Houten vloeren

Introductie[bewerken]

Historische houten vloeren zijn vaak waardevolle onderdelen van monumenten. Ze vormen een wezenlijk onderdeel van het historische interieur. Vloeren geven informatie over de ontwikkelingen in de indeling van een gebouw, de betekenis en het gebruik van vertrekken en de bouwkundige en architectonische kennis en tradities in verschillende periodes. Bovendien hebben historische houten vloeren vaak een kwaliteit en uitstraling die in belangrijke mate bijdragen aan de beleving van een gebouw.

Door gebrek aan kennis over de geschiedenis, waarden en instandhouding van houten vloeren gaat echter veel verloren. Ze worden niet zelden opengebroken voor bouwkundig onderzoek of voor het leggen van leidingen. Parket wordt - te vaak - geschuurd, waardoor er op den duur slechts fineer overblijft. Ook besluit men soms ten onrechte dat een beschadigde vloer niet meer te herstellen is, of dat het materiaal geen historische waarde heeft. In dit artikel komen de historische ontwikkeling, materiële kenmerken, en het behoud van verschillende soorten historische houten vloeren aan de orde.

Een middeleeuws ogende kamer in een kasteel. De vloer is van hout en de kamer heeft witte, hoge muren.
De gespijkerde eikenhouten vloer sluit aan bij de architectuur van de ridderzaal van Kasteel Ammersoyen.
Een 17e eeuwse kamer in het Trippenhuis in Amsterdam. De kamer heeft knalrode muren en houten meubels. De houten vloer heeft een patroon.
Het patroon van de blind gelegde grenenhouten vloer uit 1662 in het Trippenhuis in Amsterdam sluit aan bij de geleding van de wanden en het plafond.
Een beschilderde muur en houten vloer.
Geschilderde tegelimitatie op een houten vloer in Broek in Waterland.
Een houten vloer beschilderd met sjablonen die wat lijken op cirkels met figuren eromheen.
Een met sjablonen aangebrachte beschildering in een negentiende-eeuwse pastorie in Riethoven.
Een houten vloer waarvan delen beschilderd zijn. De beschilderde delen lijken op tapijt.
Geschilderde tapijtimitatie op houten vloer.
De onderkant van de houten vloer heeft dunne, beschilderde lijnen.
Beschildering met ranken en vruchten op de onderzijde van de houten vloer in het voormalige raadhuis van Brouwershaven, circa 1600.
De onderkant van een houten vloer. De planken zijn donker en hebben een decoratieve beschildering.
Met ranken en vogels beschilderde onderzijde van vloerdelen uit het tweede kwart van de zeventiende eeuw.
Een donkerbruine houten vloer in de vorm van een rozet.
Negentiende-eeuws marqueterieparket met neogotisch rozet, in een hoektoren van kasteel Beverweerd.
Een parketvloer waarbij planken in elkaar gezet zijn. Ernaast ligt een lijn tegels.
Parket als vloertapijt: in het midden een zogenoemde Wener vloer, met langs de rand vierkante houten tegels, die een keramische of natuurstenen tegelvloer suggereren.
Een appartementskamer met ramen tot aan de muur. Er staan verschillende meubels in. De vloer is van hout. Het hout heeft de vorm van rechthoekige stroken ofwel bakstenen die aan elkaar liggen.
Blokjesvloer in een atelierwoning in Amsterdam.
Een schets waarop verschillende manieren te zien zijn hoe je planken aan elkaar kunt verbinden.
Verschillende soorten verbindingen tussen planken: A. Messing en groef. B. Groeven met losse veer. C. Halfhoutse lipverbinding, D. Zogenoemde ‘pavodilos’. E. Stompe naad. Bij C een voorbeeld van blind spijkeren.
Een houten vloer
Een zoldervloer met latjes op de naden van de planken tegen de stofdoorslag.
waterschade op een donkerhouten vloer. Je ziet waterkringen en enkele planken die licht omhoog staan.
Een lekkende verwarmingsleiding leidt tot verkleuring en schade aan de parketvloer. Door het zwellen van het hout door vochtopname steken delen boven de rest van de vloer uit. Hierdoor kunnen er gemakkelijk stukken van afbreken.
Roestende spijkers geven donkere kringen in het hout waar de spijkers zijn bevestigd.
Het al te ijverig dweilen van deze vloer heeft geleid tot roestende spijkers, met detonerende vlekken als gevolg.
Een houten vloer waar allerlei kleine gaten in zitten.
Het al te ijverig dweilen van deze vloer heeft geleid tot roestende spijkers, met detonerende vlekken als gevolg.
Een schematische tekening die laat zien hoe je een plank opwipt.
Een van de methodes voor het uitnemen van planken met een stompe naad. (Tekeningen uit: J. Schofield, Patching old floorboards) Onder de eerste tekening staat: Eerste fase in het opnemen van planken met een stompe naad. Onder de tweede tekening staat: Het opwippen van de eerste plank. Onder de derde tekening staat: Het opnemen van de tweede en volgende planken.
Een plank ligt iets lager dan de rest van de planken in de houten vloer.
Een deel van de vloer is verwijderd om de verwarmingsleidingen te kunnen bereiken. Bij het terugplaatsen is een ondeugdelijke ondersteuning aangebracht.
Een schematische tekening die laat zien hoe je zwakke planken goed ondersteunt.
Het ondersteunen van zwakke planken. (Tekeningen uit: J. Schofield, Patching old floorboards).
Een schematische tekening die laat zien hoe je het einde van een plank repareert.
Het repareren van het einde van een plank.
Een schematische tekening die laat zien hoe je een gebroken hoek repareert.
Het repareren van een gebroken hoek.

