Kurk in gebouwen
Introductie
Kurk is een materiaal dat waarschijnlijk vanaf het eind van de negentiende eeuw in Nederlandse gebouwen is toegepast. In eerste instantie als isolatiemateriaal, vanaf de jaren 1960 vooral als wand-, vloer- of plafondafwerking. Door onder andere slijtage, veranderingen in stijl en doordat bitumen als bindmiddel is gebruikt, verdwijnt steeds meer kurk uit gebouwen. Dit artikel gaat in op de geschiedenis en toepassingen van kurk in gebouwd erfgoed en draagt daarmee bij aan herkenning en waardering van dit materiaal.









Kurkproductie
Kurk is een gedeelte van de bast van de kurkeik (Quercus suber L.), die vooral groeit in Portugal en Spanje (afb. 1). Men kan een kurkeik voor het eerst schillen als de boom ongeveer 25 jaar oud is. Dat gebeurt handmatig en zonder de boom te beschadigen of te vellen. Nieuwe kurklagen worden vervolgens gevormd in de bast. Ongeveer elke negen jaar kan er opnieuw kurk worden geoogst.
Het materiaal wordt op verschillende manieren verwerkt:
- direct uit de bast gesneden
- als agglomeraat:
- kurkkorrels, geëxpandeerd bij een temperatuur van ongeveer 300 °C, waardoor de korrels verbonden worden door hun natuurlijke hars,
- kurkkorrels, verbonden door lijm en bij ongeveer 100 °C in vorm geperst.
De grootte van de korrels varieert van minder dan een millimeter tot ongeveer 10 millimeter. De korrelgrootte en de duur van de warmtebehandeling zorgen voor variaties in structuur en kleur.
Eigenschappen
In de plantenanatomie is kurk een beschermend weefsel, dat onderdeel is van het periderm in de bast van de kurkeik en dat de levende plantencellen scheidt van de externe omgeving (afb. 2). Kurk wordt gevormd door lege, gesloten cellen. De celwand bestaat voornamelijk uit afwisselende lagen van suberine en lignine.
Kurk heeft een aantal eigenschappen waardoor men het materiaal al sinds de oudheid gebruikt en nu nog steeds toepast in gebouwen. Door de gesloten celstructuur ontstaan een soort luchtkamers. Dat maakt kurk licht, met een lage warmtegeleidingscoëfficiënt, waardoor het goed als thermisch isolatiemateriaal gebruikt kan worden. Deze structuur helpt ook bij akoestische isolatie. De samenstelling en opbouw van kurk zorgen ervoor dat het niet snel vlam vat en brandvertragend werkt. Verder is een belangrijke eigenschap van kurk de grote veerkrachtigheid, die ontstaat door de combinatie van suberine en lignine in de celwand. Daarnaast heeft kurk een lage doordringbaarheid voor vloeistoffen en gassen, wat in de praktijk betekent dat het nagenoeg geen water absorbeert.
Producten en toepassingen
Een van de belangrijkste toepassingen van kurk is als thermisch en akoestisch isolatiemateriaal. Halverwege de twintigste eeuw namen de synthetische polymeren deze toepassing grotendeels over, door de bloei van de chemische industrie. Kurk kan veel verschijningsvormen hebben, van vormstuk tot plaat. Daarnaast is kurk ook decoratief gebruikt, vooral vanaf eind jaren 1960 op vloeren, wanden, plafonds en interieuronderdelen in woningen. De meest voorkomende producten en toepassingen in historische gebouwen worden hier beschreven. Veel hiervan zijn inmiddels zeldzaam.
Kurklint als afdichting in ramen
In 1842 werd geopperd om vensters en deuren luchtdicht af te sluiten met een reep kurk van een duim breed. Als voorbeeld gaf men de toepassing hiervan in een kloostersponning. Het materiaal moest wel onbeschilderd blijven, om de elasticiteit niet verloren te laten gaan.
Aan het eind van de negentiende eeuw was kurk ook onderdeel van de eerste pogingen om dubbelglas te maken. Men hield de beide glasplaten op afstand door middel van een rand die kon bestaan uit verschillende materialen, zoals kit, verf en rubber met daartussen hout, touw en kurk. Maar hierdoor kon de spouw niet luchtdicht worden afgesloten en was de constructie niet condensvrij.
En in 1958 werd kurk ingezet bij de toepassing van ‘structural glass’, ofwel niet-transparant glas dat als bekleding van gevels werd gebruikt. Om te voorkomen dat het glas brak, werd aan de achterkant van de glasplaat een reep kurk bevestigd.
