Keukens


Introductie

Keukens hebben tussen 1940 en 1990 een aantal grote ontwikkelingen ondergaan. Mede door technische vernieuwingen en modegevoeligheid was de afwerking van deze voorziening aan veel verandering onderhevig. Daarbij wijzigden ook de inrichting en het gebruik van de ruimtes en de visie op de keuken. Zo begonnen woonfuncties vanaf halverwege de jaren zestig steeds meer in elkaar over te lopen. Daarbij speelden de ontwikkelingen in de centrale verwarming en ventilatie van woningen een belangrijke rol.
Bruynzeelkeuken van Piet Zwart uit 1938
Afb. 1. Bruynzeelkeuken van Piet Zwart uit 1938. Collectie Kunstmuseum Den Haag
Folder Bruynzeel Simplo keuken, circa 1950
Afb. 2. Folder Bruynzeel Simplo keuken, circa 1950. Collectie Nieuwe Instituut
Bruynzeelkeuken in Huis Polman in Nagele uit 1956
Afb. 3. Bruynzeelkeuken in Huis Polman in Nagele uit 1956. Collectie Hendrick de Keyser
Folder Bruynzeel Monta keuken, circa 1955
Afb. 4. Folder Bruynzeel Monta keuken, circa 1955. Collectie Nieuwe Instituut
American Kitchen woonhuis in Leusden uit 1971
Afb. 5. American Kitchen woonhuis in Leusden uit 1971. Foto: C.S. Booms
Omslag brochure EZO keukens, circa 1950
Afb. 6. Omslag brochure EZO keukens, circa 1950. Collectie Ronald Stenvert
Omslag brochure Franke gootstenen van roestvrij staal uit 1957
Afb. 7. Omslag brochure Franke gootstenen van roestvrij staal uit 1957. Collectie Ronald Stenvert
Gebruiksaanwijzing Bosch koelkast uit 1957
Afb. 8. Gebruiksaanwijzing Bosch koelkast uit 1957. Collectie Ronald Stenvert
Bruynzeel Aquila hangende keuken van Kho Liang Ie uit 1967 in een appartement in Brussel
Afb. 9. Bruynzeel Aquila hangende keuken van Kho Liang Ie uit 1967 in een appartement in Brussel. Collectie Sabine Broekhoven
Omslag boek Doe wat met uw keuken uit 197
Afb. 10. Omslag boek Doe wat met uw keuken uit 1972. Collectie Ronald Stenvert
Advertentie Bruynzeelkeuken uit 1971
Afb. 11. Advertentie Bruynzeelkeuken uit 1971. Collectie KB
Open keuken uit 1973
Afb. 12. Open keuken uit 1973. Collectie KB
Advertentie rustiek houten keuken Mobalpa uit 1987
Afb. 13. Advertentie rustiek houten keuken Mobalpa uit 1987. Collectie KB
Witte IKEAkeuken uit 1987
Afb. 14. Witte IKEAkeuken uit 1987. Ikeamuseum.com/en/explore/Ikeacatalogue

De rationele keuken

Aan het begin van de twintigste eeuw werd de keuken in toenemende mate gezien als werkplaats; een hygiënisch ‘laboratorium’ en daarmee een uiterst doelmatig vertrek. In ons land nam de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (NVVH, opgericht in 1912) de leiding in het ontwikkelen van efficiënte keukens. Verenigingen van huishoudexperts als deze propageerden mechanisatie van het huishouden en daarmee verlichting van de lichamelijke arbeid van huisvrouwen. Dit droeg bij aan de opmars van nieuwe huishoudapparatuur en aan de ontwikkeling van standaardkeukens, waarbij de aansluiting op water, elektra en gas een belangrijke rol speelde.

