Gevaarlijke stoffen in collecties - radioactief materiaal
Introductie
Uit de negentiende en begin twintigste eeuw kennen we gebruiksvoorwerpen waaraan radioactieve stoffen zijn toegevoegd ter decoratie of voor een specifieke toepassing. Zo werd uraniumglas, vaak onder de naam Annagroen- of Annageel-glas, een populair verzamelobject. En radiumverf is voor lichtgevende wijzers in horloges en klokken, en in meetapparatuur, veelvuldig toegepast. Radium is daarbij een tijd lang als wondermiddel gezien, en eveneens gebruikt in medicatie en cosmetica. Andere radioactieve stoffen die je kunt tegenkomen in bijvoorbeeld technische en industriële collecties zijn thorium, tritium en americium-241. Naast de nieuwe twintigste-eeuwse toepassingen kunnen in natuurhistorische collecties mineralen of fossielen aanwezig zijn die radioactief zijn.
Alhoewel deze radioactieve objecten wetenschappelijk of (cultuur)historisch van groot belang kunnen zijn, is de wetgeving heel strikt: sinds februari 2018 moet je voor het houden (of voorhanden hebben), opslaan, hanteren, tonen en vervoeren van het meeste radioactieve materiaal een vergunning hebben van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Mocht je daarom radioactief materiaal vermoeden, dan is het onverwijld op de hoogte stellen van de ANVS een essentiële eerste stap.
In dit artikel wordt dieper ingegaan op het herkennen van mogelijk radioactief materiaal in de collectie en de stappen die je vervolgens moet zetten voor behoud, persoonlijke bescherming en eventueel afvoering.



Wat is radioactiviteit
Straling is overal om ons heen. Er bestaat niet ioniserende en ioniserende straling. Voorbeelden van niet ioniserende straling zijn zichtbaar licht, radiogolven en laser. Zij bevatten niet genoeg energie om kernmateriaal te veranderen. Radioactieve stoffen, elementen zoals uranium en radium, produceren ioniserende straling. Het merendeel van de ioniserende straling waarmee we in contact komen, is afkomstig uit de lucht, het heelal, de bodem, gebouwen of uit het menselijk lichaam. Iedereen staat daarom voortdurend bloot aan deze natuurlijke stralingsbronnen.
Ioniserende straling wordt afgegeven door elementen die een instabiele atoomkern bevatten. Als zo’n kern vervalt, wordt er energie uitgezonden in de vorm van deeltjes of elektromagnetische golven. Ook röntgenstraling is een vorm van ioniserende straling. Deze ontstaat echter niet ten gevolge van radioactief verval, maar wordt kunstmatig opgewekt in een röntgentoestel.
Soorten straling
Er zijn drie verschillende soorten ioniserende straling, namelijk alfa-, bèta-, en gammastraling. Alfastraling bestaat uit relatief grote deeltjes. Een alfadeeltje legt slechts 2-6 cm af in de lucht en kan al met een papiertje volledig worden tegengehouden. In het lichaam kan het één tot twee cellen doorkruisen en dringt dus niet door de huid heen. Bètastraling bestaat uit kleinere deeltjes en heeft daardoor een groter doordringend vermogen. Bètastraling kan al worden gestopt door bijvoorbeeld een laagje water van 1 cm. Gammastraling bestaat net als licht uit fotonen en heeft een groot doordringend vermogen. Om deze straling tegen te houden is een betonnen muur met een dikte van minimaal 1,30 m nodig.
Halveringstijd
Radioactiviteit neemt af met de tijd. Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe minder ioniserende straling er wordt afgegeven. Het verval van radioactieve stoffen resulteert in stabiele elementen die geen ioniserende straling meer afgeven. Hoelang het verval duurt, drukken we uit met halfwaardetijd. Dat is de tijd die nodig is om de helft van het radioactieve element om te zetten in een of meerdere stabiele elementen. Ieder radioactief element heeft een eigen vaste halfwaardetijd. Voor sommige elementen zijn dat secondes, andere elementen hebben halfwaardetijden van miljoenen jaren. Jodium-131 heeft bijvoorbeeld een halfwaardetijd van 8 dagen, terwijl uranium-238 een halfwaardetijd heeft van 4,5 miljard jaar. Radioactieve elementen in museumcollecties zijn vaak uranium-238 en radium-226 (halfwaardetijd 1600 jaar). Dat betekent dat radioactieve collectiestukken geen relevante vermindering in ioniserende straling zullen vertonen gedurende de museale opslag.