Op dit moment zijn er geen bekende voorbeelden (meer) van dergelijke toepassingen in Nederland.
Los of gemengd: onzichtbaar in isolatiemateriaal
Wanneer men cilindrische kurken als flessenstopper uit een reep boombast snijdt, blijven er onhandig gevormde resten over. Dit afval, samen met lagere kwaliteiten kurk, speelt een belangrijke rol in de kurkindustrie. Het kan op veel verschillende manieren worden gebruikt, ook in gebouwen. Zo vulde men er spouwmuren mee. In de achttiende eeuw gebeurde dat bij ijsopslagplaatsen, met onder meer turfmolm, zaagsel en kurkbrokken. En rond 1900 met kurkafval, dat rond 1920 ook tussen dubbele vloeren werd gebruikt als geluidwerend materiaal. Naast afvalproducten zijn er ook verschillende kwaliteiten kurk, die alle hun eigen toepassingen hebben.
Vanaf 1863 werd gemalen kurk (ook wel kurkmeel genoemd) als grondstof toegevoegd in linoleum, dat men in 1900 aanprees als een “de warmte slecht geleidend en het geluid dempend vloerbekleedsel”. Linoleum was relatief duur, maar men vond het de investering wel waard, want het was sterk, bood weerstand aan vocht en de mot, en “maakt met de dikwerf grillig aangebrachte kleuren een vrij goed effect”.
Eind negentiende eeuw vormde kurk gemengd met asbest, gips en cement een isolerende substantie die op voorwerpen gestreken kon worden. De eerste geëxpandeerde kurkkorrels voor thermische isolatie werden in 1923 geproduceerd, op een vergelijkbare manier als nu. Deze korrels kun je als toeslagstof gebruiken in pleisterwerk op basis van kalk of cement, in plaats van zand. Dat is bijvoorbeeld in 1936 voor geluidsabsorptie toegepast in de AVRO-studio in Hilversum, en zulk pleisterwerk is nog steeds op de markt. Rond 1968 werden geëxpandeerde kurkkorrels, nadat ze met bitumen waren geïmpregneerd, voor thermische en akoestische isolatie verwerkt als vulstof in beton en estrichlagen. Hoe hoger het gehalte aan kurk, hoe beter de isolatie, maar ook hoe meer kans op beschadigingen van het product.
Bij het onderzoeken van historisch isolatiemateriaal is het dus goed mogelijk dat zich daarin een vorm van kurk bevindt. Het is dan belangrijk om dit goed te documenteren met beschrijvingen en fotomateriaal met schaalbalk.
Kurksteen om leidingen en als wand
Kurksteen is een verzamelnaam voor kurkafval dat in een bepaalde vorm is gegoten of geperst. Hoe grover de deeltjes en hoe minder ze zijn samengeperst, hoe slechter de warmtegeleiding.
Waarschijnlijk ontleent kurksteen zijn naam aan één van de eerste toepassingen, namelijk als kunstmatige (bak)steen. De firma Grünzweig & Hartmann uit Duitsland patenteerde in 1880 kurkstenen in de vorm van bakstenen. Gemalen kurkafval werd vermengd met een bindmiddel en samengeperst. Op elkaar gestapeld en verwerkt met mortel, cement of gips bedekten deze stenen bijvoorbeeld de binnenzijde van hete stoomruimtes om zo het warmteverlies te beperken. Als er extra behoefte was aan vochtwering en/of luchtafdichting werd asfalt, soms gemengd met asbest, of teer gebruikt als bindmiddel of als afwerklaag aan de buitenzijde van de kurksteen. Ook plafonds en scheidingswanden konden worden gemetseld met kurkstenen, die ook wel Rudi-stenen werden genoemd.
Doordat kurksteen effectief thermisch isoleerde en tegelijkertijd weinig extra gewicht aan een constructie toevoegde, werd het in allerlei vormen vervaardigd, zoals tegels, dakpannen, piramidevormen en holle halve cilinders. Er was in 1899 zelfs een speciale ter plaatse buigbare variant van firma Haacke & Cie in de handel, zogenoemde Eis-Schalen (afb. 3), zodat allerlei krommingen in pijpleidingen konden worden omhuld. Machines werden bekleed met kurk om trillingen en geluid te dempen. De cilindervormen zijn vanaf 1893 tot pakweg 1970 veelvuldig toegepast om pijpleidingen en ketels te isoleren tegen warmte of koude, al dan niet omwikkeld met bijvoorbeeld jute en besmeerd met teer (afb. 4). Ook platen vielen onder de noemer ‘kurksteen’, en deze term is nog tot in de jaren 1940 als synoniem voor kurkplaat gebruikt. Meer over platen is hieronder te lezen.
