Dick Pouderoyen en de Nijmeegse Benedenstad


Introductie

Naar eigen zeggen heeft hij in de Benedenstad niet alle kansen benut die er waren. Toch heeft Dick Pouderoyen voor zijn werk in de Nijmeegse stadsvernieuwingsbuurt een prestigieuze architectuurprijs gewonnen en hebben meerdere buitenlandse architecten en geïnteresseerden een bezoek gebracht aan dit project. Het werk van Pouderoyen en de stadsvernieuwing in de Nijmeegse Benedenstad zijn typisch voor de ontwikkelingen die zich in de jaren 1970 en 1980 in ons land voortdeden. Meerdere auteurs hebben in de bredere context van stadsvernieuwing al over dit project geschreven . Hierbij is echter het perspectief van de architect van dit gebied onderbelicht gebleven. Om een beter beeld te krijgen van de bijdrage van Dick Pouderoyen aan dit project, heeft stagiair Stijn Ingenpass hem in zijn woonhuis in Nijmegen mogen interviewen.

Dick Pouderoyen studeerde in 1971 af aan de TH Delft als bouwkundig ingenieur. Zijn eerste werkplek was bij architectenbureau Deur en Pouderoyen, dat in 1959 mede door zijn vader Cees Pouderoyen was opgericht. Via dit bureau raakte hij betrokken bij het nieuwbouwproject in de Benedenstad. Nijmegen was niet de enige stad waar Pouderoyen sociale huurwoningen ontwierp. In dezelfde jaren ontwikkelde hij een plan voor de Kattehavenstraat in Zutphen, en later werkte hij in het Oude Centrum van Den Haag aan de renovatie van historische panden en de bouw van nieuwe woningen. Hij deed dit in opdracht van de bekende wethouder Adri Duivesteijn, die hem na zijn project in de Nijmeegse Benedenstad naar Den Haag had gehaald.
Foto waarop vervallen een vervallen huis en een aantal daken te zien zijn aan de Smidstraat in de Benedenstad van Nijmegen in 1967
Afb. 1. Vervallen huizen aan de Smidstraat in de Benedenstad uit 1967 (Beeldbank RCE).
Foto van een kaart van de Oostelijke Benedenstad, waarin het nieuwe ontwerp van Ingenieur Fokkinga te zien is. Op deze kaart is het oorspronkelijke Middeleeuwse stratenpatroon vervangen door rechte straten met huizenblokken.
Afb. 2. Het plan dat Ir. Fokkinga ontwierp voor de nieuwe Benedenstad. Op de kaart is alleen het Oostelijke (en meest gesloopte) gedeelte van de Benedenstad te zien (Beeldbank RCE).
Op de foto is een braakliggend terrein in de Benedenstad te zien, dat is veroorzaakt door de sloop van de panden zonder dat er is herbouwd. Op het braakliggend terrein staan auto's geparkeerd.
Afb. 3. Doordat in de Benedenstad werd gesloopt maar niet herbouwd, veranderde het gebied in een braakliggend terrein dat lange tijd gebruikt werd als parkeerplaats (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen).
Dit is een luchtfoto waarop het gebied van de Nijmeegse Benedenstad te zien is. Hierop zie je hoe het gebied waar eerst panden stonden, veranderd is in parkeerplaatsen.
Afb. 4. Een groot deel van de Benedenstad is veranderd in parkeergelegenheid (Foto van J.F.M. Trum).
Op deze foto zijn twee rijen te zien waar een aantal mannen zitten in een ruimte. Aan de ene rij zitten de leden van de kamercommissies van het C.R.M. en Ruimtelijke Ordening. Staatssecretaris Schaeffer zit ook in deze rij. Aan de andere rij zitten de leden van het buurtcomité van de Benedenstad.
Afb. 5. Bezoek van de kamercommissies van C.R.M. en Ruimtelijke Ordening aan het buurtcomité van de Benedenstad; derde van links is staatssecretaris Schaeffer (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen).
Op deze foto is de Grote Straat van de Benedenstad te zien. De gevels zijn gekenmerkt door het reliëf en door de kleurverschillen. Het reliëf wordt veroorzaakt door teruggetrokken kozijnen en erkers die zijn toegevoegd. Op de foto is te zien dat de deuren en erkers van de huizen zijn voorzien van verschillende kleuren.
Afb. 6. De Grote Straat in de Benedenstad was vroeger het hart van het gebied. Er is geprobeerd om de variërende gevels van vroeger terug te brengen in het gevelreliëf en de kleurverschillen (Foto van Jos Stöver).
Op deze foto is de Spinthuisplaats te zien. Dat is een van de vele hofjes in de Benedenstad, waarin veel groen is aangelegd. Er staan geparkeerde auto's met een parkje ernaast. Op de achtergrond zijn de ontworpen huizen van Poudeoryen te zien.
Afb. 7. De Spinthuisplaats is een van de vele groene hofjes van de Benedenstad. (Foto van Jos Stöver).

