Lichtlijnen - beperken lichtschade museale objecten

Introductie[bewerken]

Dit artikel is een geactualiseerde online versie van de Lichtlijnen uit 2005. Het is geschreven voor collectiebeheerders, ontwerpers en architecten die zich bezighouden met verlichting in musea en historische ruimten. Het biedt inzicht in de relatie tussen belichting en schade en de richtlijnen voor collectiebeherende instellingen om lichtschade tot een acceptabel niveau te beperken. Ze zijn te gebruiken door musea, bibliotheken, archieven, historische huizen en iedereen die objecten toont. De lichtlijnen zijn samen met het Landelijk Contact Museumconsulenten (LCM) tot stand gekomen.

Een hoek van een tapijt ligt naar boven gedraaid, waardoor te zien valt dat het tapijt van boven verkleurd is.
Bij vergelijking van voor- en achterkant van het tapijt (20ste eeuw, Turkije) valt op hoezeer de oranje-rode strook (wol geverfd met de synthetische kleurstof Fast Red AV) verbleekt is onder invloed van licht en ultraviolette straling.
Een tabel waarin de golflengte en frequentie van ultraviolet, zichtbaar en infrarood licht zijn weergegeven.
Optische straling: het spectrum van golflengtes en frequenties.
Een spons die van boven donkerder gekleurd is dan van onder.
Afbraak van polyurethaanschuim die zichtbaar wordt als vergeling. In de dwarsdoorsnede blijkt dat straling en zuurstof slechts in de bovenste 5 mm van het open-cel schuim doordringen en tot schade leiden.
Standaardooggevoeligheidskromme (blauw, linker as) en de relatieve energie van straling met verschillende golflengtes (rood, rechter as). De niet-zichtbare straling in het UV-gebied (<400 nm) heeft de meeste energie en is het schadelijkst.
Standaardooggevoeligheidskromme (blauw, linker as) en de relatieve energie van straling met verschillende golflengtes (rood, rechter as). De niet-zichtbare straling in het UV-gebied (<400 nm) heeft de meeste energie en is het schadelijkst.
Schematisch overzicht van schade door straling.
Schematisch overzicht van schade door straling.
Spectrale energieverdeling van zonlicht, halogeen, fluorescentie spaarlamp en LED-licht.
Spectrale energieverdeling van verschillende lichtbronnen. (spectra Koen Smits)
Acht stukjes stof in verschillende kleuren blauw.
ISO Blauwe wol standaard: acht stalen wol blootgesteld aan 120.000.000 lux.uur (UV-rijk licht). Het kleurverschil tussen de belichte linker- en onbelichte rechterkant loopt van ISO 1 ΔE = 45 (boven, 30 jwv: totaal verbleekt) via ISO 4 ΔE = 15 (10 jwv) tot ISO 8 ΔE = 1,5 (onder, 1 jwv).
Indeling van materialen in lichtgevoeligheidsklassen.
Tabel 2: Indeling van materialen in lichtgevoeligheidsklassen
Samenvatting richtlijnen voor museumverlichting.
Tabel 3: Samenvatting richtlijnen voor museumverlichting.

Dit artikel biedt geen praktische informatie over lampen, verlichtingssystemen en oplossingen voor specifieke situaties. Informatie daarover is te vinden in Verlichting in musea en expositieruimten (ICN/NSVV, 2008), 'Museum lighting' (Saunders, 2020) en bij lichtontwerpers, adviserende instellingen en technische specialisten.

Doel van museumverlichting

Om vorm en kleur te zien is licht nodig. Licht veroorzaakt echter schade. Het doel van museumverlichting is daarom drieledig:

  1. De bezoeker moet de voorwerpen kunnen zien
  2. in een uitnodigend verlichte ruimte,
  3. waarbij echter de schade als gevolg van licht tot een minimum beperkt blijft.

