeboden. Een jaar later werd de kunsthandel officieel geliquideerd. De verblijfplaats van honderden objecten die Delaunoy tijdens de bezetting verkocht is tot op heden onbekend.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Dossier Louis Albert Armand Etienne Delaunoy, inv.nr. 107219 (T65015).
- National Archives (VS). Records Concerning the Central Collecting Points (“Ardelia Hall Collection”): Munich Central Collecting Point Administrative Records, 1945–1951. Record Group 260, publicatie M1946. Beschikbaar via Fold3.
- Stadtarchiv Düsseldorf, Kunstsammlungen, Angebote und Ankäufe, 1941–1942, 0-1-4 / Stadtverwaltung Düsseldorf von 1933–2000 (alt: Bestand IV), nr. 0-1-4-3782.0000.
Literatuur
- Heijbroek, J.F., en A.Th.P. van Griensven. Kunst, kennis en kwaliteit: De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1911–heden. Zwolle: Waanders, 2007.
Kunsthandel Rudolf Elion & Co.
De kunsthandel voor de oorlog
Ruben Elion (Amsterdam, 28 december 1880–Landsmeer, 8 juni 1942) was een Joods-Nederlandse kunsthandelaar. In 1906 was de kunsthandel Rudolf Elion & Co. (geopend 1906 – gesloten 1943) gevestigd aan de Nieuwe Spiegelstraat 32 in Amsterdam. Drie jaar later opende hij nog een winkel aan de Stadhouderskade 84 en in 1912 verhuisde de kunsthandel naar de Keizersgracht 592. In 1932 verhuisde de handel naar de Prinsengracht 438 en volgens archiefmateriaal is Prinsengracht 701 de laatste locatie van de kunsthandel. De kunsthandel was gespecialiseerd in oude meubels, tekeningen, lithografieën en schilderijen. Elion, zijn vrouw Rosalie Elion-Wijnkoop en hun dochters Meta Henriëtte en Freddy Josephine woonden in ‘Huize de Klomp’ aan de Loudelsweg 64 in Bergen.
Elion had goede connecties in de kunstwereld en organiseerde tentoonstellingen voor kunstenaars uit de Bergense school, bijvoorbeeld voor Leo Gestel. Andere kunstenaars die in zijn kunsthandel vertegenwoordigd waren, varieerden van Paul Klee tot Wassily Kandinsky. Elions familie waren ook klanten van de kunsthandel. Zijn familie beschrijft hem als ‘de meest vrijgevochten artistieke persoonlijkheid’ en in het algemeen was de familie Elion sociaal en politiek actief. Elion was ook voorzitter en een van de oprichters van de Vereniging van Handelaren in Oude Kunst (VHOK) en zijn zwager David Wijnkoop was lid van de Tweede Kamer. Met de Duitse bezetting van Nederland veranderde de situatie voor de Elion, Rosalie, Meta, Freddy en de familie Elion in het algemeen echter drastisch.
Tijdens de oorlog
De nazi’s eisten dat Joden naar Amsterdam moesten verhuizen, en in april 1942 werd de familie Elion daartoe gedwongen. Elion was pessimistisch over de overlevingskansen van de Joodse gemeenschap. In mei of juni 1942 bezochten de nazi’s zijn kunsthandel aan de Prinsengracht en inspecteerden zij antieke pistolen. Daarna ontving Elion een brief van de Sicherheitsdienst (SD) waarin hij werd gesommeerd zich te melden bij het SD-hoofdkantoor in de Euterpestraat. Elion vermoedde dat de nazi’s hem in het vizier hadden omdat zij dachten dat hij de antieke wapens niet legaal in bezit had, en hij was waarschijnlijk bang dat dit voor hem verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben. Volgens archiefmateriaal kwam Elion op 8 juni 1942 in Landsmeer door verdrinking om het leven, en zijn overlijden werd op 9 juni officieel geregistreerd.
Zijn nicht, Lies Lisser Elion, herinnerde zich echter een andere datum. In het boek De Familie Elion: Een geschiedenis van verdwenen levens (2020) vertelde zij dat Elion op Sinterklaasavond 1942 alle familieleden de hand schudde, hen bedankte en vertrok. Waarna de politie later die avond zou hebben meegedeeld dat zijn lichaam in het IJ was gevonden. Het Handelsregister van Amsterdam vermeldt dat de Kunsthandel in augustus van hetzelfde jaar werd geliquideerd door de Omnia Treuhandgesellschaft, een Duitse trustmaatschappij die Joodse bedrijven heeft overgenomen. Het liquidatieproces stond onder toezicht van Dr. Hans Heumann en in 1943 werd de kunsthandel onder zijn supervisie officieel gesloten. Uit archiefmateriaal van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) blijkt dat mensen kunstwerken in bewaring gaven bij de kunsthandel van Elion. Een voorbeeld hiervan is een schilderij van George Hendrik Breitner dat Jacob van den Bergh bij Elion had ondergebracht. Na de oorlog deed Van den Bergh aangifte bij de SNK, maar het schilderij wordt, net als de andere objecten uit Elions kunsthandel, nog steeds vermist.
De gevolgen van de Holocaust voor de familie Elion
Muiderschans 84 (de naam van de Sarphatistraat tijdens de bezetting) is het laatst bekende adres van Rosalie en Meta. Op 17 april 1943 werden Rosalie en Meta gedeporteerd naar Kamp Westerbork. Tien dagen later kwamen ze aan in het concentratiekamp Sobibor in Polen, waar ze enkele dagen later werden vermoord. Freddy dook onder en is de enige overlevende van de familie Elion/Wijnkoop. Freddy verstopte zich eerst in Schiebroek en daarna in Delft, waar ze bleef tot de bevrijding van Nederland. Slechts drie van Elions broers en zussen overleefden de Holocaust. Vijf van zijn neven werden vermoord, evenals vier zwagers en schoonzussen.
Archieven
- Arolsen Archives. Karteikarten aus der Kartothek des Judenrates in Amsterdam: Meta Henriëtte Elion, archiefnummer 130282724. Collections of the Arolsen Archives.
- Noord-Hollands Archief. Overlijdensakte Ruben Elion, 8 juni 1942, aktenummer 20 Burgerlijke stand van de gemeente Landsmeer (dubbele registers), toegangsnummer 358.71, inventarisnummer 31942.
Literatuur
- Lisser, Frank, en Truus Wertheim-Cahen. De familie Elion: Een geschiedenis van verdwenen levens. Heerenveen: Museum Belvédère, 2020.
- Tammes, Peter. ‘U draagt geen ster’: De vervolging van joodse inwoners in Bergen (NH) tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bergen: Bonneville, 2005.
Kunsthandel J.S. Fetter & Co
Oprichting
Kunsthandel J.S. Fetter & Co. werd in 1919 geopend door Geert Drewes (1871-1947) op de Weteringsschans 79 in Amstersdam. Sinds 1904 was J.S. Fetter & Co. al actief als lijsten- en spiegelmaker. Dit was onder leiding van Jurgen Schwiedthardt Fetter en Geert Drewes. In 1909 trad Jurgen Schwiedthardt Fetter uit. Geert Drewes bleef de enige vennoot. In de toonzalen van de kunsthandel worden door de jaren heen veel hoogwaardige tentoonstellingen gehouden, waardoor deze kunsthandel een van de belangrijkste in Amsterdam was. Eén van de kunstenaars waarvan vaak werken op zaal hingen, was Ludwig Willem Reymert Wenckebach (1860-1937). Geert Drewes was naast zijn werk bij Fetter ook lid van het bestuur van de Kamer van Koophandel.
Aankopen bij roofbank Liro en verkoop Joods bezit
Tijdens de bezetting bleef Kunsthandel J.S. Fetter & Co. handelen en tentoonstellen. De objecten die J.S. Fetter & Co. verhandelde, kwamen onder andere van de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro). In februari en maart 1943 kocht Drewes op factuur van J.S. Fetter & Co. bij de Liro. Hoewel deze verkoop vooral toegankelijk was voor Duitse kopers en veilinghuizen, was het voor J.S. Fetter & Co. dus ook mogelijk om direct bij de Liro te kopen. Dit kwam hoogstwaarschijnlijk door de goede banden die Drewes had met de Duitse baron Von Stechow en Hans Albinn Rauter, beiden werkzaam bij de Liro. De aangekochte Joodse objecten waren geroofd van A. Pino, N.J. de Vries, A. van Buuren, H. Mansfeld, R. Semmel en M.E. Nathusius Rosenthal. Ook kocht Drewes objecten aan die werden gecategoriseerd onder H.J.G (Herrenloses Juden Gut). Dit zijn objecten waarvan het niet bekend was wie deze hadden ingeleverd bij de Liro. In totaal kocht Drewes voor ongeveer 11.000 gulden bij de Liro.
Volgens oud medewerker Wijbren Reinout Ferwerda (1906-1995) en de accountant E.N.A. van Meverden (1892-1970) werden er bij de Liro ook objecten gekocht op naam van de Duitse kunsthandelaar Curt Reinheldt, die hij eigenlijk kocht voor Drewes. Deze objecten werden dan door Drewes zelf uitgezocht op de Diamantbeurs in Amsterdam, waar alle Liro-objecten stonden uitgestald. Hierna kocht Reinheldt ze voor hem aan, waar hij een provisie van 10% voor kreeg. Ferwerda was zelf ook aanwezig hierbij. Hiervan is onbekend voor hoeveel gulden er werd ingekocht, maar verschillende verklaringen spreken van rond de 30.000 gulden. De beste objecten zou Drewes vervolgens hebben verkocht in zijn eigen kunsthandel en het overige liet hij veilen bij de veilinghuizen S.J. Mak van Waay en Frederik Muller & Co. Na de oorlog ontkende Reinheldt ooit zijn naam te hebben laten gebruiken om aan te kopen bij de Liro en stelde dat hij alles wat hij kocht voor eigen titel kocht. Dit zijn meer dan 1200 objecten.
Volgens de eerder genoemde Ferwerda en Van Meverden heeft Drewes ook meerdere keren objecten verhandeld die bij hem in consignatie werden gegeven door Joden, waarna hij hen niets of te weinig uitbetaalde. Enkele voorbeelden van mensen waarvan Drewes objecten heeft doorverkocht zijn Max Stern die woonde op de Parnassusweg in Amsterdam, Coenraad Hijmans die woonde op de Willemsparkweg in Amsterdam en Nathan Buytenkant die woonde op de Ruijschstraat in Amsterdam. Drewes zou zich tegen hen voor hebben gedaan als een vriend en een goede zakenman, maar gebruikte hun vertrouwen om veel geld te verdienen met het doorverkopen van hun objecten zonder geld af te staan aan de eigenaren.