Historische ontwikkeling

Het gebruik van planken om een vloer te maken is zo oud als het vermogen van timmerlieden en zaagmolens om planken te zagen. Het vroegste en vanouds meest gangbare type houten vloer is de vloer waarvan de planken direct op de balken zijn gespijkerd en waarbij de planken in het zicht blijven. Deze vloeren bevinden zich in menig gebouw, van boerderijen en arbeidershuisjes tot kastelen en landhuizen, en worden afwerkvloeren genoemd.

Eikenhout en grenenhout

In de middeleeuwen waren de planken doorgaans van eikenhout. Vanaf de late 15de eeuw zien we voorbeelden van houten vloeren van grenenhout. Grenen planken worden ‘delen’ genoemd. Vanaf de vroege 17de eeuw wordt grenenhout - met name uit Scandinavië maar ook wel uit Duitse gebieden - dominant voor het maken van vloeren. Daarnaast blijft eikenhout in gebruik. Grenen delen werden soms aan de onderzijde tussen de balken afgewerkt met eiken spreidsel. Dikke vloerdelen of vloerplanken, soms tot wel twintig centimeter dik, konden zonder ondersteunende balklaag worden gelegd, waarmee in de ruimte hoogte werd gewonnen. We spreken dan over een plaatvloer. De meeste voorbeelden hiervan dateren uit de 17de eeuw.

Bewerkingen

Planken of delen bleven onbehandeld of werden bewerkt met was, zeep, hars of lijnolie of een combinatie daarvan. Daarnaast werden houten vloeren vaak geschilderd, hetzij in één kleur, hetzij in een patroon of decoratief motief. De schildering kon een imitatie zijn van een ander materiaal, zoals natuursteen, keramische vloertegels, specifieke houtsoorten of tapijt. De vroegst bekende imitatieschilderingen op houten vloeren dateren uit de 17de eeuw en zijn imitaties van parket en tegels. De 18de eeuw kende veel natuursteenimitatie, terwijl de 19de eeuw wordt gekenmerkt door tapijtimitatie. In de 19de en 20ste eeuw is een afwerking populair waarbij men met blote voeten een patroon in de natte verf maakte, de zogenoemde voetjesvloer. In de 20ste eeuw zien we ook geschilderde linoleumimitatie en imitatie van kamerbreed tapijt op houten vloeren.

Plafond

Wanneer een apart plafond ontbreekt, vormen de planken tevens het plafond voor de onderliggende ruimte. De onderkant van de planken kon worden voorzien van een schildering met decoratieve motieven of voorstellingen, zoals van (gestileerde) ranken of van rol- en bandwerk. De vroegste bewaarde voorbeelden daarvan dateren uit de 16de eeuw. In de 17de eeuw worden met vogels gestoffeerde luchten populair, die een doorkijk naar de buitenlucht suggereren.