Waar vind je radioactief materiaal in collecties en gebouwen
Radioactieve elementen (radionucliden) hebben een natuurlijke of een kunstmatige oorsprong. Natuurlijke radioactiviteit kan voorkomen in mineralen en fossielen en wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van uranium, thorium of kalium-40. Van alle soorten mineralen is bekend of ze wel of niet radioactief zijn, dus ook zonder stralingsdetector is dit met een goede identificatie te achterhalen. Van sommige fossielen (fossiele walvisbeenderen uit de Noordzee, dinosaurusfossielen uit Wyoming) is bekend dat ze radioactief zijn en deze kunnen dus op basis van hun ouderdom en vindplaats verdacht zijn.
We kennen ook producten waar radioactieve elementen in zijn verwerkt, zoals uraanglas, lenzen of keramiek. Ook kan het als bron voorkomen in elektronenmicroscopen, theodolieten en andere instrumenten, bijvoorbeeld bij medisch erfgoed. Daarnaast kan het voor komen als coating of onderdeel in zeer diverse objecten, van schijnwerpers tot schakelaars. Ook beeldschermen uit de jaren zeventig en tachtig kunnen radioactief zijn. Wanneer elektronen in een elektronenbuis (vacuümbuis) versneld worden richting het fosfor van de tv (zodat er beeld ontstaat), ontstaat een kleine hoeveelheid röntgenstraling.(NB vanwege deze lage hoeveelheid vallen deze beeldschermen onder de vrijwaring en zijn daarmee niet vergunningsplichtig, zie de informatie onder Wet- en regelgeving.)
Sommige radioactieve stoffen geven een fluorescerend effect wanneer ze worden beschenen met ultraviolet licht. Vandaar dat je deze stoffen soms tegenkomt in wijzerplaten van meetapparatuur, horloges en militaire objecten. Hierbij is een radioactieve stof vermengd met een fluorescerende verf. De energie van de radioactiviteit zorgt voor een continu oplichten van de wijzers en metertjes. Vaak is de verf al uitgewerkt maar de radioactiviteit nog lang niet. Let op: het wel of niet oplichten van de wijzers zegt dus niet automatisch iets over de aanwezigheid van radioactiviteit.
Hoewel uv-licht ook gebruikt kan worden om vast te stellen of glaswerk oplicht, geeft dit niet de zekerheid of het object wel of niet radioactief is. Zo kan glas in een andere samenstelling dan uraniumglas ook oplichten onder uv-licht (bijvoorbeeld glas met mangaan), maar zal dit minder intens zijn (afb.1).
Thorium werd gebruikt voor sommige optische lenzen vanwege de hoge brekingsindex. Lenzen met een thorium laagje verkleuren over tijd. De historische achtergrond en gebruik van het object kunnen dus iets zeggen over de mogelijkheid of een object wel of niet radioactief is. De grootste risico’s zijn aanwezig bij apparatuur die in het (semi) duister gebruikt werd, en objecten tussen 1920 en 1960. Na 1960 werd radioactief materiaal nauwelijks meer gebruikt in klok- en meetapparatuur, en na 1970 werd ook de thorium coating op lenzen nauwelijks meer toegepast.
Voorbeelden van radioactieve objecten
Om meer voorbeelden te ontdekken van radioactieve objecten zijn dit nuttige websites:
Detectie en analyse
Straling is onzichtbaar, maar kan wel gemeten worden met speciale meetapparatuur. Het vaststellen of een object wel of niet radioactief is, moet gebeuren door een gecertificeerde stralingsbeschermingsdeskundige (SBD). Deze kun je vinden in het register van de ANVS. Het is van belang dat deze zo snel mogelijk ingeschakeld wordt. Nadat melding wordt gedaan bij de ANVS, kan de SBD’er een gedetailleerde lijst kan opstellen van de radioactieve objecten.
Om radioactiviteit te meten, wordt een stralingsdetector gebruikt, zoals bijvoorbeeld een geigerteller een stralingsdetector is. In veel gevallen is een geigerteller echter niet voldoende, omdat deze niet precies genoeg is. Daarom worden speciale stralingsmeters gebruikt (afb.2). Daarnaast kan worden gebruik gemaakt van dosismeters voor het meten van persoonlijke stralingsblootstelling, indien je regelmatig in contact komt met radioactief materiaal.
