Erfgoed van de geest - Geschiedenis van het materieel beheer
Introductie
De maatschappelijk zo belangrijke zorgdomeinen psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, ouderen- en jeugdzorg, verslavingszorg en de zorg voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel kennen een rijke geschiedenis. Ook hebben deze zorgdomeinen in Nederland, meer dan in andere landen, een grote hoeveelheid rijkgeschakeerd materieel en immaterieel erfgoed voortgebracht. Dit erfgoed met betrekking tot de (geschiedenis van de) zorg voor de mentale gezondheid in Nederland kan samengevat worden onder de noemer Erfgoed van de Geest.
De geschiedenis van het beheer en behoud van al deze verschillende vormen van Erfgoed van de Geest wordt hier beschreven.


Erfgoed psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg
Nederland beschikt in vergelijking met het buitenland over een omvangrijk en rijkgeschakeerd historisch erfgoed van de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg, in de vorm van archieven, bibliotheken, museale collecties en architectuur, merendeels ontstaan binnen oude psychiatrische ziekenhuizen.
Tegen de achtergrond van grote maatschappelijke veranderingen, hervormingen in de zorg en de opkomst van de kritische psychiatrie vanaf het eind van de jaren 1960, ontstond toenemende belangstelling voor de historie van dit belangrijke zorgdomein. Zo werd in 1976 door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie de Werkgroep geschiedenis van de psychiatrie opgericht.
Deze opbloeiende belangstelling voor het verleden van de psychiatrie resulteerde aan het einde van de jaren 1970 in een opvallende toename van het aantal historisch onderzoekers op dit terrein. Meer en meer verschenen er nieuwe publicaties over aspecten van het psychiatrisch verleden van ons land.
De grotere betrokkenheid bij het verleden van de geestelijke gezondheidszorg kwam echter niet alleen tot uitdrukking in wetenschappelijk onderzoek en de daaruit voortkomende publicaties. Ook bleek in deze periode dat verschillende psychiatrische ziekenhuizen in Nederland beschikten over een historische collectie en een tentoonstelling met betrekking tot de eigen instelling. Er waren weliswaar veel zaken van historisch belang bijeen gebracht, maar voor het juister beheer van het materiaal in de ziekenhuizen waren slechts beperkte mogelijkheden aanwezig. De medewerkers die belast waren met de zorg voor de collecties kampten met een gebrek aan tijd, geld en kennis, waardoor de noodzakelijke voorwaarden voor behoud en beheer niet optimaal gerealiseerd konden worden.
Geleidelijk rees het vermoeden dat het initiatief om waardevolle documenten en voorwerpen voor verdwijning te behoeden, niet beperkt was gebleven tot de zorginstellingen, maar dat men ook elders in Nederland op zeker moment de waarde was gaan erkennen van behoud van historisch bronnenmateriaal op dit terrein.
Als vanzelf rijpte bij deze ontdekkingen het idee een landelijke inventarisatie van historisch materiaal op te zetten, om op basis daarvan in brede samenwerking de geconstateerde problematiek te lijf te gaan en het behoud van het erfgoed uit het psychiatrisch verleden zeker te stellen. Om deze plannen daadwerkelijk ten uitvoer te brengen werd op 12 juni 1979 de werkgroep Historisch Bezit Psychiatrische Ziekenhuizen van het Nationaal Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NCGV) opgericht.
Als teken van de toenemende belangstelling voor het historisch erfgoed van de geestelijke gezondheidszorg waren vele op dit terrein belangrijke instellingen en groeperingen in de werkgroep vertegenwoordigd. Onder voorzitterschap van prof. dr. C.J.B.J. Trimbos van het NCGV gingen bestuurders van Algemeen Psychiatrische Ziekenhuizen, vertegenwoordigers van de Geneeskundige Hoofdinspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid en de Nationale Ziekenhuisraad, historici en andere academici en Stichting Pandora voortvarend van start. De nieuwe werkgroep zag het als haar taak om vastere en blijvende vorm te geven aan de opbloeiende belangstelling voor deze geschiedenis en wel in de eerste plaats door zorg te dragen voor het behoud van de materiële erfenis. Daartoe werd in het begin van 1980 gestart met een landelijke inventarisatie van de historische archieven, bibliotheken en museale collecties, om zicht te krijgen op de omvang, de toestand, de functie en de toekomst van het historisch bezit van de psychiatrische ziekenhuizen.
