Insecten in collecties en hun geïntegreerde bestrijding

Introductie

Kleine ronde gaatjes in een meubel, kaal gegraasde plekken op een tekening, gaatjes in de wollen trui, zwarte vlekjes op een schilderij. Insecten laten hun sporen op voorwerpen achter. Wij vinden dat schade, zij eten gewoon en doen hun werk als opruimers van dood organisch materiaal. Al eeuwen probeert de mens insecten te bestrijden met steeds krachtigere en giftigere pesticiden. Sinds het eind van de twintigste eeuw is er een omslag naar schonere en veiligere alternatieven met een nadruk op preventieve maatregelen en het voorkomen van aantasting van collecties door insecten. In navolging van de agrarische sector heeft dit geleid tot de introductie van ‘geïntegreerde bestrijding van insecten’ in collecties.

Schema met de vijf stappen van geïntegreerde bestrijding
Afb. 1. De vijf stappen van geïntegreerde bestrijding
Foto van de Houtwormkever
Afb. 2. Houtwormkever, foto: Wikipedia
Foto van een houten beeld met zichtbare schade
Afb. 3. Schade aan een houten beeld door houtwormen
Foto van larve, cocon en volwassen kleermot
Afb. 4. Larve, cocon en volwassen kleermot
Foto van rood fluwelen stoelbekleding met schade
Afb. 5. Schade aan fluwelen stoelbekleding door kleermot
Foto van een tapijtkever
Afb. 6a. Tapijtkever
Foto van de larve van een Tapijtkever
Afb. 6b. Larve van de tapijtkever
Foto van schade aan opgezette jonge Vlaamse gaai
Afb. 7. Schade aan opgezette jonge Vlaamse gaai door tapijtkever
Foto van een Papiervisje
Afb. 8. Papiervisje
Foto van karakteristieke schade aan verlijmd etiket door papiervisjes
Afb. 9. Karakteristieke schade aan verlijmd etiket door papiervisjes

Insecten

Insecten behoren tot de ongewervelde dieren, ze hebben een uitwendig skelet en zes poten. Ze kunnen ook een of twee paar vleugels hebben. Wanneer de voorste vleugels zijn verhard, vormen ze dekschilden, zoals bij kevers. Voor een eenvoudige identificatie van insecten zijn opvallende uiterlijke kenmerken van belang, zoals poten, antennes, lichaamsvorm en grootte, kleur en beharing. Insecten kunnen op grond van hun ontwikkeling in twee typen worden onderverdeeld.

  • Kakkerlakken, franjestaarten (zilver-, papier- en ovenvisjes), luizen, wantsen, sprinkhanen en krekels doorlopen een onvolledige gedaantewisseling. Uit het eitje komt een kleine nimf, die al op de volwassen vorm lijkt en in een aantal stadia groeit waarbij die steeds uit zijn vel barst. Na de laatste vervelling heeft het dier alle volwassen eigenschappen (vleugels etc.) en is het vruchtbaar. Zowel nimf als volwassen dier eten en veroorzaken schade.
  • Kevers, motten, vlinders, vliegen, muggen, bijen en wespen doorlopen een volledige gedaantewisseling. Uit het eitje komt een kleine larve die vreet en groeit en een aantal keren vervelt. Dit is het schadelijke stadium. Als de larve groot genoeg is, verpopt die zich en gedurende een periode van schijnbare rust verandert het volledig van uiterlijk waarna het volwassen insect uit de pop komt. De volwassen insecten zorgen voor de verspreiding en het voortbestaan van de soort en veroorzaken meestal nauwelijks schade.