Parket

Parketvloeren komen in Nederland voor vanaf de 17de eeuw in voorname huizen en kastelen. Parket bestaat uit massieve houten planken of plankjes die in een patroon zijn gelegd. Bij parket spreekt men van een dekvloer. Het legpatroon en de belijning kunnen een samenspel vormen met de wanden of plafonds. Een bijzondere vorm is het marqueterieparket, een rijk decoratief parket met complexe geometrische of florale patronen dat is opgebouwd uit verschillende houtsoorten en houtkleuren. Het is een vorm van inlegwerk dat net als in meubels populair werd in de 18de eeuw.

Delenvloer

Daarnaast bleven de planken of delenvloeren in gebruik. Globaal vanaf de 19de eeuw wordt de vloer bewust geschikt gemaakt om er dekvloer of tapijt op te leggen. Voor een dergelijke ondervloer ofwel blinde vloer wordt dan vaak vurenhout gebruikt.

Legwijzes

Om hout te besparen kon men ervoor kiezen planken niet rechthoekig te zagen, maar de taps toelopende vorm van de boom te volgen. Zij werden dan om en om gelegd, kop-staart, met als gevolg niet-evenwijdig lopende naden.

Strokenvloeren, riftvloeren, schipvloeren

Wanneer er smalle lange planken werden gebruikt, dan spreekt men van strokenvloeren en riftvloeren, ook wel schipvloeren genoemd. De planken van een riftvloer zijn zogenoemd riftgezaagd of kwartiergezaagd, wat wil zeggen ongeveer haaks op de jaarringen. De planken zijn hierdoor meer slijtvast en krimpen minder in de breedte.

Wener vloer

Bij een variant van de strokenvloer, de zogenoemde Wener vloer, legt men korte planken van balk tot balk onder een hoek van 45°. De uiteinden van de planken worden onder verstek of in keper- of visgraatverband tegen elkaar gelegd, soms ook wel onder verstek tegen een plank die in de lengterichting op de balk is gelegd.

Blokjesvloer of houtbestrating

Een apart type houten vloer is de blokjesvloer of houtbestrating. Deze vloer bestaat uit korte stukjes rechthoekige balk, die met de kopse zijde naar boven op een steenachtige ondergrond worden gelegd of gelijmd. Het hout wordt gewoonlijk in visgraatverband gelegd. Wanneer de ondergrond zand is, worden grotere blokken gebruikt, die in halfsteensverband worden gelegd. Een blokjesvloer is onder meer geluiddempend en vonkdovend. Om deze redenen is de vloer vaak toegepast in bedrijven, laboratoria en werkplaatsen of, zoals bij het Paleis Het Loo, als vloer in de paardenstallen. De kopse blokjes werden in de 19de eeuw ook als bestrating toegepast op bruggen en tussen tramrails.

Parketvloer

Parket behoort tot de dekvloeren en bestaat uit kleine plankjes die men in een patroon op een ondervloer legt. Patronen staan bekend onder een bepaalde naam, zoals Versaillesparket of visgraatparket.

Strokenparket

Bij het strokenparket hebben de plankjes een dikte van 12 tot 22 millimeter. De plankjes kunnen in de lengterichting naast elkaar worden gelegd, of in blok- of visgraatpatroon.

Tapisparket

Bij het tapisparket hebben de plankjes of ‘friezen’ een dikte van 6 tot 10 millimeter. Vaak bouwt men dit parket op uit van tevoren vervaardigde tegels met een patroon. Het tapisparket werd vanaf de 19de eeuw aangebracht op bestaande plankenvloeren en parketten. Tot dit type parketvloer worden ook de mozaïek- of kleinparketvloeren gerekend. Het mozaïekparket is na de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld voor gebruik op betonvloeren en bestaat uit kleine rechthoekige strookjes hout die per vijf stuks in blokpatroon worden gelegd.

Lamelparket

De massieve parketvloer onderscheidt zich van het lamelparket, dat bestaat uit een onderlaag van bijvoorbeeld spaanplaat met daarop gelijmd een dunne laag fineer van het gewenste hout.

Bevestiging

De planken van de vloer worden zowel aan de balken als onderling bevestigd.

Bevestiging aan de ondergrond

De meest toegepaste bevestiging van de planken op de balken is spijkeren. Het nadeel hiervan is dat de koppen van de spijkers in het zicht zijn. Om dat te voorkomen ontwikkelde men andere manieren, zoals het blind spijkeren en het gebruik van wiggen of ankertjes.

