Gevaarlijke stoffen in collecties - asbest
Introductie
Asbest is op grote schaal toegepast in bijvoorbeeld woningen, installaties, voertuigen, vloerbedekkingen en huishoudelijke apparaten. De gunstige eigenschappen als sterkte, hittebestendigheid, isolerend vermogen en lage prijs hebben ertoe bijgedragen dat met name na de Tweede Wereldoorlog asbest veelvuldig is gebruikt voor van alles en nog wat. Bovendien was asbestplaat een zeer geschikt materiaal om op te schilderen, tegels op te bevestigen en sculpturen van te vervaardigen. Door die brede toepasbaarheid is asbest ook in museumcollecties terecht gekomen. Denk aan technische en wetenschappelijke collecties, maar dus ook kunstcollecties.
Omdat asbestvezels gevaarlijk zijn voor de gezondheid is het gebruik van asbest sinds 1993 verboden. De wet- en regelgeving is er primair op gericht alle asbest te verwijderen met als risico dat daarmee ook waardevol cultureel erfgoed verdwijnt. Voor musea betekent dit dat er gezocht moet worden naar een balans tussen behoud van erfgoed en de bescherming van de gezondheid van de medewerkers. Maar wat is er wel en niet mogelijk als je asbest in de collectie aantreft, hoe herken je het überhaupt en waar moet je als collectiebeheerder rekening mee houden? Kennis over asbest en asbesthoudende producten, en samenwerking met specialisten op dit vakgebied is cruciaal om veilig met asbesthoudende producten om te gaan.









Wat is asbest
Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen (silicaten), die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Deze asbestvezels zijn onder te verdelen in twee hoofdgroepen, gebaseerd op de structuur van de vezels:
Serpentijnen: dit zijn gekrulde spiraalvormige vezels. Tot de serpentijnen behoort:
- Chrysotiel (wit asbest)
Chrysotiel is verreweg de meest gebruikte asbestsoort in Nederland. Het wordt onder andere aangetroffen in producten waarin het is gebonden met cement.
Amfibolen: dit zijn rechte naaldvormige vezels. Tot de amfibolen behoren:
- Crocidoliet (blauw asbest)
- Amosiet (bruin asbest)
- Anthophylliet (geel asbest)
- Tremoliet (grijs asbest)
- Actinoliet (groen asbest)
Het woord asbest komt van het Griekse woord asbestos, dat onverwoestbaar betekent. Juist dat onverwoestbare heeft ervoor gezorgd dat asbest zo veel is toegepast. Asbest wordt gedolven in mijnen en er zijn nu nog actieve mijnen in o.a. Rusland (bijvoorbeeld in de stad Asbest) en China. Veel andere mijnen zijn inmiddels gesloten, zoals de grote mijn in de Canadese stad Asbestos, die sinds 2020 Val-des-Sources heet.
Er kan verschil worden gemaakt tussen hechtgebonden en niet hechtgebonden asbest. Hechtgebonden wil zeggen dat de asbestvezels met minimaal 70% bindmiddel bij elkaar worden gehouden in een bepaalde toepassing. Niet hechtgebonden wil zeggen dat er veel minder bindmiddel is gebruikt en dat de vezels dus makkelijker los kunnen komen. Als hechtgebonden asbest wordt bewerkt door bijvoorbeeld te zagen of te boren, dan is de kans alsnog groot dat er asbestvezels in de lucht terecht komen. Een typische niet-hechtgebonden toepassing is spuitasbest, waarbij het asbestpercentage tussen de 60 en 90 procent ligt. Deze toepassing is dus erg gevaarlijk.
Asbest was jarenlang een geliefd materiaal vanwege zijn unieke combinatie van eigenschappen:
- Hitte- en brandbestendig: ideaal voor toepassingen in en rond vuur en warmte
- Chemisch resistent: bestand tegen zuren en logen, perfect voor industriële omgevingen
- Sterk en slijtvast: gaat erg lang mee, zelfs onder zware belasting
- Isolerend: thermisch, elektrisch én akoestisch.
- Goedkoop en ruim beschikbaar: makkelijk te winnen en te verwerken in andere materialen
Waar vind je asbest in collecties en gebouwen
Asbest is te vinden in circa 3.500 verschillende toepassingen, en meer dan 18.000 producten waarin asbesthoudend materiaal is verwerkt. Het hoogtepunt voor het gebruik van asbest was tussen 1945, toen de wederopbouwperiode startte, en midden jaren 80, toen steeds duidelijker werd dat het materiaal gevaarlijk is.
Voorbeelden van objecten met asbest
Bouwmaterialen en interieurinrichting:
- Asbestcementplaten (golfplaten en vlakke platen): Gebruikt voor dakbedekking, gevels, schoorstenen en leidingen. Bijna alle golfplaten daken van vóór 1989 zijn gemaakt van asbestcement.
- Asbesthoudende vloerbedekking: Vloertegels, vinyltegels en vinyl in banen werden soms verstevigd met asbest. Bij vinyl vloerbedekkingen waarbij de onderlaag asbesthoudend is betreft het niet-hechtgebonden asbest.
- Isolatiemateriaal: Asbest werd gebruikt in isolatie rondom verwarmingsleidingen, ketels en ovens.
- Asbestkoord: afdichtmiddel, bijvoorbeeld gebruikt in meterkasten, leidingen en kachels (afb.7)
- Brandwerende platen en panelen: Asbestvezels werden gebruikt in gipsplaten en brandwerende platen in gebouwen.
