Eigenschap:Omschrijving

Kennismodel
:
Type eigenschap
:
Tekst
Geldige waarden
:
Meerdere waarden toegestaan
:
Nee
Weergave op formulieren
:
Tekstvak
Initiële waarde
:
Verplicht veld
:
Nee
Toelichting op formulier
:
Bevat de tekst van het kennisitem
Subeigenschap van
:
Geïmporteerd uit
:
Formatteerfunctie externe URI
:

Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:


Showing 20 pages using this property.
2
==25 jaar Nederlandse film- en videokunst== De collectie film en videowerken beslaat 25 jaar Nederlandse film- en videokunst (inclusief werk van buitenlandse kunstenaars die in Nederland werkzaam zijn). Ze geeft een representatief overzicht van de ontwikkelingen in de Nederlandse film en videokunst van de jaren 70 tot begin jaren 90. De collectie bevat werken van enkele pioniers van de Nederlandse film en videokunst: Livinus en Jeep van der Bundt, Ben d’Armagnac, Bas Jan Ader, Peter Struycken en Miguel-Ángel Cárdenas. Het zwaartepunt van de collectie betreft werk uit de jaren 80. Het gaat dan om werk van onder meer Abramovic/Ulay, Lydia Schouten, Hooykaas/Stansfield, Servaas en Pink. Plus films van Christine Koenings, Marja Samson en Ansuya Blom. Onze gehele videokunst collectie met de originele dragers is ondergebracht bij LIMA -kennisinstituut voor conservering, distributie en onderzoek van mediakunst - te Amsterdam. ==Fin de siècle in Dutch Contemporary Art== De laatste werken zijn de multimedia-installaties die in 1990 door de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) zijn verworven voor de reizende tentoonstelling Imago, Fin de siècle in Dutch Contemporary Art. Deze tentoonstelling heeft gedurende 2 jaar de wereld rondgereisd onder begeleiding van het Nederlands Instituut van Mediakunst. Ze bevatte naast installaties van eerder genoemde kunstenaars ook installaties van Jeffrey Shaw, Nol de Koning, Giny Vos en Ricardo Füglistahler. Via de successieregeling verwierf de Staat in 2007 de films van Bert Haanstra. Hieronder bevinden zich de klassiekers Glas en Fanfare. Deze films worden beheerd door Beeld en Geluid in Hilversum. ==Over deze deelcollectie== ===Herkomst=== De collectie is ontstaan vanuit de Rijksaankopen in de periode 1984-1992, vanuit tentoonstellingsaankopen door de Nederlandse Kunststichting (NKS) en Bureau Beeldende Kunst Buitenland (BBKB), via verwervingen door de Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR) en via de Successieregeling. ===Depotschatten=== Radiant, a personal observatory van Stansfield/Hooykaas (een van de installaties uit de reizende tentoonstelling Imago) en de Film als Beeldend Medium (1974) die bij de NKS-tentoonstelling hoort. Deze film laat bijdragen aan de tentoonstelling zien van onder meer Bas Jan Ader, Ger van Elk, Jan van Munster en Miguel-Ángel Cárdenas. Voor sommige kunstenaars een eenmalig uitstapje naar de experimentele film, voor andere het begin van veel meer filmwerk. De film is geconserveerd door het Filmmuseum. ===Mediakunst.net=== De gehele collectie is beschikbaar voor bruikleen. Onze mediakunst is op dit moment voor een groot publiek ontsloten via CollectieNederland.nl. In plaats van de videobeelden staat er een still (foto) van de video in de registratie. U kunt de videobeelden echter wel zien via [https://mediakunst.net/#!/ Mediakunst.net]. Mediakunst.net is een gezamenlijke online catalogus om de zichtbaarheid en toegankelijkheid van mediakunst te vergroten. Op dit moment geeft het toegang tot de mediakunstcollecties van LIMA, Stedelijk Museum Amsterdam, Van Abbemuseum, Frans Hals Museum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In een later stadium zullen ook andere mediakunstcollecties aansluiten. Mediakunst.net is zo een groeiende catalogus van mediakunst in Nederland. ===Relatie met andere collecties=== Het Filmmuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam hebben beiden grote collecties film en video uit de 20e eeuw. ===Zoeken in deze deelcollectie=== Op collectienederland.nl is deze [https://www.collectienederland.nl/vc/rce-mediakunst/ deelcollectie te doorzoeken].  
A
De impact van de aardbevingen in Groningen is groot en veel huizen zijn beschadigd. De aardbevingen hebben ook schade toegebracht aan een flink aantal van de ongeveer 1.450 rijksmonumenten in het gebied. Daarnaast is er schade aan gemeentelijke monumenten, de vele beeldbepalende gebouwen en beschermde stads- en dorpsgezichten die samen het cultuurlandschap en de identiteit van Groningen vormen. Naast het herstel van de schade is het versterken van monumenten een grote opgave. Bij monumenten kan dat op gespannen voet staan met het behoud van de monumentale waarden. Een deel van de monumenten staat bovendien leeg en moet een nieuwe bestemming krijgen.  +
==Voorbeelden== Enkele geïllustreerde gebiedsbeschrijvingen van aardkundig erfgoed zijn te vinden op de website [https://www.geologievannederland.nl/landschap/geologische-locaties geologievannederland.nl], op [https://www.pingoruines.nl/ pingoruines.nl] en op de [https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/aardkundig-erfgoed kaartviewer aardkundig erfgoed] van de RCE. ==Beleid== Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundig erfgoed. Wel hebben de meeste provincies en ook enkele gemeenten beleid ten aanzien van dit onderwerp, vaak gecombineerd met beleid omtrent cultuurhistorie. De meeste provincies hebben aardkundig waardevolle gebieden en/of aardkundige monumenten aangewezen. Vaak wordt hierbij ook onderscheid gemaakt tussen verschillende beschermingsregimes, afhankelijk van hoe hoog het gebied gewaardeerd wordt. Op [https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodembescherming/aardkundige-waarden/c-per-provincie bodemrichtlijn.nl ] is een overzicht te vinden van beleid omtrent aardkundig erfgoed per provincie. Een belangrijk doel achter het aanwijzen van aardkundig waardevolle gebieden is om een breed publiek bewust te maken van aardkundig erfgoed en om kennis hierover te verspreiden. Deze kennis kan vervolgens door beleidsmakers, landschapsarchitecten, terreinbeheerders en erfgoedprofessionals worden gebruikt om de aardkundige waarden zo goed mogelijk in te passen in gebiedsontwikkeling. == Inventarisaties van aardkundig erfgoed == ===GEA-objecten=== Het eerste landelijke overzicht van aardkundig erfgoed is gemaakt door Gerard Gongrijp in de jaren '70 en '80 (Rijkinstituut voor Natuurbeheer (RIN)). Hij benoemde voor elke provincie de zogenaamde GEA-objecten, een reeks aardkundig waardevolle gebieden die in twaalf rapporten voor elke provincie beschreven zijn. Dit resulteerde in 1989 het rapport ''Nederland in Vorm''. ===Operatie Landijs=== Met de opkomst van digitale technieken in de jaren '90 zijn aardkundige waarden geïnventariseerd via meer objectieve criteria (Operatie Landijs, Alterra). De belangrijkste criteria voor waardering waren de kenmerkendheid, zeldzaamheid, educatieve waarde en samenhang van patronen. In combinatie met kennis van experts resulteerde in een nieuwe ''Basiskaart Aardkundige Waarden'', die hoorde bij het boek ''Bewogen Aarde'' van Eduard van Beusekom in 2007. Deze kaart is te raadplegen via de [https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/aardkundig-erfgoed kaartviewer aardkundig erfgoed] op website van de RCE. ===Inventarisaties per provincie=== De meeste provincies hebben ook een overzicht opgesteld van aardkundig waardevolle gebieden, grotendeels gebaseerd op bovengenoemde landelijke overzichten. Hier zijn kennisoverzichten te vinden, maar ook de waardering en beleidsstatus (beschermingsniveau) van de objecten. De meest waardevolle locaties zijn als aardkundig monument benoemd. Een overzicht van deze provinciekaarten is te vinden via de [https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/aardkundig-erfgoed kaartviewer aardkundig erfgoed]. ===Unesco Geoparken=== Sinds 2013 kent Nederland ook een [https://www.unesco.nl/nl/dossier/geoparken Unesco Geopark]: [https://www.dehondsrug.nl/ Geopark de Hondsrug] is het eerste en vooralsnog enige Geopark in Nederland. Volgens de definitie van Unesco zijn Geoparken "... gebieden waar geologisch erfgoed en landschappen van internationale waarde op een integrale manier worden beheerd. Daarbij staan behoud, educatie en duurzame ontwikkeling centraal". Geoparken kennen een grotere begrenzing dan eerder aangewezen aardkundig waardevolle gebieden; ze beslaan een regio met een sterke geologische en landschappelijke samenhang. Binnen het Geopark zijn dan weer enkele tientallen voor het gebied kenmerkende ''geosites'' benoemd en in meer detail beschreven. Momenteel zijn er diverse initiatieven voor de oprichting van nieuwe geoparken in Nederland: [https://www.scheldedelta.eu/nl Geopark Scheldedelta i.o.] (aanvraag ingediend december 2022), [https://www.geopark-heuvelrug.nl/home/geopark-heuvelrug-wat-is-het/ Geopark Heuvelrug, Gooi en Vecht i.o.] en [https://peelhorstenmaasvallei.nl/ Geopark Peelhorst en Maasvallei i.o.]. ==Verder lezen== * Aardkundige waarden op [https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodembescherming/aardkundige-waarden/a-ontstaan/aardkundige-waarden-in-nederland-algemeen bodemrichtlijn.nl] * Berg, M. van den e.a. (2008). Het ontstaan van het Nederlandse landschap. Een canon in 12 thema's en 50 vensters. Werkgroep Canon - Geoheritage NL en Buro voor Explanation Design. * Beusekom, E. J. van (2007) Bewogen aarde: Aardkundig erfgoed in Nederland. Matrijs, Utrecht. * Gongrijp, G. (1989) Nederland in Vorm: Aardkundige waarden van het Nederlandse landschap, achtergrondreeks Natuurbeleidsplan nr. 5, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. * Verbers, A. e.a. (2005) Eigenaardig Nederland; aardkundig erfgoed van Nederland, KNNV Uitgeverij, Stichting Aardkundige Waarden.  