Om te overleven hebben insecten nodig:

  • Zuurstof om voedsel te verbranden en energie te produceren. Insecten hebben geen longen, maar nemen zuurstof rechtstreeks op via poriën in de huid.
  • Voedingsstoffen die ze uit organisch materiaal halen. Houtboorders en tabakskevers hebben een voorkeur voor plantaardig materiaal (cellulose en koolhydraten). Spekkevers, tapijtkevers en kleermotten eten juist dierlijk materiaal (eiwitten). Franjestaarten eten suiker en zetmeel. Kakkerlakken en broodkevers eten alles. Vuil, vet, stof, zweet en urine leveren extra voedingsstoffen en maken het materiaal aantrekkelijker.
  • Warmte bepaalt de activiteit en ontwikkeling van deze koudbloedige dieren. Insecten blijven in leven bij een temperatuur van 5-45°C, maar hun ontwikkeling is optimaal bij 15-35°C.
  • Vocht halen de meeste insecten uit de lucht en uit het voedsel waarvoor een relatieve luchtvochtigheid (RV) van 50-90% volstaat; het optimum ligt rond de 70%. Sommige soorten hebben zich aangepast aan droge omstandigheden, voor zilvervisjes is een hoge RV essentieel. Houtboorders hebben een vochtgehalte van meer dan 10% in het hout nodig. Stofluizen hebben een hoge RV omdat ze zich voeden met de schimmels die op vochtig materiaal groeien.
  • Licht bepaalt vaak het gedrag van insecten. Volwassen tapijtkevers vliegen op het licht af, terwijl zilvervisjes en motten juist lichtschuw zijn. Het gedrag is belangrijk bij het detecteren.
  • Schuilplaatsen bieden beschutting. Kakkerlakken kruipen weg in richels en kieren als ze niet actief zijn. Franjestaarten lopen langs de plinten en vermijden vaak open vlaktes.

Vier typen insecten

Van de vele duizenden insectensoorten zijn er gelukkig maar zo’n dertig echt schadelijk voor collecties. In geval van insecten of schade in de collectie helpt identificatie bij het bepalen hoe serieus het probleem is en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Op grond van hun gedrag en de schade die ze veroorzaken zijn de insecten in vier typen verdeeld.

  • Houtboorders zijn insecten die tot diep in het voorwerp doordringen. De larven leven gedurende lange tijd in hout of papier en knagen gangen totdat ze verpoppen en als volwassen kever uitvliegen. Alleen volwassen dieren zijn zichtbaar, larven en poppen zijn in het materiaal verscholen. De uitvliegopeningen en het boormeel dat uit de gangen valt vormen de eerste aanwijzingen voor hun aanwezigheid en zijn kenmerkend voor de soort. Bestrijding van houtboorders vergt een methode die diep genoeg het voorwerp indringt. Voorbeelden van dit type insect zijn de gewone houtworm, bonte knaagkever, spinthoutkever en boktor.
  • Kevers en motten zijn insecten waarvan de larven vooral op en soms een beetje in het voorwerp leven. Ze knagen door of grazen over het materiaal dat meestal van dierlijke oorsprong is, ze boren niet in het voorwerp. Schade valt op door gaten en kale plekken in het materiaal, het afval dat de larven produceren en door spinsel en cocons op het voorwerp. Zowel larven, poppen als volwassen dieren zijn aan te treffen. Bestrijding richt zich op behandeling van de voorwerpen. Voorbeelden van dit type insect zijn tapijtkevers en kleermotten.
  • Bewoners zijn insecten die ergens in een ruimte leven, rondkruipen en zich voeden met het materiaal van de collectie zonder echt in de voorwerpen te leven. Ze veroorzaken vraatschade en bevuilen de voorwerpen. Vaak veroorzaken ze ook stank in de collectie. Meestal zijn ze in de ruimte omdat het klimaat er aantrekkelijk is, er voldoende schuilplaatsen zijn en er voedsel is zoals vuil, afval en schimmel. Pas daarna beginnen ze aan de collectie. Dit zijn vooral dieren die een onvolledige gedaantewisseling doorlopen en zowel nimfen als volwassen dieren komen voor in objecten of gebouwen. Bestrijding richt zich op het veranderen van de omstandigheden in de ruimte, vaak verlaging van de RV of temperatuur, betere schoonmaak en het weren van de dieren uit het gebouw. Voorbeelden van dit type zijn franjestaarten (zilver-, papier- en ovenvisjes), kakkerlakken, boek- en stofluizen.
  • Bezoekers zijn insecten die in een ruimte voorkomen maar geen directe schade aan de collectie veroorzaken. Ze komen binnen op zoek naar voedsel of een schuilplaats om te overnachten of om te overwinteren. Hun aanwezigheid is een aanwijzing voor ‘lekken’ in het gebouw. Als zij binnen kunnen komen dan lukt dat schadelijke insecten ook. Bovendien kunnen ze indirect schade veroorzaken door vervuiling. Dode dieren vormen aantrekkelijk voedsel voor motten en kevers die daarna aan de collectie beginnen en ze vormen een voedingsbodem voor schimmel. Bovenal zijn ze storend en ze kunnen stinken. Meestal tref je van dit type de volwassen dieren aan. Bestrijding richt zich vooral op het weren van de insecten uit het gebouw, de aanwezige dieren weghalen met de stofzuiger en goede schoonmaak. Voorbeelden van bezoekers zijn (gaas)vliegen, wespen, wantsen en lieveheersbeestjes.