- Vensterbanken
- Metsel en voegmortel: In vuurvaste materialen zoals bakstenen en voegen in ovens en ketels.
- Asbesthoudende kit en afdichtingsmiddelen: Gebruikt om ramen, deuren en daken af te dichten tegen hitte en vuur.
- Behang en verf: Vroeger werd asbest toegevoegd aan sommige soorten verf en behang voor extra stevigheid en brandwerendheid.
Elektrische apparaten:
- Elektrische schakelborden en zekeringen: Asbest werd gebruikt als isolatiemateriaal in elektrische schakelpanelen.
- Elektrische kabels: Asbest werd vaak gebruikt als isolatie rondom elektrische draden.
- Motoren en transformatoren: Vooral oudere transformatoren en motoren bevatten asbest in hun isolerende componenten.
- Regelweerstanden (afb.6), elektriciteitsmeters, smeltveiligheid houder, isolatoren: Vaak pakkingmateriaal in isolerende en geleidende elementen.
Huishoudelijke apparaten en producten:
- Strijkijzers: Vroeger werd asbest gebruikt als warmte isolator in strijkijzers om te voorkomen dat de buitenkant te heet werd (afb.3).
- Kachels en verwarmingen: Oude fornuizen, gaskachels en houtkachels bevatten vaak asbest als isolatiemateriaal.
- Föhnen en haardrogers: Asbest werd soms gebruikt in oudere haardrogers om warmte-isolatie te bieden.
- Ovens, broodroosters (afb.4) en fornuizen: Elektrische en gasovens hadden vaak asbestisolatie om de hitte te reguleren.
- Kruiken: Oude warmwaterkruiken bevatten soms asbest in hun isolatielaag.
- Ovenhandschoenen
- Strijkplankovertrekken
- Telefoons en andere producten van bakeliet (afb.5)
Vervoermiddelen en onderdelen daarvan:
- Remblokken en remvoeringen: Remsystemen in oudere auto's, bussen, en treinen bevatten vaak asbest vanwege de hittebestendigheid en slijtvastheid.
- Koppelingen: Asbest werd in koppelingsplaten gebruikt om hittebestendigheid en duurzaamheid te garanderen.
- Pakkingmateriaal: Asbesthoudende pakkingen werden gebruikt in motoren en uitlaatleidingen van voertuigen.
- Fietshandvatten en remmen: Sommige oudere fietsen hadden asbest in de handvatten of remblokken.
- Vliegtuig en scheepsonderdelen: Asbest werd gebruikt in vliegtuigremmen en scheepsisolatie, met name in de machinekamers van oudere schepen.
- Pijpleidingen en ketels in schepen: Asbest werd gebruikt in de isolatie van leidingen en ketels aan boord van oudere schepen.
- Remsystemen van treinen: Treinen hadden vaak remvoeringen en frictiematerialen met asbest voor betere prestaties bij hoge temperaturen.
- Luchtvaartremmen: Asbest werd gebruikt in de remblokken van vliegtuigen.
- Treinremmen en wielen: Asbesthoudende materialen werden toegepast in remblokken en andere componenten die frictie en warmtebestendigheid vereisten.
Industriële en wetenschappelijke apparatuur:
- Laboratoriumapparatuur: Asbest werd gebruikt als isolatie in oudere laboratoriumovens, verwarmingsmantels en andere apparaten die aan hoge temperaturen werden blootgesteld.
- Stoomketels en turbines: In industrieën zoals energiecentrales werd asbest gebruikt om stoomketels en turbines te isoleren.
- Warmtewisselaars en leidingen: Industriële warmtewisselaars, buizen en leidingen waren vaak geïsoleerd met asbest om warmteverlies te minimaliseren en brand te voorkomen.
Brandbestrijdingsuitrusting en andere beschermingsmiddelen:
- Branddekens: Vroeger werden branddekens vaak gemaakt van asbest om vuur te doven of mensen te beschermen tegen hitte.
- Brandwerende kleding: Asbest werd gebruikt in beschermende kleding voor brandweerlieden en personeel dat in extreme hitte werkte.
- Beschermingsschermen: Asbestvezels werden gebruikt in hitte werende schermen en beschermingsapparatuur bij lassen en andere industriële toepassingen.
- Gasmaskers: Gasmaskers geproduceerd vóór de jaren '70 bevatten vaak asbestfilters.
Natuurhistorische en wetenschappelijke collecties:
- Mineralogische collecties: asbest zoals het in de natuur te vinden is (afb.1).
- Monstercollecties: verschillende soorten verwerkt asbest (afb.2)
Kunstcollecties:
- Schilderijen op asbestplaat geschilderd
- Tegeltableaus: tegels gelijmd op asbestcement (afb.8).
- Sculpturen: geometrische sculpturen van asbestcement
- Toegepaste kunst: design stoelen van asbestcement (afb.9)
Overig:
- Sigarettenfilters (van het merk Kent in 1952-1954)
- Nepsneeuw en engelenhaar voor in de kerstboom
- Speelgoed
Blootstelling en gezondheid
Het gezondheidsrisico van asbest ligt in de fysieke eigenschappen van de vezels: hun kleine formaat en vezelvorm. Asbestvezels zijn microscopisch klein, waardoor ze met het blote oog niet zijn waar te nemen en bij inademing gemakkelijk diep in de longen doordringen en vast komen te zitten in de luchtwegen. Asbest is dus pas gevaarlijk wanneer de vezels worden ingeademd. Voor zover bekend vormen asbestvezels in water of voedsel geen risico voor de gezondheid. De kans is zeer klein dat je ziek wordt wanneer je eenmalig asbest inademt. In de buitenlucht zitten doorgaans ook asbestvezels, maar het gezondheidsrisico is door de lage concentratie zeer klein.