Een belangrijke tentoonstelling bij J.S. Fetter & Co. tijdens de bezetting was een tentoonstelling van oude meesters in 1941. Hendrik Everhard Tenkink, sinds 1940 directeur van de Kunsthandel Katz, verklaarde later dat hij Drewes niet persoonlijk kende, maar hij kende zijn naam als een goede kunsthandelaar. Drewes zou hem hebben benaderd voor het in bruikleen geven van verschillende schilderijen voor deze tentoonstelling bij Fetter & Co. In overleg met de gebroeders Katz werden 12 schilderijen in bruikleen gegeven. Hoewel er niet was afgesproken dat Drewes de werken mocht verkopen aan klanten, deed hij dit toch. Het schilderij De Groote markt te Haarlem van Dirck Maes, genummerd C.2182, werd door Drewes voor 17.500 gulden verkocht aan Dr. Schellenberg te Hamburg. Hiervan werd slechts 8.000 gulden verantwoord aan Hendrik Tenkink. De C-nummers werden door Katz gebruikt voor hun administratie. Vervolgens zou Drewes ook het schilderij Bloemen en Vruchten van Jan van Os verkocht hebben, dat ook in bruikleen was van Katz. Dit zou verkocht zijn aan een particulier met de achternaam Meij voor 8.000 gulden. Dit schilderij was genummerd C.2185. Slechts de helft van de opbrengst werd vervolgens betaald aan Tenkink.
Aanhouding in 1943
Een grote klant van Kunsthandel J.S. Fetter & Co. was Ferdinand Gerard Uhlenbroek (1886 - ?) uit Arnhem. Hij was van beroep kunstexpert en had naar eigen zeggen ook zelf een grote kunstcollectie. Hiervoor kocht hij onder andere aan bij Drewes, maar hij diende ook als leverancier voor schilderijen voor J.S. Fetter & Co. Het is niet bekend hoe Uhlenbroek aan deze schilderijen kwam. Het is wel bekend dat hij veel vriendschappelijke en economische banden had met Duitse handelaren, omdat Uhlenbroek ook actief was op de Duitse kunsthandel. Mogelijk is dit dezelfde klantenkring als waar Drewes aan verkocht. Ook kochten Uhlenbroek en Drewes schilderijen aan op gezamenlijke rekening om de winst later te verdelen. In 1943 leidde dit tot onenigheid, waarna Uhlenbroek Drewes aangaf vanwege verkoop van Joodse goederen. De SD deed een inval bij Drewes, waarna hij werd opgepakt en er werden 34 schilderijen, 1 klok en diverse tapijten in beslag genomen. Daaronder bevonden zich waarschijnlijk veel objecten die via de Liro waren gekocht, evenals kunstwerken die in consignatie waren gegeven. Drewes zat vervolgens vijf maanden geïnterneerd in Kamp Vught. De kunstcollectie van Uhlenbroek werd, volgens zijn eigen verklaringen, tijdens de bezetting geroofd door de SD.
De handel werd overgenomen door Wybren Ferwerda. Hij verklaarde geen Liro werken meer te hebben aangekocht. Wel zou Reinheldt nog een aantal keer in de zaak zijn geweest om kunst aan te kopen voor Duitse klanten. Na de terugkeer van Geert Drewes werd Ferwerda ontslagen en zette Drewes de handel weer zelf voort. Hierna richt Drewes zich naast kunst ook op de handel in briljanten en goud.
Na de bevrijding
Het is onbekend waar de objecten die bij Drewes zijn verkocht nu zijn. Hoogstwaarschijnlijk is een groot deel verkocht aan Duitse klanten, waarna ze niet meer zijn teruggekeerd naar Nederland. Volgens Van Meverden werd er geen boekhouding bijgehouden en handelde Drewes sowieso veel buiten de administratie. Deze zwarte handel was ongeveer 355.000 gulden. Na de bevrijding is de zaak doorgezet en Ferwerda verklaarde dat hij in 1946 nog constateerde dat Drewes nog een schilderij van Tetar van Elven in de etalage had, wat voorheen in consignatie was gegeven door de eerder genoemde Nathan Buytekant. Het was het schilderij Hofbal in het Louvre. Ook zou er nog een bureau staan dat eerder door Drewes bij de Liro was aangekocht.
Drewes overleed in januari 1947, waardoor hij nooit verhoord is in het onderzoek dat pas hierna werd ingesteld door het Centraal Bureau Bijzondere Rechtspleging. Dit betekent ook dat hij alle aantijgingen van aan- en verkoop van geroofd bezit nooit heeft kunnen bevestigen noch ontkrachten.
Archieven
- Nationaal Archief (Den Haag), Ministerie van Justitie, Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegangsnummer 2.09.09, inventarisnummer 85528 (dossier 11765), inventarisnummer 87173 (dossier 3295), inventarisnummer 87271 (dossier 8615) en inventarisnummer 20097 (dossier 2621)
- Nationaal Archief (Den Haag, Stichting Nederlands Kunstbezit, toegangsnummer 2.08.42, inventarisnummer 715A.
Wilhelmfritz Goerz
Leven vóór de oorlog
Wilhelmfritz Goerz (Schlieben, 14 mei 1905–Lüstringen, 24 oktober 1971) was een Duitse kunstenaar (soms ook geschreven als Fritz, Goertz of Görz) die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland in kunst handelde. Goerz begon zijn loopbaan als docent, volgde daarna een opleiding aan de Porzellan Manufaktur in Dresden en studeerde vervolgens zes semesters aan de Kunstacademie van Dresden. Hij schilderde abstract en was al in zijn twintiger jaren vertegenwoordigd in Berlijnse galeries, zoals Galerie Der Sturm en de Moderne Galerie Wertheim. De nationaalsocialisten hadden echter een afkeer van zijn kunst.
Archiefmateriaal wijst erop dat hij tweemaal werd veroordeeld: Voor het eerst in 1933 vanwege zijn houding tegenover het Derde Rijk en in 1934 wegens ‘kritische’ uitlatingen over het regime. Vanwege deze ‘vergrijpen’ werd Goerz vermoedelijk in Schutzhaft (preventieve hechtenis) genomen. Nadat hij in Duitsland ook een schilder verbod had gekregen, emigreerde hij naar Nederland. Zijn kunstwerken bleven in zijn woonplaats in Dresden achter. In 1933 vestigde hij zich in Den Haag. Goerz werkte in Nederland officieel als reclametekenaar, mogelijk voor Druk N.V. Drukkerij Levinson. In december 1935 trouwde hij met de Dresdense Elsa Irma Pohle, en een jaar later verhuisde het paar naar de Bilderdijklaan 49 in Rijswijk.
Oorlog en de handel in kunst
In een publicatie uit 1974 wordt vermeld dat Goerz na de Duitse invasie in 1940 in militaire dienst moest. Archiefmateriaal toont echter aan dat de kunstenaar tijdens de oorlog actief was als koper en verkoper op de Nederlandse kunstmarkt. Het is niet duidelijk hoe Goerz aan de kunstwerken kwam. Enkele objecten werden aangekocht bij kunsthandelaar Pieter Arie Scheen in Den Haag, maar bij de meeste werken begint de herkomstgeschiedenis bij Goerz. De kunstwerken werden voornamelijk doorverkocht aan Galerie Paffrath in Düsseldorf en in kleinere aantallen aan de stad Düsseldorf. Opvallend is dat Goerz vooral in 1942 kunst verwierf of doorverkocht. Het betrof voornamelijk stillevens, landschappen en stadsgezichten.
Het typische verkooppatroon van Goerz kan worden toegelicht aan de hand van het schilderij Haven van W. Andreas. Het schilderij kwam op niet-gedocumenteerde wijze in het bezit van Goerz in Rijswijk. Vervolgens verkocht de kunstenaar het waarschijnlijk vrijwillig door aan Galerie Paffrath in Düsseldorf. Zoals gebruikelijk verkocht de galerie het daarna verder, in dit geval aan R. Siebel. Na de oorlog werd door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangifte gedaan, niet door Goerz, met het verzoek het schilderij in Duitsland op te sporen, maar zonder succes.
Goerz reisde ook naar Duitsland om kunst te verkopen of aan mogelijke kopers voor te leggen. In 1942 bezocht hij in Düsseldorf de directeur van het Museum Düsseldorf, Dr. Hans Wilhelm Hupp. Goerz legde Hupp een schilderij van Ferdinand Bol en een van Esaias van de Velde voor in verband met een mogelijke verkoop. Daarnaast fungeerde Goerz ook als bemiddelaar tussen kunsthandelaren en musea, zoals blijkt uit een brief uit augustus 1942, afkomstig van het adres Amalia van Solmsstraat 140 in Den Haag. In opdracht van Dr. Kurt Erasmus uit Aerdenhout bracht Goerz een schilderij van Maes over aan het Museum Düsseldorf, met een verkoopbedrag van 3.500 gulden. Goerz legitimeerde zich bij deze verkoop als betrouwbaar tussenpersoon door een telegram te overleggen dat het museum eerder aan Dr. Erasmus had gestuurd.
Terug in Duitsland
Door de bombardementen op Dresden en Den Haag verloor Goerz zijn kunstwerken, evenals andere bezittingen. Ongeveer de helft van de kunstwerken waarmee Goerz tijdens de oorlog handelde, keerde na de oorlog niet terug naar Nederland. Twee schilderijen die hij rond 1942 aan de stad Düsseldorf had verkocht — een werk van Pieter Gerardus van Os en een aquarel van Bartholomeus Johannes van Hove — kwamen na de oorlog wel terug. Ze waren ondergebracht in Slot Berleburg in Duitsland en door de SNK naar Nederland teruggebracht.