In 1981 bood de werkgroep met het rapport Verloren gewaand het resultaat van deze eerste inventarisatie van de samenstelling van het erfgoed van de intramurale psychiatrie. Het bepleitte daarnaast nadere samenwerking tussen de collectie beherende instanties en de oprichting van een landelijk documentatiecentrum. Voor de ontwikkeling van een landelijk museum achtte men de tijd nog niet rijp.
Een selectie van de meest bijzondere voorwerpen en beeldmaterialen uit het erfgoed vormde vervolgens in 1982 de basis voor de tentoonstellingen Voor gek gehouden over de geschiedenis van de psychiatrie vanaf de Middeleeuwen, gelijktijdig gehouden in Gouda (Museum Catharina Gasthuis) en Haarlem (Frans Hals Museum). Meer exposities volgden in de volgende jaren zoals Dollen rond de dom in 1984 in het Universiteitsmuseum Utrecht, en in Deventer in 1991 bij het jubileum van Psychiatrisch Ziekenhuis Brinkgreven. Deze tentoonstellingen maakten duidelijk hoezeer het verzamelde erfgoed zich leent om het historische verhaal van de psychiatrie beeldend en gedetailleerd weer te geven.
In 1986 werd op initiatief van de hoofdinspecteur van de Geneeskundige Hoofdinspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid (GHIVG) de Stichting Museum en Documentatiecentrum GGZ opgericht, met als doel de totstandkoming van een museum en documentatiecentrum voor de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg. De plannen voorzagen in de vestiging van dat museum in het oudste deel van het Willem Arntsz Huis in Utrecht, rond de oorspronkelijke regentenkamer. Het initiatief strandde op de onmogelijkheid om structurele financiering van een dergelijk museum te realiseren. Wel kon in 1989 de basis worden gelegd voor de bijzondere Historische Bibliotheek voor de Psychiatrie, die vooralsnog ondergebracht werd bij het Trimbos-instituut in Utrecht. Daarnaast kwam in 1996 een draagbaar museum tot stand in de vorm van het boek Beeld van de psychiatrie (afb.1), een catalogus van het nooit gerealiseerde museum.
In 1998 werd vervolgens het initiatief genomen tot de oprichting van wat in eerste instantie museum Het Dolhuys, nationaal museum van de psychiatrie werd. De plannen kwamen voort uit een combinatie van factoren. In de eerste plaats de wens om de historische collecties van vier psychiatrische ziekenhuizen goed onder te brengen, in het licht van het feit dat één van de betrokken instellingen - het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort - het oude terrein zou verlaten en een oplossing gezocht moest worden voor het Museum Meerenberg, de museale collectie van de instelling en het oudste en belangrijkste instellingsmuseum van ons land. Daarnaast was er het feit dat er een nieuwe bestemming werd gezocht voor het oude Leproos-, Pest- en Dolhuys aan de Schotersingel in Haarlem (afb.2). Het idee om daarin een museum te vestigen gewijd aan de geschiedenis van de GGZ diende zich als vanzelf aan.
Met het ontstaan van museum Het Dolhuys kwam er een grote en gevarieerde collectie op het terrein van de GGZ tot stand, bestaande uit onder andere de collecties van de vroegere Provinciale Ziekenhuizen van Noord-Holland en de voorheen rooms-katholieke instellingen St. Bavo, Sancta Maria en St. Willibrord. Daaraan werden vervolgens nog de Historische Bibliotheek voor de Psychiatrie van de Stichting Museum en Documentatiecentrum GGZ (2004) en later de audiovisuele collectie van het Trimbos-instituut (2008) toegevoegd. Het museum beheerde daarmee sindsdien een aanmerkelijk deel van het Nederlandse psychiatrische erfgoed.
Hiernaast bleven ondertussen verspreid over het land in tal van GGZ-instellingen collecties, kleine musea en permanente exposities bestaan. Sommige kleinere verzamelingen groeiden in de afgelopen jaren mede dankzij de fusies van instellingen uit tot nieuwe musea, zoals het Museum De Kluis in Boekel, waarin de collecties van APZ Coudewater (Rosmalen) en APZ Huize Padua (Boekel) opgingen. Bij andere instellingen heeft men de stap gezet naar de ontwikkeling van een website waarop het erfgoed en de geschiedenis toegankelijk zijn gemaakt, zoals in het geval van Lentis Erfgoed. Ook in instellingen elders in het land waren de kleine musea nog steeds aanwezig, onderhouden door vrijwilligers en soms beperkt toegankelijk.