Hoe langer en intensiever iemand wordt blootgesteld aan asbestvezels, hoe groter het risico op gezondheidsproblemen. Wanneer iemand rookt wordt dit risico aanzienlijk vergroot. Wanneer asbestvezels vastzitten in stevige materialen, kunnen ze niet worden ingeademd en is het risico minimaal. Gevaar ontstaat pas wanneer vezels vrijkomen, bijvoorbeeld door zagen, schuren of breken van het materiaal.
Asbestsoorten die tot de amfibolen behoren zijn gevaarlijker voor de gezondheid dan de spiraalvormige vezels van chrysotiel. Crocidoliet, oftewel blauw asbest, staat bekend als de meest gevaarlijke asbestsoort.
De gevolgen van blootstelling aan asbest worden vaak pas na tientallen jaren zichtbaar. Het inademen van asbest kan uiteindelijk leiden tot ernstige aandoeningen zoals mesothelioom (kanker van het long-, borst-, hart- of buikvlies), longkanker, asbestose (stoflongen), strottenhoofdkanker en eierstokkanker.
Om toekomstige gezondheidsproblemen door asbest te voorkomen, zet de overheid zich actief in om het aantal slachtoffers drastisch terug te dringen met als doel dat er uiteindelijk helemaal geen nieuwe gevallen meer ontstaan. Daarom zijn er strikte regels opgesteld die ervoor zorgen dat de blootstelling aan asbest zo beperkt mogelijk blijft. Daarnaast stimuleert de overheid het weghalen van asbest uit woningen, gebouwen en andere plekken waar mensen ermee in contact kunnen komen.
Wet- en regelgeving
Stukje geschiedenis
In Nederland werd asbest op grote schaal toegepast in met name de tweede helft van de twintigste eeuw. Maar de gevaren werden steeds bekender, lang voordat asbest formeel verboden werd. In 1949 erkende de Nederlandse overheid asbestose formeel als beroepsziekte. Die erkenning maakte het mogelijk om beroepsgerelateerde ziekten door asbest officieel te registreren en stond aan de basis van latere schadeclaims en medische onderzoeken naar asbest gerelateerde aandoeningen.
In de jaren zestig voerde dr. Jan Stumphius (bedrijfsarts) onderzoek uit op de scheepswerven (onder meer in Vlissingen). Hij zag dat er vaak kleine asbestdeeltjes in het slijm van de arbeiders zaten. Daardoor begreep hij dat hun werk met asbest slecht was voor de longen. Sommige mannen kregen er zelfs een speciale vorm van longkanker door (mesothelioom). Zijn bevindingen maakten duidelijk dat vooral losgebonden toepassingen (zoals spuitasbest) en crocidoliet (blauw asbest) extreem risicovol waren doordat de naaldvormige vezels diep in longweefsel kunnen doordringen. Stumphius promoveerde op 27 februari 1969 op het proefschrift Asbest in een bedrijfsbevolking, dat wereldwijd als een baanbrekend werk geldt voor erkenning van asbestgevaar en voor het ondernemen van beleidsmaatregelen.
Asbestbesluiten
Asbestbesluit 1978: Op basis van groeiend bewijs werden in Nederland vanaf eind jaren zeventig gerichte verboden ingevoerd: In 1978 kwam er specifiek een verbod op het gebruik van crocidoliet (blauw asbest) en ook spuitasbest (dat in losse vorm enorme concentraties vezels vrijlaat) werd verboden. Daarnaast mochten er geen nieuwe toepassingen van asbestproducten worden ontwikkeld. Deze stappen markeren het begin van structurele regulering, hoewel veel bestaande toepassingen nog lang mochten worden gemaakt.
Asbestbesluit 1988: In 1988 volgden extra maatregelen en verplichtingen, waarbij minder hoeveelheid vezels in de lucht werden geaccepteerd op plekken waar mensen werken. Er kwam ook een meldplicht wanneer met grote hoeveelheden asbest werd gewerkt. Door de toename van regulering en de bijbehorende administratie gingen steeds meer bedrijven op zoek naar alternatieven voor asbest.
Asbestbesluit 1993: Hoewel de gevaren dus al decennia eerder bekend waren, duurde het tot 1 juli 1993 voordat Nederland een breed verbod op toepassing en handel in asbest invoerde. Daarnaast kwam er ook een asbestverwijderingsbesluit. In dit besluit liggen de regels vast voor verwijdering van asbest en de verwerking ervan na verwijdering.
Het uiteindelijk volledige verbod binnen de EU werd later aangescherpt; vanaf 1 januari 2005 geldt een EU-breed verbod op verbruik, gebruik en handel in asbest. Sinds die tijd mag asbest alleen nog worden verwijderd en verwerkt door gecertificeerde specialistische bedrijven volgens strikte regelgeving.
