Graftekens van natuursteen

Introductie[bewerken]

Nederland is rijk aan historische begraafplaatsen; niet alleen aan kerkhoven gelegen rondom of bij kerken, maar ook aan begraafplaatsen die zijn aangelegd buiten de bebouwde kom of in het vrije veld. Veel van deze begraafplaatsen zijn inmiddels rijksmonument.

Een boom die naast een grafmonument groeit zorgt ervoor dat het monument gebroken is.
De dominerende invloed van een boom op een grafmonument
Steek in hardsteen is een veel voorkomend teken van verwering en een verschijnsel van drukontlading in de steen.
Steek in hardsteen is een veel voorkomend teken van verwering en een verschijnsel van drukontlading in de steen
Een begraafplaats naast een kerk waarop verschillende grote blokken steen in de grond te zien zijn.
Op oudere begraafplaatsen zijn liggende graftekens karakteristiek
Liggende grafstenen op een stenen verhoging.
Een liggend grafteken op roef
Liggende grafsteen met daarop een roestige, gietijzeren plaat.
Een liggend grafteken van gietijzer
Een losstaand grafteken enkel bestaand uit een stenen stèle in het gras op een begraafplaats.
Een enkelvoudig staand grafteken
Een losstaand grafteken in het gras op een begraafplaats, bestaand uit een stèle met daarop een kruis.
Een enkelvoudig grafteken
Een zerk met bloemen erop en aan het hoofdeind een stèle.
Een eenvoudig samengesteld grafteken

Om diverse redenen is het belangrijk goed te zorgen voor de historische begraafplaatsen en de daarop voorkomende graftekens. In de eerste plaats vormen ze een belangrijke bron voor onze vaderlandse en familiegeschiedenis. In veel gevallen is de genealogische, heraldische en historische waarde namelijk groot. Ten tweede komen er op begraafplaatsen graftekens voor met een bijzondere vormgeving of symboliek, of die zijn gemaakt van bijzondere steensoorten of andere materialen. We spreken dan van architectuur-kunsthistorische waarden die van belang zijn wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp, respectievelijk het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentale en/of monumentale kunst. In de derde plaats kan de begraafplaats bijzonder zijn wanneer die is ontworpen door een bekende tuinarchitect. In die gevallen gaat het om tuinhistorische waarden. Ten vierde liggen begraafplaatsen heel vaak op een bijzondere plek: binnen een dorpskern - bijvoorbeeld bij of rondom de kerk (kerkhof) -, in een stadsuitbreiding of juist in het open veld. Dan is er sprake van een situationele of ensemblewaarde.

Vanwege deze waarden wordt gehecht aan de instandhouding van begraafplaatsen en de daarop voorkomende graftekens, of die nu van rijkswege beschermd zijn, op een provinciale of gemeentelijke lijst staan, of niet beschermd zijn.

Historische ontwikkeling van graftekens

Dankzij alle aandacht voor en zorg rondom de dood zijn onschatbaar veel gegevens over het leven, werken en de cultuur van onze voorouders bewaard gebleven. Archeologisch onderzoek bevestigt dat, en de vele fraai aangelegde begraafplaatsen en kerkhoven getuigen daarvan. Ook in de wijze en plaats van begraven zijn er ontwikkelingen geweest. Het is belangrijk dat zij die bij de instandhouding van graftekens betrokken zijn, deze ontwikkeling kennen.

Begraven in en rondom de kerk

In onze streken werden de doden tot de komst van het christendom, zo omstreeks het jaar 800, hoofdzakelijk verbrand. Toen het christendom meer aanhang kreeg, werd de lijkverbranding geleidelijk verdrongen door het begraven. In 785 had Karel de Grote lijkverbranding namelijk verboden. Aanvankelijk werd er nog buiten de nederzettingen begraven. Op den duur hechtte men echter meer waarde aan een plaats in een kerk of zo dicht mogelijk daarbij – op de hof rondom de kerk, het kerkhof. In veel historische kerken zijn de vloeren nog belegd met soms zeer rijk gebeeldhouwde natuurstenen zerken. De mensen met een minder goed gevulde beurs werden meestal op het kerkhof begraven. In tijden van ziekte, zeker vanaf de zestiende eeuw, restte voor hen vaak een massagraf, ook wel meugveel of slokop geheten.

Begraven buiten de kerk

In de loop van de achttiende eeuw leidde het begraven in de kerken tot onhoudbare onhygiënische toestanden. Daarom nam tegen het einde van die eeuw het verzet tegen het begraven in en rondom kerken toe. Een aantal vooruitstrevende particulieren, maar ook een enkele gemeente, stichtte om die reden particuliere begraafplaatsen buiten de stad, de buitenbegraafplaatsen. Een vroeg voorbeeld daarvan is de particuliere begraafplaats Ter Navolging, in 1779 door predikant Abraham Perrenot gesticht in de duinen bij Scheveningen. In 1781 werd nabij Zuilen (Utrecht) een buitenbegraafplaats geopend, nadat de heer en vrouwe Van Tuyll van Serooskerken hiervoor grond beschikbaar hadden gesteld. Destijds liep een aantal gemeenten in het zuiden ook voorop, mede omdat deze onder de Oostenrijkse Nederlanden vielen, die het begraven in kerken en kapellen al in 1784 hadden verboden. Net even buiten Tiel werd in 1786 een tweede Ter Navolging aangelegd, op initiatief van de jurist dr. J.D. van Leeuwen. Andere vroege gemeentelijke initiatieven, zoals die in 1783 van de gemeente Arnhem, vonden een vroegtijdig einde, mede omdat ze vaak waren ingegeven door de uitbraak van besmettelijke ziekten. In Roermond en Weert daarentegen werden omstreeks deze tijd gemeentelijke begraafplaatsen aangelegd, verordonneerd door het Oostenrijkse gezag, dat in die steden de macht had. Elders in Nederland was men nog niet zover.