Eenheden
De activiteit van een radioactieve bron wordt gemeten in becquerel (Bq). 1 Becquerel betekent dat er iedere seconde 1 atoom vervalt.
De geabsorbeerde dosis wordt gemeten in gray (Gy). De gray meet de geabsorbeerde hoeveelheid ioniserende straling. Een gray is hierbij gelijk aan de absorptie van een joule stralingsenergie door een kilogram materie. De gray zegt alleen iets over de natuurkundige effecten van straling, niet over het biologische effect.
De biologische effecten worden gemeten in sievert (Sv). De sievert is geen direct meetbare grootheid, maar zegt iets over de biologische uitwerking van ioniserende straling op de verschillende organen. Deze wordt berekend aan de hand van de geabsorbeerde dosis, het soort straling en het blootgestelde weefsel.
Blootstelling
De hoeveelheid straling, of de stralingsdosis waaraan een persoon bloot wordt gesteld, wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). In Nederland sta je gemiddeld aan 1,6 mSv per jaar aan natuurlijke ioniserende straling bloot. In andere landen kan dat hoger of lager zijn. Voor de meeste mensen in Europa ligt de dosis tussen 2 en 5 mSv per jaar. In Finland is dat flink hoger: per jaar 7,5 mSv. De verschillen hebben te maken met de bodemgesteldheid; in Finland zit bijvoorbeeld veel graniet in de grond. Ook je beroep of eventuele medische behandelingen en onderzoeken hebben invloed op de hoeveelheid ioniserende straling die je oploopt. Een piloot die op grote hoogte aan meer straling wordt blootgesteld dan op de grond, kan per jaar wel 5 mSv extra krijgen. Als je met een trans-Atlantische vlucht meegaat, loop je ongeveer 0,05 mSv op. Bij het maken van een röntgenfoto krijg je ongeveer 0,1 mSv aan straling, wat meer bij foto's van borstkas of buik. Gemiddeld krijgt iedere Nederlander door vliegreizen en behandelingen of onderzoeken met radioactieve stoffen 1 mSv per jaar. Samen met de natuurlijke achtergrondstraling ontvangen we in Nederland per persoon per jaar ongeveer 2,6 mSv aan ioniserende straling.
Blootstelling aan ioniserende straling verhoogt de kans op kanker. De afstand tot het stralende object en de duur van de blootstelling zijn leidend voor de inschatting van het gevaar, net als de soort straling (alfa, bèta, gamma of röntgen). Sommige stralingsvormen zijn eenvoudig tegen te houden (bijvoorbeeld met plexiglas). Bij een lichte stralingsbron kan enkele centimeters afstand achter op een depotplank, in een doos of achter glas in een vitrine al voldoende zijn. Bij zwaardere bronnen dient er betere afscherming gerealiseerd te worden, bijvoorbeeld door middel van een loodkluis. Schakel hiervoor een gecertificeerd stralingsdeskundige in.
De duur van de blootstelling dient altijd zo kort mogelijk te zijn en de afstand zo groot mogelijk. Een verdubbeling in de afstand zorgt al voor viermaal minder hoeveelheid straling. Organisaties die werken met radioactieve stoffen zijn verplicht het ALARA-principe te volgen, wat staat voor As Low As Reasonably Achievable. Dat wil zeggen dat de blootstelling aan ioniserende straling voor medewerkers zo laag moet worden gehouden als redelijkerwijs haalbaar is.
Besmetting
Bij de interactie tussen ioniserende straling en menselijk weefsel kunnen cellen in het lichaam beschadigd raken. Bij een enkele cel kan de schade goed worden hersteld. Bij meer cellen kan dat lastiger worden, wat gevolg heeft voor het orgaan waar de cellen en het weefsel een functie hebben. Ook na langere tijd (eventueel jaren later) kunnen nog effecten optreden.
Er wordt daarom bij stralingsveiligheid onderscheid gemaakt tussen uitwendige en inwendige blootstelling. Uitwendige blootstelling betreft de voorbeelden die tot nu toe zijn genoemd (blootstelling aan stralingsbronnen buiten je lichaam). Inwendige blootstelling treedt op wanneer je radioactief materiaal via je mond of anderszins in je lichaam krijgt. We spreken dan van besmetting. Besmetting, waarbij radioactief stof wordt ingeademd, of via de mond of ogen in het lichaam terecht komt, kan zeer schadelijk zijn, omdat het niet mogelijk is afstand te nemen van de radioactieve bron. Deze blijft ioniserende straling in het lichaam afgeven, waardoor de kans op schade aan cellen en DNA enorm toeneemt.