Vaak wordt kurk niet herkend in of om oude installaties. Gezien de veelvuldige reclame gedurende een aantal decennia, is het wel de verwachting dat kurksteen regelmatig is toegepast. Wees hier dus alert op. Voor zover bekend zijn vormstukken van kurk niet meer in de handel.
Kurkplaten en tegels op vloeren, wanden en plafonds
Kurk kon ook anders dan als vormstuk worden gebruikt voor thermische isolatie of vocht- en geluidwering (afb. 5). Van agglomeraten maakte men vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw onder meer tegels, platen en met een mal gevormde blokken. Deze blokken werden vervolgens in plakken gesneden of gezaagd. Om een strook van enkele millimeters dikte op rol te krijgen, werden cilindervormige blokken eerst roterend gesneden. Dergelijke dunne platen konden onder linoleum en parketvloeren worden gelegd.
Vanaf de Tweede Wereldoorlog vonden in de productie van kurk enkele ontwikkelingen plaats. Voor kurktegels werden steeds meer gestandaardiseerde maten gebruikt, vaak gebaseerd op veelvouden van drie. In de jaren 1970 waren voorkomende afmetingen voor wandbekleding 30 cm x 30 cm x 3,2 cm, 30 cm x 60 cm, 30 cm x 90 cm en 50 cm x 100 cm. Om tegels te krijgen met meer veerkracht en meer uniforme kleuren, stapten fabrikanten van natuurlijke hars als bindmiddel over op synthetische harsen zoals fenol- en urea-formaldehyde.
Vanaf eind jaren 1960 tot pakweg halverwege de jaren 1980 werd kurk zowel decoratief als functioneel toegepast. In huis bood het een fraaie aanblik, terwijl het tegelijkertijd kou van de vloer tegenhield. En als men dan toch geluid van buren of spelende kinderen wilde weren, dan liever met mooie wand- en plafondbekleding. Vloertegels werden na het leggen op verschillende manieren afgewerkt: met was, vernis, olie, fenolformaldehyde, urethaan, vinyl of een combinatie daarvan. Omdat kurktegels op deze manier ook waterafstotend zijn, werden ze vaak toegepast in de badkamer of keuken (afb. 6). Vanwege de slijtvastheid, geluidsisolerende eigenschappen en natuurlijke uitstraling vinden we kurkvloeren ook in de utiliteitsbouw, met name in ziekenhuizen en scholen.
Begin twintigste eeuw waren merknamen voor isolerende kurksteen of kurkplaten onder meer Expansit, Eldorado, Econoomplaten, Kawe, Triumph, Hagee, Beko en Lidium. Vanaf de tweede helft van de eeuw kwamen daar Impurex, Isocor en andere bij. Iso-xylotekt was een sandwich van triplexplaten met daartussen een kurklaag. Dunne platen werden verkocht onder de naam Isokork. Tegenwoordig zijn er platen in de handel met verschillende afmetingen en in een aantal uitvoeringen qua kleur en korrelgrootte.
Er waren meerdere merken die kurk als wand- en/of vloerbekleding in hun assortiment hadden, maar door de verschuiving naar doe-het-zelf vanaf begin 1970 kwamen ook minder herkenbare producten op de markt. Wicanders was een Zweedse producent van onder meer Cork-o-plast en Walcork.
Voorbeelden van historische kurkplaten en kurktegels in het interieur komen we steeds minder vaak tegen. Het behoud van producten van na 1940 vraagt ook om meer aandacht, omdat men deze nog niet altijd ziet als een waardevol onderdeel van een pand.
Complete kurkschors als bekleding in rustieke stijl
De schors van de kurkeik leent zich vanwege zijn ruwe en pittoreske uiterlijk ook voor decoratieve doeleinden. Dat past in de rustieke stijl, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het omliggende landschap. Om die sfeer van landelijkheid te verkrijgen, werden veel natuurlijke en onbewerkte materialen gebruikt. De stijl was populair aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw en is veel te vinden in tuinen en parken en daarin liggende bouwwerken.
In Nederland zijn een aantal zeldzame nog bestaande gevallen bekend waarin complete stukken bast op een wand bevestigd zijn, met name in of op prieeltjes: de uitspanning Vorenkamp in Groningen (afb. 7) en een prieel op buitenplaats Middenhoek in Nieuwersluis (afb. 8). In een serre in een boerderij in Bad Nieuweschans is kurkschors gebruikt om de binnenkant van de ruimte te bekleden.