De Hollandkeuken

In Duitsland ontwierp architect Margarete Schütte-Lihotzky in 1926 de Frankfurter Küche volgens de principes van hygiëne, efficiëntie en ergonomie. De Haagse afdeling van de NVVH gaf architect J.W. Janzen opdracht deze moderne keuken aan te passen aan het Nederlandse huishouden. Het resultaat was de Hollandkeuken, in 1929 opgeleverd en in 1930 tentoongesteld in Den Haag en Amsterdam. Deze kleine keuken had als grondmaat 54 centimeter. De twee meest voorkomende werkzaamheden, koken en afwassen, waren aan één wand georganiseerd om onnodige stappen te vermijden. De keuken had een dubbele gootsteen van vertind koper of het in die tijd veel toegepaste granito of vuurklei. De kasten en laden waren wit gelakt zodat ze goed konden worden schoongehouden, in die tijd zeer vernieuwend. Kastplanken waren bekleed met zwart linoleum, wat praktischer was dan het gebruikelijke kastpapier of snel klevende zeiltjes.

De Hollandkeuken was met moderne elementen als een ingebouwde koelkast, een afwasdouche en een zwenkkraan bedoeld voor de meer welgestelden. In reactie daarop ontwierp het Instituut tot Voorlichting bij Huishoudelijke Arbeid (IVHA, opgericht in 1927) in 1932 een betaalbare rationele keuken voor het gemiddelde Nederlandse huishouden. Ook deze was uitgerust met makkelijk te onderhouden materialen en korte looplijnen. De keuken had een kraan voor koud en warm water, een uitschuifbare plank onder het aanrecht, een dicht bij de vloer geplaatste gootsteen voor de emmer met vaatdoek (slobbe) met erboven een rek voor emmers, een kast boven het aanrecht, een bezemkast en ruimte voor een koelkast en een hooikist waarin voedsel kon worden gegaard. Het werkblad en de spoelbak waren van granito en de keuken was in een vliegwerende blauwe kleur geschilderd in plaats van wit. Hierdoor kreeg de modelkeuken van het IVHA een minder steriele en moderne uitstraling dan de Hollandkeuken. Het ontwerp kreeg bekendheid door tentoonstellingen, maar net als de Hollandkeuken was dit niet gemaakt voor massaproductie.

De Bruynzeelkeuken

Het eerste succesvolle Nederlandse keukenmodel dat wel in massa kon worden geproduceerd werd ontwikkeld door deurenfabrikant Bruynzeel. Architect Koen Limperg begon in 1935 aan dit ontwerp, vormgever Piet Zwart maakte het af. De Bruynzeelkeuken kwam in 1938 op de markt en werd al snel een begrip (afb. 1). Het ontwerp was gebaseerd op de modellen van de NVVH en het IVHA. De keuken kon worden samengesteld uit standaardelementen met een ergonomische werkhoogte van 88 centimeter, afgewerkt in de kleuren lichtblauw en -groen en later ook wit en crème. De keuken had net als de Hollandkeuken een efficiënte indeling die was afgestemd op de werkzaamheden. Het aanrechtblad was gemaakt van granito met een stenen spoelbak. Handige elementen waren houten roeden onder de spoelbak waarop een afwasteil kon staan, een uitschuifbare houten werkplank en glazen bakjes voor levensmiddelen onder de keukenkastjes.