Geïntegreerde bestrijding

Geïntegreerde bestrijding (Integrated Pest Management, IPM) is een strategie die ernaar streeft het gebruik van schadelijke bestrijdingsmiddelen en -methoden tot een minimum te beperken door het treffen van de juiste preventieve maatregelen en verantwoorde omgang met de collectie. De aanpak bestaat uit vijf stappen die logisch met elkaar samenhangen: twee preventieve stappen, een detectie stap om te zien of de preventieve maatregelen voldoende zijn, en twee curatieve stappen in het geval dat er een probleem wordt gedetecteerd. Bestrijding gebeurt zoveel mogelijk met methoden die veilig zijn voor mens, collectie en milieu. Behandeling met giftig insecticide, vloeistof, damp of gas, is slechts een laatste redmiddel.

Bij een geïntegreerde aanpak is belangrijk dat de activiteiten ook deel uitmaken van de routine in de collectie. De coördinatie is in handen van één persoon die bevoegd is maatregelen te treffen. Iedereen die bij de zorg voor en het gebruik van de collectie is betrokken, is op de hoogte van de werkwijze. Er zijn duidelijke afspraken met medewerkers en externe partners zoals schoonmakers en onderhoudsmensen. Geïntegreerde bestrijding van insecten lijkt aanvankelijk extra werk met zich mee te brengen, maar betekent in de praktijk juist minder werk omdat er geen behandeling van aangetaste collecties nodig is. Bovendien zorgt het voor minder schade aan het materiaal door bestrijdingsbehandelingen en voor een gezondere werkomgeving voor de medewerkers.

De vijf stappen van geïntegreerde insectenbestrijding

1. Voorkomen

Voorkom dat insecten zich thuis voelen in gebouw en collectie, maak de omgeving onaantrekkelijk voor ze.