Blind spijkeren

Bij het blind spijkeren wordt iedere plank afzonderlijk gespijkerd, waarbij men de spijker schuin in de messing of in het onderste deel van de groef slaat. Daarna schuift men de volgende plank er tegenaan. Om meer ruimte voor het spijkeren te krijgen gebruikte men planken met een afwijkende messing en groef. Sommige worden ‘pavodilos’ genoemd.

Wiggen

Om de planken niet te hoeven spijkeren gebruikt men zwaluwstaartvormige wiggen. De wiggen worden op de balken gespijkerd en in de vloerplanken worden gelijkvormige sleuven uitgehakt. Vervolgens worden de planken over de wiggen geschoven. Uiteraard moet men voor de laatste plank een uitzondering maken. De wiggen behoeden de planken ook tegen kromtrekken.

Latten

Een variant op deze methode is die waarbij op de balken een lat wordt gespijkerd met aan beide kanten een groef met een brede onderwang, waarmee de lat wordt vastgespijkerd. De planken worden aan de kopeinden met een messing bewerkt, waarmee ze in de latten worden geschoven. Bij deze variant zijn de planken dus aan de kopeinden ingeklemd.

Ankertjes

Een andere methode is het gebruik van ankertjes. Hierbij bevestigt men ankertjes aan de zijkanten tegen de balken. Zij steken met een dwarspin of -strip in de groef van de planken.

Onderlinge verbinding

Om stofdoorslag te voorkomen, om een stijvere vloer te verkrijgen en om kromtrekken tegen te gaan worden de planken ook onderling met elkaar verbonden.

Veer

De oudste methode is het gebruik van een los eiken latje, de zogenoemde veer. De planken worden aan beide zijden voorzien van een groef, waarin deze veer wordt geplaatst.

Messing en groef

De meest toegepaste methode is de messing en groef. De ene lange zijde van de plank heeft dan een uitstekende dunne rand, de messing, de andere zijde de groef. De messing en groef kunnen verschillende vormen hebben.

Stompe naad

In plaats van planken met een profilering aan de zijkanten maakte men ook gebruik van planken met een vlakke zijkant: een stompe naad. Voor de onderlinge verbinding gebruikte men dan houten deuvels of ijzeren pinnen, die in de zijkanten van de planken in vooraf geboorde gaatjes werden gestoken.

Bevestiging van parket

Vlees- of beenderlijm

Vanouds lijmde men parket op de ondergrond met een vlees- of beenderlijm. De lijm moest warm worden verwerkt. Ook kwam een combinatie van lijmen en spijkeren voor.

Teer

Niet iedere ondergrond is geschikt voor een beenderlijm. Zo hecht de lijm niet aan een stenen ondergrond. Daarom legde men parketvloeren al vrij vroeg in teer. Dit hechtte wel aan de steen. Bovendien was het teer ook geschikt om deze ondergrond enigszins te egaliseren. Teer kon ook gebruikt worden op een houten ondervloer. In dat geval bracht men tussen het teer en de ondervloer een dun laagje zand aan om te voorkomen dat het teer zich aan de ondergrond hechtte. De lengtenaad tussen de planken werd aan de onderzijde voorzien van een zwaluwstaart, waar het teer in kon dringen voor een betere hechting. Parkettegels hadden ook wel een ondergrond van cement.

Stof- en vuilafdichting

Wanneer men onder een houten vloer geen plafond aanbrengt, is er stof- en vuildoorslag naar de onderliggende ruimte. Je kunt dit verhelpen met een voorziening tussen, onder of op de planken. Voor de afdichting tussen de planken zorgt de veer of messing. Voor een afdichting aan de onderzijde gebruikte men spreidsel, een zeer dunne laag (eiken)hout, die in de richting van de balken of kinderbinten werd gelegd. Spreidsel dichtte tegelijkertijd ook optisch de naden tussen de planken af. Het komt ook voor dat het spreidsel in de dwarsrichting op de kinderbinten ligt. De naden tussen het spreidsel zijn dan afgedicht met een geprofileerd latje. Het spreidsel is hier alleen bedoeld om de ruwe planken aan het zicht te onttrekken.

Soms werden brede planken ook in de lengterichting op de balken gelegd met de langsnaden precies boven de balken. De kopse verbindingen werden dan afgedicht met een geprofileerd latje. Daar waar het mogelijk was, bijvoorbeeld op een zolder, zijn de naden soms aan de bovenzijde afgedicht. Hiervoor gebruikte men afgeronde en platte latjes of zinken strips.