Schade als gevolg van licht

Licht veroorzaakt verkleuring van gevoelige materialen; zelfs bij kleine hoeveelheden, maar dan duurt het langer voordat verkleuring optreedt. De verkleuring is cumulatief en onomkeerbaar: iedere hoeveelheid licht die op een voorwerp valt, voegt een beetje schade toe die je niet meer ongedaan kunt maken. Een onderbelicht voorwerp loopt dus schade op zonder dat de kijker er ten volste van geniet. Een overbelicht voorwerp wordt extra beschadigd zonder dat het extra beleving oplevert. Een goede museumverlichting moet ervoor zorgen dat een voorwerp zo goed mogelijk tot zijn recht komt met zo min mogelijk schade.

Richtlijnen in het verleden

Dat licht schade aan voorwerpen kan veroorzaken is al eeuwen bekend. De eerste wetenschappelijke onderzoeken naar het effect van licht op museumvoorwerpen dateren van het eind van de 19de eeuw. Maar het was Garry Thomson, hoofd natuurwetenschappelijk onderzoek bij de National Gallery in Londen, die in 1961 de eerste richtlijnen voor museumverlichting opstelde. Als compromis tussen goed kunnen zien en schade beperken stelde hij voor om lichtgevoelige materialen met maximaal 50 lux en minder gevoelige materialen met maximaal 150 lux te verlichten. Deze waarden waren gebaseerd op de toen gangbare verlichting met gloeilampen en een gemiddelde museumbelichting van 3000 uur per jaar. Omdat men de schade bij deze verlichting acceptabel vond, werd ook het UV-gehalte van een gloeilamp (circa 75 μW.lm-1) in zijn richtlijnen opgenomen. Thomson was zich er terdege van bewust dat ook bij 50 lux lichtschade optreedt en dat de duur van de belichting ook een belangrijke rol speelt. In de loop van de jaren verloren Thomsons getallen hun nuance en gingen ze een eigen leven leiden. Men hanteerde ze als ‘veilige’ normen. Het accent kwam zo sterk op de verlichtingssterkte te liggen dat men de invloed van de belichtingsduur over het hoofd zag.

Vernieuwde richtlijnen

Intussen hebben er allerlei technische ontwikkelingen plaatsgevonden; er zijn nieuwe lampen en verlichtingssystemen ontwikkeld en er is veel meer en gedetailleerdere kennis beschikbaar over de gevoeligheid van veel verschillende materialen.

Wetenschappelijk onderzoek heeft de weg terug naar de bron ingezet: de relatie tussen belichtingsdosis en schade. Daaraan gekoppeld is de vraag welke schade acceptabel is. Op basis van die twee gegevens kan een collectiebeherende instelling bepalen welke belichting een voorwerp mag hebben. De richtlijnen in dit artikel sluiten aan bij die internationale ontwikkelingen, bij de gezaghebbende publicatie Control of damage to museum objects by optical radiation (CIE, 2004) en bij het baanbrekende werk van Stefan Michalski van het Canadian Conservation Institute beschreven in Agent of Deterioration: Light, Ultraviolet and Infrared (Michalski, 2018). Ze weerspiegelen de verandering in benadering.

Voor lichtgevoelig materiaal geldt onverminderd dat je dit met een lage verlichtingssterkte en een beperkte belichtingsduur moet tonen. Maar wanneer de collectiebeherende instelling een standpunt heeft ingenomen over de acceptabele schade en bekend is welke belichtingsdosis die schade veroorzaakt, kan men een veel genuanceerdere beslissing nemen over de juiste verlichtingssterkte, belichtingsduur en lichtbron. Daarmee bieden deze richtlijnen meer flexibiliteit in de omgang met belichting.

Voor wie niet al te zeer in detail wil treden, bieden de algemene aanbevelingen nog altijd hetzelfde houvast als tot nu toe. Hoewel de vernieuwde richtlijnen een grotere flexibiliteit in belichting bieden, mag je ze niet zien als een vrijbrief voor onbeperkte en felle verlichting.