  • Houd de RV onder de 70% zodat er geen schimmels groeien waarmee stofluizen en schimmelmijten zich voeden
  • Houd de temperatuur zo laag mogelijk, liefst 18°C of lager, om voortplanting en ontwikkeling te vertragen.
  • Zorg voor voldoende ventilatie en vermijd microklimaten. Bij koude buitenmuren, vloeren, in- en uitlaatkanalen en waterleidingen is de RV hoger en kan zelfs condensvorming optreden. Bij verwarmingsbuizen is de temperatuur hoger. Zorg dat er geen dode hoeken in de ruimte zijn. Plaats stellingen en kasten niet tegen (buiten)muren en pilaren, zet ze dwars op de muur met een tussenruimte zodat de luchtcirculatie niet blokkeert.
  • Houd de ruimten en voorwerpen schoon en stofvrij. Stof en vuil vormen ‘het beleg op het brood’ voor de insecten. Breng geen etenswaren bij de collecties. Sla afval ver weg van de collectie op in afgesloten containers. Laat stofzuigers niet in de collectieruimte staan. Zet geen planten, bloemen, kerstbomen of haardhout bij de collecties.
  • Plaats voorwerpen 15 cm van de vloer. Ruimte tussen de vloer en de onderste planken van kasten of stellingen maakt het moeilijker voor insecten om bij de voorwerpen te komen. Bovendien bevordert het de luchtcirculatie, is het minder aantrekkelijk voor insecten om onder de kasten te schuilen en kan men beter onder de kasten schoonmaken. En in geval van wateroverlast niet direct alle onderste voorwerpen nat.
  • Zorg dat het gebouw in goede conditie verkeert. Verwijder (klim)planten direct grenzend aan het gebouw. Voorkom en verhelp waterlekkage, zorg voor schone goten en afvoeren. Verwijder vogelnesten, die vormen een bron voor tapijtkevers en kleermotten. Verwijder alle rommel rondom het gebouw.

2. Blokkeren

Wanneer de ruimte schoon en vrij van insecten is, moet dat zo blijven. Zorg dus dat er geen insecten de ruimte in komen. Ga na waar en hoe insecten kunnen binnenkomen, dat is meestal in of met objecten, of met tentoonstellingsmateriaal mee (houtboorders, kevers en motten), via aanverwante activiteiten zoals via de winkelvoorraad, met bloemen of in verpakkingsmateriaal (visjes), via voedsel, restaurants en cateringactiviteiten (kakkerlakken), of van buiten naar binnen gekropen of gevlogen (tapijtkevers uit vogelnesten, vliegen en wantsen). Objecten kunnen ook worden aangetast door insecten die al in andere objecten actief zijn of in het gebouw leven zoals houtboorders in balken of kakkerlakken onder de vloer. Neem passende maatregelen om dat tegen te gaan.

  • Voorkom dat insecten kunnen insluipen door bouwkundige gebreken. Dicht naden, kieren en gaten. Voorkom kieren onder deuren. Zorg voor mechanisch sterk, fijnmazig gaas op ventilatieroosters. Zorg voor goede afdichting rondom doorvoerpijpen en leidingen. Stel een checklist op en inspecteer het gebouw in voor- en najaar aan de hand van die lijst. Vul de lijst aan met nieuw ontdekte gebreken en verhelp ze.
  • Voorkom dat bezoekers en personeel onbewust insecten meevoeren. Laat ze geen jassen en tassen meenemen in depotruimten en studiezalen. Een kleefmat voor de deur waar men overheen moet lopen verwijdert vuil en schimmel en blokkeert binnenkruipende insecten.
  • Plaats geen verpakkingsmateriaal in de collectieruimten. Controleer dozen, kisten, pallets voordat ze in collectieruimtes komen. Vooral golfkarton biedt schuilmogelijkheden en voedsel voor papiervisjes en aanverwanten. Verhuisdozen en ‘bananendozen’ vormen een groot risico omdat die overal kunnen hebben gestaan. Haal voorwerpen in een transport- of quarantaineruimte uit de verpakking. Sla verpakkingsmateriaal (nieuw en voor hergebruik) in een aparte, daartoe bestemde ruimte op.
  • Controleer alle inkomende voorwerpen en collecties voordat ze de collectieruimte in komen. Let op insecten (levend of dood), restanten van insecten zoals larvenvelletjes en cocons, boormeel, vraatresten, uitwerpselen, spinsel en vraatschade.
  • Plaats aangetaste en verdachte voorwerpen in quarantaine. Bij gebrek aan quarantaineruimte kunnen verdachte voorwerpen in een goed sluitende doos of plastic zak worden verpakt. Let wel op met vochtig materiaal en opwarming vanwege het risico van schimmelgroei.
  • Controleer of verdacht materiaal insectenactiviteit vertoont. Wacht 2-3 weken en kijk of er aanwijzingen zijn voor actieve vraat. Bij houtboorders is vaak een langere periode nodig. De uitvliegopeningen in hout zijn vaak al oud. Klop zoveel mogelijk boormeel uit de gangen en kijk of er nieuw boormeel wordt gemaakt. Stop eventueel de gaatjes dicht met was en kijk of er in het voorjaar en de zomer nieuwe bijkomen. Isoleer en behandel actieve aantastingen (stap 4 en 5).