De Simplo keuken

Omdat na de oorlog de Bruynzeelkeuken voor sociale woningbouw te duur was, ontwikkelde Bruynzeel een sterk versimpelde variant. Deze sobere ‘Simplo keuken’ werd dankzij massafabricage in de jaren vijftig en zestig grootschalig en goedkoop geplaatst in sociale woningbouw (afb. 2). De keuken voldeed aan de kwalitatieve eisen die hiervoor golden. Voor een gezin met twee tot vier kinderen werd een keuken van 4,5 m2 voorgeschreven, met minimaal een aanrechtblad met granito gootsteen, twee onderkastjes, een servieskast en een pannenwandplank. De simplo keuken had een aanrecht met in het midden een spoelbak, beide van glanzend gepolijst ocriet. Dit materiaal lijkt op granito, bestaat uit steenslagsoorten en chemisch behandeld cement en werd vanaf 1939 geproduceerd door de Ocrietfabriek Baarn. Onder de spoelbak bevonden zich een houten rekje met ruimte voor een teil en twee onderkasten met een uitschuifbare snijplank en lade. Boven de spoelbak werd vaak een geiser geplaatst. De keuken was verder voorzien van twee korte of een lange bovenkast en kon worden uitgebreid met een ruime wandkast en een pannenrekje. De kenmerkende schuine bovenkastjes moesten, zo werd geadverteerd in Bruynzeel brochures, verhinderen dat de huisvrouw bij het werken aan het aanrecht hiervan hinder ondervond. De kastjes hadden schuifdeurtjes van houtvezelplaat gespoten in een crèmekleurlak. Deze lak was vlekvrij en daarmee makkelijk in onderhoud. De kastjes waren verder afgewerkt met bruine plastic knoppen. Later kreeg het model andere greepjes en een roestvrijstalen aanrechtblad. Onder de kastjes was een kleine roede met haakjes bevestigd, waaraan keukengerei zoals pollepels kon worden gehangen en los van het keukenblok stond een gasfornuis, meestal witgekleurd.

De Monta keuken

Na de Simplo keuken bracht Bruynzeel begin jaren vijftig nog de Monta keuken op de markt (afb. 4). Deze kon worden samengesteld uit aanrechtkasten, wandkasten en staande kasten. In tegenstelling tot de Simplo keuken waren de kasten recht en zonder schuifdeurtjes. De kastdeurtjes waren crème gelakt, het randhout van de kasten was blank gelakt beukenhout en de zijkanten waren overtrokken met een kunsthars product. Het aanrecht en de gootsteenbak waren vervaardigd uit ocriet.

American Kitchens

Een keuken die in 1957 in ons land werd geïntroduceerd, maar waarvan de meeste Nederlandse huishoudens slechts konden dromen, was de American Kitchen naar ontwerp van Raymond Loewy. Deze modulaire keuken uit de Verenigde Staten was hét symbool van welvaart. Het in 1931 opgerichte Oda Staalwerk en Ovenbouw v/h H.J. van de Kamp in Sint-Oedenrode, in 1967 gefuseerd met Ahrend, startte in de jaren zestig met de productie van de volledig geëmailleerde staalplaat onderdelen onder de merknaam American Kitchens. Kenmerkend waren de spierwitte kleur van de kastjes, de afgeronde hoeken, het aanrechtblad met opstaande rand en de aluminium handgrepen. De werkhoogte van deze keuken was 92 centimeter. Het werkblad werd uitgevoerd in rood, groen, blauw of zwart mipolam, handelsnaam voor een zacht type pvc. De spoelbak was van roestvrijstaal of geëmailleerd plaatstaal, geproduceerd door de firma Franke, en de keuken was vaak voorzien van een handdouche.

Nederlandse versie

De American Kitchens werden omgevormd tot Nederlandse keukens. Het originele Amerikaanse model had niet de kenmerkende handgrepen van chroom – later aluminium – die uiteindelijk vanuit Europees perspectief werden beschouwd als karakteristiek voor Amerikaanse auto's en koelkasten. De Nederlandse versie had geen moderne inbouwkoelkast, maar in sommige gevallen wel een luxe ingebouwde ovenkast en elektrisch fornuis. De stalen keuken werd in Nederland op grote schaal geproduceerd voor duizenden woningen van de firma Eurowoningen, waaronder drive-in Eurowoningen Park Rozendaal in Leusden (H. Klunder, 1972) (afb. 5), en in Uithoorn, Amsterdam-Zuid en Badhoevedorp. Na 1973 is de keuken in Nederland niet meer nieuw verkocht, maar er bestaat nog een levendige handel in tweedehands American Kitchens.

Mechanisatie van de keuken

In de jaren vijftig werd in plattegronden van nieuwbouwwoningen weinig rekening gehouden met de snelle opkomst van automatische huishoudapparaten. Het fornuis met oven was nog vaak een losstaand element.