Onderhoud

Uitvoeringsrichtlijn

De Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) beheert een uitvoeringsrichtlijn (URL 4013) voor onderhoud aan en restauratie van historische parket- en houten afwerkvloeren. De stappen en aandachtspunten bij onderhoud en restauratie worden daarin nauwkeurig uiteengezet. Voor werkzaamheden aan dekkende verflagen en geschilderde decoraties is de Uitvoeringsrichtlijn Historisch Schilderwerk (URL 4009) opgesteld.

Onderzoek vooraf

Voor het plegen van onderhoud dient men vooraf te onderzoeken of, en zo ja waarmee de vloer is behandeld. Niet alle behandelmethoden voor moderne houten vloeren zijn toepasbaar op oude houten vloeren. Een harde afwerklaag, lak, bedoeld als verzegeling en dus beschermend, is, wanneer daar aanleiding voor is, alleen door intensief schuren te verwijderen. Bij het schuren gaat echter belangrijk historisch materiaal verloren, afhankelijk van vloer en methode twee tot vier millimeter of soms zelfs meer. Het gevaar van doorslijten neemt dan per behandeling toe.

Verschillende soorten hout

Bijzondere aandacht vragen vloeren die uit verschillende soorten hout bestaan. De behandeling dient gericht te zijn op de verschillende houtsoorten, hun hardheden en eigenschappen, en de daarvoor geschikte methoden.

Maatregelen

Om een vloer mooi te houden kun je onder meer de volgende maatregelen nemen.

Verkleuringen

Met name eikenhout mag niet lang in aanraking komen met water en metaal. Het metaal reageert op het looizuur in het eikenhout en geeft verkleuringen: blauw door messing, zwart door ijzer. Je kunt de vlekken eventueel verwijderen met oxaalzuur; dat is ontweringszuur of zuringzuur. Oxaalzuur is een optische bleker en moet warm worden verwerkt. Nadat het is ingetrokken dien je de vloer goed na te spoelen en de behandeling te herhalen.

Schoonmaken

Schoonmaken van sterk vervuilde houten vloeren kan met gomterpentijn, in uitzonderlijke gevallen in combinatie met een schraapstaal. Hierbij treedt een gering materiaalverlies op. Het verouderingsbeeld blijft behouden. Door de terpentijn lost de oude was op. Na reiniging kun je de vloer weer behandelen met bijenwas opgelost in terpentijn. Een combinatie van bijenwas en carnaubawas is wat harder. Af te raden is een bijenwas die is opgelost in terpentine. Dit geeft een witte uitslag, bijvoorbeeld op de naden. Let op: terpentijn is giftig en kan allergische reacties geven.

Lichtere kleur

Bijenwas geeft een donkere, wat gele kleur. Wanneer een lichtere kleur is gewenst kun je de vloer schrobben met blokzeep, zilverzand en kalk. Daarna wordt de vloer ingewreven met microkristallijne was, ofwel paraffinewas.

Gelakte vloer

Een gelakte vloer kan worden gedweild. Je kunt de lak verwijderen met een afbijtmiddel. Gebruik kleine hoeveelheden per keer om intrekken in het hout te voorkomen. Daarna licht schuren met fijn schuurpapier of met nylon schuurvlies of een dot kokos, indien het kokos harder is dan de houtsoort. Hierna kun je de vloer weer in de lak of de was zetten.

Krassen

Hout moet altijd in de richting van de nerf worden geschuurd. Anders ontstaan er krassen, die vooral zichtbaar worden bij gebruik van was of lak.

Schade

Hout heeft een lange levensduur, maar niet als het langdurig vochtig of nat is. Vocht leidt tot uitzetting van het hout, met kans op schade. Bovendien geeft vocht vlekken. Is het vochtgehalte van het hout langdurig ten minste 22 procent of hoger, dan kunnen schimmels het hout aantasten. Een goede ventilatie is een eerste vereiste om hout droog te houden.

Insecten

Sommige insecten voeden zich met hout en kunnen het hout ernstig aantasten en verzwakken. Deze insecten dient men te bestrijden.

Warmte en lage luchtvochtigheid

Warmte in combinatie met een lage luchtvochtigheid, vaak veroorzaakt door een centrale verwarming, leidt tot schade. Door het krimpen van het hout kunnen gelijmde onderdelen van elkaar losraken en kunnen er in de planken scheuren ontstaan. Een luchtbevochtiger kan dit probleem voorkomen.