==Rotterdamse bakkersfamilie== De geboren Rotterdammer (1937–2015) was de dochter van broodbakker Antoon Engelman en Adriana Bakker. Ze volgde het bakkersbestaan van haar vader echter niet op en ging in 1960 naar de Rotterdamse Academie. In 1963 studeerde Engelman verder aan de Academie ’63 in Haarlem. In de academie ontving ze lessen van kunstenaar Ger Lataster en wist in haar tweede studiejaar een academieprijs van 500 gulden voor zich te winnen. De succesvolle vrouwelijke kunstenaar had meerdere imposante tentoonstellingen op haar naam staan, zoals in het Stedelijk Museum Amsterdam (1969), de Vleeshal Haarlem (1981), de Salon des Réalités Nouvelles (1972) en de wereldtuinbouwtentoonstelling De Floriade (1972). ==Metaforische vormen== Engelman kon uit de voeten met meerdere kunstmedia en was beeldhouwer, schilder en tekenaar. In al haar werken staat de speling van vormen, lijnen en kleuren centraal en ze componeerde losse vormen tot een groter geheel. De bijna 400 kilogram wegende Staalplastiek draaiende vorm (1965) bestaat uit gedraaide vervormde metalen platen gesoldeerd aan een statief. Toch gaat het abstracte werk niet alleen over vormen en lijnen, ook de compositie van de elementen staat voor een metafoor. Kunsthistoricus Paul Hefting stelde over het werk van Engelman: ‘het beeld staat voor iets anders, hoe zeer het zichzelf ook in vorm en kleur manifesteert.’ ==Abstractie als bevrijding== Het gebruik van abstracte vormen zag Engelman als een verzekering van haar bestaan. De toevallige rangschikking van vormen om haar gevoel te uiten noemde ze een ‘bevrijding’. Haar bestaan is niet altijd makkelijk geweest en ze is één van de weinige transgender kunstenaars van wie de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werk in de collectie heeft. In de kunstwereld is de vertegenwoordiging van transgender kunstenaars nog minimaal. Engelman was daarentegen niet alleen een succesvolle vrouwelijke kunstenaar, maar ook betrokken bij meerdere verenigingen waaronder de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars. Bovendien was ze in 1977 lid van de afdeling Kunst en Cultuur in de provincie Noord-Holland. Het gebruik van abstracte vormen in verschillende materialen was voor Engelman een manier om zichzelf te uiten met haar minimalistische kunst. Vanuit een innerlijke manifestatie heeft Engelman met de rangschikking van vormen toch haar handtekening in de kunstwereld gezet. ''Tekst: Gabriëlle Negrón'' In de Rijkscollectie RCE zijn van Adine Engelman 11 objecten beschikbaar voor bruikleen.  
== Kunstig in pastel== De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718-1721) van Arnold Houbraken is de belangrijkste bron van informatie over Adriana Spilberg. Houbraken meldt dat Johannes Spilberg ‘ziende dat zy van natuur tot de Konst genegen was’ zijn dochter van jongs af aan in de teken- en schilderkunst onderwees. Volgens Houbraken tekende Adriana Spilberg ‘kunstig in pastel, of met crayon naar ’t leven, ook uitvoerig in olieverf’, en verwierf zij daarmee veel roem. Houbraken schrijft niet over specifieke werken of opdrachten van Spilberg, maar uit bovenstaande beschrijving kunnen we opmaken dat Spilberg vooral actief moet zijn geweest als portretschilder. Op verzoek van de keurvorstin, haalde Johann zijn Amsterdamse huishouden inclusief zijn schilderende dochter omstreeks 1681 naar Düsseldorf. ==Onbekende werken== Spilberg trouwde met schilder Willem Breekvelt, kreeg drie zonen en zou later hertrouwen met schilder Eglon van der Neer. Spilberg zou hebben meegewerkt aan de frescodecoraties van haar vader in het slot van Düsseldorf. Dit zou haar de enige Nederlandse vrouwelijke schilder maken die zich dit vak ook eigen heeft gemaakt. Ondanks haar roem en haar verblijf aan het hof van de Keurvorst zijn er nauwelijks werken van haar hand bekend, al is het niet ondenkbaar dat werk van Spilberg is toegeschreven aan haar meer bekende vader. Heel bijzonder dus dat zich in de collectie van de Rijksdienst een aan Spilberg toegeschreven portret bevindt, al is het een werk uit de NK-collectie, dat in afwachting is van de rechtmatige eigenaar. Afgebeeld is een onbekende zittende vrouw met parelsnoer, in een rood met zwarte jurk met witte mouwen. Zij houdt met haar linkerhand een armband vast die om haar rechterpols zit. Op tafel ligt een horloge met ketting. Het horloge was een modeaccessoire waarmee welgestelde vrouwen en mannen zich graag lieten portretteren. Het was een verwijzing naar de kostbare tijd en de vergankelijkheid. De dood was in de zeventiende eeuw immers altijd nabij. Ondanks dat dit portret mogelijk het enige gesigneerde werk uit het oeuvre van Spilberg is dat aan ons is overgeleverd, is het de afgelopen zeventig jaar niet tentoongesteld ''Tekst: Simone Vermaat'' In de Rijkscollectie RCE is van Adriana Spilberg 1 portret beschikbaar voor bruikleen.  
===Geëngageerde rebel=== Adya groeit op in een vooraanstaande Rotterdamse patriciërs familie. Haar vader Francois Dutilh is zakenman. Het gezin Dutilh woont naast Rotterdam in Utrecht, Zeist en Den Haag en Brussel. In Brussel volgt Adya tekenlessen in het atelier voor mannelijke en vrouwelijke studenten van de Frans Belgische schilder Ernest Blanc Garin. Ze maakt er realistisch, sociaal geëngageerd werk. Uit verzet tegen haar welvarende milieu vestigt Adya zich in 1898 in Laren waar ze samenwoont en exposeert met de kunstenares Jo Koster. Uit haar modelkeuze blijkt haar sociaal gevoel. In 1901 verhuist ze naar Blaricum waar ze zich aansluit bij de christen-anarchistische, drankbestrijder en antimilitarist Jacob van Rees. Ze gaat wonen op de door hem opgerichte Landbouwkolonie van de internationale broederschap en krijgt een relatie met zijn zoon Otto van Rees. ===Rooms-Katholiek=== In 1904 voegt Adya zich bij Otto in Parijs waar hij een atelier heeft in het vermaarde le Bateau-Lavoir in Montmartre. Hier onderhouden ze vriendschappelijke banden met avantgardistische collega schilders en schrijvers. Ze krijgen twee dochters en een zoon en wonen en werken in Italië, Frankrijk en vanaf 1910 ook in Ascona (Zwitserland). In Zwitserland bekeert Adya zich tot het Rooms Katholicisme. ===Avantgarde kunstenares=== Beeldhouwer, collagist, illustrator, lithograaf, schilder, tekenaar, pianist en naaldkunstenaar .. Adya was het allemaal. Bekendheid kreeg ze vooral door haar progressieve, abstracte naaldwerken van wol en zijde. Zij liet zich inspireren door het werk van Otto Freundlich en Hans Arp met wie ze nauw samenwerkte. Adya’s naaldwerken behoren tot de eerste volledig abstracte kunstwerken van een Nederlands kunstenaar. In hoeverre zij hierover contacten had met Sophie Taeuber-Arp zou nader onderzocht moeten worden. ===Dada=== In 1913 werkt Adya mee aan de befaamde futuristische tentoonstelling in Galerie Der Sturm in Berlijn en in 1917 aan de tentoonstelling in Zurich die wordt gezien als het begin van Dada. Samen met Otto ondertekende zij het eerste Berlijnse Dada manifest (1918). In het in 1965 gepubliceerde boek ‘Dada: Kunst en anti-kunst’ schrijft Hans Richter, lid van de eerste Dada-groep in Zürich : “the first abstracts i saw in Zurich were pictures and silk embroderies by Otto van Rees and his wife, shown in 1916”. ===Tegenslag=== Als hun dochter in 1919 door een noodlottig spoorwegongeluk om het leven komt, vestigen Otto en Adya zich in Nederland. Hun huis “Het Kleine kasteel” in Deurne wordt het trefpunt voor de schrijvers van het Katholieke tijdschrift De Gemeenschap. In 1928 verhuizen ze terug naar Parijs waar ze contact onderhouden met hun oude vrienden zoals Arp en Freundlich maar ook met leden van de constructivistische groep Cercle et Carré. Vanaf de jaren 30 leven Otto en Adya, door de crisis en de oorlog, twintig jaar veelal gescheiden van elkaar. Otto werkt en verblijft vooral in Nederland en Adya in Zwitserland. Met borduurwerk, portretopdrachten en pianolessen voorziet ze zich van een inkomen. Vanaf 1952 trekt ze voorgoed in bij Otto in Utrecht. Hier overlijdt Adya op 11 oktober 1959. In de collectie van de Rijksdienst bevinden zich 6 werken van de hand van Otto van Rees. Van Adya geen enkel.  
==Stedelijk Museum Amsterdam== Het grootste deel van de collectie (6100 stuks) was jarenlang in het depot van het Stedelijk Museum Amsterdam opgeslagen. De collectie is eind 2012 vanuit Amsterdam naar Rijswijk gebracht om de registratie te controleren en te voltooien. ==Rijksdienst Beeldende Kunst== In 1992 zijn de affiches van de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) beschreven in 2 deelcatalogi. Deze werkcatalogi hadden als doel inzicht te geven in de samenstelling van de rijkscollectie . Ze waren met name bedoeld voor tentoonstellingsorganisaties, universiteiten, wetenschappelijke onderzoekers en kunstenaars. De registratie gebeurde in het kader van het Nederlands Affiche Project dat begin 1990 van start ging en waaraan 14 instellingen meededen. Hieronder waren de RBK en het Gemeentemuseum Den Haag. ==Over deze deelcollectie== ===Depotschatten=== Tot de meest interessante exemplaren horen de bladen van Jan Lavies Zandvoort Holland 1954 en van Karel Schmidt voor een tentoonstelling van Aziatische kunst. Daarnaast zijn er nog niet geïnventariseerde werken aanwezig van Anton Beeke, Peter Brattinga, Wim Crouwel, Dick Bruna, Dick Elffers, Donald Janssen, Ton Martens, Frans Mettes, Ralph Prins, Richard Roland Holst, Willem Sandberg, Willy Sluiter, Swip Stolk, Jan van Toorn, Aart Verhoeven, Nicolaas Wijnberg en Benno Wissing. ===Herkomst=== Het Gemeentemuseum Den Haag heeft in maart 1992 ongeveer 6100 affiches in eigendom overgedragen aan de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK). In 1993 is de collectie in bruikleen gegeven aan het Stedelijk Museum Amsterdam. Behalve deze 6100 affiches zijn een kleine 130 bladen afkomstig uit de nalatenschappen van Theo van Doesburg (aankoop/legaat 1981), Dolf Henkes (schenking 1990), Jan Lavies (schenking/legaat 1999-2005) en enkele andere laat 20e eeuwse kunstenaars. ===Relatie met andere collecties=== De verzameling affiches is niet met een vooropgesteld idee samengesteld. ===Zoeken in deze deelcollectie=== Op collectienederland.nl is deze [https://www.collectienederland.nl/vc/rce-affiches/ deelcollectie te doorzoeken].  
