Cultuurhistorisch onderzoek bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving

Introductie[bewerken]

Met cultuurhistorisch onderzoek wordt cultureel erfgoed geïnventariseerd en gewaardeerd. Met cultuurhistorisch onderzoek in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, kan het cultureel erfgoed binnen een plangebied in kaart worden gebracht. In dit artikel leest u welke factoren bepalend zijn voor de kwaliteit van een cultuurhistorisch onderzoek, en hoe u daar als opdrachtgever de regie over kunt voeren.

Het artikel is bedoeld voor opdrachtgevers van cultuurhistorisch onderzoek, zoals gemeenten, provincies en waterschappen. Ook burgers en historische verenigingen die betrokken zijn bij beleid en ontwikkelingen kunnen deze informatie inzetten.

Rekening houden met cultureel erfgoed

Bij (ruimtelijke) ontwikkeling van de fysieke leefomgeving spelen verschillende belangen, zoals wonen, werken, infrastructuur en milieu. Volgens de Omgevingswet moeten overheden in hun beleid voor de fysieke leefomgeving alle relevante belangen afwegen. Ook het behoud van cultureel erfgoed hoort daarbij. Cultureel erfgoed maakt onze geschiedenis tastbaar en bepaalt mede de identiteit van een plek of gebied. Cultureel erfgoed biedt aanknopingspunten voor toekomstige planvorming en mogelijkheden voor ‘behoud door ontwikkeling’. Een instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht gemeenten om bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het doel van deze instructieregel is om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het in het desbetreffende gebied aanwezige cultureel erfgoed en dit voldoende te beschermen. Het belang moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Dat betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Ook bij het opstellen van een masterplan of milieueffectrapportage (MER) is cultuurhistorisch onderzoek van belang.

Om het cultureel erfgoed binnen een plangebied in kaart te brengen en hier waarde aan toe te kennen wordt vaak gewerkt met bestaande lijsten van waardevol cultureel erfgoed. Bijvoorbeeld beschermde gebouwen of bekende waardevolle archeologische terreinen. Bestaande gegevens of lijsten voldoen doorgaans niet om al het beschermingswaardige cultureel erfgoed in kaart te brengen. Met goed uitgevoerd cultuurhistorisch onderzoek kan al het cultureel erfgoed geïnventariseerd én gewaardeerd worden.

Maatschappelijke waarde en participatie

Cultureel erfgoed is niet alleen fysiek van waarde. Het verhaal dat erover wordt verteld en de betekenis die daaraan wordt toegekend, zijn medebepalend voor de cultuurhistorische waarde. Denk aan de geschiedenis van Slot Loevestein, met de spectaculaire ontsnapping van Hugo de Groot. Of aan de Noordoostpolder als wederopbouwgebied. Ook het (voortgezet) gebruik van cultureel erfgoed doet ertoe, want leegstand luidt vaak verval in, zoals de villa Vechthoeve in Muiden die tegenwoordig deel uitmaakt van een zorgcentrum en de moeite (ook in geld) die ervoor wordt gedaan. Deze vier invalshoeken – betekenis, verhaal, (her)gebruik en investeringen – geven samen een beeld van de maatschappelijke waarde van het cultureel erfgoed. Het verdrag van Granada verplicht bovendien tot het betrekken van culturele instellingen, verenigingen en het publiek bij besluitvorming over beschermingswaardig cultureel erfgoed. Het kan dus van meerwaarde zijn de lokale samenleving ook al te betrekken bij het cultuurhistorisch onderzoek, bijvoorbeeld via publieksparticipatie.

Interdisciplinair onderzoek

Bij het uitvoeren van cultuurhistorisch onderzoek is een interdisciplinaire benadering noodzakelijk. Cultuurhistorisch onderzoek in het kader van de fysieke leefomgeving richt zich op de aanwezigheid, aard, betekenis en waarde van:

  1. (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten: terreinen met in of op de bodem bewaarde overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden;
  2. monumenten: historische gebouwen en andere bouwwerken (gebouwde monumenten), en erven, tuinen en parken (aangelegde monumenten);
  3. stads- en dorpsgezichten: stedenbouwkundige structuren;
  4. cultuurlandschap: historisch landschap waarin de wisselwerking tussen mens en maatschappij en de fysieke leefomgeving terug te zien is;
  5. roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen) en immaterieel cultureel erfgoed, voor zover dit in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden is.