Bij de oprichting van Het Dolhuys werd het ook een taak toebedacht als hoeder van het historische erfgoed van de Nederlandse psychiatrie en de GGZ. Het zou een oog houden op de bovengenoemde verspreide collecties, door kennisinhoudelijke ondersteuning het beheer ervan versterken en dienen als een vangnet voor objecten of hele collecties die door instellingen afgestoten zouden worden. Hoezeer het museum ook poogde om zo een vinger aan de pols te houden, alle veranderingen in het veld actief volgen ging zijn mogelijkheden echter eenvoudigweg te boven. Voor instellingen bleek het ook niet vanzelfsprekend om inzake het beheer en de afstoting van hun erfgoed het Het Dolhuys te informeren en om advies te vragen.
Het voortbestaan van de verspreide instellingscollecties was dus allerminst veiliggesteld. De laatste jaren zijn er al verscheidene collecties en tentoonstellingen verdwenen, bijvoorbeeld de expositie van GGZ Eindhoven en de collecties van GGNet, Het Groot Graffel in Warnsveld en de collectie van De Brinkgreven, Dimence in Deventer. Andere instellingsmusea zullen binnen afzienbare tijd opgeheven worden. Voorts kwamen er meldingen over de teloorgang van sommige onvervangbare, unieke objecten.
Daarnaast stond de oprichters van Het Dolhuys oorspronkelijk een museum voor ogen dat de geschiedenis van de psychiatrie tot onderwerp zou hebben, uitgaande van de rijke historische collecties van de initiërende organisaties. Met de opening in januari 2005 van het nieuwe museum, met een permanente expositie die voor een belangrijk deel in het teken stond van de geschiedenis, ontstond een uniek instituut, dat zijn evenknie in Europa alleen vond in het Museum Dr. Guislain in Gent.
In de loop van zijn bestaan, waarin het museum in Haarlem zijn bestaansrecht meer dan bewezen heeft, werd zijn doelstelling echter veranderd en verbreed. Omvatte het aanvankelijk de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg in meer strikte zin, sinds 2014 werden daar expliciet de sectoren aan toegevoegd van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, de ouderenzorg, de verslavingszorg en de neurologie (voor zover aandoeningen met implicaties voor de geest).
In het verlengde hiervan werd de thematiek van het Museum van de Geest, zoals het museum sindsdien heet, verruimd tot het brede palet van de ‘geest’ (afb.3). Met deze verschuiving in de taakopvatting van het museum kregen de geschiedenis en de psychiatrie sec duidelijk een andere plek: vormden deze aanvankelijk de basis van het museum, nu werden ze elementen in het grotere verhaal over de mens en diens geest. Daarmee kregen de geschiedenis en het erfgoed een meer instrumentele rol: ze konden functioneel ingezet worden bij het verhelderen van de boodschap van het museum, maar vormden niet langer diens primaire doel.
De belangstelling en de zorg voor het historisch erfgoed van de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg mogen dan in de afgelopen decennia groot zijn geweest en lokaal en nationaal institutioneel vorm hebben gekregen, toch is er momenteel sprake van nieuwe bedreigingen voor het behoud van dat erfgoed.
Binnen het veld van de geestelijke gezondheidszorg zorgen sterk veranderende condities al geruime tijd voor een evenzeer veranderende context voor het behoud van het erfgoed. Vermaatschappelijking en deïnstitutionalisering van de zorg hebben, tezamen met perioden van financiële krapte en verhoogde kosten van onderhoud van vastgoed, geleid tot de geleidelijke afbouw van bedden en het verlaten van oude instellingslocaties. De voortdurende fusies tot grotere instellingen, recent weer gevolgd door splitsing daarvan, zorgen voor discontinuïteit ten aanzien van het verleden. Een veranderende waardering van dat verleden, in combinatie met een vermindering van historisch bewustzijn, hebben geleid tot een grotere distantie daartoe.
Daarnaast is er de dreiging van het op (hoge) leeftijd raken en uitsterven van de generatie medewerkers die zich vrijwillig met het beheer van collecties en musea in de GGZ-instellingen bezighield. Door minder zorg en initiatief zijn op lokaal niveau de voorwaarden voor het beheer van erfgoed de afgelopen jaren minder gunstig geworden, waardoor sluiting en opheffing van instellingsmusea en -exposities zijn toegenomen.