=== Ook afstoten is collectiebeheer === Selecteren en afstoten van objecten uit een museumcollectie is sinds het museumcongres ‘Grenzen aan de groei’ in 1999 onderdeel van het professioneel collectiebeheer. De algemene ethische uitgangspunten van de ''International Council of Museums'' (ICOM) werden toen omgezet in een praktische richtlijn hoe deze konden worden gerespecteerd en toegepast bij het overdragen van het eigendom van de objecten, zoals door verkoop. Aan een dergelijke richtlijn bleek behoefte te zijn. De collecties van musea waren in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk gegroeid en veel depots bleken niet langer toereikend om alles op een verantwoorde wijze te kunnen bewaren. Bovendien was in de loop van de tijd de grens voor de kwaliteit van de objecten hoger komen te liggen waardoor sommige objecten niet langer aan de norm voldeden. Er was een noodzaak ontstaan om sommige collecties te kunnen opschonen. In verschillende pilot-projecten werd ervaring en kennis opgedaan met selecteren en afstoten, waaronder verkoop via veiling. Mede op basis hiervan werd in 2009 de brochure [https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/handreiking-museumveiling Handreiking Museumveiling] geschreven. De informatie in de brochure is nog steeds relevant aangezien de principes en de procedures die worden beschreven nog altijd gehanteerd worden. Het is daarom de moeite waard de brochure te lezen als bij het afstoten van objecten door een museum de samenwerking met een veilinghuis overwogen wordt. === Verkoop door veiling - in het kort === Wanneer een groot aantal objecten in korte tijd verkocht moet worden, biedt veilen verschillende voordelen. Het is in veel opzichten een efficiënte manier om een geïnteresseerde koper voor de objecten te vinden. Veilinghuizen beschikken over een grote kennis van de actuele verkoopwaardes van objecten. Ze kunnen in korte tijd een verkoopcatalogus produceren en beschikken meestal over marketing en communicatie waarmee een potentiële kopers worden bereikt. De verkoop en de prijsbepaling is een transparant proces, waarbij iedereen in principe kan volgen hoe de gegadigden door te bieden de uiteindelijke prijs bepalen. En niet in de laatste plaats: de verkoop van de objecten wordt in een tevoren bepaalde tijdspanne afgewerkt. Er is, met andere woorden, zekerheid over de datum waarop de objecten verkocht en overgedragen zijn. Dat laatste is niet onbelangrijk wanneer er niet gewacht kan worden, bijvoorbeeld omdat het museum de depotruimte voor andere doeleinden wil gebruiken. Veilingen hanteren een gemiddelde kostprijs die alle kosten moet dekken die het veilinghuis moet maken. Dit varieert per veilinghuis en is mede afhankelijk van extra inspanningen of risico’s. Maar ook huisvestingskosten (kantoren en toonzalen) spelen een rol. De objecten die musea willen afstoten zijn soms minder gewild en brengen in verhouding weinig op. Soms wordt daardoor de kostprijs die het veilinghuis per object berekent hoger dan de te verwachten opbrengst. Om die reden is het in sommige gevallen voor musea aantrekkelijk om te kiezen voor een veilinghuis dat een lage kostprijs kan hanteren, zoals bijvoorbeeld internetveilinghuizen. ==Meer informatie== * [https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/handreiking-museumveiling Handreiking Museumveiling] * [https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/vervreemdingsprocedure Vervreemding]  
==Potlood, inkt en krijt== Het zijn werken in potlood, inkt en krijt. Plasschaert was naast autodidactisch tekenaar, schilder en glaskunstenaar ook mysticus, godsdienstzendeling, schrijver en dichter. Onder invloed van oosters georiënteerde religieuze bewegingen die opkwamen rond de eeuwwisseling, ontwikkelde Plasschaert een mystiek-religieuze filosofie. Deze concretiseerde hij zowel op een figuratieve als een abstracte manier in zijn kunst. ==Vroegste voorbeelden van abstracte kunst in Nederland== Zijn tekeningen uit de jaren 1913-1917 behoren tot de vroegste voorbeelden van abstracte kunst in Nederland. Plasschaert gaf zijn tekeningen ‘opusnummers’ en hij beschreef ze vaak met diepzinnige titels en teksten. In dit samengaan van tekst en beeld en in zijn excentrieke en solitaire kunstenaarschap is hij het equivalent van de Engelse tekenaar-mysticus en dichter William Blake (18e en 19e eeuw). Ook kan hij worden gezien als voorloper van een kunstenaar als Anton Heyboer. ==Avant-garde== Sinds 1975 is Plasschaert op alle grote internationale overzichtstentoonstellingen van de Europese avant-garde te zien geweest. Een paar van zijn werken zijn in bruikleen bij het Rijksmuseum. ==Over deze deelcollectie== ===Depotschatten=== De tekeningen zijn vaak klein, maar een enkel blad is monumentaal (opus 125, 1528, 1616, 3389). Bijzonder zijn de tekeningen met handgeschreven teksten (opus 324, 326, 1311, 1537). Van historisch belang zijn de vroegste abstracte werken (uit 1913: opus 33; uit 1915: opus 152, 298, 326, 330; uit 1916: opus 391-393, 679; uit 1917: opus 1200, 1311). ===Herkomst=== Het Stedelijk Museum Zutphen heeft de collectie Plasschaert in 1975 geschonken aan het Rijk. ===Relatie met andere collecties=== De Rijksdienst bezit een representatief overzicht van de ‘Kunstenaren der Idee’ die aansluiten bij het symbolisme van Plasschaert: Johan Tielens (kunstenaarsgroep De Branding), Willem van Konijnenburg en Karel Schmidt (kunstenaarsgroep De Smeden) en Johan Miedema. Plasschaerts vroege abstractie sluit aan bij de pioniers van de abstractie: Janus de Winter, Janus van Zeegen, Jacoba van Heemskerck en de kunstenaars van De Stijl. In de collectie van de Rijksdienst zijn voorbeelden daarvan te vinden in werk van Theo van Doesburg en Vilmos Huszár. Verschil is dat Plasschaerts abstractie een uitdrukking is van de ziel en het innerlijk terwijl de kunstenaars van De Stijl op zoek zijn naar de strenge vormwetten van de werkelijkheid. Markant is de relatie met 20e eeuwse kunstenaars als Karel Schmidt, Anton Heyboer, Viktor IV (Walter Karl Glück) en Jacob Kloppenburg. ===Zoeken in deze deelcollectie=== Op collectienederland.nl is deze [https://www.collectienederland.nl/vc/albert-plasschaert/search/?q= deelcollectie te doorzoeken].  