Wat zegt de wet nu
Het werken met, vervoeren van en verwijderen van asbesthoudende materialen is in Nederland en Europa strikt gereguleerd. De Nederlandse en Europese wet- en regelgeving rondom asbest is primair gericht op arbeidsveiligheid, milieubescherming en het voorkomen van blootstelling bij sloop, renovatie en afvalverwerking. Denk aan het Arbobesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Productenbesluit asbest, en de Europese REACH-verordening. Deze wetten stellen strikte eisen aan het inventariseren, verwijderen, vervoeren en opslaan van asbesthoudende materialen.
Voor musea levert dit echter een uitdaging op. De regelgeving is niet ontworpen met cultureel erfgoed in gedachten. Asbest komt in museale collecties vaak voor in historische objecten, apparaten of kunstwerken, waarbij het behoud en de presentatie centraal staan in plaats van verwijdering. Er is géén specifieke uitzondering voor musea in de huidige wetgeving, wat betekent dat ook museale instellingen moeten voldoen aan regels die eigenlijk bedoeld zijn voor bouwbedrijven en afvalverwerkers.
Arbowet
Musea die met asbest te maken hebben, moeten niet alleen denken aan de sloopwetgeving of het Bouwbesluit, maar vooral ook aan de Arbeidsomstandighedenwet (kort gezegd Arbowet). Want zodra personeel in aanraking kan komen met asbesthoudende materialen, bijvoorbeeld bij het verplaatsen, schoonmaken of conserveren van objecten, geldt de plicht om hun gezondheid te beschermen. In het Arboportaal staat aangegeven wat de Arbowetgeving specifiek zegt over asbest. Ook vind je hier informatie als instrumenten en handige links naar andere belangrijke websites.
De Arbowet is een zogenaamde raamwet. De wet biedt algemene bepalingen en richtlijnen waar werkgevers en werknemers zich aan moeten houden. Hij benoemt geen exacte voorschriften of concrete regels; het gaat om doelvoorschriften. Daarbij is het doel dat het werk de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemer niet in gevaar brengt. Samengevat zijn de verplichtingen volgens de Arbowet dat werkgever en werknemer moeten samenwerken aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de medewerkers. In Nederland ziet de Nederlandse Arbeidsinspectie toe op de naleving van de Arbowet en de specifieke regelgeving over gevaarlijke stoffen zoals asbest. Werkgevers zijn verplicht te zorgen voor een veilige werkplek en het correct omgaan met asbest. De Inspectie kan controles uitvoeren, waarschuwingen geven en boetes opleggen als regels niet worden gevolgd.
Van de werkgever wordt verwacht:
- Veilig werken te stimuleren
- Aandacht te besteden aan Veiligheid, Gezondheid en Welzijn
- Risico’s in kaart te brengen (RI&E), risico’s beperken, plan van aanpak opstellen, jaarlijks rapporteren over RI&E
- Continu arbeidsomstandigheden te verbeteren
- Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) beschikbaar te stellen
- Voorlichting en onderricht te geven
- Toezicht te houden op naleving van instructies en voorschriften
- Preventiemedewerkers en BHV’ers te benoemen
- Goede begeleiding te zoeken
Van de werknemer wordt verwacht:
- Veilig te werken en instructies op te volgen
- Werk te stoppen bij gevaarlijke situaties en mogelijk risicovolle situaties te melden
- Mee te werken aan de uitvoering Arbozorg
- PBM’s te gebruiken en te onderhouden
- Zich te laten voorlichten en onderricht te volgen
- Apparatuur en gevaarlijke stoffen op de juiste manier te gebruiken en aangebrachte beveiligingen niet te verwijderen
Arbeidshygiënische strategie
Een hulpmiddel bij het volgen van de Arbowet is de arbeidshygiënische strategie. Deze geeft de volgorde aan waarin een bedrijf maatregelen moet treffen om ervoor te zorgen dat het werk zo gezond en veilig mogelijk gedaan kan worden. In artikel 4.4 van het Arbobesluit staat beschreven wat de arbeidshygiënische strategie specifiek inhoudt voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om een volgorde van vier stappen die na elkaar moeten worden genomen. Voor kankerverwekkende stoffen geldt dat een volgende stap alleen worden genomen wanneer de eerdere stap redelijkerwijs niet mogelijk is. Deze zogenaamde STOP-strategie vertaalt de stappen naar concrete toelichting voor het werken met gevaarlijke stoffen:
- (S) Substitutie: vervanging van een gevaarlijke stof door een niet of minder gevaarlijk stof
- (T) Technische maatregelen: technische maatregelen die helpen om blootstelling te voorkomen
- (O) Organisatorische maatregelen: werkafspraken die helpen om blootstelling te voorkomen en zorgen dat minder medewerkers worden blootgesteld
- (P) Persoonlijke beschermingsmiddelen: hulpmiddelen die helpen het risico op blootstelling te verminderen
Omgang met voorwerpen die asbest bevatten
Quickscan
Hoe weet je nu of je met asbest te maken hebt? Een eerste quickscan is belangrijk om een beeld te krijgen van de objecten in de collectie die mogelijk (deels) uit asbest bestaan.
Die quickscan houdt in dat allereerst de objectregistratie zorgvuldig wordt gecheckt op woorden als asbest, asbestcement, asbestplaat en eterniet. Ook op objecten (objectnamen) die vermeld staan in de voorbeeldlijst hierboven kan worden gecheckt. Denk bijvoorbeeld aan huishoudelijke apparaten en wetenschappelijke apparatuur waarbij met hitte of isolatie werd gewerkt.