Slijtage

Hout slijt in het gebruik. Dit hoeft geen directe bedreiging te zijn. De slijtage wordt echter versneld door onoordeelkundig gebruik. Dit kan bijvoorbeeld het lopen op naaldhakken zijn, of het verslepen van zware meubels. Ook dunne poten van meubilair en scherpe wieltjes kunnen slijtage veroorzaken.

Restauratie

Voordat je met een restauratie kunt beginnen, dien je een gedegen onderzoek naar het type vloer te verrichten. Daaruit blijkt welke bevestiging en onderlinge verbinding voor de planken zijn gebruikt en of er zich bijvoorbeeld aan de onderkant van de planken een aan het zicht onttrokken plafondschildering bevindt. Op basis van dit onderzoek kun je een herstelplan maken en kun je bijvoorbeeld de vraag beantwoorden of en hoe je de planken kunt uitnemen.

Planken uitnemen

In het algemeen geldt dat je het uitnemen van vloerplanken zo veel mogelijk moet voorkomen. Het is in de meeste gevallen niet eenvoudig en schade aan de vloer is daarbij vaak onvermijdelijk, zeker wanneer de planken in een min of meer slechte staat verkeren. Ook verschilt het uitnemen van planken per type vloer: zijn het planken met stompe naad of met messing en groef? Het uitnemen vergt een goede voorbereiding en is specialistenwerk.

Planken met stompe naad uitnemen

Indien mogelijk worden de spijkers zonder beschadiging van de plank van bovenaf verwijderd (zie hieronder onder Ontspijkeren). Is dit niet mogelijk, dan kun je de volgende methode toepassen om de planken met spijkers uit te nemen. Uiteraard kent de restaurateur meer methoden.

Om het splijten van de plank te voorkomen moet je op een ruime afstand vanaf het einde van een plank beginnen. De rand van de naastliggende plank kun je tegen beschadiging beschermen met een blok hout of een stuk plaatstaal. Je kunt de plank voorzichtig opwippen met bijvoorbeeld een platte koevoet. Daarbij moet je regelmatig van plek wisselen. Je mag de plank per keer niet verder oplichten dan een derde van zijn dikte. Je kunt de handelingen herhalen totdat het eind van de plank loskomt. Als dit niet lukt, bijvoorbeeld omdat de plank te vervallen of verrot is, kun je toch besluiten de spijkers te verwijderen.

Wanneer het einde van de plank is losgekomen, schuif je een hulplat dwars onder de plank tot de volgende spijkers. De lat rust op de naastgelegen planken. Door op het uiteinde van de plank te duwen kun je de plank bij de spijkers omhoog duwen. De uit te oefenen druk hangt af van de sterkte van de plank. Wanneer de spijkers ver genoeg uit de balk zijn gekomen wordt de plank weer in zijn oude positie gelegd en worden de spijkers met een nijptang, hamer of koevoet uitgetrokken. Ook dit gereedschap moet je met een stukje hout ondersteunen om beschadiging van de plank te voorkomen.

Als de methode met de hulplat onder de plank niet lukt, kun je eventueel vanaf de zijkant met een koevoet werken. Deze koevoet wordt vrij ver van de rand van de plank onder de plank geschoven en daar ondersteund met een stukje hout. Bij het verwijderen van de spijkers aan het eind van de plank dien je het splijten van de plank te voorkomen. De tweede en volgende planken kun je één voor één met een platte koevoet uitnemen.

Planken met messing of groef uitnemen

Bij dit type vloerplanken is het niet eenvoudig om de ‘eerste’ plank te vinden. Hoewel je zou kunnen veronderstellen dat deze zich tegen één van de wanden bevindt, is dit zeker niet altijd zo. Vaak koos men voor het plaatsen van de laatste twee planken op een zekere afstand van de wand. Ze werden dan schuin tegen elkaar geplaatst en door duwen naar beneden op hun plaats gebracht.

Het oplichten van een plank aan de kopse kant is bij dit type planken niet mogelijk. Je zult altijd vanaf de zijkant moeten werken en wel aan die zijde waar zich de groef aan de zijde van de wand bevindt. Het uitnemen zal altijd leiden tot schade aan de messing van de eerste plank. Daarom kun je het beste kiezen voor het vooraf doorzagen van die messing met een zaag met een heel dun blad, bijvoorbeeld een Japanse handzaag.