Dit alles maakt dat het behoud van historisch waardevolle collecties vaak niet gewaarborgd is, evenmin als dat van de kennis met betrekking tot de verzamelingen. Voor veel van deze collecties geldt met andere woorden wat ook al in 1981 werd vastgesteld: dat in de geestelijke gezondheidszorg, waar zoveel in verandering is, continuïteit en behoud van het erfgoed veelal niet afdoende zijn gegarandeerd. Een actuele inventarisatie van de staat van het volledige erfgoed van de Nederlandse instellingen ontbreekt. Daarmee ligt het risico van verdere verdwijning en teloorgang van collecties, tentoonstellingen en individuele museumstukken voortdurend op de loer.
Het Dolhuys/Museum van de Geest belandde in 2024 op de rand van de afgrond en kon slechts op het nippertje worden gered. Hoezeer Het Dolhuys/Museum van de Geest, als het primaire erfgoedcentrum voor de (geschiedenis van de) psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg, ook wil optreden om dit erfgoed te behouden en te ontsluiten, in de praktijk blijkt het daarvoor te weinig mogelijkheden te hebben. Het museum beschikt over onvoldoende middelen, personeel en tijd voor het beheer van de eigen collectie en om een landelijke rol te vervullen als vangnet voor bedreigde collecties elders in het land.
Samengevat komt het erop neer dat er in Nederland een omvangrijk, veelzijdig historisch erfgoed bestaat op het terrein van de psychiatrische zorg, zeker voor de periode 1850 tot 1980. De betreffende collecties zijn deels te vinden in afzonderlijke GGZ-instellingen en een aantal van de belangrijkste ervan zijn geschonken aan Het Dolhuys/Museum van de Geest, Haarlem. Voor het adequate behoud, beheer en gebruik van dit erfgoed zijn vooralsnog onvoldoende financiën, voorzieningen en personeel beschikbaar, waardoor teloorgang van en vergetelheid omtrent deze erfenis dreigt.
Erfgoed zorg voor mensen met een verstandelijke beperking
Het besef dat dit vakgebied in het algemeen en de verschillende op dit terrein werkzame organisaties in het bijzonder een eigen historie hebben die de moeite waard is, leefde altijd al bij individuele medewerkers. Zij werden doorgaans gedreven door een gevoel van urgentie: het idee dat er ‘iets’ met de geschiedenis van de gehandicaptenzorg moest gebeuren. Deze bewaarders van foto’s en ‘oude spullen’, verzamelaars van boeken en beheerders van archieven vormen nog steeds de hoeders van deze geschiedenis. Want het is duidelijk dat al deze stukjes en fragmenten aan erfgoed en kennis vooral in de handen en hoofden van deze amateurhistorici rustten en rusten: het ontbreekt tot op heden aan beleid voor het behoud van dit erfgoed en er is geen centraal verzamelpunt.
In 1990 werd, ter voorbereiding op een mogelijke tentoonstelling en in navolging van wat op het terrein van de psychiatrie gebeurd was, een soortgelijke landelijke inventarisatie van het historisch erfgoed van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking uitgevoerd. Binnen dit zorgdomein, waarin veel instellingen ook van recentere datum zijn, bleek veel minder historisch materiaal bewaard te zijn gebleven dan binnen de geestelijke gezondheidszorg. Vele belangrijke historische voorwerpen en archieven waren al in het verleden verloren gegaan, weggegooid of vernietigd.
Zo bleek ook in 1991, toen men ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum van ’s Heeren Loo, de oudste nog bestaande zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking van Nederland, een tentoonstelling wilde inrichten, al het materiaal dat tien jaar eerder nog voor een expositie was gebruikt volledig verdwenen te zijn. Het bijzondere materiaal, waaronder voorwerpen uit de begintijd rond 1900, was opgeslagen in een gebouw van de facilitaire dienst, maar was bij een verbouwing allemaal weggegooid.
Binnen de ’s Heeren Loo Zorggroep bevond zich echter op het terrein van de voormalige Dr. mr. Willem van den Bergh Stichting in Noordwijk het enige permanente museum van ons land op dit specifieke zorgterrein. Sinds het einde van de jaren tachtig ondergebracht op de zolder van een van de weinige overgebleven oorspronkelijke gebouwen, bevond zich hier, hoewel ernstig verwaarloosd, in 2013 nog een belangrijke collectie objecten. Museum en gebouw stonden op het punt opgedoekt en gesloopt te worden. Dankzij de inzet van een kleine museumcommissie van medewerkers en vrijwilligers en met steun van de toenmalige regiodirecteur kon de collectie op het laatste moment behouden blijven. Het museum, dat nu ook functioneert als dagbestedingsplek voor cliënten, is op een andere plek nieuw leven ingeblazen.