Stap twee is een fysieke check in de collectie. Wanneer zich een situatie kan voordoen waarin mogelijk asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, zonder dat hier zekerheid over bestaat, kunnen de volgende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) preventief worden gebruikt:
- Wegwerpoverall (type 5/6)
- Nitril of latex handschoenen
- P3 filters op een half/vol gelaatsmasker (mits goed passend en getest)
- Veiligheidsbril (optioneel bij kans op stofvorming)
Voor meer voorbeelden van objecten met asbest zijn deze websites handig:
Opleidingen en cursussen
Omdat asbestverwijdering vooral voorkomt in de bouwsector, zijn opleidingen en vakliteratuur hierop afgestemd. Het is mogelijk om een collectiemedewerker op te leiden tot Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV-1). Deze opleiding biedt uitgebreide kennis over persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s), saneringstechnieken en risicobeheersing. Echter, volgens de wet mag een DAV alleen werken onder een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, en altijd onder toezicht van een DTA (Deskundig Toezichthouder Asbest). Voor musea is het lastig om aan deze voorwaarden te voldoen. Daarnaast vereist het DAV-certificaat praktijkervaring in echte saneringssituaties. Niet iedere museummedewerker is bereid of geschikt om werkzaamheden in de bouw uit te voeren.
Om toch inzicht te krijgen in de werkwijze en risico’s rondom asbest, is het voor musea aan te raden om ten minste een asbestherkenningscursus te volgen. Asbestherkenningscursussen worden gegeven door asbestexpert Harry Vonk in het Asbestmuseum, dat is gevestigd in Utrecht. Op deze locatie kun je op een veilige manier objecten bestuderen met asbest.
Samenwerken met asbestbedrijven: wie doet wat
De omgang met asbest is wettelijk strikt gereguleerd. Het hanteren van asbesthoudend materiaal is dan ook niet zomaar toegestaan zonder de juiste certificering. Wanneer een museum asbest heeft aangetroffen, is samenwerking met gecertificeerde bedrijven verplicht. Het museum komt daarbij terecht in een keten van gespecialiseerde partijen die ondersteuning kunnen bieden. Er geldt daarbij een strikte scheiding van rollen: een saneerder mag niet zelf inventariseren, en een inventariseerder mag niet zelf saneren. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt de veiligheid van medewerkers en omgeving. Deze structuur is wettelijk vastgelegd en bedoeld om zorgvuldig, transparant en veilig met asbest om te gaan, ook binnen een museale context.
Het begint allemaal met het aanvragen van een inventarisatie. De persoon die je daarvoor op bezoek krijgt is een DIA, oftewel een Deskundig Inventariseerder Asbest. Op basis van de uitkomsten van de inventarisatie kan worden besloten om het asbest te behouden of te (laten) verwijderen. Wanneer wordt gekozen voor behoud, moet er een beheersplan worden opgesteld. Bij verwijdering dient een gecertificeerd asbestsaneringsbedrijf te worden ingeschakeld. Na de sanering voert een laboratorium de vrijgave-meting uit. Vanwege de hoge kosten die met dit hele proces gemoeid kunnen zijn kan het handig zijn om meerdere offertes op te vragen. Zorg er wel voor dat je met een deugdelijk gecertificeerd bedrijf in zee gaat. De website ascert biedt informatie over certificaten en certificaathouders.
Stap 1. Inventarisatie
Een gecertificeerd inventarisatiebedrijf onderzoekt of er asbest aanwezig is, waar het zit, in welke vorm, en hoeveel. Ze nemen monsters en stellen een officieel rapport op. Dat rapport is verplicht voordat er gesaneerd mag worden.
De monsters die worden genomen kunnen materiaal-, lucht- en/of kleefmonsters zijn. Analyse van deze monsters mag alleen worden uitgevoerd door een hiervoor gecertificeerd laboratorium.
- Materiaalmonsters
Macro materiaalmonsters welke verkregen kunnen worden zonder mechanische handelingen mogen door een bedrijf zelf worden verpakt en opgestuurd voor asbest analyse, mits het te testen materiaal geen tekenen vertoont van stofverspreiding. Er mag geen risico ontstaan op verspreiding van mogelijke blootstelling. In het geval van objecten zal dit lastig te realiseren zijn, aangezien voor de meeste objecten het zal betekenen dat er mechanisch een monster genomen moet worden. Schakel hierbij een gecertificeerd bedrijf in voor het nemen van asbest materiaalmonsters bij risico op blootstelling of bij twijfel.
- Luchtmonsters
Met een pomp wordt lucht door een filter heen gezogen. De hoeveelheid opgevangen asbestvezels gecombineerd met het volume lucht dat de pomp heeft aangezogen weergeeft de asbestvezel concentratie in de lucht. Luchtmonsters worden genomen wanneer, na een asbestinventarisatie, risico op blootstelling is geconstateerd vanuit een bestaande of verwijderde asbest bron.
- Kleefmonsters
Met kleefband wordt op een oppervlak stofdeeltjes verzameld. Dit wordt ook wel een kleefmonster genoemd. Kleefmonsters worden genomen als, na een asbestinventarisatie, risico op verspreiding van blootstelling in een ruimte is geconstateerd. Als er asbestvezels zijn aangetroffen op een kleefmonster zullen aanvullende kleefmonsters worden genomen om de totale verspreiding en daarmee het risico te bepalen. Het nemen van lucht en kleefmonster 's moet altijd worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf.