Vaak wordt de monumentale uitstraling van monumenten versterkt door de aanwezigheid van een mos- of korstmosbegroeiing. Denk bij deze monumenten aan ruïnes, kastelen, vestingwerken, kerken, tuinmuren, bruggen, kademuren of grafmonumenten. Bij stenen beelden daarentegen is begroeiing ongewenst, omdat de vormen minder goed zichtbaar en de inscripties onleesbaar worden. Grafmonumenten worden daarom vaak gereinigd. Zo blijven de teksten leesbaar. Korstmossen kunnen behulpzaam zijn bij het bepalen van de ouderdom van monumenten. De ouderdom van de beelden op Paaseiland bijvoorbeeld werd aan de hand van korstmossen gedateerd op minimaal tweehonderd jaar. Maar ook in ons land kunnen begroeiingen op muren eeuwenoud zijn. Op sommige oude muren met een goed ontwikkelde korstmosvegetatie zitten wel vijftig verschillende soorten. In het algemeen geldt: hoe ouder de muur, hoe meer soorten. In de spouwmuren van een paar middeleeuwse stadspanden in Utrecht zijn ‘fossiele’ korstmosbegroeiingen aangetroffen. Deze werden geconserveerd doordat er lang geleden een nieuwe buitenmuur omheen is gebouwd. De toenmalige buitenmuur is nu de binnenmuur. Aan de korstmosresten is te zien dat het ooit een buitenmuur was. Om te kunnen bepalen wanneer verwijdering van algen, mossen of korstmossen noodzakelijk, gewenst of juist onwenselijk is, is het van belang om inzicht te hebben in deze organismen en hun effect op stenen ondergronden. ==Soorten== ===Algen=== Algen vormen meestal een ééncellige, groene aanslag of dunne korst. Op vochtige plekken groeien soms ook draadalgen in een iets dikkere, bij droogte vaak afbladderende korst. ===Mossen=== Mossen zijn kleine plantjes, meestal met stengeltjes en blaadjes. Alle soorten zijn min of meer groen. Er zijn kruipende mossen die in lage matjes groeien. Deze worden vanwege de liggende groeiwijze slaapmossen genoemd. Een andere groep mossen groeit juist rechtop, soms als polletjes, soms als losse plantjes. Deze heten topkapselmossen. Op vochtige plekken, bijvoorbeeld op muren langs de waterkant, groeit een derde type mos: vlezige plakken zonder stengels. Dit zijn levermossen. ===Korstmossen=== Korstmossen zijn geen echte planten. Een korstmos bestaat uit een symbiose van een schimmel en een alg. Dit is alleen onder de microscoop zichtbaar. De twee componenten vormen één functionele eenheid. Veel korstmossen groeien, zoals de naam al zegt, als een korst dicht tegen de ondergrond en zijn daarvan alleen met grote moeite te verwijderen. Ze hoeven niet korstvormig te zijn. Ook bladvormige, struikvormige en bekervormige korstmossen komen voor. Bladvormige korstmossen zitten met kleine wortelachtige orgaantjes vast en zijn daardoor iets losser aangehecht dan korstvormige soorten, die met de hele onderkant vastzitten. Korstmossen kunnen veel verschillende kleuren hebben: geel, oranje, rood, grijs, grijsgroen, bruin of zwart. De heldergroene kleur die de meeste mossen hebben, komt bij korstmossen niet vaak voor. ==Begroeiing== In de ontwikkeling en opeenvolging van soorten van een kale naar een begroeide ondergrond geldt globaal dat als eerste de algen verschijnen. Deze vestigen zich vaak al binnen een jaar. Daarna komen de korstmossen en de mossen, en pas daarna hogere planten. Korstmossen komen vooral voor op relatief droge plaatsen, mossen vooral op vochtige en natte plaatsen. Op drogere en beter belichte oppervlakken komen minder algen voor. ===Opeenvolging=== Op de vochtige noordkant van gebouwen en andere objecten zijn algen onbetwist de eerste kolonisators. Dit geldt ook voor plekken die beschaduwd worden door geboomte. Op muren, dakpannen en rieten daken ontstaat dan een groene aanslag. De algen vormen een dun laagje, dat vocht en stof vasthoudt, waarop korstmossen en mossen zich gemakkelijker vestigen. Als er tevens verrijking met voedingsstoffen plaatsvindt, bijvoorbeeld onder bomen door vogels en stuifmeel, komen er sneller korstmossen die goed gedijen onder stikstofrijke omstandigheden, zoals diverse vingermossen (Physcia) en dooiermossen (Xanthoria). Ook de uitstoot van ammoniak uit de bio-industrie draagt bij aan deze verrijking. Stikstofminnende korstmossen en algen zijn de laatste decennia sterk toegenomen. Kleine, onopvallende, korstvormige korstmosjes, zoals de citroenkorst (Caloplaca citrina), volgen de algen snel op en kunnen binnen een paar jaar flink in aantal en volume toenemen. Dit valt aanvankelijk nauwelijks op, omdat het bouwwerk alleen een wat andere kleur krijgt. De eerste korstmossen worden opgevolgd door grotere grijze en oranje korstmossen, ook bladvormige, zoals groot dooiermos (Xanthoria parietina). Geleidelijk komen ook de echte mossen. Eerst losse plantjes van muurmos (Tortula muralis), later ook kussentjes van bijvoorbeeld muisjesmos (Grimmia pulvinata). Tot slot kunnen zelfs hogere planten komen. Deze vestigen zich op de door de mossen ingevangen aarde en het stof, vooral bij spleten en barsten. Op oude, goed belichte muren die gedurende lange tijd met rust gelaten worden, ontwikkelt zich een bont palet aan korstmossen, zoals kauwgommos (Diploicia canescens) en diverse gele Caloplaca’s. Het kolonisatieproces verloopt doorgaans sneller als er een lichte aanvoer met voedingsstoffen is, bijvoorbeeld door vogels onder schoorstenen. Er verschijnen dan ook andere soorten, zoals muurschotelmos (Lecanora muralis). ===Ondergrond=== Veel soorten mossen en korstmossen hebben een duidelijke voorkeur voor een bepaalde ondergrond, zoals voor zure gesteenten of juist voor kalkrijke steen. Hierdoor komen op baksteen, dat zuur is, andere soorten voor dan op mortel, dat basisch is, terwijl op een natuurstenen ornament, afhankelijk van de steensoort - zuur of basisch - weer andere soorten zitten. Nieuw beton of cementmortel is voor korstmossen en mossen te basisch (zuurgraad (pH-waarde) circa 11). In de loop der tijd wordt de pH-waarde door verzuring lager. Na ongeveer vijf jaar verschijnen de eerste onopvallende soorten. Baksteen is, afhankelijk van het type, voor veel soorten juist iets te zuur, wat mossen en korstmossen niet prettig vinden. Baksteen raakt sneller begroeid als er uit de voeg kalkhoudend vocht lekt, wat het zure karakter van de steen neutraliseert. Moderne mortels, zoals die van portlandcement, geven nauwelijks kalkhoudend vocht af. Oude voegen met kalkmortel echter wel. Met kalkspecie gevoegde muren worden op den duur daardoor over het hele oppervlak neutraal tot zwak basisch, wat veel soorten mossen en korstmossen aantrekkelijke groeiomstandigheden biedt. Bij moderne mortels blijven de grote verschillen in zuurgraad tussen voeg en steen lang in stand, waardoor de aangroei aanzienlijk trager verloopt. De hardheid van de ondergrond en de vochtigheid van de ondergrond en de lucht hebben ook een duidelijke invloed. Zelfs de hellingshoek maakt veel verschil. Op echt vochtige tot natte plekken, bijvoorbeeld boven water, ontwikkelt zich vaak een dikke plak levermossen, veelal met parapluutjesmos (Marchantia polymorpha).   ==Schade== Een dunne algenlaag is vrijwel onschadelijk en gemakkelijk te verwijderen. Na verwijdering zal echter snel weer een nieuwe laag ontstaan. Over het algemeen zijn begroeiingen van korstmossen niet schadelijk voor bouwwerken, omdat alleen een dunne bovenste laag ervan wordt aangetast. Weersinvloeden zorgen altijd voor een zekere mate van verwering van die bovenste laag. Een begroeiing met korstmossen kan dit proces zelfs stoppen dan wel vertragen. Die vormt eerder een beschermende laag, die ervoor zorgt dat de aantasting door weer en wind zich niet dieper voortzet. Verwijdering van korstmossen is dan zelfs onwenselijk, omdat dit leidt tot hernieuwde begroeiing, waardoor er opnieuw een laagje aangetast wordt. Voor mossen geldt in grote lijnen hetzelfde als voor korstmossen. Dikke mosbegroeiingen kunnen daarentegen wel schadelijk zijn, omdat zij gemakkelijk water vasthouden. Dunne lagen mos zijn gewoonlijk vrij onschadelijk. Meestal is de aantasting door korstmossen ondiep, afhankelijk van de hardheid van de steensoort 0,1 tot 1,5 millimeter. Dit komt omdat korstmossen geen voedsel aan de ondergrond onttrekken. Ze hechten zich er alleen op vast. Veel korstmossen scheiden wel zuren uit, waardoor een dun laagje steen aangetast raakt. Bij poreuze en kalkhoudende gesteenten, zoals Euville en Savonnières, treedt dit sterker op dan bij niet poreuze en kalkloze gesteenten, zoals graniet. Als een aantasting eenmaal is ontstaan zal deze gewoonlijk niet meer verdergaan, omdat de aanwezige korstmosbedekking de onderlaag als het ware beschermt. Bepaalde zachtere gesteenten verweren zonder korstmossen zelfs sneller dan met korstmossen. Dit is soms goed zichtbaar: de korstmossen groeien dan op ‘eilandjes’ die 0,5 tot 1,5 millimeter hoger zijn dan het kale gesteente ernaast. De verwering van het gesteente wordt deels veroorzaakt door de natuurlijke invloed van vocht, opwarming door de zon, en vorst, en deels door de effecten van zure regen, waardoor kalk geleidelijk oplost. Ook de aantasting door algen of een dunne mosbegroeiing is gewoonlijk ondiep. Bij een dikke mosbegroeiing gaat de aantasting echter vaak langzaam dieper, niet direct door de mossen zelf, maar doordat de begroeide plaatsen langer vochtig blijven. ==Maatregelen== Afhankelijk van hoe schadelijk het organisme is en in hoeverre de beleving van de aanwezigheid van korstmossen, mossen en algen als storend wordt ervaren, kan na raadpleging van een (natuur- of baksteen)specialist besloten worden tot maatregelen. Hierbij kan gekozen worden tussen verwijdering en bestrijding. Onder verwijdering wordt het wegnemen van de begroeiing verstaan, bijvoorbeeld met een hogedrukreiniger, door borstelen of door afschrapen. Onder bestrijding wordt het doden van de begroeiing verstaan, bijvoorbeeld met stoom. ===Verwijdering=== Het verwijderen van korstmossen is alleen raadzaam indien de begroeiing de monumentale uitstraling van het monument bedreigt en als het technisch noodzakelijk is. Verwijdering is alleen zinvol als er vervolgens regelmatig onderhoud plaatsvindt. ====Borstelen, stomen==== Algen kunnen door hun zeer oppervlakkige groei gewoonlijk zonder problemen verwijderd worden. Kleine oppervlakken kunnen worden behandeld door nat of droog te borstelen, grote oppervlakken door te stomen. De kans is echter groot dat de algengroei, bij ongewijzigde omstandigheden, spoedig terugkeert. Soms is het mogelijk de omstandigheden te veranderen, bijvoorbeeld door in te grijpen in de vochtigheid of de beschaduwing. Het snoeien van takken en struiken kan dan al een oplossing bieden. ====Ondergrond==== In geval van verwijdering van korstmossen wordt meestal ook een klein laagje van de ondergrond verwijderd. Omdat er op het kale oppervlak opnieuw een vestiging zal plaatsvinden, is verwijdering alleen zinnig als het ook regelmatig bijgehouden wordt en nieuwe aangroei wordt tegengegaan. In ieder geval moet worden vermeden dat er elke keer opnieuw een laagje van de ondergrond verdwijnt, waardoor op den duur de ondergrond zijn vorm verliest. Dit is vooral nadelig bij bouwwerken die daarvoor gevoelig zijn, zoals beelden, platen met inscripties en andere reliëfrijke oppervlakken, in het bijzonder als het object uit een kalkrijk of poreus gesteente bestaat. Bij het verwijderen van mosbegroeiing wordt er minder snel een deel van de ondergrond meegenomen. Als er een gesloten mosbedekking aanwezig is van kruipende mossen (slaap- of levermossen), dan kan deze meestal zonder schade simpelweg met een plamuurmes verwijderd worden. Gewoonlijk zijn dergelijke mossen slechts losjes aangehecht. Kussentjes van rechtopgroeiende mossen kunnen