Deze vijf elementen van cultureel erfgoed kunnen overlappen. Onder een negentiende-eeuwse kerk kunnen bijvoorbeeld resten liggen van een romaanse voorloper. En het onderscheid tussen een park aangelegd in een bepaalde stijl en een cultuurlandschap dat is ontstaan door gebruik van generatie op generatie, is niet altijd duidelijk. Objecten en (landschaps)elementen zijn niet los van elkaar te zien. Ze moeten beschouwd worden in samenhang met nabijgelegen cultureel erfgoed en in samenhang met de niet-monumentale omgeving. Denk bijvoorbeeld aan een karakteristieke watertoren, die door de hoogte en typische vorm identiteit verleent aan een plaats of landschap. Wanneer er in de buurt hoge bebouwing komt te staan dan valt dat effect gedeeltelijk weg. En een windmolen kan niet draaien wanneer deze in de luwte ligt van nieuwe bebouwing of hoge beplanting. En bij een molen speelt bijvoorbeeld ook het immateriële aspect van het molenaarschap. Roerende zaken kunnen via een historische locatie medebepalend zijn voor de beleving van een plek, zoals een oude haven met historische schepen.

Aspecten van cultuurhistorisch onderzoek

Bij een interdisciplinaire benadering worden meerdere aspecten onderzocht. Welke aspecten dat zijn, is afhankelijk van de onderzoeksvraag. Binnen het cultuurhistorisch onderzoek kunnen de volgende aspecten aan de orde komen:

  • Bij het aspect archeologie worden de overblijfselen, voorwerpen en andere sporen van oude culturen bestudeerd om het verleden te kunnen reconstrueren en duiden. Het onderzoek richt zich op deze resten en de context waarin zij worden aangetroffen. Bij bijvoorbeeld het aanleggen van een mestkelder, tunnel of nieuwbouwwijk kan onderzoek vooraf de archeologische waarde van de locatie in kaart brengen.
  • Bij het aspect architectuurhistorie wordt gekeken naar de architectonische verschijningsvorm in samenhang met onder andere de omgeving, de vormgeving, het toegepaste materiaal en de constructie. Dit kan van belang zijn bij wijziging, restauratie of herbestemming van monumenten. Denk bij een kerk bijvoorbeeld aan de licht- en ruimtewerking en de soms sterke samenhang tussen in- en exterieur.
  • Het aspect bouwhistorie richt zich op het gebouwde erfgoed en levert informatie over de bouwgeschiedenis, bouwmethode, etc. Bouwsporen of toegepaste materialen worden geïnterpreteerd om een beter beeld te krijgen van de historische gelaagdheid van een gebouw. Het onderzoek naar de bouw- en gebruiksgeschiedenis kan de opmaat vormen voor de waardering en geeft inzicht in de eventuele ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld een kasteelruïne als openluchttheater.
  • Het bouwkundige aspect is gericht op de technische kwaliteit/bouwkundige staat van het pand. Voor besluiten over behoud, herstel en/of hergebruik van een object is het belangrijk te weten hoe het is geconstrueerd en in welke technische staat het verkeert. Denk bijvoorbeeld aan een historische boerderij waarvan de deel geschikt gemaakt wordt voor bewoning en er een extra verdiepingsvloer gerealiseerd wordt. Dit kan van invloed zijn op de bestaande constructie.
  • Bij het aspect tuinhistorie wordt inzicht gegeven in de geschiedenis van een tuin of park en de waarde die het heeft. Zo kan een dreigende verstoring van de oorspronkelijke zichtlijn van een buitenplaats aanleiding zijn om geplande nieuwbouw op een andere plek te realiseren.
  • Stedenbouwkundig historisch onderzoek geeft inzicht in de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van de infrastructuur, zoals land- en waterwegen, dijken en spoorlijnen, in een bepaald gebied (zowel landelijk als stedelijk) en plaatst de architectuur daarin in een grotere context. Onderzoek naar een bijzondere stedenbouwkundige structuur, zoals Berlages strak geregisseerde Plan Zuid uit de jaren twintig van de vorige eeuw in Amsterdam, valt hier ook onder. Dit kan leiden tot beleid voor de omgang met bijvoorbeeld straatprofielen.
  • Het aspect historische geografie verschaft inzicht in de historische landschapsontwikkeling van een specifiek gebied. Onderzoek naar het cultuurlandschap brengt zichtbare en minder zichtbare historische verkavelingspatronen, waterlopen en dijken in kaart. Voorbeelden hiervan zijn de Atlas Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Atlas van de wederopbouw in Nederland 1940-1965, de gebiedsbiografie en de stadsgenese.