Elektrische apparatuur

In de loop van de jaren zestig kreeg elektrische apparatuur een plek in de Nederlandse keukenindeling. De elektrische koelkast was hier al in het interbellum geïntroduceerd maar won pas vanaf 1960 aan populariteit, mede door prijsverlaging, veranderend consumptiegedrag en het meer buitenshuis werken door vrouwen. In 1965 verschenen ‘Voorschriften en Wenken’ waarin het keukenoppervlak werd verruimd naar 5 tot 7 m2 en het aanrecht langer en breder werd, minstens 1,65 x 0,55 m. Die extra ruimte was mede bedoeld voor elektrische huishoudapparatuur: ‘De keuken dient gelegenheid te bieden tot plaatsing en doeltreffend gebruik van een aanrecht, een kooktoestel, een koelkast, een ander huishoudelijk apparaat en een of meer kasten of kastjes’.

Nieuwe apparaten

Vanaf 1970 begon de vaatwasser geleidelijk van exclusieve luxe te veranderen in noodzakelijke keukenuitrusting. Vanaf 1980 nam ook het gebruik van elektrische kookplaten geleidelijk toe, hoewel het overgrote deel van Nederlandse huishoudens nog op gas kookte. De eind jaren zestig door Philips in ons land geïntroduceerde magnetron werd relatief laat populair in vergelijking met Engeland, Scandinavische landen en de Verenigde Staten. Begin jaren tachtig had dit apparaat een vaste plek in de Nederlandse horeca, maar van de Nederlandse huishoudens bezat in 1987 slechts 2% en in 1991 nog maar 22% er een.

Van werk- naar woonkeuken

Mede door de mechanisatie van het keukenwerk veranderde eind jaren zestig de visie op de keuken. De hygiënische werkkeuken waar enkel de huisvrouw en eventuele dienstboden zich ophielden, maakte plaats voor een keuken als werk- én leefruimte voor het hele gezin. Waar de keuken voorheen een klein apart vertrek was, soms via een doorgeefluik verbonden met de woon- of eetkamer, werd deze vanaf eind jaren zestig betrokken bij het wonen: een doorbraak in de woontraditie. Steeds meer huishoudens kregen een eetkeuken en ook de woonkeuken deed zijn intrede, hoewel deze eind jaren zestig voor velen slechts een droom was. Hierbij werden keuken en woonkamer samengevoegd door middel van een gedeeltelijk of geheel open verbinding. In Goed Wonen 1965 werd deze oplossing aangedragen als de meest gezellige: ‘Heerlijk voor huisvrouwen zonder hulp. De huisvrouw is dan namelijk ook tijdens haar keukenwerk bij het gezin. Het lijkt ons een ideale oplossing voor “gezellige” mensen.’

Ventilatie

De mechanische afzuigmogelijkheden boven het fornuis droegen in belangrijke mate bij aan de nieuwe woonfunctie van de keuken. Tot in de jaren zestig gebeurde de ventilatie van keukens vaak via een opening in het plafond of de wand met een kunststof of metalen ventilatierooster of via een niet-mechanische wasemkap. In de jaren zeventig werd een mechanische afzuigkap de nieuwe standaard, bijvoorbeeld in de vorm van een kunststof afzuigscherm dat onder een keukenkastje boven het aanrecht werd gemonteerd. Dankzij het verdrijven van etensluchtjes kon in dezelfde ruimte worden geleefd en gekookt. Ook meer liberale ideeën over het gezinsleven en de rol van de huisvrouw speelden een belangrijke rol in de functieverandering van de keuken. ‘In de keuken kijken’ was geen bijzonder privilege meer en de vrouw geen keukenprinses. Bovendien veranderde het eten zelf in een meer ontspannen bezigheid. In de keuken kwamen barvormige eethoeken met hoge krukken en de elektrische oven of magnetron zorgde voor een snelle en makkelijke maaltijd.

De gezellige keuken

Deze functieverschuiving had ook invloed op de vormgeving en afwerking van keukens. De keuken moest gezellig zijn nu deze deel uitmaakte van de leefsfeer. Mede door de toename in welvaart en vrije tijd en een algemeen streven naar individualisering groeide in de jaren zeventig de interesse in het zelf vormgeven van het interieur.