Is de plank blind gespijkerd, dan verdient het uitnemen extra zorg, omdat de dunne wang van de groef snel beschadigt. Het uitnemen van planken die schuin of blind vernageld zijn is een groot probleem, omdat de planken recht omhoog worden gekrikt. Het is aan te raden dan zo veel mogelijk planken in één keer op te nemen.

Ontspijkeren

Voor het ontspijkeren bestaan verscheidene methoden. Een goede is de spijkers af te zagen wanneer zij nog zowel in de plank als in de balk zitten. Ze staan dan onder spanning en laten zich gemakkelijk vlak onder de plank afzagen. Zijn de spijkers al uit de balk, dan beweegt de spijker bij het afzagen te veel, met kans op beschadiging van de plank.

Kan een plank vanwege een slechte staat niet worden uitgenomen of opgelicht, dan kunnen de spijkers worden uitgeboord met een holle boor, die tijdens het boren wel moet worden geleid. Draadnagels kunnen worden verwijderd door er de kop vanaf te boren en ze daarna met een drevel door te slaan.

Als de plank is gelicht, dan kan het ontspijkeren via de voorkant verlopen door het terugslaan van de spijker. Het gevaar bestaat echter dat het hout rondom de kop gaat splinteren. Je kunt dit voorkomen door een blokje hout met de kopse kant tegen de plank te houden aan de zijde van de kop. Vaak is het doortrekken van de spijker via de achterkant een betere methode. Er is dan wel kans op schade aan de plank, maar deze schade bevindt zich dan aan de onderzijde.

Het opnemen van een parketvloer

Parket dat met vlees- of beenderlijm is gelijmd kun je losmaken door er alcohol (ethanol) onder te spuiten. Hierdoor versuikert de lijm. Bij een eiken vloer geplakt met teer mag je het teer niet oplossen. Teer bevat namelijk metaaldeeltjes die in het hout kunnen trekken en verkleuring aan eikenhout geven. Wanneer het hout geplakt is met teer, dan volstaat voorzichtig loswrikken met een wig onder de plankjes vanaf de zijkant. In de meeste gevallen laat teer bij zijwaartse druk los.

Bij het opnemen dien je de vloer plankje voor plankje op te meten en uit te tekenen. Je dient elk plankje aan de achterzijde te nummeren overeenkomstig de nummering op de tekening, zodat je de vloer weer in zijn oorspronkelijke vorm kunt terugleggen. Het verplaatsen of vervangen van versleten onderdelen of het op een andere wijze wijzigen van de vloer is werk voor gespecialiseerde houtrestauratoren.

Planken herleggen

Bij het herleggen is het aan te bevelen de planken niet meer te spijkeren, maar te schroeven met roestvaste materialen. De volgende keer kun je de planken dan zonder schade opnemen. Wordt er toch gespijkerd, dan is het raadzaam om rekening te houden met trillingen, waardoor onderliggende plafonds kunnen beschadigen. In dat geval kun je een zo licht mogelijke hamer gebruiken.

In veel gevallen zijn de planken niet allemaal even dik en zijn er tijdens het leggen aanpassingen gedaan aan de balken of de onderzijde van de planken om de vloer uit te vlakken. Om die reden is het goed de planken indien mogelijk op exact dezelfde plaats terug te leggen.

Spleten en kieren tussen planken

Spleten en kieren tussen planken horen bij een oude vloer. Zij hebben meestal geen nadelige invloed op de functie van de vloer. Wanneer ze groter worden dan zeven millimeter, dan kun je er strookjes van dezelfde houtsoort invoegen. Nadeel hierbij is dat het erg moeilijk is om het hout bevestigd te krijgen, zeker wanneer een messing ontbreekt. Is er wel een messing? Dan bestaat het risico dat deze messing, wanneer die bijna uit de groef is, kan afbreken door het strookje hout en de daarop uitgeoefende druk. Wanneer de spleten kleiner worden door het uitzetten van het hout, dan bestaat de kans dat óf de strookjes worden uitgeduwd óf het hout van de meestal zwakkere planken kapot wordt gedrukt. Ook bij kneedbaar hout bestaat de kans dat het tussen de planken wordt uitgeduwd. Soms stopt men ook wel een touw in de kieren.