Straling

Straling is energie

Je kunt je straling voorstellen als een stroom van energiepakketjes, zogenoemde fotonen, die zich als golven voortbewegen. Die golven kun je beschrijven met een golflengte en een frequentie. Hoe korter de golflengte, hoe hoger de frequentie en hoe meer energie de fotonen bezitten (zie figuur 1 en 2). Wanneer fotonen met voldoende energie met moleculen van een materiaal botsen, kan een fotochemische reactie plaatsvinden.

Spectrum

Bij verlichting hebben we te maken met een optische straling waarvan de golflengtes liggen tussen de 100 en 1.000.000 nm (1 nm = 1 nanometer = 10-9 m, een miljoenste millimeter). Het menselijke oog kan alleen straling met een golflengte van 380 nm (violet) tot 780 nm (rood) waarnemen; dit gebied is het zichtbare licht. Van 100 tot 380 nm is het gebied van de onzichtbare ultraviolette straling (UV). Omdat de gevoeligheid van het oog voor 380-400 nm zeer laag is terwijl de straling in dat gebied wel zeer schadelijk is, hanteert men als grens tussen licht en UV-straling voor musea 400 nm. Van 780 nm tot 106 nm is het gebied van de eveneens onzichtbare infrarode straling (IR) (figuur 1).

Ultraviolette straling (UV)

Daglicht en ongefilterd kunstlicht bevatten UV-straling. Door de hoge energie van deze straling is het de meest schadelijke component in het spectrum. Glas houdt veel tegen, maar laat de straling met een golflengte van meer dan 320 nm door. UV-straling is verantwoordelijk voor reacties waarbij moleculen kapot gaan (ketenbreuk) en voor koppeling van ketens (cross-linking). Hierbij treedt ook vaak een reactie met zuurstof op, de zogenoemde foto-oxidatie. Schade door UV-straling valt vaak het eerst op als vergeling van materialen en verbleking van kleuren. Vervolgens verliest het materiaal zijn sterkte, wordt het bros en verkruimelt het. Een goed voorbeeld daarvan is de vergeling van krantenpapier of kunststofschuim in de zon, of de scheuren die na verloop van tijd in gordijnen ontstaan.

De hoeveelheid UV-straling in een lichtbundel drukt men vaak uit als het UV-gehalte in microwatt per lumen (μW.lm-1). Daarbij hanteert men een bovengrens van 75 μW.lm-1 als acceptabel. Dit is het gemiddelde UV-gehalte van een gloeilamp, de kunstlichtbron die in de tijd dat Thomson zijn richtlijnen opstelde het minst schadelijk was. Tegenwoordig zijn er lampen en filters verkrijgbaar die het UV-gehalte tot minder dan 10 μW.lm-1 kunnen terugbrengen en is er geen reden meer om een hoger UV gehalte te hanteren. Dit gehalte is een relatieve waarde die niet het hele verhaal vertelt, want het is de totale hoeveelheid UV-energie die de schade bepaalt. Moderne apparatuur meet de hoeveelheid UV-straling rechtstreeks in milliwatt per vierkante meter (mW.m-2). Vermenigvuldiging van de intensiteit (lux) met het UV-gehalte (μW.lm-1) gedeeld door 1000 geeft de UV-belasting (mW.m-2). Hoe hoger de verlichtingssterkte, hoe meer UV-straling er op een object valt.

Lichtbron UV-gehalte (µW.lm-1) Kleurtemperatuur (K) Kleurweergave index Lamprendement♦ (lm.W-1) Levensduur♦♦ (h)
Daglicht 400-1500 5000-7000 100 - -
Gloeilamp 60-80 2800-3000 100 10-25 1000
Halogeen* 40-200 3000-3500 100 20-40 2000-5000
Fluorescentie Philips TL 900 serie 50-80 2700-6500 92-96 70 20.000
Fluorescentie Philips TL 800 serie 65-90 2700-6500 80-85 100 20.000
Compacte fluorescentie >100 2700-6000 >80 70 10.000
Metaalhalogenide 160-700 3000-5000 60-85 85 10.000
Hoge druk natrium <50 2500 20-65 80-130 15.000

(*) Inclusief de ‘UV-STOP’ lampen; (**) Light Emitting Diode van goede kwaliteit; (♦) Lichtopbrengst van de lamp per Watt; (♦♦) Tijd tot vervanging van de lamp.