Na de ineenstorting van nazi-Duitsland verbleef Goerz aanvankelijk in de Sudetengau (Nazi-administratief district, 1938–1945, in het huidige Tsjechië), totdat hij in 1948 naar Osnabrück verhuisde, waar hij tot zijn dood bleef wonen. Een jaar eerder reisde hij naar Den Haag met het doel voormalige zakelijke relaties en vriendschappen nieuw leven in te blazen, maar de politieke situatie was gespannen tegenover Duitsers en hij werd uit Nederland uitgewezen. Van Goerz als kunsthandelaar zijn na de oorlog geen sporen meer te vinden, maar de kunstenaar Goerz werd opnieuw actief. Zo vervaardigde hij abstracte kunstwerken en metaalwerken en was hij voorzitter van de Bond van Beeldende Kunstenaars.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Stukken betreffende het verzamelen van gegevens omtrent de verblijfplaats van de door de Duitse bezetters in de oorlog geroofde en onder dwang verkochte kunstvoorwerpen. Inventarisnummer 243 (A–O), archief 2.08.42 (Stichting Nederlands Kunstbezit). 1946–1948.
- Stadtarchiv Düsseldorf. Angebote und Ankäufe. Bestand 2-4-3 (Museum Kunstpalast), Nr. 2-4-3-13.0000 (Aktenzeichen IIa 45; Altsignatur 2-3-7-13.0000), 1942
Literatuur
- Kulturgeschichtliches Museum Osnabrück. Wilhelmfritz Goerz: Ölbilder, Zeichnungen, Guaschen. Osnabrück, 1974.
Kunsthandel Goudstikker N.V.
De kunsthandel J. Goudstikker N.V. was één van de grootste Nederlandse kunsthandels voor de Tweede Wereldoorlog. In 1919 trad Jacques Goudstikker (1897-1940) toe tot het bedrijf van zijn vader, dat hij in 1931 zou omzetten in een naamloze vennootschap waarvan hijzelf de directeur en belangrijkste aandeelhouder was. Op 16 mei 1940 kwam Jacques Goudstikker tragisch om tijdens zijn vlucht naar Engeland. Zijn executeur testamentair was zes dagen eerder overleden. In de kunsthandel bevonden zich op dat moment circa 1113 genummerde schilderijen en een aantal ongenummerde.
Op 3 juni 1940 werd A.A. ten Broek benoemd tot directeur. Op 13 juli 1940 werden door Ten Broek twee contracten getekend waarbij de eigendommen van de firma aan twee partijen werden verkocht: Hermann Göring kocht alle schilderijen en kunstvoorwerpen tegen een koopprijs van 2.000.000 gulden, terwijl de Duitse bankier Alois Miedl het resterende deel van de activa van de firma, waaronder het onroerend goed, heeft gekocht voor 550.000 gulden. Bij deze transactie kocht Miedl tevens het recht op de handelsnaam J. Goudstikker.
Onderhandelingen over rechtsherstel (van de transactie met Miedl) resulteerden uiteindelijk in 1952 in een schikking. Deze schikking, het zogenaamde 'minnelijk rechtsherstel', bewerkstelligde dat een aantal van de kunstwerken die onderwerp waren geweest van de transactie met Miedl werden gerestitueerd. Van de rechten op de overige kunstwerken werd afgezien.
In 2004 diende de erfgename Goudstikker een verzoek tot restitutie in voor de teruggave van 267 kunstvoorwerpen uit de NK-collectie. De Restitutiecommissie adviseerde tot teruggave van de objecten. De staatssecretaris volgde het advies in de conclusie, echter op enkele belangrijke punten niet in de motivering. In 2012 verzocht de erfgename Goudstikker om nog drie werken uit de NK-collectie. Ook hierover adviseerde de commissie tot teruggave.
Archieven
- Archief van Jacques Goudstikker en Desi Goudstikker-Halban. Toegang 1341. Stadsarchief Amsterdam. Beschrijving online beschikbaar via Inventarissen – Archief Amsterdam
Literatuur en digitale bronnen
- Restitutiecommissie. Goudstikker Dossiernummer RC 1.15. Adviesdatum 19 december 2005. Geraadpleegd 27 februari 2026.
- Den Hollander, Pieter. De zaak Goudstikker. Amsterdam: Meulenhoff, 1998.
Kunsthandel A. Hiegentlich
Kunsthandel A. Hiegentlich werd in 1893 aan de Spiegelgracht 7 in Amsterdam opgericht door de Joodse antiquair Aron Salomon Hiegentlich (Assen, 22 april 1868-Auschwitz, 25 januari 1943). Spiegelgracht 7 was ook het woonadres van het gezin Hiegentlich. Een van hun vijf kinderen, Salomon Jacob (1894-26 maart 1951), was eveneens antiquair en werkte met zijn vader samen. Tijdens de oorlog werd de kunsthandel in 1941 door de bezetter gesloten en een jaar later uiteindelijk geliquideerd door de Omnia Treuhandgesellschaft, een Duitse trustmaatschappij die belast was met de liquidatie van Joodse ondernemingen. De handelsvoorraad van Hiegentlich werd door de bezetter verkocht, zonder dat de familie Hiegentlich daarvoor enige vergoeding ontving. Andere bezittingen werden overgedragen aan de Liro-roofbank. Het is onduidelijk wat er is gebeurd met de onderneming A. Hiegentlich in het jaar tussen de sluiting van de kunsthandel en de uiteindelijke liquidatie.
In het najaar van 1942 werd Aron Salomon Hiegentlich opgenomen in de psychiatrische instelling Apeldoornsche Bosch. Hij werd in januari 1943 gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Ook zijn dochter Esther Wolff-Hiegentlich en haar twee zonen werden in november 1943 in Auschwitz vermoord. In maart 1943 werd de woning van de familie geplunderd en gedwongen verkocht. Voorwerpen die op dat moment nog in de kunsthandel aanwezig waren, zijn vermoedelijk gestolen. Salomon Jacob Hiegentlich en zijn echtgenote overleefden de oorlog. Hij heropende de kunsthandel van zijn vader in januari 1947. In 1950 verzocht de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) Salomon Jacob Hiegentlich om informatie over de verkoop van voorwerpen door de onderneming tijdens de oorlog. De betrokkene kon echter weinig gegevens verstrekken, omdat bij de liquidatie van het bedrijf ook de bedrijfsadministratie verloren was gegaan. Salomon Jacob Hiegentlich overleed op 26 maart 1951 in Amsterdam. In 2011 werden meerdere objecten uit de NK-collectie aan de erven gerestitueerd.
Digitale bronnen
- Zie voor objecten met de herkomst Hiegentlich: Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.
Literatuur
- Restitutiecommissie. Zoekresultaten inzake Hiegentlich.
Kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co.
Kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co. werd opgericht door Dirk Albert Hoogendijk (Den Haag, 27 juli 1895 – Bergen, 10 januari 1975). De kunsthandel was gevestigd aan de Keizersgracht 640 in Amsterdam en was gespecialiseerd in schilderijen, in het bijzonder oude meesters. Tussen 1928 en 1967 was de kunsthandel lid van de Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst (VHOK). D.A. Hoogendijk & Co. nam in deze periode een belangrijke positie in binnen de Amsterdamse kunsthandel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog onderhield Hoogendijk directe handelscontacten met Duitse kunsthandelaren en vertegenwoordigers van de bezettingsmacht. Hij verkocht ongeveer 55 schilderijen aan Hermann Göring, die de kunsthandel persoonlijk bezocht. Een andere Duitse klant was Kajetan Mühlmann, leider van de zogenoemde Dienststelle Mühlmann, een kunstrooforganisatie. Göring was een belangrijke afnemer van D.A. Hoogendijk & Co. Volgens overlevering hield Hoogendijk topstukken achter wanneer Mühlmann de kunsthandel bezocht, om deze beschikbaar te houden voor Göring. Hoogendijk ontving van Göring een hoge vergoeding, hoger dan die van andere kunsthandelaren in die periode.
De verkochte schilderijen gingen vaak vergezeld van een expertise van de gerenommeerde kunsthistoricus Max J. Friedländer. De omzet afkomstig van Duitse klanten was aanzienlijk. Tegelijkertijd dreef Hoogendijk ook handel met Nederlandse kunsthandelaren, onder wie Victor Modrzejewski. Daarnaast verkocht Hoogendijk ook schilderijen aan vermogende Rotterdamse verzamelaars, zoals Van Beuningen en Van der Vorm, voor bedragen van in totaal meer dan één miljoen gulden.
Archieven
- Het archief van de kunsthandel Hoogendijk bevindt zich in het RKD. Zie ook: Archief Kunsthandel D.A. Hoogendijk (pdf)
Literatuur en digitale bronnen
- Adriaan Venema. Kunsthandel in Nederland 1940–1945. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986.
- J. F. Heijbroek and A. Th. P. van Griensven. Kunst, kennis en kwaliteit: De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1917–heden. Zwolle: Waanders, 2007.
- Zie voor objecten met de herkomst Hoogendijk: Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.
Kunstveiling Han Jungeling
Oprichting en andere functies
Kunst- en Antiekveiling Jungeling (soms ook geschreven als Jüngeling) was een veilinghuis dat tijdens de Nederlandse bezetting in 1942 werd opgericht door Johan (Han) Jungeling (Amsterdam, 8 april 1909-28 november 1973) op de Frederik Hendriklaan 23 in Den Haag. Hier was ook Kunsthandel C. Jungeling-Tuininga (of Het Kunstkabinet) al gevestigd. Dit was de kunsthandel die sinds 1940 werd gerund door de vrouw van Jungeling, Cato Tuininga. Later, tussen 1944 en 1945, verhuisde de veiling van Jungeling naar Oranje Nassaulaan 9 in Amsterdam. Jungeling was vanaf 1943 ook de eigenaar van de bedrijfspanden Spiegelgracht 7 en de bovenverdieping van Spiegelgracht 17 in Amsterdam, vanuit waar hij ook handel dreef. Deze panden waren voorheen eigendom van respectievelijk de Joodse Antiekhandel Hiegentlich en Joodse Max en Flora Hakkert. De panden werden door Jungeling in 1943 aangekocht nadat de bewoners vanwege de antisemitische maatregelen uit hun huis werden gezet.