Spleten in planken

Een gescheurde of gespleten plank kun je repareren. Is de schade ontstaan door krimp, dan repareer je de scheur vanaf de onderzijde. Zo nodig neem je de plank tijdelijk uit. Rondom de scheur verwijder je wat hout, zodat er een driehoekige vorm ontstaat die je met een stukje hout vult.

Als de scheur is ontstaan door recente beschadiging, dan kun je deze lijmen en kun je de plank aan de onderzijde versterken. Je dient de spleet te reinigen, te lijmen en aan te spannen met lijmklemmen. Daarna wordt aan de onderzijde, tussen de balken, een plankje ter versteviging geschroefd (niet gelijmd). Dit plankje dient van dezelfde houtsoort te zijn, met de nerf in dezelfde richting als de plank.

Breuken en gaten

Voor de reparatie van een gebroken rand is het niet noodzakelijk dat je de plank uitneemt. Dat hangt af van de te kiezen reparatie: het inboeten van een stuk dat overspant van balk naar balk of het inboeten van een stuk dat plaatselijk wordt ondersteund. In het eerste geval volstaat het weghakken van de rand rondom de beschadiging en het inboeten met een stuk hout van dezelfde soort en met de nerf in dezelfde richting. In het tweede geval moet je de plank uitnemen en aan de onderzijde een ondersteuning maken voor de inboeting. Je kunt deze ondersteuning achterwege laten bij het opvullen van kleine gaten, die zich aan de rand van een vloer bevinden, zoals de doorvoergaten van verwijderde verwarmingsbuizen.

Een gebroken hoek kun je repareren met een speciale houten veer die beide delen met elkaar verbindt. In beide delen wordt dan een groef gefreesd met een lamellofrees en daarin wordt de veer geschoven.

Kromgetrokken planken

Kromgetrokken planken kun je zelden helemaal recht maken. Wel kun je sterke vervormingen verminderen. Hiertoe moet je de plank tijdelijk uitnemen en in water leggen. Daarmee verdwijnt de afwerking op de plank, zoals verf of was. Wanneer de plank goed nat is, moet hij onder druk van bijvoorbeeld gewichten langzaam worden gedroogd gedurende ten minste enkele weken. Eventueel kun je deze behandeling een keer herhalen.

Zwakke planken ondersteunen

Voor het versterken van zwakke planken wordt gebruikgemaakt van een hulpconstructie aan de onderzijde. Zo nodig worden de planken uitgenomen. Tegen de zijkanten van de balken schroef je een lat. Daaroverheen leg je een lattenwerk van 2,5 centimeter dikke plankjes, zodanig dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van de balken. Dit lattenwerk ondersteunt dan de planken.

Vergunning en subsidie

De vloer vormt een integraal onderdeel van het monument (behalve als deze ‘zwevend’ is gelegd). Voor restauratie (werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel) van beschermde monumenten is een omgevingsvergunning vereist. Voor normaal onderhoud (noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde) is niet altijd een vergunning vereist. Voor gemeentelijke monumenten of provinciale monumenten kunt u contact opnemen met de gemeente. Voor werkzaamheden ten behoeve van de instandhouding van een rijksmonument kan de eigenaar in veel gevallen subsidie aanvragen.

Literatuur

Heins, R., Sanierung von Dielenböden, Arbeitsblatt, Themenbereich 8.1, Deutsches Zentrum für Handwerk und Denkmalpflege, z.j. 1999.

Nickl, P., Parkett, Historische Holzfußböden und zeitgenössische Parkettkultur, München, 1995.

Schofield, J. (red.), Patching old floorboards, The Society for the Protection of Ancient Buildings, information sheet 5.3, London, 1988.

Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg, Uitvoeringsrichtlijn Historische Parket (URL 4013), versie 1.0, 2016. https://www.stichtingerm.nl/kennis-richtlijnen/url4013

Vloer op balklaag. In: Restauratievademecum DOCblad, hout 01 t/m 09.

Whelchel, H., (red.) Caring for your historic house, New York, 1988, 152-164.

Wright, A., Care and repair of old floors, The Society for the Protection of Ancient Buildings, technical pamphlet 15, London, 1999.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

    Hoort bij deze thema's

    Trefwoorden

    Specialist(en)


    Reageren
    U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

    Wilt u ons helpen?
    De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
    Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

    Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 27 apr 2022 om 03:01.