Ook op andere locaties binnen de ’s Heeren Loo Zorggroep waren door medewerkers op kleine schaal initiatieven ontplooid om het erfgoed van de eigen instelling te behouden en de geschiedenis ervan levend te houden. Zo had in Druten, op het terrein van de voormalige Boldershof, een kleine groep Bewaorsvrouwe zich vanaf 2004 ontfermd over de geschiedenis, de archieven en de patiëntendossiers van de oorspronkelijke instelling. Een collectie historische voorwerpen, met name verzameld voor een expositie ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum in 2007, werd opgeslagen op de zolder van een paviljoen en net als het archief geïnventariseerd.
Vanaf 2006 was bij de zorginstelling Dichterbij door een werkgroep in een paviljoen op het terrein van Maria Roepaan in Ottersum de succesvolle tentoonstelling Van Patiënt naar Burger ingericht. Hoewel het de bedoeling was om deze tentoonstelling over vijftig jaar zorg een permanente plek te geven, kon dit uiteindelijk niet worden gerealiseerd.
In het door het tijdschrift Markant geïnitieerde boek Liefdewerk en oud papier (Christa Carbo en Max Paumen) uit 2009, werd wederom geconstateerd dat geschiedschrijving en erfgoed van de gehandicaptenzorg verloren dreigden te gaan. Door fusies en decentralisering van zorg was dat proces al volop aan de gang, maar werd nog versterkt door het versneld afstoten van oude zorgterreinen en het ontbreken van een centrale organisatie die zorgde voor de inventarisatie, ordening en opslag van een collectie van landelijk belang.
Vanaf 2012 zorgden echter twee nieuwe initiatieven voor de ontsluiting van de geschiedenis van de gehandicaptenzorg en wel via het internet. Wie wilde weten hoe mensen met een beperking vroeger leefden, hoe de zorg georganiseerd werd en hoe onze ideeën daarover in de loop der tijd veranderden, kon voortaan op twee virtuele plaatsen terecht. De Canon Gehandicaptenzorg en het digitaal museum van zorgorganisatie ’s Heeren Loo zetten, ieder vanuit hun eigen invalshoek, de geschiedenis in het licht.
In de Canon Gehandicaptenzorg, die als een van de deelcanons onderdeel uitmaakt van de Canon Sociaal Werk, werden vijfentwintig vensters vastgesteld en geschreven door een groep van vijftien vrijwillige deskundigen. Langs een tijdlijn van het jaar 1800 tot 2000 werden in die vensters vijfentwintig belangrijke gebeurtenissen in kort bestek beschreven en toegelicht. Deze tocht door de geschiedenis werd aantrekkelijk gemaakt met veel illustratiemateriaal en verder aangekleed met links, filmpjes en literatuurlijstjes voor wie dieper in de onderwerpen wilde duiken. De canon was dus nadrukkelijk ook bedoeld voor onderwijsdoeleinden.
Apart van het canonproject ging bij ’s Heeren Loo vrijwel tegelijkertijd een groep in geschiedenis geïnteresseerde medewerkers aan de slag met de geschiedschrijving van de eigen organisatie. Met de opening van een digitaal museum zette de zorgaanbieder een nieuwe stap op de ingeslagen weg naar een bewustere omgang met het verleden en met wat daar nog van over was. In vijftien virtuele kamers werd in tekst en beeld het verhaal verteld van honderdtwintig jaar zorg bij ’s Heeren Loo. De kamers, met thema’s als wonen, onderwijs, werk en dagbesteding, lieten iets zien van de ontwikkelingen van de begintijd tot nu. Aan de hand van oude en nieuwe beelden, filmpjes en interviews met cliënten en medewerkers werd het verhaal verteld.
Bij ’s Heeren Loo leek het besef geland dat het de hoogste tijd was voor een belangrijk, maar arbeidsintensief project: het uitzoeken en ordenen van het gehele eigen fysieke archief en het historisch bezit. Tussen 2015 en 2017 ging de zorginstelling een samenwerkingsverband met Het Dolhuys/Museum van de Geest aan om de eigen historische collectie op een meer professionele wijze te beheren en te behouden.