Om besmetting te voorkomen, moeten radioactieve objecten niet zonder handschoenen worden aangeraakt. Radioactief materiaal kan aan je handen blijven zitten, wat bij eten of roken in het lichaam terecht kan komen. Ook mogen radioactieve objecten niet zonder meer worden bewerkt of gerestaureerd, omdat hierbij de kans op poedervorming en stof vergroot wordt en daarmee de kans op besmetting. Poeder en stof kan ook achterblijven op tafel of toetsenbord, waardoor er een kans is op besmetting. Deze vorm van radioactieve besmetting dient dus ten alle tijden voorkomen te worden. Mocht het toch gebeuren, schakel direct een (stralings)arts in.
Wet- en regelgeving
De wetgeving voor de omgang met radioactieve stoffen bestaat uit het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Bbs) en de erbij behorende Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Rbs) en Verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Vbs):
- Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming: Dit is de basis, een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) onder de Kernenergiewet. Het bevat de hoofdlijnen, de algemene verplichtingen, en implementeert de Europese basisveiligheidsnormen (European Basic Safety Standards (EU-BSS)) in de Nederlandse wet.
- Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming: Dit is een ministeriële regeling die nadere uitwerking geeft aan de bepalingen uit het Bbs. Het bevat specifieke details, zoals lijsten met radioactieve materialen, eisen aan deskundigheid, en criteria voor het beveiligingsplan.
- Verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming: Dit is een verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). De Vbs stelt specifieke, vaak technische of organisatorische eisen aan vergunningen en procedures, gebaseerd op het Bbs en de Rbs.
Vrijwel al het radioactieve materiaal is tegenwoordig vergunningsplichtig. Zonder vergunning of registratie bij de ANVS ben je in overtreding op het moment dat je als Nederlandse instelling radioactief materiaal bezit, beheert (of voorhanden hebt), of transporteert, die buiten de Grenswaarden voor generieke vrijstelling en vrijgave van radioactief materiaal vallen. Deze grenswaarden zijn inmiddels in het Bbs opgenomen onder artikel 3.17.
Wanneer er geen vergunning is, en er is radioactief materiaal op een locatie, dan dient direct actie genomen te worden: bel de ANVS DDA (Autoriteit Nucleaire Stralingsbescherming Dienstdoend Ambtenaar) om de vergunning aan te vragen. Ook bij slechts een vermoeden van radioactief materiaal is het belangrijk om dit direct te melden bij de ANVS en een gediplomeerd stralingsbeschermingsdeskundige in te schakelen.
Een alternatief is dat de objecten moeten worden afgevoerd naar de COVRA. Dit is de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval, die is gevestigd in Borsele, in Zeeland. De COVRA haalt het radioactief materiaal op in blauw metalen vaten die vervolgens worden opgeslagen (afb.3).
In het aanvragen en opstellen van een vergunningsaanvraag, is het handig om een gediplomeerd stralingsbeschermingsdeskundige (SBD’er) de aanvraag te laten opstellen. Veel van de verplichte gegevens zijn niet mogelijk om zelf aan te leveren, zoals activiteitsconcentratie of het vaststellen van de aanwezige radionucliden. De risicoanalyse is voorbehouden aan een geregistreerde SBD’er. Iedere ondernemer die handelingen uitvoert die blootstelling van een lid van de bevolking met zich mee kan brengen, moet zich dus verplicht laten bijstaan door een SBD’er. Dit is vaak een externe partij, waarmee een schriftelijke overeenkomst is vastgesteld. Deze neemt de rol aan van coördinerende deskundige.
Daarnaast moet iedere ondernemer de handelingen met stralingsbronnen laten uitvoeren door, of onder toezicht van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming (TMS). Dit is bij voorkeur iemand in de organisatie die het vaakst de handelingen met de objecten moet uitvoeren. Hiervoor kun je een korte opleiding doen om het diploma van TMS’er te verkrijgen. Dit is de opleiding TMS – VRS: Toezichthoudend Medewerker Stralingsbescherming – Verspreidbare Radioactieve Stoffen. Deze is er in niveau C of D, waarbij D geschikt is voor handelingen met een beperkt risico, en C voor een groter risico, zoals in radiochemische laboratoria.