De Nijmeegse Benedenstad

Van Bloei naar verval

Tussen de Waal en het hogere gedeelte van Nijmegen ligt de ‘Onderstad’ of ‘Benedenstad’. Het gebied is gelegen op vijf heuvels met flinke hoogteverschillen. Het gebied kent een lange geschiedenis waarin een periode van bloei werd gevolgd door neergang en verval. Zo was de Benedenstad in de late middeleeuwen een belangrijke plek voor handel en nijverheid. Het gebied vormde de schakel tussen de haven aan de Waalkade en de Grote Markt in het centrum van de stad. Via de gierpont kwamen de mensen vanuit de noordelijke gebieden via de Benedenstad Nijmegen binnen. In deze periode verrezen er monumentale patriciërswoningen, kerken, kloosters en handelshuizen. Tijdens deze periode ontstond ook een kronkelend stratenpatroon waarbij de huizen dicht op elkaar stonden.

Het verval van de Benedenstad begon in 1875, toen Nijmegen buiten haar vestingmuren trad en veel rijke burgers verhuisden naar de nieuw aangelegde singels buiten de oude stad. De genadeklap vormde de aanleg van de Waalbrug in 1936, die de noordelijke gebieden direct verbond met de nieuwe singels. De Benedenstad kon voortaan worden overgeslagen en ging economisch en cultureel snel achteruit. De verhuizing van de gegoede burgers en het economische verval zorgden voor een sociaal-culturele verandering in de Benedenstad. In de oude patriciërswoningen kwamen arbeiders te wonen, vaak met meerdere families in één pand. De huizen werden nauwelijks onderhouden en vaak onbewoonbaar verklaard (Zie: afb. 1). In de ogen van het stadsbestuur was de Benedenstad een achterstandsbuurt, waar mensen woonden die ‘sociaal-zwak’ waren en waar ‘maatschappelijke en morele achteruitgang’ plaatsvond.

Sloop en ambitieuze plannen

In de twintigste eeuw werden veel plannen voor de Benedenstad ontwikkeld. Deze plannen geven een goed beeld van de tijd waarin ze tot stand zijn gekomen en laten zien welke belangen er op het spel stonden en wie een stem had in de besluitvorming.

In 1938 richtten enkele Nijmegenaren de ‘Burgerij Commissie Saneering Oude Stad’ (S.O.S.) op om geld in te zamelen voor het herstel van de Benedenstad. Hiervoor werd het ‘Groene balkon’-plan ontwikkeld, waarbij de bestaande hoogteverschillen zouden worden weggewerkt en een grote keermuur de scheiding zou vormen tussen ‘hoog’ en ‘laag’. Ondanks de drastische impact die dit ontwerp zou hebben, bleef het historische karakter van het stadsgebied wel enigszins gewaarborgd. Dit plan werd tijdens de bezetting en de bouwstop van 1942 geparkeerd. Pas in 1953 werd een deel ervan als werkverschaffingsproject uitgevoerd, maar al snel werd duidelijk dat er onvoldoende financiële middelen waren om het in zijn geheel te realiseren.