Stap 2. Analyse
De genomen monsters worden geanalyseerd door een geaccrediteerd laboratorium. Hierdoor wordt duidelijk of het daadwerkelijk om asbest gaat, en zo ja, welk type. Analyse vindt plaats aan de hand van:
- Stereo-lichtmicroscopie
Twee optische paden, voor elk oog één, waardoor je een 3D-beeld krijgt van het object. Vergroting is meestal tussen 10x en 50x. Deze methode is geschikt voor het bekijken van oppervlakken en structuren van relatief grote objecten, zoals stofdeeltjes, vezels of materiaalfragmenten. Het traject bestaat uit een vooronderzoek, monsterpreparatie, beoordeling vezelvorm en kwaliteitscontrole.
- Polarisatiemicroscopie
Werkt met gepolariseerd licht. Deze methode is snel en betrouwbaar. Het traject bestaat uit identificatie van asbestvezels en bevestiging van de visuele waarneming.
- Elektonenmicroscopie
Vergroting tot 100.000x of meer. I.p.v. licht gebruik van elektronen. Goud of koolstof t.b.v. geleiding. Het traject bestaat uit elementanalyse, bevestiging van lichtmicroscopie en analyse luchtmonsters.
De richtlijnen voor analyse zijn vastgelegd in NEN- en ISO-normen, o.a. NEN 2991 en NEN 5896.
De analyse bepaalt, in samenhang met de conditie van het materiaal, de locatie van het asbest en de te verwachte werkzaamheden, de risicoklasse en daarmee de aanpak van de verwijdering. Er zijn drie verschillende risicoklassen te onderscheiden:
- Risicoklasse 1: Laag risico, wat betekent dat het asbest ook door niet-gecertificeerde personen mag worden verwijderd. Dit moet wel worden gemeld in het webportaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
- Risicoklasse 2: Hoog risico (meer dan 2.000 vezels per m3). Asbest moet worden verwijderd door een gecertificeerd bedrijf, omdat er risico aanwezig is dat een grote hoeveelheid vezels vrijkomt.
- Risicoklasse 2a: Hoog risico + amfibool. Dit is de meest gevaarlijke vorm van asbest, waarbij uiteraard alleen een gecertificeerd bedrijf mag verwijderen.
Stap 3. Sanering
Pas na de inventarisatie en laboratoriumanalyse mag een gecertificeerd saneringsbedrijf aan de slag. Zij verwijderen het asbest volgens de geldende veiligheidsvoorschriften en zorgen voor correcte afvoer.
Stap 4. Eindcontrole
Na sanering volgt een eindcontrole door een onafhankelijk gecertificeerd laboratorium conform de NEN-norm NEN 2990. Daarin staat of de ruimte veilig is te betreden.
Het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) is een webapplicatie voor het volgen en registreren van asbestverwijdering door de verschillende partijen in bovenstaande keten. Het LAVS zorgt ervoor dat opdrachtgevers, inventariseerders, asbestverwijderingsbedrijven, eindinspectiebedrijven en toezichthouders over dezelfde informatie beschikken. Inventariseerders en asbestverwijderingsbedrijven zijn verplicht om hun werkzaamheden in het LAVS te registreren.
Blootstelling beperken en het asbestbeheersplan
Er hoeft niet altijd voor gekozen te worden om asbest te verwijderen. Als het hechtgebonden asbest betreft, er geen sprake is van verwering of beschadiging, én verwijdering een enorme impact heeft, kan er ook voor gekozen worden om het asbest te laten zitten. Wel is dan belangrijk te registreren dat er sprake is van asbest, en een goed beheersplan te maken.
Medewerkers mogen in ieder geval niet worden blootgesteld aan asbestvezels. Als er risico bestaat op het vrijkomen of de verspreiding van asbestvezels, is het niet toegestaan asbesthoudend materiaal te hanteren. In een museale omgeving is het echter niet altijd bekend met welke materialen men te maken heeft. Denk bijvoorbeeld aan vrijwilligers die dozen met objecten uitpakken waarvan de inhoud onbekend is. Het is daarom essentieel om kennis op te doen over het herkennen van asbesthoudend materiaal.
Om verspreiding en contaminatie te voorkomen, is het belangrijk dat deze werkzaamheden plaatsvinden op een daarvoor aangewezen locatie. Wanneer asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, kan de locatie worden afgezet of als quarantaineruimte worden aangemerkt totdat een DIA ter plaatse is geweest.
Daarnaast mogen collectiemedewerkers geen werkzaamheden uitvoeren waarbij vezels kunnen vrijkomen zoals breken, zagen, schroeven verwijderen of schuren.
Als het mogelijk is asbest te vervangen door iets vergelijkbaars, dan heeft dat de voorkeur. Dit past ook binnen de arbeidshygiënische strategie waarbij je bij stap 1 (substitutie) het asbest vervangt door een niet of minder gevaarlijk stof. Denk daarbij aan plaatjes asbest in oude kachels. Door het asbest te verwijderen verandert het uiterlijk van de kachel niet. Wel is het goed om deze vervanging zorgvuldig te documenteren, zodat later altijd duidelijk is dat er oorspronkelijk asbest in de kachel heeft gezeten.