Vrijstelling van het controlestelsel is alleen als de activiteit (Bq) of de activiteitsconcentratie (Bq/g) in het materiaal lager is dan de vrijgavewaarden vermeld in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Vergunning of melding is dan niet nodig.
Voor het aanvragen van een vergunning heeft de ANVS een handreiking opgesteld. De ANVS houdt in een database bij wie een vergunning heeft, en waar de vergunning is gewijzigd of verlopen. Hierin zijn ook de musea met een vergunning te vinden.
Vergunning
De vergunning bestaat altijd uit een vast aantal onderdelen:
- Gegevens van de aanvrager
De aanvrager moet degene zijn onder wiens verantwoordelijkheid de handelingen met stralingsbronnen zullen worden uitgevoerd.
- Gegevens van de locatie
Naam en adres van de locatie, en daarnaast een duidelijke begrenzing van de plaats waarbinnen de vergunning plichtige handelingen verricht gaan worden. Dit moet op een plattegrond met schaal. Een bewaakte of gecontroleerde zone moet ook worden ingesteld, voor de bergplaats en opslag van de radioactieve materialen. De aangegeven plaats mag niet toegankelijk zijn voor onwetend publiek.
- Gegevens over eerdere vergunningen, meldingen en registraties
Als er al eerder bij de ANVS-vergunningsaanvragen, meldingen of registraties zijn gedaan, moet dat worden gemeld.
- Informatie over bronnen en handelingen
In de aanvraag moet worden gespecificeerd of de aanvraag gaat over handelingen met ingekapselde bronnen, open radioactieve bronnen of instrumenten en toestellen die ioniserende straling kunnen uitzenden. De handelingen die de aanvrager wil uitvoeren met de bronnen, moeten worden beschreven, en daarnaast het doel, de rechtvaardiging en de tijdsduur. Ook moet het volgende worden aangeleverd over de bronnen: de betreffende radionuclide, chemische en fysische vorm, aantal bronnen, maximale activiteit per bron en gezamenlijk.
- Informatie over de bergplaats
Radioactieve stoffen moeten worden opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde bergplaats, dit om te voorkomen dat door externe invloeden de stoffen zich kunnen verspreiden. Over deze bergplaats moet het volgende worden vermeld: stralingsniveau buiten bergplaats, waarschuwingssignalering, (on)toegankelijkheid voor onbevoegden, brandwerendheid, bekendheid bij de veiligheidsregio. De bergplaats moet ingetekend staan op een plattegrond.
- Aanstelling van stralingsbeschermingsdeskundige en toezichthoudend medewerker stralingsbescherming (TMS)
Hier wordt omschreven hoe de twee verplichte rollen zijn ingericht in de organisatie, een kopie van diploma van de TMS, en een schriftelijke beschrijving van de toegewezen taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van beide rollen. Als een van de rollen een externe ingehuurde kracht is, dienen deze overeenkomsten ook worden bijgevoegd.
- Gegevens over risico’s en maatregelen
Degene die de handelingen verricht, is verplicht zorg te dragen dat de blootstelling is geoptimaliseerd, wat betekend dat de kans op blootstelling en de duur zo beperkt als redelijkerwijs mogelijk is. Door middel van berekeningen moet worden aangetoond wat de verwachte blootstelling is voor werknemers en leden van de bevolking (bijvoorbeeld bezoekers, externen). Hier moet een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor worden aangeleverd.
Omgang met objecten die radioactief materiaal bevatten
Hoe te hanteren
Het hanteren van objecten met straling is alleen mogelijk als je een vergunning hebt en een TMS’er in huis hebt. Objecten met radioactiviteit dienen altijd met wegwerphandschoenen, zoals van nitril, te worden gehanteerd, om besmetting van loszittend materiaal en stof te voorkomen. Was ook altijd goed je handen. Bij objecten waar veel loszittend materiaal voorkomt, dient een PH3-mondmasker gedragen te worden. Alle gebruikte materialen moeten na gebruik en het afronden van de werkzaamheden gecontroleerd worden op besmetting. Als de materialen besmet zijn, dan moeten deze in een afvalvat voor radioactief afval worden gedeponeerd (zoals die door de COVRA worden gebruikt).