Een nieuw ontwerp was dus nodig, want de verloedering van de Benedenstad ging ook na de oorlog door. In 1956 liet ing. B. Fokkinga een nieuw plan opstellen, gebaseerd op het modernistische ideaal van ruimte, lucht en licht (Zie: afb. 2). In dit plan werden de nauwe middeleeuwse straten vervangen door brede wegen met strakke flatgebouwen. De Waal zou hierdoor beter zichtbaar worden en het gebied kreeg een groene uitstraling. Ook historische en monumentale panden, zoals de zwaar beschadigde Commanderij van St. Jan, zouden hiervoor moeten wijken. Al voordat het ontwerp officieel was aangenomen begon de gemeente met de sloop. Lange tijd bleef het oostelijke gedeelte van de Benedenstad een braakliggend terrein, wat voor veel Nijmegenaren nog een bekend beeld is (Zie: afb. 3 en 4). Ook Pouderoyen kan zich dit nog goed herinneren:

Dat was natuurlijk de schandalige periode die eraan vooraf was gegaan. Ik ben hier als kind opgegroeid en ik herinner me nog wel die bebouwing aan de Grote Straat, die was er nog grotendeels. […] Ja, er waren wel al veel gaten gevallen. De gemeente Nijmegen had er absoluut geen interesse voor, laat ik maar zo zeggen. En het was in die tijd toch wel een schande.
Die [gemeentebestuurders] waren bezig met Lindenholt en de andere nieuwe uitbreidingen, en die Benedenstad, dat was maar moeilijk.

Het ontwerp van Fokkinga werd in 1963 door het gemeentebestuur aangenomen. Ook dit plan is echter niet uitgevoerd, aangezien nieuwe ontwikkelingen ervoor zorgden dat het plan voor de Benedenstad niet meer voldeed.

Cityvorming

In de jaren 1960 en 1970 waaide een wind door Nederland die het aanzien van binnensteden drastisch zou veranderen: kantoorgebouwen, winkelcentra en parkeergarages kwamen in de plaats van woningen. Hier moest het economische hart van de stad tot ontwikkeling komen, terwijl wonen zich afspeelde in de gebieden buiten het centrum.

In Nijmegen kreeg deze ontwikkeling vorm in het ‘Brug-tot-brug-plan’ dat begin jaren 1970 werd ontworpen door stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren en planoloog Gerrit Wissink. Een belangrijke factor hierbij was het voornemen van de gemeente om 60.000 woningen te realiseren in de Ooijpolder, een nabijgelegen natuurgebied ten oosten van de Waalbrug. Het plan van Van Eesteren en Wissink voorzag in een betere verkeersontsluiting met een ring om Nijmegen die langs de Waalkade verbonden was met de negentiende-eeuwse singels om de stad. De ringweg aan de Waalkade zou ruim 3.000 parkeerplekken krijgen en de Benedenstad kantoorfuncties en winkels. Projectontwikkelaar Bredero, die ook winkel-, kantoor- en woningcomplex Hoog Catharijne in het centrum van Utrecht realiseerde, zou dit ambitieuze project gaan uitvoeren. Door de onverwachte ontwikkelingen van de jaren die volgden, is ook dit plan nooit verder gekomen dan de tekentafel.

Veranderende jaren 1970

Verzet vanuit de Nijmeegse bevolking tegen de plannen van de gemeente is er altijd geweest. De overgebleven bewoners van de Benedenstad woonden voornamelijk in het nog deels onaangetaste westelijke deel. Toen de gemeente kwam met plannen om ook in dit gebied woningen te vervangen door kantoren, was voor velen de maat vol. Net als in andere steden in Nederland bundelden de oorspronkelijke bewoners hun krachten voor het realiseren van sociale woningbouw. Zij richtten een ‘Buurtkomitee Benedenstad’ op. Dit leidde ertoe dat naast planners en projectontwikkelaars ook de bewoners een stem kregen in de besluitvorming.

Net als actiegroepen in Amsterdam en Rotterdam die streden voor behoud van hun buurt, kwam het Buurtkomitee Benedenstad op voor de belangen van de oorspronkelijke bewoners. De Benedenstad moest volgens hen worden herbouwd worden met sociale huurwoningen. Het comité kwam met eigen ontwerpen en ideeën voor de buurt. Hiervoor hadden zij contact met studenten en adviseurs die meer thuis waren in het maken en propageren van concrete plannen. In 1971 stelden twee studenten van de Katholieke Universiteit Nijmegen in samenwerking met het buurtcomité een ontwerpplan op voor het gebied. Hoewel dit initiatief niet tot concrete resultaten heeft geleid, gaf het wel de koers aan voor de actiegroep (Zie: afb. 5).