Asbestbeheersplan
Als wordt besloten het asbest niet te verwijderen, volgt (na de inventarisatie door een DIA) het opstellen van een beheersplan, bij voorkeur samen met een asbestdeskundige. Dit omvat de volgende punten:
- soort asbest
- hoeveelheid asbest
- locatie van het asbest
- fysieke staat van het asbest
- genomen maatregelen
Maatregelen kunnen zijn:
- objecten gelabeld met asbeststicker
- gegevens opgenomen in collectieregistratie
- verpakking of coating/impregnatie aangebracht
- object in luchtdichte vitrine geplaatst
- instructie medewerkers opgenomen in werkprocessen
- periodieke inspecties ingepland
Denk ook aan:
- contactgegevens van verantwoordelijk collectiebeheerder of preventiemedewerker
- contactgegevens van externe asbestdeskundige/DIA
- maatregelen die nodig zijn in geval van een calamiteit
Wanneer het vrijkomen van vezels uit een asbesthoudend object een risico vormt, is het verplicht het blootstellingsrisico weg te nemen door het object te verpakken of te coaten met een materiaal dat de vezels effectief bindt. Dit dient te gebeuren in samenwerking met een gecertificeerd bedrijf of deskundige. In sommige gevallen kunnen deze werkzaamheden, onder toezicht van deze gecertificeerde partij, zelf worden uitgevoerd.
Zodra een object geen risico (meer) kan geven op blootstelling aan asbestvezels, kan het veilig worden gehanteerd. Houd hierbij rekening met de manier van hanteren, want in sommige gevallen kan er opnieuw blootstellingsrisico ontstaan, bijvoorbeeld wanneer het verpakte object valt.
Daarna is het belangrijk om je collectie systematisch te blijven screenen op objecten die mogelijk asbest bevatten. Zodra je deze objecten hebt geïdentificeerd, kun je ze in het registratiesysteem markeren als ‘asbestverdacht’ en labelen met een asbestlabel. Zo worden collectiebeheerders en andere betrokkenen direct geattendeerd op mogelijke risico’s bij hantering, opslag of presentatie (afb.10).
Zorg er ook voor dat in het collectiehulpverleningsplan (CHV-plan) informatie wordt opgenomen met betrekking tot de objecten die (mogelijk) asbest bevatten. Een directe actie kan zijn om de ruimte waar zich de objecten met asbest bevinden af te schermen en een asbestdeskundige in te schakelen. Zorg dat ook het nummer van de asbestdeskundige is opgenomen in de telefoonlijst in het CHV-plan. Indien een object met asbest is stuk gevallen is het belangrijk geen reinigingsmiddelen of stofzuigers te gebruiken, maar te wachten op de deskundige die ervoor kan zorgen dat het asbest op de juiste manier wordt gesaneerd.
Voorbeelden uit de praktijk
Asbestproject Nemo Science Museum
De NEMO collectie is voornamelijk technisch en bevat veel objecten waarin mogelijk asbest voorkomt. Op basis van een eerste analyse wordt geschat dat circa 70% van de 20.000 objecten asbest kan bevatten.
In 2024 werd begonnen met het uitpakken van kisten uit een eerdere verhuizing, voornamelijk installatietechniek. Hoewel vooraf vaak duidelijk was welke objecten in de kisten zaten, bleek na verloop van tijd dat veel objecten in slechte staat verkeerden: gebruikt, verroest of haastig verwijderd uit gebouwen die gesloopt zouden worden. Daardoor dook regelmatig niet-hechtgebonden asbest op in combinatie met objecten waar kwik uit was gaan lekken. Ook werden geregeld objecten aangetroffen die niet in het registratiesysteem stonden, wat extra risico’s opleverde, omdat vooraf niet duidelijk was wat werd uitgepakt. Tijdens een routinecontrole werd een asbestvezel op de uitpaktafel gevonden, waarna de ruimte dicht moest en moest worden gesaneerd. Het vinden van een gespecialiseerd bedrijf dat rekening houdt met museale collecties bleek lastig.
Deze factoren waren aanleiding om het project tijdelijk stop te zetten en de procedures grondig te herzien. Hoewel al kennis was opgedaan over asbestherkenning en hier een cursus voor was gevolgd, bleek de expertise rondom persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) nog onvoldoende. Dit leidde tot een brede aanscherping van de werkwijze, ook voor kwik en straling.
Samen met een arbeidshygiënist werden gedetailleerde protocollen ontwikkeld voor o.a. het inrichten van een veilige werkplek, het gebruik van PBM’s en het uitvoeren van een uitgebreidere risicoanalyse voordat met collectie gewerkt kan worden of voordat een object wordt uitgeleend of verworven. Ook de kennis binnen de Werkgroep gevaarlijke stoffen in collecties was van toegevoegde waarde. Daarnaast wordt nu samengewerkt met gespecialiseerde bedrijven voor periodieke metingen en advies. Het ontwikkelen van deze procedures was uitdagend, omdat er geen duidelijke voorbeelden waren uit de praktijk. Bestaande industriële protocollen zijn vaak te streng of praktisch onuitvoerbaar in een museumomgeving, waardoor maatwerk noodzakelijk blijft. Collectiebeheerders weten goed hoe het object te beschermen, maar de kernvraag was nu: hoe beschermen de medewerkers zichzelf tegen het object?
Na het stilleggen van het project moesten enkele kisten alsnog worden geopend voor stralingscontroles. Dit gebeurde in een tijdelijke werkstraat buiten op het terrein met verbeterde PBM’s en begeleiding van stralings- en asbestdeskundigen. Dat was een goede pilot om te zien hoe die samenwerking verliep. Asbestbedrijven zijn vaak industrieel, niet museaal. Er kwamen zo’n 60 objecten uit 17 kisten met asbest in de risicoklasse 2 of 2A.