Licht

Licht is het gedeelte van het spectrum dat ervoor zorgt dat wij onze omgeving en voorwerpen kunnen zien. ‘Wit licht’ bevat alle golflengtes in het zichtbare gebied. Als het door een prisma valt, worden de afzonderlijke kleuren zichtbaar als het spectrum, net als bij een regenboog. Wij kunnen objecten waarnemen omdat ze licht uitstralen of opvallend licht terugkaatsen. Objecten krijgen kleur omdat ze bepaalde golflengtes uit het spectrum absorberen en de rest reflecteren of doorlaten. Een object dat alle straling absorbeert, is zwart. Een object dat alles terugkaatst, is wit. Een blauw object absorbeert vooral straling in het gele en rode gebied, een rood object absorbeert juist veel blauwe en groene straling.

Licht heeft weliswaar minder energie dan UV-straling, maar is wel degelijk schadelijk. Processen als verkleuren en verbleken van kleurstoffen en pigmenten zijn aan licht te wijten. Licht heeft niet voldoende energie om diep in materialen door te dringen. In schilderijen verbleken pigmenten in de toplaag, dieper in de verflaag is de oorspronkelijke kleur vaak nog te zien.

Infrarode straling (IR)

Infrarode straling kunnen wij niet zien, maar wel als warmte voelen. Warmte kan schadelijk zijn voor objecten. De warmte is meestal niet voldoende om chemische reacties op te starten, maar als een chemische reactie al op gang is, versnelt het de reactie. IR-straling veroorzaakt opwarming van oppervlakken, wat kan leiden tot uitdroging, krimp, vervorming en scheurvorming. In voorwerpen waarin materialen zijn verwerkt die verschillend krimpen en uitzetten, kan opwarming tot spanningen leiden en kunnen barsten ontstaan. Vooral de cyclische belasting van dagelijks opwarmen en afkoelen als de lampen aan- en weer uitgaan, kan tot barsten en scheuren leiden.

Grootheden en eenheden

Omdat licht een vorm van straling is, zijn de maten waarin men licht uitdrukt analoog aan die van straling. Voor straling gebruikt men de ‘energetische grootheden en eenheden’. De hoeveelheid energie die een lichtbron per tijdseenheid uitstraalt, de energiestroom, drukt men uit in Watt (W). De bestralingssterkte (irradiantie) is de hoeveelheid energie die per tijdseenheid op een bepaald oppervlak valt, uitgedrukt in Watt per vierkante meter (W.m-2). De bestralingsdosis is de hoeveelheid energie die per tijdseenheid op een bepaald oppervlak valt vermenigvuldigd met de duur van belichting, uitgedrukt in (W.m-2.s). Het is deze totale energiedosis die de mate van schade bepaalt.

Omdat licht alleen de zichtbare straling is, is er een aparte set maten om de hoeveelheid licht in uit te drukken. In deze ‘fotometrische grootheden en eenheden’ is de gevoeligheid van het menselijke oog verwerkt. Dat is het meest gevoelig voor een golflengte van 555 nm (groen). De gevoeligheid neemt naar het violet aan de ene kant en het rood aan de andere kant geleidelijk af. Buiten het zichtbare gebied is de gevoeligheid van het oog nul. De gevoeligheid is vastgelegd in de standaardooggevoeligheidskromme (CIE, 1924) (figuur 2).