Allereerst werden de tien verschillende zorglocaties bezocht om deze te onderzoeken op het nog aanwezig zijn van historische voorwerpen, documenten en beeldmateriaal. Naast deze inventarisatie op historisch materiaal werd tegelijkertijd onderzocht wie binnen de organisatie de personen waren die beschikten over de kennis op het gebied van de historie van de eigen regio. Deze personen waren doorgaans de vrijwillige leden van de historische werkgroepen van de afzonderlijke locaties. Er werd geïnvesteerd in het leggen van verbindingen tussen hen en het museum om tot een krachtiger netwerk voor het behoud van het erfgoed en het uitdragen van de geschiedenis te komen.
Behalve inventarisatie, ordening en afbakening van de nog aanwezige collecties vond ook een eerste analyse van hun toestand en de behoudscondities plaats. Kennis en expertise werd gedeeld om gezamenlijk maatregelen op het gebied van preventieve conservering te kunnen treffen en te zorgen voor meer optimale bewaaromstandigheden. De in de jaren 1990 opgestelde inventarislijst met codes werd nagelopen en diende als basis voor een verder uit te werken registratie. Er werd daarnaast ook contact gelegd met externe organisaties op het gebied van de geschiedenis van de gehandicaptenzorg en met een werkgroep rondom Disability Studies. Een lijst met voor de geschiedenis en het erfgoed van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking belangrijke specifieke thema’s werd opgesteld. Tenslotte werden er in het kader van oral history filmbeelden opgenomen voor het maken van een film over de geschiedenis van het snoezelen.
Na afloop van het project werd een voorstel voor een samenwerkingsvorm voor de toekomst gepresenteerd, inclusief een plan van aanpak voor het beheer van het erfgoed op landelijk en regionaal niveau. Tot een vervolg kwam het echter vooralsnog niet. In 2020 werd uiteindelijk een intentieovereenkomst tussen de ’s Heeren Loo Zorggroep en Het Dolhuys/Museum van de Geest afgesloten. Een hernieuwde inventarisatie op de verschillende zorglocaties tussen 2020 en 2022 bracht echter aan het licht dat veel historisch materiaal dat enige jaren eerder nog aanwezig was, ondertussen verloren was gegaan.
Ook elders in het land bleek wederom dat het voortdurende gebrek aan continuïteit en slagkracht binnen het zorgdomein zelf de grootste bedreiging vormde voor het behoud van het eigen erfgoed. Geen van de eerdere impulsen en genomen initiatieven leidden tot een afdoende stabiel en centraal geregeld beheer van het historisch materiaal.
De in 2013 door de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) opgerichte Stichting Behoud Geschiedenis Gehandicaptenzorg kon er indertijd nog wel voor zorgen dat een groot deel van de archief- en bibliotheekcollecties van het voormalig Bisschop Bekkers Instituut behouden bleef voor de gehandicaptensector. Een deel van de bibliotheek van het voormalige kennisinstituut kon worden overgenomen door diverse belangstellenden. Het archief werd met financiële en bestuurlijke steun van de VNG overgedragen aan de nieuw opgerichte stichting en opnieuw geordend en beschreven. De historische stichting lijkt echter sindsdien een slapend bestaan te leiden.
In 2019 werd wel een boek over de geschiedenis van de gehandicaptenzorg in Nederland gepresenteerd, dat in opdracht van de VGN door de publicist Jos van der Lans was geschreven. In Niet-normaal. Ontwikkelingen en dilemma’s in de Nederlandse gehandicaptenzorg werden in interviews met zestien zeer betrokken mensen verhalen opgehaald uit de recente geschiedenis van die zorg. Maar het was vooral ook een reflectie daarop, waarin zowel perspectieven als dilemma’s, ingewikkeldheden en paradoxen werden getoond. Het boek wilde daarmee de gehandicaptensector, maar ook de samenleving een spiegel voorhouden.
Recent materieel erfgoed
Het materiële erfgoed van de klassieke inrichtingspsychiatrie en instellingen van aangrenzende zorgdomeinen vormt grotendeels een afgesloten hoofdstuk. De belangrijkste bezittingen zijn geïnventariseerd en beschreven; het toekomstig behoud en beheer zijn nu de voornaamste zorg.