Rehabilitatie en beschermd stadsgezicht

Vanaf 1972 sleutelde het Nijmeegse gemeentebestuur aan ‘Hoofdlijnen van beleid’ waarin rehabilitatie van de Benedenstad met sociale woningbouw het uitgangspunt was. Door het bouwen van sociale huurwoningen, kon het bestuur rekenen op subsidies van het rijk. Het bestuur deed bovendien een verzoek om de Benedenstad, nog steeds voor een groot deel braakliggend terrein, aan de wijzen als ‘beschermd stadsgezicht’. Zo kon het samenspel tussen het natuurlijke bodemreliëf, de historische straten en de resterende karakteristieke panden beschermd worden. In de voorbereiding voor de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht werden ook kaders opgesteld voor de nieuwbouw in het gebied. Zo werden bouw- en goothoogten vastgesteld die correspondeerde met de hoogten van de vroegere panden. Ook de typologie van de panden werd voorgeschreven, namelijk een getrapte afdaling van panden die langs de hellende, licht geknikte straten stonden, met voordeuren aan de straat.

Zo ontstond in Nijmegen een unieke situatie: het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) droeg voor het eerst bij aan de kosten van nieuwbouw in een beschermde stadsgezicht als compensatie van de gemaakte kosten voor de aanpassingen aan de historische structuur. Met deze extra financiële middelen konden bijvoorbeeld hoekwoningen volgens het oude patroon worden gerealiseerd, wat anders een te dure opgave was geweest.

Pouderoyen stelt in het interview dat zonder deze rijkssubsidies het hele project niet was doorgegaan. Voor hem betekende het wel dat hij moest werken binnen strenge kaders. Vanwege de sociale woningbouw en het beschermd gezicht konden de huizen niet te duur worden en mocht de oorspronkelijke structuur niet worden gewijzigd:

Ik had zelf wel een iets gevarieerdere bebouwing gewild, maar ik had niks te kiezen. De opdracht was om met de toenmalige huurprijs van 360 euro per maand, dus dat was eigenlijk helemaal niks, het gebied te herbouwen.
Ik had de huurprijs en ik had een gebied dat natuurlijk eigenlijk voor de maatstaven van toen niet te bebouwen was, met al die hoogteverschillen.

Vijfjarenplan (1980-1985)

Vanaf 1979 stelde het Rijk een strikt regime voor, waarbij een projectgroep van gemeente en Rijk de uitvoering zou begeleiden. Hieruit volgde het ‘vijfjarenplan’. De Benedenstad werd opgedeeld in vijf deelgebieden die tussen 1980 en 1985 elk in fases zouden worden gebouwd. Met deze uitgangspunten kwam een bestemmingsplan tot stand dat de basis vormde voor de restauratie-, rehabilitatie- en nieuwbouwplannen. In het gebied kwam 50% woningwetbouw, 40% premiebouw en 10% vrije sectorbouw.

Hoewel Pouderoyen niet de enige architect was die de nieuwe woningen ontwierp, kreeg hij een groot deel ervan toegewezen. Alleen de tweede fase en een deel van de derde fase werden verdeeld onder de Nijmeegse bureaus ‘Bureau Hornstra, Verschoor en Keij’, ‘Rodenburg BV’ en ‘Bureau Volders en Boogert’. Dit betrof voornamelijk het westelijke gedeelte waar minder hoogteverschillen zijn. Pouderoyen stelt in het interview dat deze verdeling zorgde voor differentiatie in de architectuur van de westelijke Benedenstad, maar dat er uiteindelijk voor het oostelijke deel toch voor werd gekozen om met één architect door te gaan:

Ik beviel wel goed denk ik… En ik kon wel goed luisteren.

Het resultaat was dat Pouderoyen het hele oostelijke gedeelte van de Benedenstad onder zijn verantwoordelijkheid kreeg. Hierin realiseerde hij 436 woningen, op een totaal van 705 woningen in het gehele stadsvernieuwingsgebied. Uiteindelijk was het vooral het financiële aspect dat maakte dat werd gekozen voor slechts één architect; deze kon één ontwerp maken dat een groot aantal keer werd herhaald.

Het ontwerp van Pouderoyen

Bossche school en het belang van differentiatie

De kaders waarbinnen Pouderoyen moest werken boden weinig ruimte voor architectonische creativiteit en vrijheid; de woningen moesten goedkoop, sober en doelmatig worden. Toch wist Pouderoyen, geïnspireerd door de ‘Bossche School’, het geheel ritmiek en differentiatie te geven. Door zijn toepassing van architectuurprincipes van de Bossche School in deze bijzondere historische context zou de Benedenstad een uniek karakter krijgen.