Inmiddels is de collectieregistratie ook verbeterd: elk object heeft een status voor asbest, kwik, straling, lood en PCB olie (positief, verdacht, onbekend of onwaarschijnlijk). Onbekend betekent dat het object nog niet bekeken is op gevaarlijke stoffen. Objecten worden qua asbest niet fysiek gelabeld; in plaats daarvan is overgestapt op een barcodesysteem waarmee medewerkers direct na scannen van de barcode de risicostatus kunnen zien in het scherm. Omdat 70% van de collectie asbest kan bevatten is het labelen van zo’n 17.000 objecten met een asbeststicker niet werkbaar. Er wordt verder gewerkt aan het aanbrengen van barcodes, en het onderzoeken van de collectie. Pas daarna wordt beslist over vervolgstappen zoals verder uitpakken, sanering, impregnering of andere beheersmaatregelen. Met een klein team kost dit proces tijd. Sommige objecten bevatten asbest dat diep in het materiaal zit, waardoor openen juist extra risico’s oplevert. Daarom blijft maatwerk essentieel.
De belangrijkste les die is geleerd tijdens dit project is dat het veiliger is om uit te gaan van het “worstcasescenario”. Door te starten met maximale beschermingsmaatregelen en deze pas af te bouwen wanneer blijkt dat een object geen gevaarlijke stoffen bevat, wordt rust gecreëerd, alsmede duidelijkheid en vooral veiligheid voor iedereen die met de collectie werkt. De hoop is met alle opgedane kennis in de toekomst een verbeterde werkstraat op te zetten en de kisten verder uit te pakken.
Voorbeelden van coating of impregnatie
Coating tegeltableaus CC NL
In de verhuisvoorbereiding van de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed naar het CollectieCentrum Nederland zijn circa 100 tegeltableaus op asbestcement voorzien van een coating. Het aanbrengen van de coating is uitgevoerd door een asbestsaneerbedrijf in volledig containment. Voor de coating werd Foster 32-80 gebruikt, een mengsel op basis van gechloreerde paraffine. Op die manier zijn de tegeltableaus hanteerbaar en exposeerbaar.
Onderzoek impregneren door Art Salvage
Een andere manier om het risico op vrijkomen van vezels te minimaliseren – zonder grote fysieke veranderingen aan het object zelf – is het inkapselen van het materiaal door middel van consolidatie. Art Salvage heeft hier uitbreid onderzoek naar gedaan in samenwerking met ETWIE in België. In het onderzoek is gekeken naar consolidanten die het losse asbest kunnen vastzetten zodat er geen vezels meer vrijkomen. Er was weinig informatie beschikbaar over dit onderwerp, dus de onderzoekers moesten veel zelf uitproberen. Ze kozen bekende producten die restauratoren al gebruiken, en testten deze op materialen die lijken op asbestkoord en asbestkarton. Uiteindelijk bleken vooral acrylaten en cellulose ethers geschikt, omdat die goed hechten en het uiterlijk niet te veel veranderen.
Uit de testen bleek:
- Er bestaat geen perfect middel: welke stof werkt hangt af van het soort materiaal.
- Soms verandert het uiterlijk een beetje (zoals donkere kleur of minder soepel textiel), maar dat werd acceptabel gevonden voor de veiligheid.
- Meestal moeten twee à drie lagen worden aangebracht om het asbest echt goed vast te zetten.
- Klimaatveranderingen (temperatuur en luchtvochtigheid) hadden weinig effect, behalve dat sommige middelen wat plakkerig worden bij hoge luchtvochtigheid.
De beste methoden waren:
- Voor asbestkarton: Klucel G (3% in ethanol), drie lagen met een penseel.
- Voor asbesttextiel: Methocel 4AC (2% in 80:20 ethanol-water), drie lagen met een penseel.
Let op: bij beschadigd textiel komen nog steeds asbestvezels vrij.
Er is nog veel meer onderzoek nodig:
- Testen op écht asbest (onder veilige omstandigheden)
- Methoden om de middelen dieper te laten intrekken (zoals vacuümtechniek)
- Onderzoeken wat er gebeurt bij beschadigde of vervuilde objecten
- Kijken naar de omkeerbaarheid van behandelingen, omdat dit belangrijk is in restauratie
Verder lezen
- Stuart, Barbara (red.), Veilig omgaan met asbest voor dummies, Amersfoort 2017
Wet- en regelgeving
- Wat is asbest - Nederlandse Arbeidsinspectie
- Wet- en regelgeving asbest - Nederlandse Arbeidsinspectie
- Wat is asbest? - Informatiepunt Leefomgeving
- Overzicht asbestregelgeving - Informatiepunt Leefomgeving
- Asbestbeleid voor minder gezondheidsrisico’s - Rijksoverheid.nl
- Arboportaal - asbest
Vlaanderen
- ETWIE Kennisbank asbest
- Faro gevaarlijk erfgoed - asbest
- Art Salvage - Onderzoek asbestveilig maken van cultureel erfgoed
Engeland
Deze tekst is samengesteld door Judith van Bezu (Nemo Science Museum), Loet Huisman (Museon-Omniversum), Rosalijn van IJken (Rijksmuseum Boerhaave), Danielle Mark (Rijksmuseum/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en Alexandra van Kleef (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema's BegrippenSpecialist(en)Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 18 mei 2026 om 02:05.