3. Detecteren

Controleer met regelmatige visuele inspecties en het monitoren van ruimten en collecties of de getroffen preventieve maatregelen van stap 1 en 2 voldoen. Kijk naar aanwezigheid van insecten, resten en schade.

  • Voer regelmatig visuele inspecties uit in het gebouw en in de collecties. Let bij het hanteren van voorwerpen op sporen van insecten. Loop geregeld door het depot. Let vooral op extra gevoelig materiaal. Trek steekproefsgewijs een doos uit de stelling of open een kast en controleer die. Zet houten voorwerpen op een stuk donker papier om eenvoudig te zien of er nieuw boormeel wordt geproduceerd. Inspecteer een ruimte af en toe ook in het donker met een zaklamp op lichtschuwe dieren. Insecten die op het licht afkomen zitten in voorjaar en zomer in vensterbanken, bij lampen en bij nooduitgang verlichting. Laat schoonmakers, medewerkers en gebruikers opletten en insecten of schade melden bij de coördinator.
  • Zet een monitorsysteem op met insectenvallen. Insectenvallen zijn een hulpmiddel bij de controle, geen bestrijdingsmethode. Ze geven een beeld van wat er in ruimte en collectie aan insecten leeft, maar alleen als men de juiste val op de juiste plaats gebruikt. Plakvallen vangen alles wat erin loopt. Met voedsel- of sekslokstoffen (feromonen) vangen ze specifieke soorten. UV-lichtvallen vangen dieren die op licht afkomen. Controleer vallen elke 3-4 maanden, vaker als er veel insecten zijn. Vervang de vallen voordat ze vol zitten. (Zie voor identificatie van insecten: Het loopt in de papieren, Bijlage 2.)
  • Identificeer en tel de aangetroffen insecten. Stel in elk geval het type vast om een passende behandeling te kiezen. De resultaten geven een beeld van de jaarlijkse fluctuatie in populatie en uitschieters zijn snel te zien. Wanneer veel dieren van dezelfde soort of veel insecten op een bepaalde plek worden gevangen, duidt dat op een probleem. Zoek in dat geval de oorzaak. (Zie voor identificatie van insecten: Het loopt in de papieren, Bijlage 1.)
  • Noteer alle vondsten en activiteiten in een logboek. Welk insect, waar, wanneer, hoeveel, wie ze heeft gevonden, hoe, en welke actie er is genomen. Het is handig om per ruimte een pagina bij te houden en op een plattegrond aan te geven waar vallen staan. Noteer hier ook de schoonmaakwerkzaamheden in om de effecten ervan op korte en lange termijn bij te houden. Aan de hand van het logboek is vaak vast te stellen wanneer en waar iets fout is gegaan.

4. Beperken

Wanneer ergens insecten of aangetaste voorwerpen worden aangetroffen, moet allereerst worden voorkomen dat de insecten zich door de rest van het gebouw en de collectie verspreiden.