Pouderoyen zocht in de ideeën van de benedictijner monnik en architect Dom Hans van der Laan, grondlegger van de Bossche School, een antwoord op wat hij zag als de paradox van het Benedenstadproject: de repetitie en magere detaillering van sociale woningbouw tegenover de versierde, burgerlijke architectuur die de straten van de Benedenstad in het verleden had gekenmerkt. Van der Laan stelde dat het niet de versieringen waren die een stad maakten, maar muren met een zekere dikte. Dit zorgde voor plasticiteit, ofwel het effect van diepte door het reliëf in de gevel, veroorzaakt door licht- en schaduwwerking. Pouderoyen zegt hierover bijvoorbeeld dat de gevels dikker lijken dan ze in werkelijkheid zijn; door de teruggeplaatste kozijnen zou de plasticiteit ervan worden verhoogd (Zie: afb. 6). Op deze manier boden het gebruik van plasticiteit en de juiste verhoudingen voor Pouderoyen de oplossingen voor repeterende woningbouw.

In een artikel in het 'Benedenstadbulletin' uit 1980 legt Pouderoyen uit dat hij ‘met zo weinig mogelijk verschillende elementen zo veel mogelijk variaties probeerde te bereiken’. Zo ontwierp hij slechts drie verschillende soorten woningen: diepe, vrij ondiepe en woningen met een berging eraan vast. Het gehele plan telde ook slechts drie verschillende basisgevels: één met drie verdiepingen, één met vier verdiepingen met een rechte dakvorm en één met vier verdiepingen met een topgevel. De variatie kon dus enkel tot uiting komen in de manier waarop de deur- en raampartijen asymmetrisch ten opzichte van elkaar kwamen te liggen, zo legt Pouderoyen in het artikel uit:

Dus niet alle deuren links in de gevel, of de hele straat lang om en om links en rechts, maar dan eens twee keer links, dan weer een paar keer rechts, dan weer eens twee aan twee. Zo ontstaat er toch een speelse afwisseling in een gevelwand. […] Zo kunnen ‘versierende’ elementen in de gevels er voor zorgen dat ieder huis - weliswaar ‘familie’ van de andere - toch zijn eigen plekje in het geheel krijgt.

Deze asymmetrische verhoudingen zijn in de Benedenstad goed terug te zien, wat maakt dat elke straat en elk blok net een ander beeld heeft. In het interview vertelt Pouderoyen het volgende over zijn ideeën en het belang van differentiatie:

Het bijzondere van dat gebied is dat die kozijnen terug liggen. Dus je krijgt overal de muurdikte te zien. Zeker in het verlengde van de straat was dat natuurlijk wel een sprekend effect. En om dat te differentiëren heb ik toen bedacht om die erkers eraan toe te voegen. […] En die hadden ook een voordeel voor de bewoners, want die kunnen dus als ze hier in de erkers staan de straat afkijken. Dus dan is de blik naar buiten niet alleen de tegenoverliggende gevel.

Uit dit citaat wordt duidelijk dat Pouderoyen niet enkel ordening en differentiatie inzette om volgens bepaalde architectonische principes te werken. Voor hem waren dit ook middelen om met kleine details het wooncomfort in de wijk te bevorderen. Hiermee werd de sobere en doelmatige woningbouw zoals voorgeschreven in de Hoofdlijnen van beleid toch een sprekend geheel.

Differentiatie werd ook bereikt door kleurvariatie, een aspect dat pas later is toegevoegd (Zie: afb. 6). Pouderoyen vertelt dat de kleur van de nieuwe architectuur oorspronkelijk volledig uniform was, ‘gewoon vanwege de financiën’. In 2003 besloot de woningbouwvereniging echter om in de Grotestraat meer variatie aan te brengen, in samenwerking met kleuradviseur Jacqueline Roosendaal. Zo wilden zij meer aansluiten op de levendigheid en bedrijvigheid van de vroegere verbindingsstraat met zijn uiteenlopende winkelgevels. De erkers en portieken werden voorzien van felle kleuren die sterk contrasteerden met de neutrale kleur van de panden. Enkele jaren later moesten echter de felste tinten vanwege verkleuring worden vervangen door meer gedempte kleuren. Deze kleurverschillen zijn nog steeds een sprekend detail dat de straat levendiger maakt, en inmiddels zijn de aangrenzende straten ook van deze kleuren voorzien.