Uit het cultuurhistorisch onderzoek volgt een rapport. Dat geeft overzicht en wanneer nodig een waardering van het cultureel erfgoed, en de manier waarop dit kan worden veiliggesteld. Daarnaast kan het rapport een ontwikkelingsperspectief schetsen, of randvoorwaarden opstellen voor behoud en bescherming.

Het onderzoek kan als basis dienen bij planvorming voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Cultureel erfgoed draagt bij aan de kwaliteit van onze leefomgeving, omdat mensen er identiteit aan ontlenen; mensen voelen zich verbonden met een plek. Door cultureel erfgoed in te zetten als drager bij (ruimtelijke) ontwikkelingen kan het extra kwaliteit toevoegen.

Kwaliteit van het onderzoek

De opdrachtgever kan invloed uitoefenen op de kwaliteit van het cultuurhistorisch onderzoek. Door helder te hebben wat het doel is van het onderzoek en wat daarvoor nodig is, houdt deze de regie. Voor die kwaliteit zijn zes factoren van belang:

1. Het onderzoek is maatwerk

Het onderzoek is maatwerk; het sluit aan bij de aard en schaal van het gebied en vooral bij de opgave. Voor het opstellen van een omgevingsvisie is ander cultuurhistorisch onderzoek nodig dan voor een omgevingsplan of een omgevingsvergunning. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij kleine wijzigingen van het omgevingsplan zal het cultuurhistorisch onderzoek bescheiden zijn en kan de gemeente uit de voeten met de eigen data en kennis. Gaat het om een groter gebied dan is uitgebreider onderzoek nodig. Daarvoor is het inschakelen van externe partijen vaak een must. Het is altijd verstandig zo vroeg mogelijk in de beleidsvorming cultuurhistorisch onderzoek te doen, dus al in de voorbereiding op een omgevingsvisie, masterplan of milieueffectrapport. Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan de betrokken overheid dan profiteren van het eerdere onderzoek op een hoger schaalniveau, en zo nodig aanvullend gedetailleerder onderzoek instellen.

2. Het onderzoek is goed afgebakend

Het onderzoek is goed afgebakend; het is gebaseerd op een goede omschrijving van de opdracht. Een goed cultuurhistorisch onderzoek begint met een duidelijke omschrijving van de opdracht. Deze bevat basisgegevens, zoals opdrachtgever, achtergrond van de vraag (bijvoorbeeld onderzoek ter voorbereiding van een omgevingsvisie, (wijziging van een) omgevingsplan, omgevingsvergunning), het (plan)gebied en de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, relevante documenten, de toegankelijkheid van gebied en gebouwen, de betrokken partijen en een globaal beeld van hun opvattingen en kennis van cultureel erfgoed, de fasering van het onderzoek: (eventuele tussenrapportages, eindverslag), de begeleiding en toetsing en de publicatie(rechten). Daarnaast is de onderzoeksvraag duidelijk beschreven. Hierbij kunnen de volgende aspecten aan bod komen:

  • Het doel van het onderzoek: bijvoorbeeld in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag, een milieueffectrapport of bij de voorbereiding van een omgevingsplan;
  • De gewenste diepgang;
  • De benodigde informatie om het rapport direct te kunnen vertalen in beleid;
  • De betrokken onderzoeksdisciplines;
  • De te gebruiken bronnen (bijvoorbeeld omgeving, terrein, gebouw, literatuur, archieven, interviews);
  • De aard van de documentatie: primaire en/of secundaire bronnen;
  • De methodiek van literatuuronderzoek tot veldwerk;
  • De gewenste participatie van burgers;
  • De soort afbeeldingen en de verslaglegging;
  • De wenselijkheid van een wetenschappelijke en/of publiekspublicatie.

De eisen die aan het onderzoek worden gesteld, kunnen het best formeel in een document worden vastgelegd. Zo is duidelijk hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, waarvoor het bedoeld is en wat het moet opleveren. Deze transparantie draagt bij aan het onafhankelijke karakter van het onderzoek. Op basis van dit document kunt u een begroting maken en offertes vragen.

3. Samenwerking met collega’s

Samenwerking tussen collega’s met diverse specialismen en eventueel met een externe partij komt de kwaliteit van het onderzoek ten goede. Het helpt om de onderzoeksvraag scherp te krijgen. De opdracht samen formuleren verkleint de kans relevante zaken te vergeten. Daarnaast creëer je zo medestanders en worden de onderzoeken en de resultaten gesteund door de organisatie.