ofwel met een plamuurmes ofwel met een stevige, droge kokos- of kunststofborstel worden verwijderd. Een dunne, ijle begroeiing van rechtopgroeiende mossen is meestal moeilijker weg te nemen. Het wordt afgeraden om dergelijke mossen met een hogedrukreiniger te verwijderen, omdat de kracht van de straal bij kwetsbare bouwwerken leidt tot mechanische schade, bijvoorbeeld bij muren met zwakke voegen. Het water zelf leidt bovendien vaak tot vervolgschade, zoals vochtoverlast en schimmel aan de binnenzijde van de muur. Bestrijding door middel van stomen is dan een betere oplossing. ===Bestrijding=== Bestrijding van een algen-, korstmos- of mosbegroeiing kan door middel van stomen, vriesdrogen en eventueel met chemische middelen. In bepaalde gevallen kan het wenselijk zijn om de groei van korstmossen en mossen te bevorderen. ====Stomen==== Bestrijding van een algen-, korstmos- of mosbegroeiing kan in beginsel plaatsvinden door middel van stomen. Algen, mossen en korstmossen in natte toestand overleven niet bij temperaturen boven de 70 graden Celsius. Het stomen moet bij voorkeur plaatsvinden op droge ondergronden bij warm weer, boven de 15 graden Celsius. Alleen dan treedt er in voldoende mate een verhitting op, zodat de begroeiing ook binnenin helemaal afsterft. Het voordeel van deze methode is dat de ondergrond ongemoeid blijft. Bij horizontale oppervlakken, zoals grafzerken, moeten dode resten na een tijdje met een droge borstel zorgvuldig worden verwijderd, omdat bij onvolledige verwijdering witte vlekken kunnen ontstaan. Deze witte vlekken zijn dode korstmossen die na verloop van tijd nauwelijks meer te verwijderen zijn. ====Vriesdrogen==== Bij de bestrijding van een algen-, korstmos- of mosbegroeiing wordt vriesdrogen met koudijs afgeraden. De meeste soorten zijn namelijk bestand tegen extreme omstandigheden. Vriesdrogen heeft daarom geen effect, terwijl vochtige bouwwerken hiervan wel schade kunnen ondervinden. ====Chemische middelen==== Het gebruik van chemische middelen voor de bestrijding van een algen-, korstmos- of mosbegroeiing wordt afgeraden, omdat sommige middelen juist voedingsstoffen voor korstmossen kunnen bevatten. Vaak bevatten dergelijke middelen chloorverbindingen, waaruit later schadelijke zouten worden gevormd. Voor organische, afbreekbare (en voor het milieu minder belastbare) oplossingen geldt over het algemeen dat ze prima algen kunnen doden, maar dat er een ondergrond wordt gecreëerd waarop algen en dus ook korstmossen goed gedijen. Grafmonumenten en -beelden worden tegenwoordig jaarlijks schoongemaakt met een algendoder (vaak op basis van ammoniak). Het materiaal blijft er relatief schoon van, maar over het effect van de algendoders op de stenen ondergrond en hoe schadelijk dat is op de lange termijn, is op dit moment nog weinig bekend. Het is beter de steen schoon te maken met een pH-neutrale zeep en water. Korstmossen gedijen hier ook niet goed bij. ===Groei bevorderen=== Het kan wenselijk zijn om de groei van korstmossen en mossen te bevorderen. Op nieuwe en gerestaureerde muren kunnen in bijzondere gevallen maatregelen tot versnelling van de aangroei gewenst zijn om de muren een ouder aanzien te geven. Soms vallen kale, nieuwe of gerestaureerde muren uit de toon bij een begroeid oud bouwwerk, bijvoorbeeld bij een ruïne, of in een natuurlijke omgeving. In het algemeen zal de kolonisatie sneller verlopen op ruwe oppervlakken, omdat partikeltjes van mossen en korstmossen die met stof in de lucht aangevoerd worden, zich hierop gemakkelijker hechten. Daarnaast treedt er snellere kolonisatie op als er extra voedingsstoffen voor de organismen aangebracht worden. Dit kan worden bereikt door yoghurt, karnemelk of bier op te brengen, gemengd met een kleine hoeveelheid polyvinylacetaat. Dit is een bindmiddel, dat zorgt voor een betere hechting over een lange periode. De behandeling moet ongeveer vier keer per jaar worden uitgevoerd. Na een jaar worden de eerste resultaten zichtbaar. Sterk basische ondergronden, zoals beton, kunnen eerst aangezuurd worden met bijvoorbeeld verdunde koeienmest. ===Bescherming=== Het is belangrijk om te beseffen dat (korst)mossen niet verwijderd mogen worden, als het om beschermde soorten gaat. Monumenten kunnen belangrijke vindplaatsen zijn van zeldzame mossen en korstmossen. Van algen is dit niet bekend. Ons land heeft zich met internationale verdragen verplicht om de aanwezige biodiversiteit te beschermen. Op grond hiervan zijn alle bedreigde en kwetsbare mossen en korstmossen in Nederland op een zogenoemde Rode Lijst geplaatst. Dat de positie van onze korstmossen precair is, blijkt uit het feit dat van de bijna zevenhonderd soorten die in ons land waargenomen zijn ongeveer de helft op de Rode Lijst staat. Het is raadzaam een deskundig bureau een inventarisatie van de mossen en korstmossen op een monument te laten uitvoeren, zodat duidelijk wordt of het monument groeiplaats is van een soort op de Rode Lijst. Indien er belangenconflicten zijn met de monumentale bescherming, dan zullen de belangen afgewogen moeten worden. Soms is het mogelijk alternatieve groeiplaatsen aan te bieden of de desbetreffende begroeide steen elders te handhaven. ==Vergunning en subsidie== Het is goed om te beseffen dat sommige methoden om algen, mossen en korstmossen te verwijderen, schade kunnen veroorzaken aan het monument. Het beschadigen van beschermde monumenten is verboden. Behalve de fysieke schade kan ook de monumentale uitstraling van het monument bij reiniging of verwijdering in negatieve zin wijzigen. Voor het reinigen dan wel verwijderen van algen, mossen en korstmossen waarbij er kans op schade bestaat, is dan ook een omgevingsvergunning vereist. De gemeente beoordeelt per geval of een vergunning inderdaad vereist is, en kan daar vervolgens voorschriften aan verbinden om mogelijke schadelijke (neven)effecten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Wanneer algen, mossen of korstmossen zelf schade toebrengen aan delen of onderdelen van monumenten kan het soms nodig zijn deze te verwijderen. Voor het op veilige wijze verwijderen ervan kan bij een rijksmonument in beginsel instandhoudingssubsidie worden aangevraagd. Om te voorkomen dat er bijzondere soorten verwijderd worden of dat er schade aan de ondergrond wordt toegebracht, is de inschakeling van deskundigen op het gebied van mos en de desbetreffende ondergrond vereist. Die kosten zijn in beginsel ook subsidiabel. Of er subsidie kan worden aangevraagd en, zo ja, hoe en vanaf welk bedrag, hangt af van het soort monument. Zie voor meer informatie de website www.cultureelerfgoed.nl. ==Nuttige adressen== * Adviesbureau voor Bryologie en Lichenologie Gerrit van der Veenstraat 107, 3762 XK Soest (035) 60 27 417, [https://www.tuugo.nl/ www.tuugo.nl] * [https://www.blwg.nl/ Bryologische en Lichenologische Werkgroep]  
==Bijzondere crypte== Aan weerszijden van de kerk bevinden zich vlak boven het maaiveld twee kleine openingen. Van hieruit kan men een blik werpen op de crypte onder de kerk. In de crypte bevinden zich een aantal doodskisten met mummies. De crypte is sinds 1849 niet meer toegankelijk. ===Quickscan=== In 2019 is een quickscan gemaakt van de crypte en een van de mummies. Beide quickscans zijn uitgevoerd door drs. N.T.D. Eeltink van Aestimatica Archeologisch en Cultuurhistorisch Adviesbureau. Het bijzondere verhaal van de crypte en de mummies is nu met deze rapporten ontsloten.  +
==Restauratie== De eerste restauratie dateert van ca. 1987-1991. Het pand kwam deels leeg te staan. Er werd afgezien van sloop en besloten om het pand te restaureren/renoveren. De voorwaarde was dat een deel van het omliggend terrein verkocht werd ten behoeve van kantoorbouw, en dat het weeshuis gerenoveerd zou worden door Hannie en Aldo van Eyck. Na renovatie was het Burgerweeshuis deels nog weeshuis en deels huisvesting voor het Berlage Instituut. Tot 1993 is het weeshuis geweest. Daarna volgde de tweede restauratie: van 1993 tot 1995.  +
==Kerk== In 1643 kreeg Nieuwendam een eenvoudige kerk met een klein torentje. De kerk is vooral bekend van afbeeldingen, want in 1848 werd begonnen met de vervanging van de kerk. Deze kwam gereed in 1849 en was iets zuidelijker opgetrokken, zodat er wat meer ruimte voor het kerkhof ontstond. ==Kerkhof== Het kerkhof dat in 1643 werd aangelegd bij de eerste kerk was waarschijnlijk niet erg groot. Het werd steeds opgehoogd en bood voldoende ruimte voor de bewoners van Nieuwendam. Het huidige kerkhof kreeg zijn vorm met name na de overname door de gemeente Nieuwendam in 1829. Later volgde nog een keer een uitbreiding en werd de huidige omvang bereikt. Het kerkhof kent feitelijk twee delen, verdeeld door een grindpad. Er ligt nog een groot aantal zerken voor families die verwijzen naar de geschiedenis van Nieuwendam.  +
== Parijs == In 1765 vertrok zij naar Parijs voor het grote succes. Gedeeltelijk lukte dat. Zij werd de allereerste vrouw die werd toegelaten tot de Académie des beaux-arts. Anderzijds lukte het haar niet om grote opdrachten van het hof te verwerven. Diderot, die haar goed kende, schreef in zijn dagboeken over haar dat zij talent genoeg had, maar dat het haar ontbrak aan jeugdigheid, schoonheid, bescheidenheid en koketterie. Verder vond hij ook dat zij niet toegefelijk genoeg was tegenover haar opdrachtgevers. Toch was Diderot haar goed gezind. Toen hij haar een portretopdracht gaf, waarop hij met een ontblootte schouders moest worden afgebeeld, merkte hij tijdens het gekleed poseren dat zij moeite had met het schilderen van de schouders. Hij trok zich vervolgens terug achter een gordijn, ontkleedde zich en ging geheel naakt door met poseren. Anna Dorothea bedankte hem voor zijn attente medewerking en voltooide vervolgens het portret. ==Den Haag== In oktober 1768 verliet Anna Dorothea Parijs en reisde zij via Brussel naar Den Haag. Haar zus Anna Rosina had toen net haar verblijf van ongeveer zes maanden in Den Haag beëindigd en bevond zich al in Braunschweig. Anna Dorothea zal zeker voordeel gehad hebben aan de vele contacten die haar zuster in Den Haag had opgedaan. Zo kwam Anna Rosina vaak bij op bezoek op het Noordeinde bij Philip Frederik Tinne, assistent-griffier van de Staten-Generaal, en buurman van griffier Mr. Hendrik Fagel. Diens zoon François Fagel, sinds 1767 adjunct-griffier, was getrouwd met Anna Maria Boreel. ==Anna Maria Boreel== Anna Maria was een dochter van Jacob Boreel en groeide op in Amsterdam en op Huis Beeckestijn in Velsen. In Velsen trouwde zij op 14 april 1764 met François Fagel. Uit hun huwelijk werden zeven kinderen geboren. François overleed in 1773 op relatief jonge leeftijd. Anna Maria overleed enkele jaren later op 15 juli 1781 in het kuuroord Bad Pyrmont, tijdens een reis door Duitsland. Volgens de kuurarts was zij overleden door het eten van aardbeien direct na het drinken van een glas helder bronwater. Ter nagedachtenis aan Anna Maria lieten de families Fagel en Boreel een kleine, ronde tempel bouwen in het park van het kuuroord, dat nu bekend staat als de ‘Erdbeertempel’. ==Het portret== Het ovale portret van Anna Maria Boreel is in 1961 geschonken als onderdeel van de Collectie Fagel door Leopold, graaf van Limburg Stirum. De toeschrijving aan Anna Dorothea Lisiewska is van de kunsthistoricus Adolph Staring, die onder meer gepubliceerd heeft over in de 18de eeuw door Franse kunstenaars vervaardigde portretten van Nederlanders. Het portret van Anna Maria is sinds 2019 te zien in het Huis Beeckestein in Velsen. ''Tekst: Eric Domela Nieuwenhuis'' In de Rijkscollectie RCE is van Anna Dorethea Lisiewska 1 portret beschikbaar voor bruikleen.  