Om de bedrijvigheid van weleer terug te krijgen had Pouderoyen bedacht dat aan de straten winkels gevestigd zouden kunnen worden. In het interview vertelde hij dat er slechts een paar winkels zijn gekomen, maar dat dit in principe in het hele gebied mogelijk is. Of dit inderdaad gaat gebeuren, is een vraag voor de toekomst.

Bouwen voor de buurt

Mede door de inzet van het Buurtkomitee Benedenstad in de jaren 1970 werd de Benedenstad gevuld met sociale huurwoningen. Het comité maakte zich ook sterk voor het behoud van het sociale karakter van de buurt. In de Benedenstad ging het vooral om weefselverbetering en het verrijken van de leefomgeving. Deze aspecten zijn vooral terug te zien in de hofjes en pleintjes die zijn ingericht met speelplaatsen en groen (Zie: afb. 7). De pleintjes zijn te bereiken via doorgangen onder huizen of smalle steegjes. Pouderoyen beschrijft in 1980 de herbergzaamheid die de wijk volgens hem moest uitstralen:

De Benedenstad is echt een stuk binnenstad. Daarin voel je je, zoals het woord zelf al zegt, een beetje ‘binnen’. Dat komt in zo’n binnenstad door de geringe breedte van de straten, vaak minder dan de helft zo breed als in moderne buitenwijken, door de manier waarop veel huizen in één straat aan elkaar zijn gebouwd, door de binnenterreintjes die slechts bij verrassing door een poort of over een tuinmuur te zien zijn. Die sfeer en dat karakter van vroeger proberen we in de Benedenstad zorgvuldig te herstellen.

Toch kon hij door de financiële restricties en de kaders van het beschermd stadsgezicht niet altijd voldoen aan de wensen van het buurtcomité:

Ik had wel [met het buurtcomité] te maken, maar het ging toch wel best wel snel hoor. Die subsidiepot kwam en die uitgangspunten, daar was ook niet zoveel aan te mikken en maaren.

Voor de actiegroep waren de kaders van het beschermd stadsgezicht daarom zowel een uitkomst als een beperking. Hun wens voor het behoud van het historische stratenpatroon werd gehonoreerd, maar sommige wijkverbeteringen kwamen er niet doorheen.

Pouderoyen probeerde in de hofjes ook meer groen te verwerken. Hierbij kwam hij echter in de clinch met de gemeente over de parkeerplekken voor auto’s:

Ik had eigenlijk meer echt groen op die binnenterreinen willen hebben. Ik heb er altijd voor gepleit dat de auto's toch gewoon in de straat geparkeerd zouden worden, maar de gemeente wilde dat niet. Die wilde dus op het binnenterrein al die auto's kwijt, ja dan konden er geen bomen staan. Althans veel minder groen dan ik eigenlijk voor ogen had. Dus wat dat betreft is het plan niet uitgevoerd zoals ik dat had willen hebben.

Veel straten in de Benedenstad zijn tegenwoordig afgesloten door paaltjes of hekken, waardoor ze autoluw zijn geworden. Dit heeft op de leefbaarheid op straat een positieve impact gehad. Ook krijgt het groen in de wijk tegenwoordig steeds meer ruimte door de aanleg van geveltuinen.

Terugkijkend op het project

Een klus van deze omvang binnen deze strenge kaders was volgens Pouderoyen nog niet eerder voorgekomen in Nederland. Hij refereert in het interview wel aan de restauratie en herbouw van vervallen historische panden in de Maastrichtse Stokstraat tussen 1950 en 1973:

Die woningbouw Maastricht is toch heel anders. Het is vlak en het is maar een strook. van twee straten, […] en verder was er op dit gebied in Nederland geen vergelijkbaar project.

Ook zijn latere werk in Den Haag is niet vergelijkbaar met het project in Nijmegen. In Den Haag kon uniforme nieuwbouw worden gerealiseerd waarbij de gerenoveerde historische panden zorgden voor een gedifferentieerd karakter in de straten. Voor Nijmegen was dit niet realistisch, aangezien daar veel minder historische panden nog overeind stonden. Voor Pouderoyen zat er dus er dus maar weinig op:

Ik had die opdracht en de prijs was duidelijk. Dus ik had wat dat betreft niet zoveel te makken. Het enige wat ik kon doen was die woningbouw zo maken dat ze de suggestie wekte van die panden die er gestaan hadden.