4. Publieksparticipatie

Participatie van maatschappelijke organisaties en burgers kan het onderzoek op verschillende manieren verrijken. Bewoners zijn vaak goed op de hoogte van het cultureel erfgoed in hun omgeving. Er is een schat aan kennis en expertise binnen de vele historische verenigingen die Nederland telt. Hun inbreng kan een waardevolle aanvulling zijn. En misschien heeft het ‘publiek’ een heel andere kijk op de waardering van cultureel erfgoed. Het is goed om wetenschappers en publiek in samenspraak te laten opereren.

Interactie met bewoners kan hen ook bewust kan maken van cultureel erfgoed in de eigen buurt en betrokkenheid vergroten. Bewoners en andere belanghebbenden krijgen daarnaast de kans om hun wensen kenbaar te maken. Wat willen zij in de fysieke leefomgeving beschermd, versterkt of uitgebouwd zien? Wat zien zij als belangrijke plaatsen van herinnering? In welke vorm kan cultureel erfgoed van betekenis zijn in de (ruimtelijke) ontwikkeling van een gebied?

Of burgers en ander geïnteresseerden betrokken worden bij cultuurhistorisch onderzoek zelf en hoe dat gebeurt, is in zekere zin vrij. Het verdrag van Granada verplicht echter wel tot het voorzien in structuren voor informatie, overleg en samenwerking in elk stadium van de besluitvorming over – onder meer – het vaststellen (lees: inventariseren en analyseren) van architectonisch erfgoed (waaronder overigens niet alleen gebouwde monumenten worden verstaan). Dit betekent dat enige vorm van betrokkenheid van burgers bij de vraag wat er in een gebied aan cultureel erfgoed aanwezig of te verwachten is, wel moet worden geborgd. Burgerparticipatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden in door de overheid georganiseerde overleggen of burgerpanels, digitale enquêtes of de burger kan zelf in actie komen door bijvoorbeeld een zienswijze in te dienen. Er zal ook een keuze gemaakt moeten worden over de wijze waarop samenwerking tussen de overheden, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties, ieder met een gelijkwaardige positie.

Het samen met experts bepalen wat van belang is om te behouden voor de toekomst kan een optie zijn. Een gebiedsbiografie is dan een goede methode om vorm te geven aan participatie in het domein van de fysieke leefomgeving. Faro in de praktijk biedt eveneens inspirerende voorbeelden van publieksparticipatie.

5. Wetenschappelijke aanpak

Cultuurhistorisch onderzoek bij (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving heeft een praktisch doel: het biedt de grondslag voor een goede belangenafweging bij het ontwikkelen van beleid en het nemen van beslissingen. Het in kaart brengen van cultureel erfgoed vereist studie van uiteenlopende bronnen, zoals kaarten, vondsten, foto’s en documenten. Die zijn vrijwel nooit gemaakt met het oog op historisch onderzoek of gebruik voor dit doel en moeten onderling zorgvuldig worden vergeleken en op betrouwbaarheid beoordeeld. Ook het doen van veldonderzoek en het afnemen van interviews vergen specifieke kennis en kunde.

Cultuurhistorisch onderzoek moet dan ook voldoen aan bepaalde, in de wetenschap gehanteerde eisen die betrekking hebben op het verzamelen, analyseren en presenteren van onderzoeksgegevens. Het onderzoek kan in tien stappen worden samengevat:

  1. Afbakening van het onderzoeksgebied;
  2. Omschrijving van de onderzoeksvraag (de opgave);
  3. Opstellen van een onderzoeksplan;
  4. Verzamelen van informatie via bronnen- en literatuuronderzoek, interviews en/of veldwerk;
  5. Analyseren van de verzamelde informatie;
  6. Opstellen van een complete, samenhangende en verklarende beschrijving van het bekende en te verwachten cultureel erfgoed (in tekst, beeld en kaart);
  7. Een waardering van het cultureel erfgoed (cultuurhistorische waardestelling);
  8. Eventueel: met een advies over de selectie, het behoud/beheer en/of de omgang met cultureel erfgoed bij toekomstige ontwikkelingen;
  9. Opstellen van een toegankelijk geschreven onderzoeksrapport met kaarten en eventueel een publieksversie;
  10. Openbaar maken van de verzamelde gegevens in bijvoorbeeld online databases en GIS-systemen, en beschikbaar stellen van de vervaardigde kaarten en het rapport, bijvoorbeeld op de website van de gemeente. Meestal wordt het resultaat verwerkt in een omgevingsvisie, een milieueffectrapportage of een omgevingsplan. Of het wordt als bijlage bij de toelichting gevoegd. Openbaarheid is dan geregeld bij de formele publicatie van deze documenten in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