Johan Jungeling werd in 1909 geboren in Amsterdam en trouwde in 1932 in Blaricum met Jeanne Hermance Cordes, maar zij scheidden in 1935. Vier jaar later, in 1939, trouwde hij met Cato Tuininga. Voordat Kunstveiling Han Jungeling werd geopend, was Han Jungeling eigenaar van de reclamebureaus “Central Studio” en “ABC Studio”, de uitgeverij De Burcht en tijdschrift De Hond. Ook werkte hij voor de omroeper ANP en tijdens de bezetting bij de inmiddels nationaalsocialistische Nederlandsche Omroep (NO). Dit laatste was mogelijk omdat Jungeling begunstigend lid van de SS en de NSB was. Jungeling vertaalde ook verschillende nationaalsocialistische boeken naar het Nederlands, waaronder Adolf Hitler: De wordingsgeschiedenis van een volksbeweging van Philipp Bouhler. Ook vertaalde Jungeling meermaals Nazi-propaganda naar het Nederlands, uit opdracht van het Referat Sonderfragen. In verschillende briefwisselingen geeft Jungeling ook aan te hebben geprobeerd om actief lid te zijn van de SS, maar dat hij hiervoor werd afgekeurd. Hij werd hierna begunstigend lid van de SS. Hij zou zijn lidmaatschap van de SS hebben uitgedragen aan de hand van het dragen van een hakenkruis en verschillende nationaalsocialistische insignes. Tot 1941 was hij lid van de NSNAP, de Nederlandse aanhanger van de Nazi-partij NSDAP.
Veilingen tijdens de Nederlandse bezetting en verkoop Joods bezit
Kunstveiling Jungeling veilde in de bezettingsjaren veel schilderijen, waaronder het schilderij Bathseba van Rembrandt. Naast zijn eigen veiling werd Johan Jungeling vanaf 1943 vennoot van kunsthandel G.C. Dekkers. Hij kwam in 1941 met Gerardus Dekkers in aanmerking, waarna ze vanaf 1943 officieel samen gingen werken. Samen wilden ze een groot handelsnetwerk opzetten. Hiervoor hadden ze een constructie bedacht waarbij Jungeling werken aankocht op de Nederlandse markt en Gerardus Dekkers deze verkocht aan zijn contacten in Duitsland. Ook adverteerden ze in Duitse kranten om zo klanten te bereiken. Op deze manier werden zo’n 200 werken verkocht aan Duitse kopers, waarmee ruim 400.000 gulden werd omgezet. De gebroeders Dekkers werden ook vennoten bij het veilinghuis en de reclamebureaus van Jungeling. De werken die bij Jungeling en aan de hand van de samenwerking Jungeling-Dekkers werden verkocht aan Duitsland, zouden met opzet van inferieure kwaliteit zijn. De kunstwerken van hoge kwaliteit zou Jungeling alleen hebben verkocht aan Nederlanders, om zo het Nederlandse kunstbezit te beschermen. Getuigenissen na de bevrijding spreken dit tegen, er zou voor grote bedragen zijn verhandeld met Duitse klanten, waartussen ook zeer kostbare schilderijen zaten.
De handelsvoorraad voor de Jungeling-Dekkers samenwerking kocht hij bij verschillende veilingen zoals Mak van Waay, Paul Brandt, Frederik Muller & Co. en Van Marle en Bignell. Het is ook bekend dat verschillende objecten die bij Mak van Waay werden gekocht, afkomstig waren van de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro). Er werd dus wel degelijk gehandeld in Joods bezit. Ook werden handtekeningen van Joodse schilders vervalst, om hun kunst zo toch te kunnen verkopen. Van overleden Joodse schilders mocht namelijk wel werk verkocht worden. Jungeling gaf na de bezetting zelf aan nooit Joods bezit te hebben geveild bij zijn veilingbedrijf. Zo zou hem zijn aangeboden om de collecties van Kunsthandel Mossel en Kunsthandel Mogrobi te veilen, maar dit zou hij hebben afgewezen. Wel maakte hij één uitzondering, waarbij hij (een deel van) de handelsvoorraad van de geliquideerde Joodse Kunsthandel Rosenbaum veilde. Dit zou hij hebben gedaan, omdat hem werd verteld dat de opbrengsten direct naar Rosenbaum zouden gaan. Met de veiling werd 24.000 gulden verdiend, wat ver beneden de werkelijke waarde van de collectie zou liggen.
Economische collaboratie en verraad
Na de bezetting werd Jungeling opgepakt en verdacht van collaboratie. Naast lidmaatschap werd hem verweten dat hij de Duitse SD zou hebben geïnformeerd over een veiling bij Mak van Waay waarbij schilderijen van Joodse kunstenaars zouden worden verkocht. Dit werd gezien als verraad. Ook werd hij beschuldigd van het feit dat hij huizen uit Joods eigendom had aangekocht of bij dergelijke verkopen had bemiddeld. Tot slot zou hij ook schilderijen uit Joods bezit van een door de bezetter aangestelde beheerder hebben verworven, waarmee de opbrengsten aan de Duitse bezetter ten goede kwamen. Daarnaast werd gesteld dat Jungeling uit winstbejag objecten kocht waarvan hij wist dat deze vooral naar Duitsland zouden worden verhandeld. Jungeling erkende tijdens zijn strafproces inderdaad huizen uit Joods eigendom te hebben aangekocht. Verder gaf hij toe dat hij inderdaad schilderijen naar Duitsland had verhandeld, maar dat dit slechts ‘inferieure rommel’ betrof. Uiteindelijk werd Jungeling voor het leven ontzet uit actief en passief kiesrecht en werd tot 1948 geïnterneerd.
In 1960 trouwde Jungeling opnieuw, dit keer met Saskia Windt. Met haar richtte hij stichting ‘t Schouw op, ten behoeve van onderzoek en tentoonstelling van de werken van Johannes Tavenraat en Jan Zandleven. Ook bleef Han Jungeling in kunst handelen tot 1963.
Archieven
- Het archief van Han Jungeling is te vinden in het RKD: RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag, Kunsthandel Han Jüngeling, NL-HaRKD-0912, 1930–1981
- Nationaal Archief, Den Haag. Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), nummer toegang 2.09.09, inventarisnummers 108985 (dossier 1965/45), 89819 (dossier 14996), 101142 (dossier 5228/47).
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.07, inventarisnummer 98139.
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.03, inventarisnummers 57053, 57046, 57078.
Kunst- en Antiekveiling A. Mak
Oprichting A. Mak en afsplitsing Mak van Waay
In 1839 begonnen Simon Jacob Mak van Waay (I) (1805-1880) en deurwaarder B. van Geluk met publieke verkopen van kunstobjecten. Het veilinghuis van Geluk & Mak van Waay vestigde zich in drie panden op de Visstraat in Dordrecht en vormde het eerste officiële veilinghuis van de Benelux. Vanaf 1864 begon men zich ook te richten op bredere verkoop van bijvoorbeeld inboedels, houtvoorraden, planten, sigaren en wijnen. S.J. Mak van Waay overleed in 1880, waarna de zaak werd overgenomen door zijn zoon, Anton Mak (II) (1847-1899). Anton Mak (II) neemt de tweede achternaam ‘van Waay’ niet over, waarna het veilinghuis de naam A. Mak Kunst- en Antiekveilingen kreeg. Anton kon door een slechte gezondheid de populariteit van het veilinghuis niet aanhouden, waardoor in 1893 zijn zoons Anton (IV) (1881-1956) en Simon Jacob (III) (1875-1945) op kantoor van het veilinghuis komen werken en het uiteindelijk in 1899 volledig overnemen. Onder hun leiding groeide de populariteit van het bedrijf weer, waarna ze in 1918 een bijkantoor openden op de Doelenstraat 8 in Amsterdam. Ook het oorspronkelijke veilinghuis op de Visstraat in Dordrecht bleef actief. Door onenigheid tussen de broers splitsten ze in 1923 op. Simon Jacob runde vanaf toen de tweede vestiging in Amsterdam en Anton behield de leiding over het veilinghuis A. Mak in Dordrecht. Hier bleef Anton Mak directeur tot zijn dood in 1956.
A. Mak tijdens de bezetting
Tussen 1940 en 1945 heeft Anton Mak verschillende veilingen uitgevoerd uit opdracht of met stukken ingebracht door de Duitse bezetters. De huidige directeur van A. Mak Kunst en Antiek, Pieter Jorissen, verklaarde hierover: “Dat was in die tijd niet te vermijden (...) Maar Anton heeft nooit Joods bezit geveild, terwijl SJ in feite veelal Joods bezit veilde.” Hiermee verwijst Jorissen naar S.J. Mak van Waay, die na de splitsing in 1923 en vanaf 1932 volledig zelfstandig zijn eigen veilinghuis voerde in Amsterdam. In Kunsthandel in Nederland 1940-1945 van Adriaan Venema staat echter vermeld dat “volgens naoorlogse Amerikaanse rapporten verkocht A. Mak geconfisqueerde Joodse kunstwerken aan Duitse klanten”. Volgens Pieter Jorissen was Anton juist fel anti-nazi en heeft hij na aflopen van de oorlog geholpen bij de restitutie van objecten terug naar voormalig eigenaren. “Voorraden van Joodse kunsthandelaren die na de oorlog terugkwamen naar Nederland, heeft hij hier opgeslagen en ervoor gezorgd dat ze teruggingen naar degenen van wie ze waren, zoals de Joodse broers Benjamin en Nathan Katz uit Dieren.”
Anton Mak zou directeur van het veilinghuis blijven tot 1956, waarna Jan van Valen het overnam. Op het moment van schrijven, is het veilinghuis nog steeds actief.
Literatuur en digitale bronnen
- Mak Kunst en Antiek. [1]. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Mak Kunst en Antiek. Historie Mak. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Stolpersteine Dordrecht. De broers Mak van Waay en hun gespleten houding. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Regionaal Archief Dordrecht. Familie Mak van Waay. Dordts Biografisch Woordenboek. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- S. J. Mak van Waay. Catalogus van de veiling van oude en moderne schilderijen en antiquiteiten uit verschillende Nederlandsche kunstbezit: openbare verkooping 21 september 1943 en volgende dagen, Katalogus nr. 74. Amsterdam: Mak van Waay, 1943. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- S. J. Mak van Waay. Lexicon van Nederlandsche schilders en beeldhouwers 1870–1940. Amsterdam: J. M. Meulenhoff / DBNL, 1944. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Adriaan Venema. Kunsthandel in Nederland 1940–1945. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986.