Er is echter ook materieel erfgoed afkomstig van organisaties anders dan de intramurale zorg, met name uit de periode na 1970. Het aanzien van de zorg voor de geest is in deze periode ingrijpend veranderd door de vermaatschappelijking van de sector, die een vlucht nam vanaf de jaren 1980. Daarom is deze periode in veel opzichten een nieuwe. De zorg buiten de muren van de klinieken nam toe in de vorm van poliklinische zorg, sociaalpsychiatrische crisishulpverlening, voorzieningen voor beschermd wonen, ambulant werkende behandelteams en dergelijke. De verslavingszorg groeide enorm door de toename in gebruik van heroïne en andere drugs; de kinder- en jeugdpsychiatrie en jeugdzorg namen eveneens in omvang toe en maakten grote veranderingen door.
In de jaren 1970 en 1980 groeide bovendien het activisme rond de geestelijke gezondheidszorg. Cliënten en hun familieleden organiseerden zich in belangenverenigingen. Archieven van deze sociale bewegingen, die sinds de jaren 1970 ontstonden rondom met name psychiatrie en verslavingszorg, vallen nadrukkelijk onder het Erfgoed van de Geest. Deze archieven zijn deels in kaart gebracht door onderzoekers, maar hier is nog meer werk te doen.
Dit ambulante erfgoed is lastiger te inventariseren dan dat van de intramurale zorginstellingen, omdat de ambulante organisaties en instellingen, en de actieve leden van cliënten- en naastenorganisaties, sterker wisselend zijn in vergelijking tot de periode van de klassieke inrichtingszorg. Deze ambulante archieven zijn echter wel zeer belangrijk om diverse redenen: als onderzoeksmateriaal voor toekomstige historici, maar tevens als het collectief geheugen van deze (kwetsbare) organisaties en voor het maatschappelijk bewustzijn over hun bestaan. Ze zijn vaak bij individuele personen aanwezig, fragmentarisch bewaard, en niet altijd welkom in bestaande archiefinstellingen.
Juist vanwege deze kwetsbaarheid is het belangrijk dat nu ook dit ambulante erfgoed van de geest wordt geïnventariseerd, gewaardeerd, beschermd, ontsloten en toegankelijk gemaakt. Daartoe is in 2022 bijvoorbeeld door onderzoekers de Werkgroep Erfgoed Cliënten- en Naastenbeweging opgericht, om in ieder geval dit belangrijke erfgoed te inventariseren, behouden en toegankelijk te maken. Voor meer informatie: Historie cliënten- en naastenbeweging
Immaterieel erfgoed
Tenslotte is er het immateriële Erfgoed van de Geest: de verhalen en herinneringen die leven rond het verleden van de zorginstellingen, de geboden behandelingen en dagelijkse praktijken en de maatschappelijke en culturele contexten hiervan.
Om dit belangrijke erfgoed voor de toekomst te behouden is het proactief verzamelen en vastleggen (borgen) van dit vluchtige en ontastbare erfgoed bij uitstek van belang. Het gaat daarbij om wetenschappelijk onderzoek naar het verleden van de zorg op basis van mondelinge overlevering (mondelinge geschiedenis of oral history). Dit vindt plaats door het systematisch verzamelen en vastleggen van individuele herinneringen door middel van reeksen vraaggesprekken. Daarnaast gaat het ook om het betrekken van de burger als onderzoeker, die op pad gaat om verhalen over objecten of praktijken, zoals bijvoorbeeld gezinsverpleging, te documenteren via mondelinge geschiedenis.
Oral history speelt in toenemende mate een rol in historisch onderzoek naar de geestelijke gezondheidszorg, nationaal en internationaal. Zo is er veel aandacht voor dit immateriële Erfgoed van de Geest in initiatieven als de Verhalenbank Psychiatrie (UU), Psychosenet, de Vertelkamer Psychofarmaca, en diverse andere initiatieven in het land om ervaringsverhalen rond de GGZ en verslavingszorg actief in te zamelen.
Taskforce Erfgoed van de Geest
De Taskforce Erfgoed van de Geest, opgericht in 2023 op initiatief van de leerstoel geschiedenis van de psychiatrie van de Universiteit Utrecht en Het Dolhuys/Museum van de Geest (Haarlem), stelt zich tot doel het beschermen, ontsluiten en toegankelijk maken van het erfgoed en herinneringen die betrekking hebben op het verleden van de geestelijke gezondheidszorg in brede zin.
Erfgoed wordt daarbij breed opgevat als omvattend materieel en immaterieel erfgoed met betrekking tot de psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, ouderenzorg, jeugdzorg, verslavingszorg en neurologie (voor zover aandoeningen met implicaties voor de geest).