Verbod op het begraven in en rondom kerken

Direct na de inval van de Fransen in 1795, bij de oprichting van de Bataafse Republiek, werd een generaal verbod afgekondigd op het begraven in de kerken. Maar enkele initiatieven ten spijt, de handhaving kreeg geen aandacht en men bleef vooralsnog in de kerken begraven. Pas in 1811 werd op grond van het ‘Décret Impérial sur les Sépultures’ uit 1804 het begraven in kerken en kapellen binnen de bebouwde kom verboden. Verschillende gemeenten, zoals Maastricht, Zierikzee, Nijmegen en Leiden, onderzochten locaties voor een nieuwe begraafplaats. In Maastricht en Leiden werden die niet lang daarna daadwerkelijk geopend. Andere gemeenten staakten hun zoektocht toen Willem I het keizerlijke decreet bij zijn aantreden weer terugdraaide. In 1825 gelastte Willem I, nu Koning der Nederlanden, echter een onderzoek naar het begraven in de kerken. Al vrij snel kwam hij tot het besluit de Franse maatregelen weer in te voeren. Daartoe werd in 1827 met een missive van de Minister van Binnenlandse Zaken aan alle provincies te kennen gegeven dat per 1 januari 1829 steden en dorpen met meer dan duizend inwoners verplicht waren om ten minste één begraafplaats buiten de bebouwde kom ter beschikking te hebben. Het begraven in kerken werd niet meer toegestaan. Per provincie werden de regels daarna bekend gemaakt en uitgevoerd.

De wetgeving en het begraven

Vanaf 1 januari 1829 moesten alle steden en dorpen met meer dan duizend inwoners ten minste één begraafplaats buiten de bebouwde kom ter beschikking hebben. Het begraven in kerken werd verboden. Per provincie werden de regels daarna bekend gemaakt en uitgevoerd, met als gevolg dat er nog geen einde kwam aan de verschillen per provincie. Pas in 1869 werden de regels over de wijze van begraven, de inrichting van de een begraafplaats, de begrafenisrechten, de duur van de grafrust, en dergelijke, vastgelegd in de Begrafeniswet. Dit was de eerste landelijke wet. Deze is sedertdien verschillende malen herzien en aangepast en kreeg, na heftige discussies over onder meer het cremeren, in 1955 de naam Wet op de lijkbezorging. De laatste herziening van deze wet dateert van 2010, en had feitelijk ook grote gevolgen voor de bescherming van de grafmonumenten.

Variatie in graftekens

Het Franse ‘Décret Impérial sur les Sépultures’ uit 1804 schreef voor dat ieder lijk in een apart graf begraven moest worden en dat het geoorloofd was daarop een teken of een grafmonument te plaatsen. Omdat een grafteken zeer persoons-, cultuur- en geloofsgebonden kan zijn, ontstond een grote diversiteit aan graftekens, en varieert de uitwerking tot op de dag van vandaag van heel sober tot rijk gedetailleerd.

Liggende graftekens

In eerste instantie bepaalde de wijze waarop graven in kerken werden voorzien van een grafsteen het beeld op de begraafplaatsen die na 1829 werden aangelegd. De vloeren in de kerken waren veelal gedekt met vlakke, hardstenen zerken met ingehakte opschriften, familiewapens en grafsymboliek. Deze traditie bepaalde mede het gezicht van de vroeg-negentiende-eeuwse begraafplaatsen met hun overwegend liggende, natuurstenen graftekens, die vaak niet meer dan een sobere afdekking van het graf waren. Deze zerken, met of zonder smeed- of gietijzeren grafhek, kunnen op een roef gelegd zijn of gewoon vlak op de bodem.

Staande graftekens

Door de toenemende individualisering van de maatschappij in de negentiende eeuw ontstond de wens tot het plaatsen van meer persoonlijke grafmonumenten. In de loop van de tijd zijn verschillende typen ontstaan:

  • Enkelvoudige staande graftekens, ofwel stèles.
  • Samengestelde staande graftekens, zoals een obelisk, afgeknotte zuil, beeld of kruis.
  • Een combinatie van hiervoor genoemde tekens, bijvoorbeeld een zerk met op het hoofdeind een stèle.
  • Graftekens in de vorm van een gebouw, ofwel een opbouw van een grafkelder of mausoleum.

Deze graftekens bieden ruime mogelijkheden voor bijzonder materiaalgebruik en het aanbrengen van symbolisch beeldhouwwerk en andere decoraties. Vooral samengestelde staande graftekens geven daarvan blijk. Grotere vlakken, zoals zerken en staande platen lenen zich goed voor het opbrengen van teksten.

Veel grafmonumenten van vóór 1900, vooral die op de eenvoudige huur- of algemene graven, zijn verdwenen, terwijl graftekens op particuliere graven over het algemeen vaker behouden zijn. Op de vele kerkhoven en begraafplaatsen die Nederland rijk is, zijn nog talloze mooie en interessante graftekens bewaard. Een cultuurbezit waar we graag zuinig op zijn, onder andere door tijdig de problemen te herkennen en preventieve onderhoudsmaatregelen te nemen.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 25 jan 2021 om 12:50.