Bij een potentiële blootstelling van meer dan 1 mSv is het dragen van een persoonsdosimeter verplicht. Een persoonsdosimeter meet de cumulatieve dosis straling die een persoon oploopt gedurende een bepaalde periode. Bij lagere blootstellingen heeft een dergelijke dosimeter geen toegevoegde waarde. Een museummedewerker zal niet snel met 1 mSv in aanraking komen; een piloot bijvoorbeeld wel. Piloten hebben daarom altijd een dosismeter bij zich.
Bij objecten die als open bron zijn aangemerkt, is extra zorgvuldigheid nodig. De hantering van dergelijke radioactieve objecten dient zo kort en efficiënt mogelijk uitgevoerd te worden. Dit vraagt om uitgebreidere voorbereiding en bewuster hanteringsproces dan bij andere objecten. Wanneer er met meerdere radioactieve objecten tegelijkertijd wordt gewerkt, plaats dan de objecten waarmee niet direct gewerkt hoeft te worden op een aantal meter afstand.
Hoe op te slaan
Aan het opslaan van de radioactieve stoffen zijn wettelijke eisen verbonden. Deze opslag zal je, indien er een vergunningsaanvraag wordt ingediend, gezamenlijk vormgeven met de stralingsdeskundige. Als collectiebeheerder bespreek je met de SBD’er de meest verantwoordelijke en veilige opslag. Berg het materiaal veilig op buiten het bereik van werknemers en bezoekers, en zorg voor duidelijke waarschuwingslabels (afb.4). Zorg dat er altijd voldoende afstand is tussen het materiaal en mensen.
Hoe te transporteren
Bij het vervoeren van radioactieve stoffen val je onder de wetgeving Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Bij het vervoeren van radioactieve stoffen moet te allen tijden de ANVS geïnformeerd worden. Bij een ter kennisgeving dient dit drie weken voor de transportdatum te gebeuren. Er is geen vergunningsplicht of kennisgevingsplicht wanneer de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de vrijstellingsgrenswaarden die zijn opgesteld door de ANVS.
Ook al kan materiaal vrijgesteld zijn voor transport betekent dat niet dat je geen speciale stickers hoeft te plakken. Dat zijn geen radioactiviteitstickers maar zogenoemde UN2910- of UN2911- stickers. UN2910 is het internationale VN-nummer voor radioactief materiaal in uitgezonderde verpakkingen (beperkte hoeveelheid). Het staat voor extreem kleine, veilige hoeveelheden radioactieve stoffen (zoals bepaalde radiofarmaca) die geen noemenswaardig stralingsrisico vormen tijdens transport. UN 2911 is het VN-nummer voor radioactief materiaal in uitgezonderde verpakkingen voor instrumenten of apparaten (zoals rookmelders, meetapparatuur of horloges) die kleine hoeveelheden radioactief materiaal bevatten en wettelijk zijn vrijgesteld van strenge transport- en documentatieverplichtingen.
Hoe af te voeren
Ook voor het afvoeren van radioactief materiaal is een vergunning nodig. Dit radioactief afval gaat naar COVRA. COVRA is erkend als ophaaldienst en aangewezen als instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen, splijtstoffen en ertsen met radioactieve afvalstoffen. Bij het vervullen van haar taak is COVRA gebonden aan de vergunningen die verleend zijn voor transport, verwerking en opslag van radioactieve stoffen. COVRA kan alleen afval transporteren, verwerken en opslaan dat in overeenstemming is met de verleende vergunningen. Daarom kan ook de afvoer alleen samen met een SBD’er worden geregeld. Deze moet alles wat in het vat ten behoeve van de afvoer wordt gestopt eerst testen zodat duidelijk is om welk soort materiaal het gaat.
Verder lezen
- RIVM Straling en radioactiviteit
- Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming
- COVRA
- Arboportaal Ioniserende straling
Deze tekst is samengesteld door Liselotte Neervoort en Koos van Kammen (TU Delft), Tim de Zeeuw (Teylers Museum), Yente Christiaanse (Nemo Science Museum), Rob van den Berg (Naturalis Biodiversity Center), Arco Seton, Stefan Willemsen (Radcon Stralingsbescherming) en Alexandra van Kleef (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema'sSpecialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 22 jul 2026 om 02:05.