Pouderoyen had achteraf ook liever gezien dat de groep bewoners gevarieerder was geweest. Hij stelt dat de focus op terugkeer van de ‘oorspronkelijke Benedenstadters’ te veel een politiek uitgangspunt was geweest. Zo was er volgens hem van de ‘echte Benedenstadter’ weinig meer over, gezien velen al decennia eerder waren verdreven of waren overleden. De mensen die in de jaren 1960 en 1970 nog in de vervallen en verwaarloosde Benedenstad woonden, deden dat veelal niet al generaties lang, aldus Pouderoyen:

Die mensen die daar woonden, die woonden bij toeval daar. Waarschijnlijk vooral omdat ze weinig geld hadden. Maar dat was niet ‘de Nijmeegse bevolking’, als je daarvan spreken kan.

Deze mensen werden echter wel bestempeld als oorspronkelijke bewoners en kregen daarmee ook voorrang op de sociale huurwoningen. Er zaten bijvoorbeeld studenten uit de kraakbeweging bij, die in de jaren 1970 in de onbewoonbaar verklaarde woningen waren getrokken. Het gevolg was een bonte mix van bewoners die weinig leek op de vroegere bevolkingssamenstelling.

De toekomst voor de Benedenstad

De Nijmeegse Benedenstad staat ook nu voor vraagstukken die belangrijk zijn voor de toekomst van de buurt. Zo zorgen nieuwe maatregelen voor parkeren en autoluwe zones voor een opleving van oude geschillen tussen buurtbewoners en gemeentebestuur. Ook vraagstukken rond duurzaamheid en isolatie zijn de laatste jaren belangrijker geworden. Hierover hoeven de bewoners zich volgens Pouderoyen geen zorgen te maken. Zo vertelde hij dat zijn inspiratie uit de Bossche School om de muurdikte te laten spreken zorgt voor een goede isolatie van de huizen. Door de dikke buitenmuren kon aan de opgeschroefde isolatie-eisen zonder al te veel problemen worden voldaan. Hij erkent dat dit ‘een toevalstreffer’ was, maar niettemin een goede uitkomst voor de huidige tijd.

De Benedenstad heeft zijn karakter als oude volksbuurt inmiddels wel verloren. De sociale verhoudingen zijn veranderd en van ‘oorspronkelijke bewoners’ is niet meer echt sprake. Desondanks heeft het gebied nog wel zijn wijkkarakter behouden en zijn alle sociale voorzieningen uit de jaren 1980, zoals de basisschool en het buurthuis, nog in gebruik. De Benedenstad is daarmee in Nijmegen nog altijd een uniek woongebied met een geheel eigen sfeer, mede dankzij de keuzes die ruim veertig jaar geleden zijn gemaakt.

Bronnen

  • Interview met Dick Pouderoyen (afgenomen door Stijn Ingenpass op 11 februari 2026).
  • Regionaal Archief Nijmegen (RAN), Archief Secretarie Gemeente Nijmegen (1209), inv. nmr. 2474, 'Benedenstadbulletin', informatiebulletins met bijlagen over de voortgang van het vijfjarenplan voor de opbouw van de Benedenstad.
  • Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-jan', Leven in afbraak en herbouw. Een beeld van de Nijmeegse Benedenstad 1874-1974 (Nijmegen 1982).
  • Herman de Liagre Böhl, Steden in de steigers: stadsvernieuwing in Nederland 1970-1990 (Amsterdam 2012).
  • Dick Pouderoyen, Maatbeperking in het architectonisch ontwerp (Delft 2013).
  • Anita Blom en Peter Timmer, 'Hersteld verleden van dorpen en steden'. Stads- en dorpsgezichten tijdens de stadsvernieuwing (1961-1985) (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2019).
  • Evelien van Es en Lara Voerman, Stadsvernieuwing in Stroomversnelling. Inventarisatie stadsvernieuwingsplannen Interim Saldo Regeling 1977-1985 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2018).



Dit artikel is geschreven door Stijn Ingenpass.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 16 apr 2026 om 02:07.