Veilinghuis Mak van Waay
Mak Kunst- en Antiekveilingen en oprichting Kunstveiling Mak van Waay
In 1839 begonnen Simon Jacob Mak van Waay (I) (1805–1880) en deurwaarder B. van Geluk met het organiseren van kunstveilingen onder de naam Van Geluk & Mak van Waay. Na het overlijden van Simon Jacob Mak van Waay in 1880 nam zijn zoon Anton Mak (II) (1847–1899) de zaak over. Hij liet de tweede naam “Van Waay” vallen en zette het bedrijf voort als A. Mak Kunst- en Antiekveilingen. In 1893 traden de zoons van Anton Mak toe. Anton (IV) (1868–1956) en Simon Jacob (III) (1875–1945) toe nemen de zaak volledig over in 1899, na het overlijden van hun vader. In 1918 openden ze een bijkantoor aan de Doelenstraat 8 in Amsterdam, waar ze samenwerkten met kunsthistoricus en Van Gogh-expert Jacob Baart de la Faille IV (1886–1959). Een jaar later namen zij veilinghuis C.F. Roos & Co. over en verhuisden naar Rokin 9–15, in het hart van Amsterdam. De vestiging in Dordrecht bleef bestaan, maar in 1923 leidde onenigheid tussen de broers tot een splitsing: Simon Jacob beheerde vanaf toen het Amsterdamse filiaal en Anton het Dordtse. In 1927 verliet Simon Jacob A. Mak Kunst- en Antiekveilingen helemaal. In 1932 richtten Simon Jacob en zijn zoon Anton (V) (1902-?) de Maatschappij voor Kunst- en Antiekveilingen op, later bekend als Kunstveiling S.J. Mak van Waay. De toevoeging “Van Waay” moest verwarring met de kunsthandel van zijn broer voorkomen. Het veilinghuis vestigde zich op Rokin 102.
De jaren 30 en de Nederlandse bezetting
Volgens Pieter Jorissen, directeur van A. Mak Kunst en Antiek, begon S.J. Mak van Waay in de jaren 30 al met het veilen van objecten die hoogstwaarschijnlijk waren geroofd van Duits-Joodse families:
Waar de spullen vandaan kwamen, weet niemand, maar S.J. veilde belangrijke collecties 17de-eeuwse kunst uit Duitsland. Niet alleen schilderijen, ook beelden en meubels. Ga er maar vanuit dat die objecten waren ingepikt van Joodse families.
Door de florerende kunstmarkt in Nederland groeide de kunstveiling van Mak van Waay vanaf 1940 hard. Door de drukte vraagt Simon zijn broer Anton opnieuw om samenwerking, maar Anton, die volgens meerdere bronnen fel anti-Nazi was, weigerde deze samenwerking. Hierna doet Simon er alles aan om zijn broer dwars te zitten in het veilingwezen. Inmiddels had H.S. Nienhuis de taken van Anton (V) overgenomen.
Veiling van Joods bezit
Bij Mak van Waay werden vanaf 1942, naast regulier ingebrachte objecten, ook inboedels en bezittingen van Joodse mensen geveild die via roofbank Lippmann, Rosenthal en Co. (Liro) werden ingebracht. De door Liro ingebrachte objecten werden in de registers van inbrengers en kopers enkel geannoteerd als “L”, waar andere inbrengers wel met volledige naam werden opgeschreven. Uit de veilingcatalogi is op te maken dat Veilinghuis Mak van Waay schilderijen, meubelen, tapijten en toegepaste kunst veilde. Voor de verkoop van bij de Liro bank ingebrachte objecten kreeg Mak van Waay een provisie van ongeveer 10%. Mak van Waay voerde ook taxaties uit voor de Liro Bank, maar ook voor de geariseerde Hamburger & Co. Bankieren en de Devisenschutzkommando. Voor deze taxaties kreeg Veilinghuis Mak van Waay een provisie van 1% van het totaal getaxeerde bedrag. Pieter Jorissen vertelde aan Stolpersteine Dordrecht dat er ook werd gedaan aan handtekening vervalsing. Omdat het niet legaal was om werken van Joodse kunstenaars te verkopen, werden signaturen van hen overgeschilderd, waarna de werken werden geveild als ‘onbekende schilders’. Voorbeelden hiervan zijn schilderijen van Isaac Israels of David Bles. Na de oorlog verklaarde Maria Sybilla Maes, vrouw van S.J. Mak van Waay, dat de overige opbrengsten van de veilingen wel degelijk naar de rechtmatige eigenaars werd overgemaakt en dat zes procent van alle bij Mak van Waay geveilde objecten van Joods bezit kwamen.
Naast veilen werd S.J. Mak van Waay ook door het Nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) gevraagd om een lexicon samen te stellen van alle hedendaagse schilders in Nederland. In het uiteindelijke lexicon, dat in 1944 werd uitgegeven, werden deze Joodse kunstenaars aangeduid met een (J) achter hun naam. Bij niet-Joodse kunstenaars, wanneer van toepassing, werd vermeld waar en wanneer zij zijn overleden. Bij vermoorde Joodse kunstenaars ontbrak deze informatie.
Na de bezetting
In 1944, net nadat de geallieerde strijdmachten begonnen met de bevrijdingsgevechten, draagt Mak van Waay alle aandelen van het bedrijf over naar Nienhuis, die hierna directeur van het bedrijf zou worden. Op 5 mei 1945 overleed S.J. Mak van Waay. Volgens na-oorlogse verklaringen van zijn vrouw overleed hij aan een hartverlamming, maar tussen andere veilingmeesters en kunsthandelaren doet al snel te ronde dat Mak van Waay zelfmoord had gepleegd, om zo niet veroordeeld te kunnen worden na de oorlog. In 1986 verklaarde Nienhuis aan de schrijver Adriaan Venema dat er naar zijn weten geen geconfisqueerde of geroofde objecten of inboedels zijn geveild bij S.J. Mak van Waay. Op de vraag ‘En kwamen er snel boedels naar de veiling?’ (na het uitbreken van de oorlog) antwoordde Nienhuis ‘Wat er veel kwam was van Joodse mensen die uit Duitsland gevlucht waren en die geen home hadden en die de boel hadden mee kunnen nemen, moesten verkopen om geld te hebben (...) Pas na mei 1940 gingen ze verkopen. Paniekerig. Daar kwamen wel eens verrekte mooie dingen vandaan.’ Nienhuis bleef directeur van het Veilinghuis Mak van Waay en ook in deze jaren ondervond het bedrijf grote groei, tot het in 1974 overgenomen werd door Sotheby’s.
Archieven
- Het archief van Veilinghuis Mak van Waay tussen 1940 en 1945 is te vinden bij het RKD: RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag. Archief Mak van Waay, NL-HaRKD-0573.
- Nationaal Archief, Den Haag. Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), nummer toegang 2.09.09, inventarisnummers 107309 (dossier T67205) en 87418 (dossier 47054).
Literatuur en digitale bronnen
- Mak Kunst en Antiek. [2]. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Mak Kunst en Antiek. Historie Mak. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Stolpersteine Dordrecht. De broers Mak van Waay en hun gespleten houding. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Regionaal Archief Dordrecht. Familie Mak van Waay. Dordts Biografisch Woordenboek. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- S. J. Mak van Waay. Catalogus van de veiling van oude en moderne schilderijen en antiquiteiten uit verschillende Nederlandsche kunstbezit: openbare verkooping 21 september 1943 en volgende dagen, Katalogus nr. 74. Amsterdam: Mak van Waay, 1943. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- S. J. Mak van Waay. Lexicon van Nederlandsche schilders en beeldhouwers 1870–1940. Amsterdam: J. M. Meulenhoff / DBNL, 1944. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Adriaan Venema. Kunsthandel in Nederland 1940–1945. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986.
Veilinghuis Van Marle en Bignell
Van Marle en Bignell was een kunsthandel en veilinghuis dat in 1919 werd opgericht door Ludwig van Marle (1891-1929) en Charles John Robert Bignell (1890-1957). Veilinghuis Van Marle en Bignell heeft tijdens de bezetting een belangrijke rol gehad in het liquideren en veilen van vijandelijk vermogen. Dat vijandelijke vermogen bestond onder andere uit kunstcollecties en huisraden van Joodse en niet-Joodse mensen die Nederland vanwege de Duitse bezetting waren ontvlucht en door de bezetter als vijand werden aangemerkt. Bignell zou actief zijn best hebben gedaan om in aanmerking te komen voor het veilen van Joods bezit. Er werden ook veilingen gehouden zonder dat hier toestemming voor was gegeven door de eigenaren. De opbrengst van deze veilingen ging hoogstwaarschijnlijk niet naar de voormalig eigenaar van de objecten, waardoor de winst van het veilinghuis zich vermenigvuldigde tussen 1940 en 1945. De kopers waren zowel Nederlandse als Duitse kopers.
Na de bevrijding richtte firma Van Marle en Bignell zich op de Duitse kunstmarkt. In advertenties uit juli 1945 zeggen ze op zoek te zijn naar ‘acquisiteurs om in Duitschland schilderijen aan te koopen voor het Nederlands kultuurbezit’. In 1946 werd Charles John Robert Bignell gearresteerd. Bignell beweerde nog dat hij onder druk van de Duitse bezetter heeft moeten handelen, maar hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Ook werd hij ontzet uit het actieve en het passieve kiesrecht. Het veilinghuis bleef na de bezetting actief, tot begin jaren 80.
Archieven
- Het archief van Van Marle en Bignell is in te zien bij het RKD: Kunsthandel Van Marle en Bignell, archief, 1897–1969, NL-HaRKD-0366, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag.'
- De veilingcatalogi van Van Marle en Bignell zijn online in te zien. Zie als voorbeeld: Van Marle en Bignell (red.), Catalogus van kostbare oude schilderijen…, ’s-Gravenhage 1942, doi:10.11588/diglit.13822.
Kunsthandel Pictura/Victor Modrzejewski
Modrzejewski wordt in verschillende bronnen op verschillende manieren geschreven. Andere variaties zijn: Mod., Modrczejewski, Modrczewski, Madrze Jewski, Modrezejewsky, Modrezejevsky, Modrzewski, Modrzejewiski en Modrzjensk.
Vlucht naar Nederland en oprichting kunsthandel
Victor Modrzejewski (1901-1956) was een Duitse kunsthandelaar en eigenaar van Kunsthandel Pictura. In de jaren dertig vluchtte hij vanuit Berlijn naar Nederland vanwege de Joodse afkomst van zijn vrouw, Hertha Revy, met wie hij in 1938 trouwde. In 1935 richtte hij samen met Josef Rosenthal de kunsthandel Pictura op, gespecialiseerd in oude meesters. In 1938 vestigden Modrezjewski en zijn vrouw zich in Amsterdam, op Michelangelostraat 24, van waaruit ook de kunsthandel wordt gedreven. Modrezjewski leert door het vak verschillende bekende kunsthandelaren kennen, zoals Hans de Haan en Jacques Goudstikker.