Trends

Tijdschriften op het gebied van wonen en lifestyle gaven allerlei tips voor een gezellige keukeninrichting. Keukenfabrikanten doorbraken de eentonigheid van de gladde, witte keuken met granito of roestvrijstalen aanrecht en witte koelkast en fornuis. Rond 1975 waren ‘romantische’ keukens in teak-, beuken- en eikenhout populair bij het grote publiek, passend bij de jaren zeventig tendensen van nostalgie en teruggaan naar de natuur. Ook aanrechten van kunststof en ‘ocron’ in natuurlijke kleuren als mosgroen, bruin en beige werden populair, met bijpassende (reliëf)tegels met bijvoorbeeld afbeeldingen van groenten. Ocron was een kunststof die vanaf 1975 door de Ocrietfabriek werd geproduceerd uit kwarts- of granietkorrels die werden gebonden met gekleurd kunsthars. Ook felgekleurde kunststof keukens kwamen voor.

Inbouw

Keukenapparaten als vaatwasmachines, koelkasten en afzuigkappen werden in de loop van de jaren zeventig in toenemende mate ingebouwd achter frontjes die dezelfde vorm hadden als de kastjes. Deze frontjes werden bijvoorbeeld gemaakt van gekleurde kunstharsplaten, spaanplaat, geprofileerd hout, opgelegd hout, colovinyltegels of kurk. Doordat plintlijnen niet meer werden onderbroken en koelkasten niet uitstaken, zorgde dit voor meer gemak en een op elkaar afgestemd aanzien. Voor een vochtbestendige afwerking werden hout en spaanplaat beschermd met lak of een kunststoflaag, en werd gebruikgemaakt van siliconenkit. Ook populair werden glazen keukendeurtjes, waardoorheen vrolijk gekleurd servies zichtbaar bleef. Elementen die niet konden worden ingebouwd achter een frontje, zoals spoelbakken, werden in kleur en vorm aangepast. Zo kwamen er meer gekleurde kunststof en emaillen spoelbakken op de markt, hoewel roestvrijstaal nog steeds veel werd toegepast.

De jaren tachtig

De keukens van de jaren tachtig waren over het algemeen ruimer dan die van de voorgaande decennia, waardoor de eetbar plaatsmaakte voor de keukentafel. Het aantal in de keuken toegepaste materialen bleef toenemen. Zo kwamen er keukenfrontjes in grof geweven textiel, bamboe of rotan in lichtere hout- en pastelkleuren. Keukens werden vaker voorzien van een zogenaamd ‘draaicarrousel’, een draaiplateau in een hoekkast voor potten en pannen. Dat systeem werd overigens in de jaren zeventig ook al toegepast in hypermoderne keukens, zoals de Bruynzeel Pallas 1500 en 2000, met onderkasten waarin draaiende halfronde kunststofbladen konden worden geplaatst. De witte keuken werd weer populair. Deze onderscheidde zich van de gladde en steriele witte kunststof keuken uit de jaren vijftig en zestig door het materiaal. In de jaren tachtig had de witte kunststof keuken vaak een gestructureerd oppervlak en een mat effect en kregen apparaten, spoelbakken en accessoires vaak contrasterende primaire kleuren. Ook keukens in wit gelakt hout met zichtbare nerf en geprofileerde panelen raakten in trek.

Industriële uitstraling

Eind jaren tachtig kreeg de keuken een meer industriële en luxe uitstraling. Het gebruik van roestvrijstaal voor aanrechtbladen, inbouwapparatuur en schouwvormige afzuigkappen nam toe. Roestvrijstaal werd al langer veel toegepast in grote keukens van bijvoorbeeld ziekenhuizen en horeca, omdat het slijtvast en hygiënisch is en goed bestand tegen hoge temperaturen en chemische invloeden. Behalve roestvrijstaal werden eind jaren tachtig in de woonhuiskeuken ook materialen als glas, hoogglanzend kunststof, chroom en aanrechtbladen van natuursteen en chicron (een kunststof vergelijkbaar met ocron) populair. Daarnaast bleef licht beuken- of essenhout veel toegepast in combinatie met details in roestvrijstaal en chroom. Koelkasten, afzuigkappen en ovens verdwenen niet langer achter panelen, maar werden weer losstaande componenten. Een luxe nieuwigheid die vanaf de jaren tachtig steeds vaker werd toegepast was het kookeiland.