Veel voorbeelden van het gebruik van het ruwe materiaal zijn al verdwenen, vooral doordat de schors vaak een beperkte levensduur heeft en daardoor in het verleden regelmatig vervangen is door ander materiaal. Op dit moment is het niet bekend in hoeverre kurkschors als volledige schaal of inclusief bast verkrijgbaar is.
Kurkbehang ter decoratie
Al rond 1880 werd kurkbehang geproduceerd door het lijmen van dunne repen kurk op papier. Het duurde echter nog bijna honderd jaar totdat dergelijk kurkbehang massaal in Nederlandse woonkamers werd geplakt. Vanaf eind jaren 1960, en vooral in de jaren zeventig, werd volop geadverteerd met teksten als “speelse effecten, warme tinten en een natuurlijke sfeer”, “structuur voor de muur” en “geef uw kamer een nieuw gezicht”. Rond 1976 was er een variant in de handel waarbij dunne schillen kurk op een gekleurde achtergrond voor “wonderlijke effecten” zorgden. Vaak waren dit combinaties van een naturelkleurige voorgrond met een zwarte, bruine of donkergroene achtergrond (afb. 9).
Kurkbehang was, vooral toen het eind jaren 1960 populair begon te worden, duurder dan ‘gewoon’ papierbehang en aanvankelijk uitsluitend verkrijgbaar bij behangwinkels. Van exclusief, ‘nieuw’ en duur werd kurk in huis gangbaar, populair en goedkoper. Vanaf 1973 verschenen er hobbyboeken en advertenties van bouwmarkten waarin de doe-het-zelver werd aangespoord om kurk zelf toe te passen in het interieur. Daarbij werd ook geadviseerd over de te gebruiken lijm: geen gewone behangerslijm, maar Perfax Kurkkit of goede contactlijm voor tegels. Medio jaren 1970 zouden door de verhoogde houtprijs minder schrootjes en meer kurk als decoratieve wandbekleding worden gebruikt.
Nederlandse behangfabrikanten hadden kurk op rol en als tegels beschikbaar: bij Rath & Doodeheefver heette het Radocork en bij Eijffinger Decork (afb. 10). Vanaf ongeveer 1980 werden Naturo en Corket genoemd voor kurkvloeren.
Vanaf de jaren 1980 nam de populariteit van kurkbehang af, maar zo’n dertig jaar later kwam er weer een opmars. Tegenwoordig zijn er veel soorten op de markt verkrijgbaar.
Fabrikanten
In de loop der tijd zijn er veel fabrikanten geweest die kurk hebben verwerkt tot producten die in gebouwen zijn gebruikt. De meeste fabrieken zijn te vinden in het buitenland, met name daar waar de kurkeik groeit. Voor bijvoorbeeld de fabricage van kurksteen waren rond 1900 uitgebreide fabrieksterreinen nodig, vanwege het grote volume van de grondstof en de producten.
Eén van de bekendste fabrikanten is het Duitse Grünzweig en Hartmann, dat groot werd door zijn patent voor kurksteen in 1880. Deze firma is in 1972 opgegaan in Isover en maakt inmiddels geen kurkproducten meer. Gespecialiseerd in geagglomereerde kurk was NV Quercine, in 1927 opgericht in België, dat vooral dunne isolatieplaten maakte.
In Nederland werd kurk wel in kleine fabriekjes verwerkt tot isolatiemateriaal. De kurkfabriek van Kuiken in Dronrijp deed dat in de vorm van platen en vormstukken voor buisisolatie, vanaf 1921 bijna negentig jaar lang. Geëxpandeerd kurk werd geproduceerd door N.J. Bouvet’s Kurkplatenfabriek in Schiedam. H. Geerdink was tot 1986 een kurkfabriek in Beekbergen met veel kurkproducten. Forbo in Krommenie verwerkte in de twintigste eeuw kurk in linoleum en in tegels.
Meer lezen
- Thomas, P.E. (1928) Cork Insulation.
- Pereira, H. (2007) Cork: Biology, Production and Uses.
- Kooij, B.H.J.N. (2011) Geschiedenis en ontwikkeling van het isoleren in Nederland – Een eerste verkenning van historische isolatiematerialen en hun toepassingen in monumenten. In: Praktijkreeks Cultureel Erfgoed.
- Meulenkamp, W. en A. van der Does (2019) De uitspanning Vorenkamp in Groningen en haar kurkschors Paviljoen. In: PorteFolly 48.
- Somer, K. en R. Stenvert (red.) (2024) Bouwmaterialen 1940-1990: vernieuwing, constructie, toepassing.
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 feb 2026 om 12:01.