6. Bruikbaar en toepasbaar

Cultuurhistorisch onderzoek moet voor alle betrokkenen en belanghebbenden een toegevoegde waarde hebben. Het onderzoeksrapport kent een wetenschappelijke grondslag, maar is zo geschreven dat het voor iedereen leesbaar en bruikbaar is. Bij de opdrachtformulering kunt u eisen stellen ten aanzien van de leesbaarheid, controle-momenten instellen, enzovoort. En het geeft de burgers de mogelijkheid op te komen voor hun belangen bij het inspreken op een omgevingsvisie of omgevingsplan. Een bruikbaar en toepasbaar onderzoek begint bij een goede opdracht. De opdrachtgever moet eerst het eindbeeld schetsen (waar wil ik naar toe met het onderzoek, wat wil ik bereiken) en vervolgens ook bedenken wat daarvoor nodig is. Als het onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van een (te wijzigen) omgevingsplan, dan kan de opdrachtgever aan de onderzoeker verzoeken voorbeeldregels aan te reiken die direct opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan.

Het is verstandig tijdig ontwerpers en planvormers te betrekken die straks met de resultaten van het onderzoek aan de slag gaan, of betrokken worden bij bijvoorbeeld een vooroverleg of omgevingstafel. Architecten, stedenbouwkundigen, archeologen en landschapsarchitecten kunnen behulpzaam zijn bij het op inspirerende wijze verbeelden van het in het gebied aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed en dit te vertalen naar uitgangspunten voor beleid, beheer en ontwerp. Zo krijgt het cultureel erfgoed een stevige plek in de diverse visies, plannen en programma’s.

Bronnen en kaarten Vanzelfsprekend kunnen bibliotheken en lokale of landelijke archieven informatie bevatten die relevant is voor het onderzoek. Het beschermde erfgoed op (inter)nationaal niveau waar rekening mee gehouden moet worden is terug te vinden in de Omgevingsvisie (NOVI). Daarnaast is veel cultuurhistorische kennis ontsloten in online databanken en GIS-applicaties. Specifiek voor het domein van de fysieke leefomgeving heeft biedt de RCE een van bronnen en kaarten met daarin informatie over archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.

Aandachtspunten voor de opdrachtgever

Om de kwaliteit en bruikbaarheid van een cultuurhistorisch onderzoek te beoordelen, kan de opdrachtgever op de volgende zaken letten.

  • De kwaliteit van het onderzoek is afhankelijk van de kennis en expertise van de onderzoeker(s). Een cv geeft informatie over opleiding, werkervaring, publicaties en referenties. Ook lidmaatschap van een beroepsvereniging biedt houvast.
  • Het cultuurhistorisch onderzoek is afhankelijk van de onderzoeksvraag multidisciplinair en wordt bij voorkeur uitgevoerd door een groep van samenwerkende onderzoekers uit de archeologie, architectuurhistorie, historische bouwkunde, bouw- en tuinhistorie en historische geografie, eventueel aangevuld met landschapsarchitectuur, stedenbouwkunde en architectuur.
  • Het gebruik van primaire bronnen en secundaire literatuur (omvang, diepgang) is bepalend voor de kwaliteit van het onderzoek. Het is belangrijk verschillende onderzoeksplannen of offertes hierop te vergelijken.
  • Laat het conceptresultaat toetsen door externe deskundigen. Een gekwalificeerde en onafhankelijke begeleidings- of klankbordgroep, zoals de gemeentelijke adviescommissie (voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving), kan hierbij een belangrijke rol spelen.
  • Bedenk tijdig of het noodzakelijk of wenselijk is publieksparticipatie mee te nemen in het onderzoek. Het is beter hier vooraf tijd aan te besteden dan achteraf onderzoeksresultaten te hebben die niet gedragen worden.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

    Hoort bij deze thema's

      Specialist(en)


        Reageren
        U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

        Wilt u ons helpen?
        De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
        Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

        Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 18 aug 2022 om 03:01.