  • Lokaliseer alle aangetaste voorwerpen. Controleer de directe omgeving van aangetaste voorwerpen. Controleer ook voorwerpen die met hetzelfde transport zijn binnengekomen en elders in het gebouw zijn ondergebracht.
  • Isoleer alle aangetaste voorwerpen. Sluit desnoods de hele ruimte(s) af, de insecten mogen zich niet verplaatsen. Let ook op dat de insecten zich niet via de luchtkanalen verspreiden. Voorzie alle ventilatiegaten van fijnmazige roosters of gaas. Pak de voorwerpen in plastic zakken of goed sluitende dozen. Isoleer aangetaste voorwerpen bij voorkeur door ze af te voeren naar een aparte ruimte.
  • Achterhaal de bron van de aantasting en verwijder deze. Dit is vaak een aangetast object. Zo’n aantasting kan enige tijd gesluimerd hebben voor hij opvalt. Is de bron onbekend, plaats dan rondom de plek waar insecten zijn aangetroffen meerdere plakvalletjes en probeer de bron of oorzaak te vinden, zoals (bouw)materiaal of omgevingsomstandigheden.

5. Bestrijden

Insecten die problemen veroorzaken in voorwerpen of collectieruimten moeten worden bestreden. Afhankelijk van het type insect moet het voorwerp of de ruimte worden behandeld. Streef zoveel mogelijk naar inzet van ‘schone’ en ‘veilige’ middelen en methoden toe te passen. Die moeten correct worden uitgevoerd om effectief te zijn en ontwikkeling van resistentie tegen te gaan.

  • Bepaal wat er moet worden bestreden. Bij aantasting door houtboorden, kevers of motten die in of op de voorwerpen leven, moeten de voorwerpen behandeld. In geval van bewoners en bezoekers die zich in de ruimte schuilhouden, wordt de ruimte behandeld. Dat gebeurt meestal door professionele ongediertebestrijders.
  • Ga na welke mogelijkheden er zijn. Veel objecten kunnen in huis worden gevroren (1 week bij -20°C). Een hittebehandeling is sneller (1 uur 55°C in de kern van het voorwerp) maar wordt meestal door een bedrijf gedaan. Behandeling met lage zuurstofconcentraties (ook wel stikstof behandeling) vindt plaats in speciale kamers of tenten en heeft een toelating nodig. Een aantal musea heeft een eigen kamer. De methode is schoon en veilig maar duurt minimaal 4 weken bij 20°C en <1% O2. Er zijn bedrijven die behandeling met lage zuurstof en ook hoge kooldioxide-concentraties (>60% CO2) uitvoeren. De inzet van giftige bestrijdingsmiddelen zoals spuiten met insecticide door een bestrijdingsbedrijf is soms nodig voor de behandeling van de ruimte of bij een heel lokale aantasting in een object of vaste elementen in een interieur zoals een kerkbank. Zowel de actieve component als de oplosmiddelen en toevoegingen kunnen met materialen reageren en schade aan voorwerpen veroorzaken. (Zie voor bestrijdingsmethoden: Het loopt in de papieren, Bijlagen 4 en 5.)
  • Kies de meest geschikte methode. De keuze voor een bestrijdingsmethode hangt af van het type insect, toestand en materiaal van het voorwerp en allerlei praktische overwegingen zoals kosten, apparatuur, hoeveelheid, transport en uitbesteding. Zie voor de keuze van bestrijdingsmethode: Het loopt in de papieren, Bijlage 6.)
  • Maak voorwerpen en ruimte schoon en ruim op. Er mogen geen eitjes of kleine larfjes achterblijven die zich kunnen verspreiden een nieuwe aantasting veroorzaken. Denk aan verpakkingsmateriaal zoals lege dozen. Verwijder alle sporen van aantasting anders is later onduidelijk of een nieuwe aantasting is opgetreden of dat het de oude sporen zijn. Stop houtwormgaatjes dicht met was.
  • Ga terug naar stap 1, pas maatregelen bij stappen 1 en 2 zo nodig aan en plaats de voorwerpen terug. Pas stap 3 eventueel aan met gerichte aandacht voor de omgeving van de aantasting en de aangetroffen insectensoort.

Lees verder

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 21 mrt 2023 om 04:00.