Kunsthandel tijdens de bezetting
Rond 1938/1939 kwam Modrzejewski in contact met de Duitse handelaren Bruno Lohse en Walter Andreas Hofer, die voor de nazi-leiders kunst inkochten. De handel met nazi's ging door in de Nederlandse bezettingsjaren. Na het vertrek van Rosenthal in 1942 zette hij de handel alleen voort, zowel onder zijn eigen naam als die van Pictura. Hij zocht volgens Rosenthal actief contact met nazileiders, omdat hij zich in een slechte positie bevond en dit voor hem, en vooral voor zijn vrouw, de uitweg kon zijn. Uit correspondentie tussen kunsthandelaar Gustav Cramer en Modrzejewski is op te maken dat Cramer voor een commissie van 10% verschillende werken had aangeraden bij Hans Posse en dat Posse hem minimaal één keer heeft bezocht op zijn thuisadres voor de aankoop van schilderijen. In 1942 vergezelde Modrzejewski Jan Dik Jr. op een reis naar Hermann Göring in Parijs om hier een grote collectie van zeventiende-eeuwse schilderijen te ruilen voor verschillende impressionistische werken. Modrzejewski, die vooral mee was als tolk, adviseerde Dik Jr. om de ruil niet door te laten gaan vanwege de slechte kwaliteit van de impressionistische werken, en enkel de zeventiende-eeuwse werken te verkopen. Jan Dik Jr. nam het advies aan en Modrzejewski kreeg 7.500 gulden voor zijn raad. Modrzejewski verklaarde hierna geen handelscontacten met Jan Dik Jr. meer te hebben gehad. Volgens zijn eigen verklaring bedroeg de handel met de Duitse kopers in totaal 141.632 gulden, waarvan 45.632 gulden uit directe handel met Erhard Göpel. Göpel zou hij al sinds zijn jeugdjaren kennen vanuit café's in Berlijn.
Rol in onderduikwereld van Amsterdam
Tegelijkertijd speelde Modrzejewski een grote rol in het onderduiknetwerk van Amsterdam. Aan de hand van verklaringen blijkt dat er minimaal twee personen voor geruime tijd ondergedoken zaten in het woonhuis van Modrzejewski, dat zich in hetzelfde gebouw bevond als de kunsthandel. Dit waren Elisabeth (Bep) Rood-Kooperberg en Hans Drukker. Na de oorlog verklaarde ook Meyer van Embden zich enkele dagen schuilgehouden te hebben in het huis. Daarnaast zijn er ook verschillende verklaringen van Modrzejewski die hoge bedragen weggaf aan degene die het nodig hadden en zijn contacten gebruikte voor het verkrijgen van goede papieren voor veel mensen. Verschillende mensen verklaarde ook dat Modrzejewski elke twee weken zorgde dat pakketten met levensmiddelen naar de Hollandse Schouwburg, Westerbork en Theresienstadt werden verzonden. Ook zou hij een sleutelrol hebben gespeeld in het vrij krijgen van Max Poons, de man van Else Mauhs die in Westerbork gevangen zat. Na de oorlog plantten Hartog Cohen en Elisabeth Wachsberg twee bomen in het Westerweel Woud, in het huidige Israël, als herinnering aan en als dank voor de hulp van Modrzejewski tijdens de bezettingsjaren.
Na de bezetting
Na de bevrijding werd Victor Modrzejewski aanvankelijk aangeduid als vijand vanwege zijn handel met de Duitsers, maar in 1952 werd hij niet-vijandelijk verklaard. Zijn vermogen bleef echter geblokkeerd, ondanks herhaaldelijke pogingen van zijn vrouw om dit terug te krijgen. In een lied, geschreven door Clemens Meulenman, voor de 44e verjaardag van Modrzejewski in september 1945 lijkt echter naar voren te komen dat geld voor Victor bijzaak was: “Das Geld hat zwar immer noch keinen Wert … Vom Staat kriegen doch keinen Cent heraus”. De kunsthandel werd in 1958 opgeheven en Victor Modrzejewski overleed in 1959 aan de gevolgen van een slecht hart.
Archieven
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI), nummer toegang 2.09.16.10, inventarisnummer 147327.
- Getty Research Institute, Los Angeles. G. Cramer Oude Kunst gallery records, 1873–1998 (bulk 1938–1998). Accession no. 2001.M.5.
- Nationaal Archief, Den Haag. Meuleman-archief, nummer toegang 2.21.440, inventarisnummer 4.
Literatuur
- J. F. Heijbroek and A. Th. P. van Griensven. Kunst, kennis en kwaliteit: De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1917–heden. Zwolle: Waanders, 2007.
- Adriaan Venema. Kunsthandel in Nederland 1940–1945. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986.
Veilinghuis Carl Eugen Pongs Kunstversteigerer
Het veilinghuis voor de oorlog
Carl Eugen Pongs (Odenkirchen, 16 november 1866–Düsseldorf, 23 juni 1967) was een Duitse kunsthandelaar en veilingmeester, gevestigd aan de Bismarckstrasse 22 in Düsseldorf, Duitsland. Het veilinghuis Kunstverstiegerer Carl Eugen Pongs (geopend, 15 oktober 1902–gesloten, 29 december 1970) werd voor het eerst geregistreerd in 1902 en verkocht een verscheidenheid aan objecten, waaronder meubels, kunst, porselein en tapijten. Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het veilinghuis in verband gebracht met geconfisqueerde kunst. In 1938 confisqueerden de nazi’s de eigendommen van Joseph Schönemann, een Joodse kunst- en tapijthandelaar, en verkochten de geroofde voorwerpen in het veilinghuis van Pongs. Omdat Pongs bij het uitbreken van de oorlog al 72 was, hoefde hij niet in het Duitse leger te dienen en bleef hij actief als handelaar.
Aankopen op de Nederlandse kunstmarkt
In 1941 werd het bedrijf omgevormd tot een vennootschap onder firma, bestaande uit Pongs en zijn zoon Carl Otto. Vanaf dat moment was het bedrijf ook gevestigd aan de Bleichstrasse 3 in Düsseldorf, waar de broer van Pongs, Otto, een textielfabriek had. Tijdens de oorlog reisde Carl Otto acht keer naar Nederland, waar hij meestal drie tot vier dagen verbleef. Carl Otto ontmoette vertegenwoordigers van de Nederlandse kunstwereld en verwierf een uitgebreide lijst van objecten van verschillende handelaren. Zo kocht Carl Otto meubels van de Kunsthandel Goudstikker, dat destijds al in bezit was van Alois Miedl, of porselein van de kunsthandel I. Rosenbaum N.V., eveneens een Joods-Nederlandse kunsthandel die onder Duits bestuur stond. Meerdere in Nederland aangekochte objecten werden op 3 november 1943 door brand vernietigd, mogelijk als gevolg van bombardementen op Düsseldorf. Tijdens de oorlog maakte de het veilinghuis in vergelijking met de jaren daarvoor grote winsten.
Naoorlogse periode
Na de oorlog bevond de firma zich echter in een problematische positie, omdat zij in geroofde kunstwerken had gehandeld. De klanten van Pongs waren gefrustreerd, wat blijkt uit een brief van Dr. Grete Lorenze aan Pongs. Dr. Grete Lorenze klaagt dat Amerikaanse en Nederlandse officieren haar in Oostenrijk hebben bezocht en hebben uitgelegd dat de meubels en het porselein die zij bij Pongs had gekocht, tijdens de bezetting zijn geroofd uit Nederland. Zowel vader als zoon waren nooit lid geweest van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) en werden beiden in het denazificatieproces ingedeeld in categorie V, wat betekende dat ze werden vrijgesproken en hun beroep konden blijven uitoefenen. Pongs overleed in 1967 en vier jaar later werd het veilinghuis gesloten.
Archieven
- Landesarchiv Nordrhein-Westfalen. Entnazifizierungsakte Carl Pongs. Abt. Rheinland, NW 1002-C Nr. 30920.
- Nationaal Archief, Den Haag. Pongs, Carl Eugen. Abschrift: Aufstellung der während des Krieges in Holland erworbenen Kunstgegenstände. Düsseldorf, 19 september 1946. Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), inv. 1175.
Kunsthandel Curt Reinheldt
Voor het uitbreken van de oorlog
De Duitse kunsthandelaar Curt (Kurt) Reinheldt (Berlin-Lichtenfeld, 27 mei 1900-1972) was tijdens de bezetting een actieve koper van kunstvoorwerpen. De kunsthandel Curt Reinheldt was gevestigd in Berlijn aan de Lützowstrasse 30, op de hoek van de Kluckstrasse. Later kwam in Berlijn nog een winkel bij, aan de Kurfürstenstrasse 122, die Reinheldt samen met zijn schoonzus en zwager runde. De kunsthandel was breed opgezet en verkocht antiek, schilderijen en zelfs gotische beeldhouwwerken. Reinheldt was een weeskind en werd door de kunstenaar August Gaul en zijn vrouw Clara Antoine Haertel in de familie opgenomen. Het gezin had nog drie andere kinderen en later trouwde Reinheldt met hun dochter Charlotte. Na de dood van August Gaul organiseerde Reinheldt in maart 1927 een herdenkingstentoonstelling voor hem. Op dat moment woonde Reinheldt waarschijnlijk aan de Pestalozzistrasse 93 I in het district Charlottenburg in Berlijn.
In de jaren '30 was Reinheldt lid van de Reichskammer der Künste, wat betekent dat zijn werk als kunsthandelaar overeenkwam met de ideeën van de nationaalsocialisten. Op 31 november 1931 was de kunsthandelaar al lid geworden van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Reinheldt was echter nog veel meer verweven met het Derde Rijk, hij was bijvoorbeeld ook lid van de Sturmabteilung (SA). De SA was een nazi-groepering die Hitlers machtsovername en ideologie ondersteunde en bevorderde. In januari 1933 fotografeerde Reinheldt samen met Erich Hans Förster de boycot van Joodse winkels, omdat zij een brochure voor de NSDAP wilden maken. Toen dat plan niet doorging, probeerden zij de foto’s alsnog te gelde te maken door ze aan Joodse bedrijven te verkopen, in de verwachting dat deze afbeeldingen zouden kopen om te voorkomen dat ze als propaganda tegen Joden gepubliceerd zouden worden.