==De emancipatie van textiel== Als een van de oudste studenten was Anna eigengereid. Ze ging haar eigen gang en paste de regels van docenten zo nodig aan. En zo besloot ze na twee jaar academie dat de opleiding haar niet voldoende uitdaging gaf. Gesteund door kunstschilder Hans Verweij die zij dat jaar had ontmoet, verliet ze in 1957 de opleiding. In 1959 trok Anna in bij Hans Verweij in, in een voormalige fietsenstalling die op de nominatie stond gesloopt te worden. Het was tochtig en vochtig en de ruimte om er te werken was beperkt, toch gebruikten Anna en Hans de kleine woning ook als atelier. Aanvankelijk maakte Anna wandkleden geïnspireerd op stromingen in de moderne kunst. Haar werk werd, zeker in de beginperiode, gezien als het equivalent van wat haar mannelijke kunstenaars maakten in het Rotterdamse kunstwereld. Anna was verknocht aan haar materiaal. Textiel was tot vlak voor die tijd nog voorbehouden aan huisvlijt. Maar Anna zette het borduren, haken, breien en naaien in om objecten te maken waarin illusies en desillusies van het aardse bestaan werden vastgelegd. De pogingen van Hans Verweij om haar over te halen ook te gaan schilderen heeft ze altijd stellig afgehouden. ==Rotterdamse kunstkringen== De expositiemogelijkheden waren beperkt in de jaren zestig in Rotterdam, maar Anna’s relatie met Hans Verweij bracht haar midden in het kleine Rotterdamse kunstenaarscircuit. Via de vrienden bij de Nederlandse Kunststichting en galerie Delta kreeg Anna vele expositiegelegenheden in Rotterdam. Zo was Anna onder andere deelnemer van een overzichtstentoonstelling over textielkunst in De Doelen in 1969. Op deze tentoonstelling waren de werken van Anna en Ferdi (Tajiri-Jansen) te zien in een kleine groepstentoonstelling. Hun werk had net als van de andere exposanten Jan van Munster, Frans Peeters en Mathieu Ficheroux, betrekking op het menselijk lichaam. Maar door hun gebruik van zachte stoffen, organische vormen onderscheidden het werk van Anna en Ferdi zich van het koele objectivisme van de andere kunstwerken. ==Internationale presentaties== Na 1970 trad Anna ook internationaal op de voorgrond. In 1975 werd haar inzending voor de zevende Biënnale Internationale de la Tapisserie gehonoreerd en niet lang daarna, in 1979, kreeg ze haar eerste museale presentatie in het Stedelijk Museum Amsterdam. Ze legde ze zich steeds meer toe op de betekenis en de lagen in haar werk. Soms was dit letterlijk zichtbaar doordat lagen stof van elkaar waren afgepeld. ==Pioniersrol== In 1978 werd er bij Anna kanker geconstateerd. De wetenschap dat het leven spoedig zou eindigen, heeft vermoedelijk ook veel invloed gehad op haar laatste werken. Tot haar overlijden in 1980 heeft ze nog veel werk gemaakt. Met terugwerkende kracht kunnen er vele dubbele lagen in haar werk worden gezien die wijzen op een bewustzijn of een onbewust gevoel van haar korte bestaan. Anna heeft een pioniersrol vervuld in de emancipatie van het materiaal. Ze heeft de weg vrijgemaakt voor kunstenaars om te kiezen voor het handwerk in hun beeldende taal. De kunst van Anna is nog steeds actueel, krachtig en van deze tijd. ''Tekst: Daphne Nieuwenhuijse'' In de Rijkscollectie RCE zijn van Anna Verschuure 7 objecten beschikbaar voor bruikleen.  
== De oudste Molukse kerk in Nederland == Na de onafhankelijkheid van Indonesië werden de Molukkers in Nederland ondergebracht in kampen die ‘woonoorden’ werden genoemd. De eerste Molukse woonwijk werd gebouwd in Appingedam in Groningen, waar in 1959/1960 gezinnen werden gehuisvest uit het woonoord Schattenberg (voormalig kamp Westerbork) en het woonoord in de Carel Coenraadpolder. Er ontstond in de wijk behoefte aan een eigen kerkgebouw. Voor de bouw van de kerk is door de gemeente Appingedam een perceel beschikbaar gesteld. De bouw werd gefinancierd door de staat en de kerk werd in 1960 geopend. In 1989 werden de Molukse kerken in Nederland door de staat afgestoten. Aan deze kerk was achterstallig onderhoud en in 2011 werd de status van rijksmonument aangevraagd, die in 2013 werd verleend. In hetzelfde jaar werd de kerk overgedragen aan de Stichting Oude Groninger Kerken.'"`UNIQ--ref-0000002A-QINU`"' In 2017 is de kerk gerestaureerd, geconserveerd en versterkt in verband met de aardbevingen in Groningen. De kerk wordt vandaag gebruikt door Geredja Indjili Maluku (Molukse evangelische kerk) en door Nood Protestant Maluku di Belanda maart '53 (Nood Gemeente Protestant Maluku). In de kerk is een infomatiecentrum over de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland.'"`UNIQ--ref-0000002B-QINU`"'.  +
Daarnaast kan hout gebruikt worden voor dendrochronologisch onderzoek en C14-dateringen. Hout was in het verleden bouwmateriaal en grondstof voor tal van objecten. Van boomstamkano's tot ossenkarren en van spinnenwielen, fuiken, tot kuipen: een heel groot deel van de huis-, vervoer- en ambachtenuitrusting werd van prehistorie tot nieuwe tijd gemaakt van hout. Bestudering van houtvondsten levert daarom belangrijke informatie op over het dagelijks leven van mensen. Houtvondsten geven daarnaast inzicht in de aanwezige bosbestanden, herkomst van hout en de eventuele invloed van mensen daarop door beheer en handel. ==Kansen en beperkingen== Door hoge waterstanden in delen van Nederland is relatief veel hout bewaard gebleven, waardoor ons land een verantwoordelijkheid heeft voor deze kwetsbare archeologische materiaalgroep. Houtvondsten worden daarom bij voorkeur direct in het veld door de houtspecialist bekeken. Bouwhout en houten objecten leveren niet alleen inzicht in de technische vaardigheden van mensen en in de exploitatie van bosbestanden in de leefomgeving, maar ook in uitwisselings- en handelsnetwerken en in rituele handelingen. Lang niet altijd is hout goed bewaard gebleven, maar wanneer dit wél het geval is, geeft het een glimp van wat we normaliter aan data missen. ==Hoe verzamel je hout?== * Bescherm het direct na blootlegging tegen uitdroging. * Onder leiding van de houtspecialist worden houten constructies en gebruiksvoorwerpen: ** in het veld gedocumenteerd en per element genummerd en op veldtekeningen ingemeten; ** in het veld gemeten, beschreven, gefotografeerd en getekend (bouwelementen), of gelicht (gebruiksvoorwerpen; ** van samengestelde gebruiksvoorwerpen als vlechtwerk worden representatieve monsters genomen. * De houtspecialist neemt vervolgens: ** een houtmonster voor houtsoortdeterminatie; ** indien relevant een houtmonster voor vegetatieonderzoek, dendrochronologie en C14-onderzoek. * Eventuele conservering vindt plaats na onderzoek door de houtspecialist. ==Combineren met andere methoden== Het combineren van houtonderzoek met dendrochronologie, C14-, houtskool-, palynologisch, en macrorestenonderzoek levert aanvullende informatie op over fasering, ontwikkeling in technologische vaardigheden en veranderingen in de leefomgeving al dan niet als gevolg van het houtgebruik. Als hout in vooronderzoek wordt vastgesteld dan is dat een belangrijk gegeven in het vaststellen van de potentiële kwaliteit van botanische resten. Het ontbreken ervan betekent echter niet dat er geen hout tijdens een vervolgonderzoek (bv. opgraving) zal worden aangetroffen. ==Hoe interpreteer ik mijn resultaten?== Na het meten en beschrijven van de vondsten, het determineren van de houtsoorten en na eventuele datering en fasering met behulp van dendrochronologie en C14-onderzoek, worden de resultaten geanalyseerd en geïnterpreteerd. Daarvoor is contextinformatie onontbeerlijk en zijn gegevens uit andere materiaalgroepen en discussie met andere onderzoekers een belangrijk hulpmiddel. Ook gegevens uit de literatuur zijn waardevol voor de interpretatie. Resultaten van houtonderzoek worden weergegeven in een rapport voor interpretatie door de houtspecialist. Over het algemeen wordt een dergelijk onderzoek opgenomen als apart hoofdstuk in een rapport of monografie. ==Resultaten delen== Bijzonder bouwhout en bijzondere objecten dienen geconserveerd te worden voor toekomstig onderzoek en museale doeleinden, want niet geconserveerde houtvondsten gaan onherroepelijk verloren. Van bijzondere houtsoorten wordt een vast preparaat gemaakt als bewijsmateriaal. Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het [https://easy.dans.knaw.nl/ e-depot voor de Nederlandse archeologie] . De gebruikte methodes voor zowel het verzamelen van bouwhout en objecten in het veld, voor het opmeten en beschrijven van houtvondsten in het laboratorium, als voor de houtsoortdeterminaties worden in de basisrapportage en in de database WOODAN.org vastgelegd. Zo zijn alle gegevens beschikbaar voor vervolgonderzoek, maar ook voor vergelijking met onderzoek op andere vindplaatsen. Specialistisch onderzoek wordt bij voorkeur opgezet als onderdeel van interdisciplinair archeologisch onderzoek, waarbij de verschillende deelstudies in samenhang met overkoepelend onderzoek worden uitgevoerd, geïnterpreteerd en gerapporteerd. ==Lees verder== * Kooistra, L.I. & 0. Brinkkemper 2016: Archeologie en resten van planten, KNA Leidraad Archeobotanie, 51KB. * Lange, 5., 2017: [https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2017/01/01/uit-het-juiste-hout-gesneden Uit het juiste hout gesneden] Houten gebruiksvoorwerpen uit archeologische context tot 1300 n.Chr., Amersfoort (Nederlandse Archeologie Rapporten 54). * Lange, 5., 2021: [https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2021/01/01/the-wooden-artefacts-from-the-early-roman-fort-velsen-1 The assemblage of wooden artefacts] (from the Roman outpost and harbour Velsen 1, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 69). * Rijkelijkhuizen, M. & 5. Jongma 2020: 'Niet al het hout is timmerhout, houten gebruiksvoorwerpen uit Delftse bodem' Archeologie Delft, Delft. ''Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van de houtsectie van BIAX Consult, Roel Lauwerier en Bjørn Smit.''  