Kranen

In veel huishoudens was tot in de jaren zestig alleen warm water in de keuken, vaak verzorgd door de bekende geisers of boiler van wit kunststof of plaatstaal boven het aanrechtblad met een dubbele kraan. Vanaf de jaren zestig kwam de mengkraan in opmars, een enkele kraan met aparte knoppen voor warm en voor koud water. Waar in de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 voor wastafels een mengkraan nog werd aanbevolen, werd deze tien jaar later in de aangepaste voorschriften verplicht gesteld. De mengkraan kon op het aanrecht en de wastafel worden geplaatst of worden gemonteerd aan de wand. Eind jaren zestig werd de eenknopsmengkraan uit de Verenigde Staten geïntroduceerd en begin jaren zeventig ook de eenhendelmengkraan. In één handeling kon zowel de waterhoeveelheid als de mengverhouding worden geregeld. Een draaibare uitloop had daarbij de voorkeur en was bij een dubbele spoelbak noodzakelijk.

Literatuur

  • E. Mesdag, ‘De inrichting van de keuken’, De vrouw en haar huis 24 (1930) 12, p. 620-625.
  • C. Stempels, Keukens indeling en uitrusting. Wooncomfort en woontechniek, Amsterdam s.a. [1958].
  • F. de Sterke, ‘Opmars inbouwapparatuur in kookvertrek’, Eigen Huis & Interieur 12 (1979) 3, p. 89-92.
  • I. Cieraad, ‘De gestoffeerde illusie. De ontwikkeling van het twintigste-eeuwse woninginterieur’, in: J. Huisman et al., Honderd jaar wonen in Nederland 1900-2000, Rotterdam 2000, p. 47-109.
  • R. Oldenziel en M. Berendsen m.m.v. C.J.M. van Dorst, ‘De uitbouw van technische systemen en het huishouden: een kwestie van onderhandelen, 1919-1940’, in: J.W. Schot et al. (ed.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 4. Huishoudtechnologie, medische techniek, Eindhoven 2001, p. 36-51.
  • R. Oldenziel et al., ‘Het huishouden tussen droom en werkelijkheid: oorlogseconomie in vredestijd, 1945-1963’, in: J.W. Schot et al. (ed.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 4. Huishoudtechnologie, medische techniek, Eindhoven 2001, p. 102-131.
  • M. Veenis m.m.v. R. Oldenziel, ‘Barsten in het bolwerk: de consumptie betwist, 1968-1980’, in: J.W. Schot e.a. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 4. Huishoudtechnologie, medische techniek, Eindhoven 2001, p. 132-145.
  • M. Simon Thomas, Goed in vorm. Honderd jaar ontwerpen in Nederland, Rotterdam 2008.
  • L. Bervoets, ‘”Consultation Required!” Women Coproducing the Modern Kitchen in the Netherlands, 1920 to 1970’, in: R. Oldenziel en K. Zachmann, Cold War Kitchen. Americanization, Technology, and European users, Cambridge (Mass.) 2009, p. 209-232.
  • E. de Bruijne, Het Post 65 wooninterieur 1966 – 1980, ongepubliceerd rapport onderzoeksstage RCE, 2019.
  • R. Eggink en M. Kuipers, ‘Ontwikkelingen in de woonruimten’, in: M. Kuipers (red.), Interieurs van Herrijzend Nederland 1940-1965. Binnenruimten van een opkomende welvaartstaat, Zwolle 2019, p. 25-46.

Dit is een bewerking van: Eva de Bruijne, ‘Keukens en sanitair’, in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 299-314.


Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 10:56.