De kunsthandelaar en Nederland
Volgens Reinheldt kwam hij vanaf november 1941 regelmatig naar Nederland om kunst aan te kopen voor zijn winkel in Berlijn. In 1944 verhuisde Reinheldt samen met Charlotte naar Amsterdam. Op 6 april 1944 meldt Reinheldt dat zijn papieren bij een bombardement op Duitsland zijn vernietigd, maar dat hij sinds maart woonachtig is aan de Beethovenstraat 91 III in Amsterdam-Zuid. Nog hetzelfde jaar verhuisde het echtpaar naar Arnhem, aan de Laan van Klarenbeek 47, waar Reinheldt naar eigen zeggen probeerde hoogwaardige kunstvoorwerpen aan te kopen.
Reinheldt was een van de belangrijkste kopers bij de Lippman, Rosenthal & Co. (Liro) Bank. De Joodse bank werd door de Duitsers overgenomen en joden werden gedwongen hun bezittingen in te leveren. Verder was de Liro ook verantwoordelijk voor de directe inbeslagname van Joodse bezittingen. Reinheldt heeft meer dan duizend voorwerpen van de Liro gekocht, voornamelijk schilderijen. De Joodse textielfabrikant en kunstliefhebber Jacques Hedeman uit Almelo heeft bijvoorbeeld veel van zijn bezittingen moeten inleveren bij de Liro. Hedeman had een kluis bij de Amsterdamsche Bank, die door de Liro werd opengebroken en in beslag genomen. Vervolgens werden de voorwerpen verkocht en verwierf Reinheldt een tiental schilderijen van Hedeman, waaronder twee albums met afbeeldingen van schilderijen. Reinheldt was van mening dat de Liro niet zorgvuldig met de voorwerpen zou omgaan, waardoor hij zichzelf als bewaker van deze schatten beschouwde en het hem ‘veel plezier deed’ om kunst van de roofbank te verwerven.
Verder heeft Reinheldt ook meer dan 60 kunstwerken van de kunstenares Helena Elisabeth Goudeket aangekocht, die eveneens ten prooi vielen aan de Liro. Goudeket werd op 33-jarige leeftijd in Sobibor vermoord en de door Reinheldt aangekochte kunstwerken zijn tot op heden vermist. De kunsthandelaar kocht niet alleen kunst die op onrechtmatige wijze van Joden was ontnomen, maar nam ook persoonlijk deel aan de inbeslagnames. In april 1944 kreeg Reinheldt toestemming om een kluis van de Chase National Bank in Parijs te leeghalen. De inhoud werd door de rederij Schenker naar Amsterdam verscheept, naar luitenant-kolonel Schroder. De kluis was eigendom van de Joodse familie Hamburger en hun bedrijf N.V. tot Uitoefening van den Kunsthandel. Reinheldt was dus betrokken bij het wegvoeren van 930 kg Joodse bezittingen uit Frankrijk naar Nederland.
In Amsterdam deed Reinheldt ook zaken met Kunstzaal van Pampus, kunsthandel W.J.G. van Meurs, kunsthandel J.T. de Boer en kunsthandel J.S. Fetter & Co. Volgens Reinheldt was het de directeur van Fetter & Co., Geert Drewes, die hem attent maakte op het grote aanbod van Liro. Verder handelde Reinheldt in Amsterdam ook met de kunsthandelaar A.J. Spijer & Zoon, die onder Duits bestuur stond. In Den Haag deed Reinheldt zaken met Kunstzaal Boetan en Kunstzaal d’Audretsch. In 's-Hertogenbosch, Hilversum en Arnhem was hij ook zakelijk actief, maar hij kan zich de namen niet meer herinneren. Het is ook bekend dat Reinheldt uit opdracht van anderen aankocht bij de Liro, maar dat deze objecten wel op zijn naam werden gefactureerd. Dit verklaart mogelijk het hoge aantal aankopen van Reinheldt bij de Liro. Een van deze opdrachtgevers was de bovengenoemde Geert Drewes van kunsthandel J.S. Fetter & Co.
Voor de verzending naar Duitsland maakte Reinheldt gebruik van transportbedrijf Jansen uit Arnhem. Na aankomst in Berlijn werden de in Nederland aangeschafte kunstvoorwerpen op verschillende adressen opgeslagen, onder andere aan de twee eerder genoemde winkels aan de Kurfürstenstrasse en de Lützowstrasse. Andere opslagplaatsen in Berlijn waren te vinden aan de Ulmbacherstrasse 5 en in het Nordlager Mühlenstrasse 44. Reinheldt had nog een ander depot bij professor Paul Rudolf Geipel aan de Kügelgenstraße 10 in Dresden. De kunstvoorwerpen werden onder andere verkocht aan de galerie Kunstausstellung Kühl in Dresden, aan de kunsthandelaar Bernhard A. Böhmer uit Güstrow en aan het veilinghuis Hans W. Lange in Berlijn.
Vlucht en naoorlogse periode
Toen de Engelsen in september 1944 in Arnhem arriveerden, vluchtte de familie Reinheldt naar Hanau in Duitsland. Volgens eigen zeggen moest Reinheldt de nieuw aangeschafte kunstwerken in Arnhem achterlaten en later meldde hij dat ook de in Dresden opgeslagen goederen door bombardementen waren vernietigd. Na een luchtaanval op Hanau vluchtte het echtpaar in oktober 1945 naar Gotteszell in Opper-Beieren. Reinheldts zoon Gerhard raakte gewond aan het front in het oosten en werd naar Flensburg gebracht, waar zijn ouders zijn laatste tien dagen met hem doorbrengen. Reinheldt zelf maakte ook deel uit van het leger. Hij was adjudant in het Vijfde Duitse Volkssturmbataljon. Het Volkssturmbataljon werd in oktober 1944 opgericht om de Wehrmacht te ondersteunen. Hoewel het onduidelijk is waar, wanneer en hoe Reinheldt actief was in de Volkssturm, is het moeilijk aan te nemen dat zijn rol als adjudant slechts passief of minimaal was, zoals hij het beweerde.
In september 1946 eiste kapitein Jaffé van de Netherlands Restitution Mission dat Reinheldt zou worden ondervraagd, omdat zijn activiteiten als kunsthandelaar deel uitmaakten van de ‘meer onsmakelijke aspecten van het omgaan met geroofde kunstwerken’. Op 29 november 1946 werd Reinheldt in Beieren gearresteerd en op 4 of 5 december, samen met relevante documenten, naar Berlijn overgebracht. Tijdens het onderzoek werd Reinheldt ervan beschuldigd dat hij met illegaal goud had gehandeld. De kunsthandelaar ontkende dit en zei dat hem tijdens zijn verblijf in Nederland meerdere keren goud was aangeboden, maar dat hij dit niet had aangenomen. Niettemin werd Reinheldt al in 1944 in het Derde Rijk aangeklaagd omdat hij het goud waarmee hij had gehandeld niet correct bij de Reichsbank had aangegeven. Toch werd Reinheldt in 1948 in de denazificatie procedure vrijgesproken als ‘meeloper’, wat betekent dat hem slechts een geringe schuld kon worden bewezen.
Hoewel Reinheldt in roofkunst had gehandeld, raakte hij na de oorlog betrokken bij restitutie procedures voor de Jewish Restitution Successor Organization (JRSO) in Berlijn. Veel medewerkers van de JRSO waren ballingen of teruggekeerden, die deels geen experts waren op het gebied van kunsthandel, wat het voor Reinheldt gemakkelijker maakte om zich te integreren en informatie te verstrekken. Dit is bijzonder twijfelachtig, gezien het feit dat Reinheldt op dat moment zelf in het bezit was van geroofde goederen. Na de oorlog eiste Hedeman bijvoorbeeld dat Reinheldt hem zijn twee eerder genoemde albums teruggaf. Ook na de oorlog ging Reinheldt door met handelen in Nederland. In 1955 verkocht Reinheldt, met hulp van de Haagse kunsthandel Cramer, het schilderij Willem III Prins van Oranje als kind van Adriaen Hanneman (1654) aan het Rijksmuseum. Het is onduidelijk hoe Reinheldt in het bezit kwam van het schilderij en hij reageerde ook niet op het verzoek van Cramer om meer te weten te komen over de herkomst van het schilderij.
In de jaren vijftig zocht Reinheldt contact met galeries in Amerika, mogelijk om de in Nederland verworven kunst te verkopen. In december 1952 bespreekt Reinheldt een mogelijke verkoop van verschillende objecten met de Schaeffer Gallery in New York. Opvallend is bijvoorbeeld een ‘ananaspokal’ die Reinheldt aan Schaeffer wil verkopen. De kunsthandelaar was waarschijnlijk sinds de oorlog in het bezit van een ananaspokal, die hij mogelijk zelf in Parijs in beslag had genomen toen het kluisje van de familie Hamburger werd leeggehaald. Het is onduidelijk of de verkoop ooit heeft plaatsgevonden en of het echt om de beker van de familie Hamburger gaat. Op dat moment woonde Reinheldt aan de Nürnberger Strasse 28 in Berlijn en was hij gescheiden van Charlotte. Hij verwachtte 1954 een dochter met zijn nieuwe vrouw Joanna Reinheldt.
De laatste sporen van Reinheldt zijn te vinden in de jaren 60, toen hij in 1963 het boek Beitrag zu der Forschung um “Giorgione”. Ist das Gemälde “Die Bedrängte” alias “Adultera” identisch mit “una nocte” gepubliceerde. Verder vroeg Reinheldt 1969 een verblijfsvergunning aan om een tentoonstelling te organiseren voor de 100e verjaardag van zijn ex-schoonvader August Gaul. Het is onduidelijk wanneer de kunsthandel is gesloten. De ruim meer dan duizend kunstwerken die Reinheldt in Nederland heeft verworven, worden op enkele uitzonderingen na nog steeds vermist.
Archieven
- Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD), Amsterdam. Archief 281, inv. nr. 205, Stukken betreffende het aankopen van geroofd Nederlands kunstbezit door Curt Reinheldt, kunsthandelaar te Berlijn-Dresden, 1943–1944.
- Landesarchiv Berlin. Personenakte Curt Reinheldt. A Rep. 243‑04, inv. nr. 7085.