Houtskool werd bovendien bewust gemaakt om als brandstof bij bijvoorbeeld ijzerwinning te dienen. Tot slot ging er per ongeluk of expres om de mens heen veel hout (vegetatie, brand-/constructiehout, houten voorwerpen, etc.) in vlammen op. Houtskool blijft onder bijna alle omstandigheden uitstekend bewaard, is goed in het veld te herkennen en is daarom ook een geschikte indicator om de aanwezigheid van de mens in het verleden aan te tonen in het voortraject van de monumentenzorg-cyclus. Alleen bij intensief betreden loopoppervlakken en onder extreem basische omstandigheden (zeldzaam in Nederland), verpulvert houtskool of valt het tot stof uiteen. ==Kansen en beperkingen== Houtskool is het tastbare bewijs van de belangrijkste brandstof in het verleden: hout. De informatiewaarde van houtskool is echter meer dan dat alleen. Bij inventariserend veldonderzoek is de aanwezigheid van houtskool een aanwijzing voor een archeologische vindplaats. Bij een archeologisch onderzoek kan houtskool informatie verschaffen over de functie van haarden, ovens of activiteiten waarbij vuur een rol gespeeld heeft. Houtskool levert tevens gegevens op over bossen en struwelen in de nabije omgeving. De materiaalcategorie is daarnaast geschikt voor 14C-dateringsonderzoek. Daarvoor is evenwel een determinatie van de houtsoort en het boomonderdeel nodig omdat sommige boomsoorten enkele honderden jaren oud kunnen worden. Houtskoolresten zijn meestal kleiner dan enkele kubieke centimeters. Een enkele keer wordt in het veld een verkoold object gevonden. Voor het bergen hiervan is de hulp van een hout(skool) specialist nodig. Voor houtskoolonderzoek door de specialist is een nauwkeurige weegschaal en een opvallend-lichtmicroscoop met donkerveldverlichting, vergrotingen tot 400x en een grote werkafstand tussen object en objectief nodig. ==Hoe neem je een monster?== * Verzamelen in representatieve grondmonsters van vijf tot tien liter uit houtskoolrijke archeologische sporen en vondstlagen. * Met name bij steentijdopgravingen wordt alle grond (meestal per vak) gezeefd op zeven van 10 en 2 en/of 4 millimeter; dit levert tevens informatie over houtskool en andere verkoolde resten (vaak voedselresten). Zijn de monsters ook voor macrorestenonderzoek dan zijn zeven met 0,25 en 0,5 millimeter nodig. * Handmatig verzamelen (doorgaans van uitsluitend grote fragmenten) is in de meeste gevallen niet geschikt, omdat de verschillende houtsoorten tijdens het verbrandingsproces gereduceerd kunnen worden tot resten van een specifieke grootte. De in kleinere stukken uiteengevallen soorten worden dan stelselmatig gemist, terwijl zij een specifieke soort kunnen representeren. * De zeefresiduen van grondmonsters en zeefvakken worden gedroogd en droog opgeslagen. De opslag vindt bij voorkeur in potten plaats om druk op de houtskool te voorkomen. ==Combineren met andere methoden== Het combineren van houtskoolonderzoek met 14C-, hout-, palynologisch, en macrorestenonderzoek levert aanvullende informatie op over het houtgebruik en het brandstofgebruik door de mens en diens leefomgeving. Houtskool is een belangrijke (aanvullende) parameter als het gaat om het detecteren van een archeologische vindplaats in booronderzoek en kan zo leiden tot een vervolgadvies binnen de monumentenzorg-cyclus. Tijdens opgravingen is houtskool een goede indicator voor de potentiële aanwezigheid van andere verkoolde plantenresten, waaronder voedselresten. Een interdisciplinaire benadering versterkt daarbij de kwaliteit van de resultaten. ==Hoe interpreteer ik mijn resultaten?== Nadat monsters gezeefd en gedroogd zijn, onderzoekt een archeobotanicus met houtskool als specialisatie een representatief aantal houtskoolfragmenten. Daarbij wordt een opvallend-lichtmicroscoop met donkerveldverlichting, vergrotingen tot 400x en een grote werkafstand tussen object en objectief en een nauwkeurige weegschaal gebruikt. De interpretatie van de resultaten wordt door de betreffende specialist uitgevoerd. Daarvoor zijn goede dateringen en contextinformatie onontbeerlijk. Het heeft meerwaarde als de resultaten vergeleken kunnen worden met die uit andere deelgebieden van de archeobotanie, 14C-onderzoek en het andere archeologische onderzoek. De specialist zal tevens een rapport of hoofdstuk voor het eindrapport van een definitief onderzoek aanleveren. ==Resultaten delen== Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het e-depot voor de Nederlandse archeologie: https://easy.dans.knaw.nl/. De gebruikte methodes, methode van monstername en behandeling, hoeveelheden monsters en metingen, relativering van data-precisie, en eventuele overwegingen/aanpassingen worden gerapporteerd. Deze zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met onderzoek op andere sites. ==Lees verder== * Deforce, K., B.J. Groenewoudt & K. Haneca 2020: 2500 years of charcoal production in the Low Countries: the chronology and typology of charcoal kilns and their relation with early iron production, Quaternary International 2021, doi:10.1016/j.quaint.2020.10.020. * Kooistra, L.I., 2006: Wood and charcoal, in: L.P. Louwe Kooijmans & P.F.B. Jongste (red.), Schipluiden, a Neolithic settlement on the Dutch North Sea coast c. 3500 cal BC, Analecta Praehistorica Leidensia 37/38, 363-374. * Kooistra, L.I. & O. Brinkkemper 2016: Archeologie en resten van planten, KNA Leidraad Archeobotanie, SIKB. * Kubiak-Martens, L., J.J. Langer, L.I. Kooistra & L.A. Tebbens 2019: Teer en bitumen uit mesolithische sporen, in I. Woltinge, M. Opbroek, L.A. Tebbens, I. Devriendt & E. Drenth, Mesolithisch verblijf en maretakspitsen aan de Staringlaan te Soest. De opgraving van een mesolithische ‘persistent place’, ’s-Hertogenbosch (BAAC-rapport A-15.0124), 641-657 ''Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van de houtsectie van BIAX Consult, Roel Lauwerier en Bjørn Smit.''  