De belangstelling en de zorg mag dan in de afgelopen decennia voor delen van dit erfgoed groot zijn geweest, voor andere delen zijn deze ontegenzeggelijk tekort geschoten. Ook is er sprake van nieuwe bedreigingen voor het behoud van historisch materieel erfgoed, evenals van witte vlekken bij het identificeren en behouden van vooral meer recent en immaterieel erfgoed.
De bedoelde risico’s voor het erfgoed ontstaan onder meer door het verdwijnen van de klassieke zorginrichtingen, verkoop en sloop van vastgoed op die terreinen en het in vergetelheid raken van kennis met betrekking tot de zorg in deze instellingen en het erfgoed daarvan. Bezuinigingen en nieuwe verzamelcriteria hebben ertoe geleid dat bibliotheken en archieven het Erfgoed van de Geest niet altijd meer vanzelfsprekend opnemen. Als gevolg daarvan hebben onderzoekers gedoneerd archiefmateriaal van bijvoorbeeld sociale bewegingen rond de GGZ en verslavingszorg soms noodgedwongen thuis staan.
Daarnaast zijn er ook voor de ‘klassieke’ intramurale periode nog belangrijke gaten in de inventarisatie van erfgoed, bijvoorbeeld waar het gaat om de forensische psychiatrie en verslavingszorg. Het vullen van deze lacunes vergt extra inspanningen.
Tegelijkertijd is gebleken dat Het Dolhuys/Museum van de Geest structureel over onvoldoende middelen beschikt om zowel zijn eigen collectie naar museale eisen te beheren alsook om een landelijke functie als hoeder van het erfgoed uit te oefenen. Idealiter zou het museum kunnen fungeren als ’vangnet’ voor collecties die dreigen te verdwijnen. De precaire financiële situatie waarin het museum sinds 2024 verkeerd maakt helaas dat deze functie op de tocht staat.
Bezorgdheid over deze bedreigingen en de continuïteit van de zorg voor het brede Erfgoed van de Geest en de bruikbaarheid ervan voor onderzoek en zichtbaarheid voor een geïnteresseerd publiek, vormen het uitgangspunt van de Taskforce. De wens om de zorg voor het reeds bestaande erfgoed te bestendigen en waar mogelijk uit te bouwen beschouwt de Taskforce als een praktische en financiële eerste prioriteit. Een kerndoelstelling is om het ‘statisch aanwezige’ erfgoed te beschermen, te ontsluiten en toegankelijk te maken.
De Taskforce wil daarom een inschatting maken van de collecties die concreet “op de tocht” staan en van de kosten die ermee gepaard zouden gaan om deze op een verantwoorde en duurzame wijze te beschermen, ontsluiten en toegankelijk te maken. Ook brengt ze in kaart welk “refugium” mogelijk voor tijdelijke opslag ter beschikking kan staan. Voorts voelt zij het als haar verantwoordelijkheid om Het Dolhuys/Museum van de Geest te helpen om het beheer en gebruik van zijn belangrijke collectie veilig te stellen en zo mogelijk op een hoger niveau te brengen.
Naast Het Dolhuys/Museum van de Geest zijn er andere organisaties die voor het Erfgoed van de Geest belangrijke samenwerkingspartners (kunnen) zijn. Zoals het Nationaal Archief en regionale en lokale archiefbewaarplaatsen, medische musea als Rijksmuseum Boerhaave en Museum Vrolik en het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland, dat in Urk over opslagruimte beschikt om medisch-historisch erfgoed onder te brengen. Echter, ook kijkend naar dit bredere netwerk doemt een beeld op van kwetsbaarheid.
Bovenal is het daarom een vereiste dat er een landelijk platform / netwerk voor het materiële en immateriële Erfgoed van de Geest in het leven geroepen wordt, dat de zorg voor het landelijke erfgoed een permanent karakter kan geven en als meldpunt en vraagbaak voor dit zo belangrijke erfgoed kan fungeren.
Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van Joost Vijselaar (emeritus hoogleraar Geschiedenis van de psychiatrie, UU) en Willem Oosterbaan (collectiebeheerder Museum van de Geest/Dolhuys).
Zie ook
Artikelen- Erfgoed van de geest - Stappenplan beheer en behoud
- Erfgoed van de geest - Taskforce Erfgoed van de geest
psychiatrische inrichtingen, sociale geschiedenis en recente geschiedenis
Specialist(en)Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 18 feb 2026 om 04:01.