- National Archives and Records Administration (NARA). Restitution Research Records, compiled 1945–1950. Reinheldt, Curt. Brief, z.d., pp. 11–15. Catalog ID 3725274. Beschikbaar via Fold3.
Kunsthandel Ween & Klepman
Samuel Ween en Joseph Klepman
Kunsthandel Ween en Klepman werd in 1912 opgericht door Joseph L. Klepman (1876-1936) en Samuel A. Ween (?-1921) en vestigde zich op Rokin 16, Amsterdam. Samuel A. Ween overleed in 1921, waarna Joseph L. Klepman de zaak alleen voortzette. In 1936 kwam hij ook te overlijden, waarna zijn broer, Salomon Klepman (1875-1942) de zaak overnam. Hij runde de zaak vanaf dit moment met zijn zoon, die ook Joseph Klepman (1917-1943) heette. De kunsthandel specialiseerde zich in objects d’art en d‘ameublement. Joseph Klepman trouwde in december 1941 met Theda Gossels. Salomon Klepman was getrouwd met Rebecca Klepman-Klepman. Voor zowel Joseph en Theda als Salomon en Rebecca was Oosteinde 10 Amsterdam het laatste bekende geregistreerde adres.
De kunsthandel tijdens de bezetting
In november 1940 werd de kunsthandel overgenomen door Handelsmaatschappij Belfort N.V. Belfort N.V. werd in 1938 opgericht door Jan Hendrik Wallien. Wallien was oorspronkelijk accountant, maar opende in de beginjaren van de bezetting ruim 45 naamloze vennootschappen waarmee hij verschillende (Joodse) bedrijven overnam. Hij zette de kunsthandel voort onder de originele naam Ween en Klepman en bleef gevestigd op Rokin 16. Peter Hubert Schieffer werd vanaf toen directeur van de kunsthandel. Over de werkwijze van de handel na 1940 is weinig informatie bekend. Zo is het ook niet bekend wat voor objecten verkocht werden bij de kunsthandel en of dit ook Joods bezit betrof. Wel is bekend dat de kunsthandel samenwerkte met Kunsthandel Goudstikker.
De familie Klepman tijdens de bezetting
Op 9 april 1942 overleed Salomon Klepman in Amsterdam aan ouderdom. Voor zowel Joseph en Theda als Salomon en Rebecca was Oosteinde 10 Amsterdam het laatste bekende geregistreerde adres, maar waarschijnlijk hebben ze ergens onder gedoken gezeten tijdens de bezettingsjaren. In september 1942 werd Joseph Klepman opgeroepen voor tewerkstelling bij Nederlandse Heide Maatschappij in de Amsterdamse Westhaven. Na de oorlog verklaarde Wilhelmina Cornelia Berghot dat Joseph hier ook enige tijd heeft ondergedoken, maar hiervoor zijn geen verdere bewijzen. Rebecca Klepman-Klepman werd op 11 januari 1943 via Westerbork getransporteerd naar Auschwitz. Drie dagen later, op 14 januari, werd haar dood geregistreerd. De doodsoorzaak is niet bekend. Joseph Klepman en Theda Klepman-Gossels werden in december 1942 opgepakt en vastgezet in het Oranjehotel in Scheveningen. In december 1942 of januari 1943 werden ze overgeplaatst naar Kamp Westerbork, waarna ze op 11 januari 1943 naar Auschwitz werden getransporteerd. Hier werden ze beiden op 30 april 1943 vermoord.
Na het aflopen van de oorlog werd bij Bureau Bijzondere Rechtspleging een dossier voor Belfort N.V. opgemaakt en werd Jan Hendrik Wallien onderzocht op collaboratie. Hij werd op 23 september 1947 onvoorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Volgens Bijzondere Rechtspleging had Wallien niet gecollaboreerd, maar wel financieel verdiend aan de overgenomen Joodse bedrijven.
Archieven
- Arolsen Archives. Persoonskaart persoon 5150238 Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Arolsen Archives. Persoonsdossier Joseph Klepman (persoon 130319947). Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Arolsen Archives. Persoonsdossier Theda Gossels (persoon 5150238). Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
- Nationaal Archief, Den Haag. Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), nummer toegang 2.09.09, inventarisnummer 86680 (dossier 82689).
- Nationaal Archief, Den Haag. Nederlandse Beheersinstituut (NBI): [Beheersdossiers, nummer toegang 2.09.16.08, inventarisnummer 102000.
- Stadsarchief Amsterdam. Archief van de Gemeentelijke Sociale Dienst en rechtsvoorgangers, nummer toegang 5256. Geraadpleegd op 27 oktober 2025.
Literatuur
- J. F. Heijbroek en A. Th. P. van Griensven. Kunst, kennis en kwaliteit: De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1911–heden. Zwolle: Waanders, 2007.
Kunsthandel Pieter Zwaal
Oprichting en activiteiten voor de bezetting
Pieter Zwaal was een Nederlandse kunstinkoper en kunsthandelaar die vooral actief was in Amsterdam. Pieter Zwaal handelde vooral op eigen titel, maar werkte ook in zijn eigen kunsthandel, Kunsthandel Pieter Zwaal en bij Kunsthandel Stodel. Zwaal kwam uit een familie die actief was op de Nederlandse kunstmarkt. Zijn oom Christiaan Wilhelm Lodewijk Zwaal en zijn neven Paul Zwaal en Christiaan Wilhelm Lodewijk Zwaal Jr. waren ook actief als taxateurs en handelaren. Zwaal woonde eerst op de Marnixstraat 415 en daarna op Singel 322. In de jaren voor de Nederlandse bezetting reisde Zwaal veel door Europa en trad hij op als inkoper voor verschillende kunsthandels. Hij deed vooral zaken in Duitsland. Zwaal was dan ook lid van de Deutsche Handelskammer für die Niederlande en had veel Duitse zakenpartners.
Tijdens de bezetting
Toen tijdens de bezetting veel Joodse kunsthandels werden gesloten, werd er volgens Zwaal meerdere keren aan hem gevraagd of hij de leiding van deze bedrijven over wilde nemen. Hij zou dit hebben geweigerd. Dit waren onder andere Kunsthandel Alberge en Kunsthandel Van Mossel. Beide zaken werden vervolgens onder beheer van Friedrich Markus Huebner gesteld. Ook zou het Zwaal zijn aangeboden om directeur te worden van Kunsthandel Goudstikker, nadat de handelsvoorraad was opgekocht door Alois Miedl na de dood van Jacques Goudstikker. Ook dit zou hij hebben geweigerd, waarna Miedl zelf directeur werd. Voor deze beide uitspraken is, buiten de verklaring van Zwaal, geen verder bewijs.
Over de verkoopwerkzaamheden van Zwaal tijdens de bezetting is niet veel bekend. Hij hield tot 1942 geen boekhouding of archief bij en deed dit hierna slechts in geringe mate. Het is wel bekend dat Zwaal tijdens de bezetting actief bleef als inkoper en verkoper voor de eerder genoemde Kunsthandel Stodel. Deze kunsthandel stond inmiddels onder Verwaltung van Josef Kalb. Naar eigen zeggen verkocht Zwaal in samenwerking met Kunsthandel Stodel voor 157.490 gulden aan zijn Duitse klanten, waarvoor hij 26.937 gulden provisie kreeg. Op eigen naam verhandelde Zwaal nog voor ruim 140.000 gulden aan Duitse kopers. Waar de door Zwaal verkochte objecten vandaan kwamen is onbekend. Ook is dus niet bekend of hier Joods bezit tussen zat. Van een groot deel van de objecten is ook niet bekend waar de objecten zich op dit moment bevinden. Drie belangrijke Duitse klanten waren De Reichskammer der Bildende Künste, Kunsthandel Lempertz en Antiquariaat Joseph Fach. Het transport van de objecten naar Duitsland werd vrijwel altijd gedaan door de firma Neumann en Vettin.
Zwaal was ook actief als taxateur. Een van de veilingen waar hij taxaties uitvoerde, was de veiling van de Joodse collectie Von Marx-May die plaatsvond op 14 tot 17 oktober en 2 tot 5 december 1941 bij Veilinghuis Frederik Muller & Co. Tegenwoordig wordt deze veiling gezien als direct gevolg van de antisemitische maatregelen. Inmiddels zijn een aantal schilderijen uit deze collectie gerestitueerd. Daarnaast zou Zwaal ook taxaties hebben uitgevoerd in meerdere koninklijke paleizen, waarna objecten uit deze collecties zijn verkocht.
Na de bezetting werd Zwaal verdacht van collaboratie, maar hij werd in december 1946 buiten vervolging geplaatst vanwege gebrek aan bewijs.
Makelaar en kunstveiling Paul J. Zwaal
De neef van Pieter Zwaal, Paul Zwaal, was zoals eerder genoemd ook actief op de kunstmarkt in Nederland. Over hem is overigens erg weinig informatie bekend. Het is bekend dat hij verschillende veilingen heeft gehouden en ook een eigen veilinghuis had, genaamd Paul J. Zwaal & Co. Hij heeft onder andere samengewerkt met veilinghouder Paul Brandt. De vader en broer van Paul, beiden genaamd Christiaan Wilhelm Lodewijk Zwaal, waren ook actief als veilinghouder en het is bekend dat zij tijdens de bezetting objecten hebben geveild en aangekocht. Het is niet bekend of dit Joodse goederen waren of reguliere handel.
Paul Zwaal heeft ook tientallen objecten aangekocht bij Veilinghuis S.J. Mak van Waay. Zo kocht hij bij Veiling 72 van 18 mei 1943 voor meer dan 20.000 gulden aan objecten en op een latere veiling nog voor 17.000 gulden. Onbekend is of Zwaal dit aankocht voor zijn eigen handel, of werkzaam was uit opdracht voor iemand anders.
Archieven
- Nationaal Archief (Den Haag), Nederlandse Beheersinstituut (NBI), Beheersdossiers, toegangsnummer 2.09.16.17, inventarisnummer 199708 (Zwaal, P., Amsterdam).
Volledige lijst
Een lijst met Joodse en niet Joodse kunsthandelaren die actief waren in de periode 1933-1945:
Dit artikel is mede geschreven voor Lynn van Zijl en Luisa Kleiser.
Zie ook
Artikelen- Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - Collecting Points en vindplaatsen
- Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - verzamelaars
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 28 mrt 2026 om 04:01.