Botanische macroresten geven zo inzicht in en dragen bij aan beantwoording van onderzoekvragen over de variëteit van (plantaardige) voedingsmiddelen die men in het verleden consumeerde, cultuurgewassen die men introduceerde en verbouwde, en agrarische en ambachtelijke activiteiten die men ontplooide. Met name vanaf de Romeinse tijd geven macroresten een beeld van handel of status omdat vanaf die tijd voedingsmiddelen op grote schaal en over grote afstanden verhandeld en verplaatst werden. Daarnaast geven macroresten inzicht in vegetatie en milieuomstandigheden op en rondom een vindplaats, de wilde planten die werden verzameld en de invloed van de mens op zijn leefmilieu. ==Kansen en beperkingen== In contexten die, direct na afdekking, onder de grondwaterspiegel liggen, zijn de conserverende omstandigheden voor botanische macroresten (evenals hout en palynologische resten) over het algemeen zeer goed. Boven de grondwaterspiegel blijven veelal alleen verkoolde macroresten (en houtskool) bewaard. Bij inventariserend veldonderzoek kunnen macroresten gebruikt worden voor het vaststellen van aanwezigheid en kwaliteit van bio-archeologische indicatoren. Omdat in het veld macroresten meestal niet zichtbaar zijn, worden bij een opgraving monsters veelal op basis van een ‘best educated guess’ genomen. Het aantal monsters is afhankelijk van de vraagstellingen in het PvE, op basis waarvan een beredeneerde bemonster strategie wordt opgesteld in afstemming met de specialist. Er worden altijd meer monsters genomen; in de evaluatiefase wordt bepaald welke monsters het meest geschikt zijn ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Nieuwe methodieken zoals rasterelectronenmicroscopie (SEM) leiden ertoe dat wortel- en knolweefsel (parenchym) en minuscule plantenfragmenten in voedselresten op aardewerk steeds vaker tot op soortniveau worden gedetermineerd. In combinatie met chemische analyse, leren voedselresten ons over de samenstelling en bereidingswijze van voedsel. Isotopenonderzoek aan verkoold graan levert informatie over bemestingswijzen in het verleden. Op basis van macrorestenonderzoek wordt bovendien een weloverwogen keuze gemaakt welke plantenresten het meest geschikt zijn voor C14-datering van een bepaalde context. ==Hoe neem je een monster?== Monsters voor macrorestenonderzoek worden genomen uit Algemene Biologische Monsters (ABM) die ook gebruikt kunnen worden voor onderzoek aan andere organische materialen zoals houtskool, schelpen, insecten, mijten en resten van kleine zoogdieren, vogels en vissen. ABM hebben een volume van 5 tot 10 liter, worden met een schone troffel of schep verzameld in afsluitbare, schone emmers en met leidingwater gezeefd over een minimale maaswijdte van 0,25 mm. Botanische macroresten uit Algemene Zeefmonsters (AZM) zijn vanwege het gebruik van een minimale maaswijdte van 4 of 2 mm niet geschikt voor regulier macrorestenonderzoek, maar kunnen wel aanvullend worden ingezet bij omvangrijke spoorcomplexen zoals beerputten en vondstlagen van pre-agrarische vindplaatsen of voor C14-dateringsonderzoek. Aardewerkvondsten met voedselresten (in de vorm van aankoeksels en residuen) worden ongewassen overgedragen aan een botanisch specialist. ==Combineren met andere methoden== Het onderzoek naar plantenresten is het meest effectief als de verschillende disciplines, waar mogelijk, gecombineerd worden. Het volledige archeobotanisch onderzoek omvat het onderzoek naar hout, houtskool, palynologische resten, macroresten en voedselresten op aardewerk. Tezamen dragen deze disciplines in hoge mate bij aan de reconstructie van de dagelijkse praktijk van bewoning en gebruik van de onderzochte vindplaats. Een interdisciplinaire benadering versterkt daarbij de kwaliteit van de resultaten. ==Hoe interpreteer je de resultaten?== De aangetroffen plantensoorten worden ‘vertaald’ naar vermoed gebruik (cultuurgewassen) en ecologische groepen op basis van de huidige relatie tussen soorten en leefmilieus (wilde planten). In combinatie met de resultaten van het gehele archeologisch onderzoek en in vergelijking, en bij voorkeur samen met de andere specialisten/onderzoekers, met onderzoek van andere vindplaatsen worden de resultaten geïnterpreteerd en bediscussieerd en onderzoeksvragen beantwoord. ==Resultaten delen== Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het e-depot voor de Nederlandse archeologie: [https://easy.dans.knaw.nl easy.dans.knaw.nl]. Resultaten worden tevens gedeeld in de nationale database RADAR (Relational Archaeobotanical Database for Advanced Research). Deze resultaten, evenals de gebruikte methoden van monstername, selectie en behandeling, hoeveelheid monsters en analyse- en uitwerkingsmethoden worden gerapporteerd. Deze zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor vergelijking met onderzoek op andere vindplaatsen. Specialistisch onderzoek wordt bij voorkeur opgezet als onderdeel van interdisciplinair archeologisch onderzoek, waarbij de verschillende deelstudies in samenhang met overkoepelend onderzoek worden uitgevoerd, geïnterpreteerd en gerapporteerd. ==Lees verder== * Kooistra, L. (red.) 2021: Verandering van spijs, tienduizend jaar voedselbereiding en eetgewoonten, Utrecht. * Kooistra, L.I. & O. Brinkkemper 2016: Archeologie en resten van planten, KNA Leidraad Archeobotanie, SIKB. * SIKB 2018: KNA Protocol 4004 Opgraven, versie 4.1 ''Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van specialisten van BIAX Consult, Roel Lauwerier en Bjørn Smit.''  
Zowel bomen als kruidachtigen produceren stuifmeelkorrels die met microscopisch onderzoek tot op de soort te herkennen zijn. Pollen van windbestuivers wordt jaarlijks in grote hoeveelheden geproduceerd en verspreid over de hele omgeving. Met name in natte contexten zoals in veen- en kleilagen, maar ook in organische vullingen van waterputten, grachten, afvalkuilen, mestkuilen en beerputten blijft pollen goed bewaard. Zelfs aan meer zandige lagen als akkerlagen of plaggendekken kan pollenonderzoek worden uitgevoerd. Pollen is namelijk zeer resistent tegen afbraak en kan duizenden jaren in de bodem bewaard blijven. Pollenonderzoek leent zich daarom zeer goed om een reconstructie te maken van de natuurlijke vegetatie en de invloed van de mens daarop in de loop der tijd. ==Kansen en beperkingen== De mens was op zijn natuurlijke omgeving aangewezen voor het verkrijgen van bouwmaterialen, voedsel en water. Waar de mens zich vestigde was afhankelijk van het landschap maar de mens richtte het landschap om zich heen ook in. Pollenanalyse van een monster of laag geeft een momentopname in de tijd. Door palynologisch onderzoek aan opeenvolgende lagen uit te voeren is het mogelijk een beeld te vormen van de veranderingen in vegetatie die mede door de aanwezigheid van de mens door de tijd heen ontstaan zijn. Zo kunnen er uitspraken gedaan worden over ontbossing ten gevolge van akkerbouw of ijzerproductie of het ontstaan van heidegebieden door (over)begrazing. Daarbij kan tevens bepaald worden wat de vegetatie bij een nederzetting was en welke gewassen er verbouwd of gegeten werden. Hierbij kunnen vragen over de natuurlijke omgeving, akkerbouw, tuinbouw, veeteelt of import van voedsel- en of gebruiksgewassen beantwoord worden. Bij het onderzoek naar beerputten kan de studie van pollen (in combinatie met macrorestenonderzoek) leiden tot uitspraken over de variëteit in dieet, rijkdom (wanneer luxe ingrediënten aanwezig zijn) en de eerste introductie van exotische vruchten of planten. ==Hoe neem je een monster?== Een profielbak (een metalen bak met gaten in de bodem) wordt in het veld in een profielwand geslagen. Ook kan materiaal verzameld worden met een (guts)boring of mechanische boring of uit een ABM-monster (zoals bij sporen als beerputten). In aanmerking komen bijvoorbeeld natuurlijke bodemlagen, met sediment opgevulde greppels, waterputten, poelen en kuilen maar ook veenpakketten of akkerlagen. Monsters kunnen het best ruim genomen worden (5-10 liter), zodat ook andere (archeobotanische) specialisten van dezelfde monsters gebruik kunnen maken. In het specialistische laboratorium wordt het materiaal verder bemonsterd waardoor er een reeks aan pollenmonsters ontstaat. De monsters worden vervolgens chemisch bewerkt voordat ze microscopisch worden geanalyseerd. Bij de bewerking wordt het materiaal geschoond en worden pollenpreparaten gemaakt waarin alleen microscopische kleine resten zoals stuifmeelkorrels, sporen en houtskoolstukjes aanwezig zijn. ==Combineren met andere methoden== Het onderzoek naar plantenresten is het meest effectief als verschillende disciplines waar mogelijk gecombineerd worden. Het volledige archeobotanische onderzoek omvat het onderzoek naar palynologische resten (pollen en andere microfossielen), hout, houtskool, macroresten en parenchym, waarbij informatie verzameld wordt over soorten, verhoudingen, gebruik, (geschiktheid voor) 14C-datering en dendrochronologie. Plantenresten kunnen al in het vooronderzoek gebruikt worden voor het vaststellen van de aanwezigheid van bio-archeologische indicatoren en zo leiden tot een vervolgadvies binnen de archeologische monumentenzorg cyclus. In deze initiële fase verdient het aanbeveling eerste een waardering uit te voeren. Zo kan vastgesteld worden of het materiaal van een voldoende kwaliteit is voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. De reconstructie van geconsumeerde gewassen, keuze van constructiehout, gebruik van specifieke houtsoorten voor werktuigproductie, toegankelijkheid van brandhout etc. dragen in hoge mate bij aan de reconstructie van het dagelijkse leven van de voormalige bewoners van een vindplaats. ==Hoe interpreteer ik mijn resultaten?== Bij palynologisch onderzoek worden de relatieve procentuele verhoudingen tussen de verschillende aanwezige soorten vastgesteld. Vaak leidt dit tot een visuele weergave in een zogenaamd ‘pollendiagram’. Ook worden de verhouding tussen diverse ecologische groepen zoals bomen en struiken, cultuurgewassen, akkeronkruiden, graslandplanten, heidevegetatie en moeras- en oeverplanten vastgesteld. Daardoor kan naast een lijst van soorten ook een indruk van het landschap gegeven worden (bebost of open, natte of droge bodem, beakkerd of begraasd etc.). In archeologische contexten als afval- en mestkuilen is naast natuurlijke opvulling sprake van door de mens ingebracht afvalmateriaal wat de interpretatie van de vegetatie zal beïnvloeden. De analyse van een beerput geeft uiteraard niet de natuurlijke vegetatie weer maar welke gewassen men gebruikte en consumeerde. ==Resultaten delen== Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het e-depot voor de Nederlandse archeologie: [https://easy.dans.knaw.nl easy.dans.knaw.nl]. De gebruikte meet- en kalibratiemethodes, methode van monstername en behandeling, hoeveelheden monsters en metingen, relativering van data-precisie, en eventuele overwegingen/ aanpassingen moeten worden gerapporteerd. Deze zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met onderzoek op andere sites. Specialistisch onderzoek wordt bij voorkeur opgezet als onderdeel van interdisciplinair archeologisch onderzoek, waarbij de verschillende deelstudies in samenhang met overkoepelend onderzoek worden uitgevoerd, geïnterpreteerd en gerapporteerd. ==Lees verder== * Kooistra, L., (red.) 2021: ''Verandering van spijs, tienduizend jaar voedselbereiding en eetgewoonten'', Utrecht. * Kooistra, L.I. & O. Brinkkemper 2016: ''Archeologie en resten van planten, KNA leidraad Archeobotanie'', SIKB. ''Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van Marjolein van der Linden (BIAX Consult), Roel Lauwerier en Bjørn Smit.''  

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 11 feb 2020 om 16:53.