De hoeveelheid lichtenergie die een bron uitstraalt, de lichtstroom, drukt men uit in lumen (lm). Op de verpakking van LED-lampen staat aangegeven hoeveel lumen de lamp uitstraalt. De verlichtingssterkte (illuminantie) is de hoeveelheid lichtenergie die per tijdseenheid op een bepaald oppervlak valt, uitgedrukt in lumen per vierkante meter (lm.m-2), wat hetzelfde is als lux (lx). De belichtingsdosis is de hoeveelheid lichtenergie die per tijdseenheid op een bepaald oppervlak valt vermenigvuldigd met de duur van belichting, uitgedrukt in lux.uur (lx.h) of bij grote getallen in klx.h (k=kilo=1.000) of Mlx.h (M=mega=1.000.000).

Omdat schade aan materialen niet alleen door licht maar door het totaal aan stralingsenergie wordt veroorzaakt, geeft het meten van de hoeveelheid licht geen compleet beeld. Vandaar dat men het UV-gehalte in de lichtbundel erbij vermeldt, uitgedrukt in microwatt per lumen (μW.lm-1).

Zien

Hoeveelheid licht

We hebben licht nodig om onze omgeving te kunnen zien, maar hoeveel licht we nodig hebben hangt af van verschillende factoren. Voor museumbezoekers is het belangrijk dat ze behalve vorm ook details kunnen zien en kleur kunnen onderscheiden. De mate waarin ze dat kunnen, hangt niet alleen af van de hoeveelheid licht die er op een object valt maar ook van de manier van belichting, het contrast met de omgeving, de afstand tot het object en de gevoeligheid van de ogen.

De sensoren van het menselijk oog zijn de staafjes (licht) en kegeltjes (kleur) op het netvlies. Rond 3 lux vindt er een overgang plaats van nacht-zien (zwart/wit, alleen de staafjes op het netvlies vangen een lichtsignaal op) naar kleur-zien (ook de kegeltjes vangen signaal op). Voor het kunnen onderscheiden van kleuren heeft de mens minstens 30 lux nodig (Crawford, 1973). Voor het onderscheiden van detail is meer licht nodig. Kleine details met weinig contrast vragen zelfs om daglicht (>1000 lux). Vanaf een jaar of 45 wordt het oogvocht troebeler en dringt er minder licht tot het netvlies door. Oudere bezoekers hebben meer licht nodig om hetzelfde te kunnen zien als jonge mensen (Boyce, 1987; Michalski, 1990). Vandaar dat museumverlichting tussen de 50 en 400 lux ligt; daarboven neemt de kwaliteit van het zien van objecten nauwelijks meer toe (Loe et al., 1982).

Kwaliteit van het licht

De kwaliteit van het licht bepaalt in sterke mate hoe de kijker zijn omgeving en de voorwerpen ervaart. De belangrijkste factoren die daarbij een rol spelen zijn de kleurtemperatuur en de kleurweergave-index.

De kleurtemperatuur (Tc) is een maat voor de kleur van het licht, uitgedrukt in graden Kelvin (K). Een warm-witte lamp heeft een lage kleurtemperatuur (2800 K). Er zit relatief veel geel en rood licht in het spectrum waardoor men het als ‘warm’ ervaart, net als bij een kaars. De kleurtemperatuur van fluorescentielampen en ‘Cool white’ lampen kan oplopen tot 5000 K. Er zit dan relatief veel blauw en violet licht in het spectrum waardoor men het licht als ‘koel’ ervaart. Daglicht op het midden van de dag heeft een nog hogere kleurtemperatuur en doet nog kouder aan.

De kleurweergave-index (R) is een maat voor hoe natuurgetrouw kleuren worden weergegeven door de kleur van een voorwerp onder de lichtbron te vergelijken met die onder referentieverlichting van dezelfde kleurtemperatuur. Een kleurweergave-index van meer dan 90 is goed; lager dan 80 is niet geschikt voor verlichting van gekleurde objecten. Daglicht en halogeen hebben een kleurweergave-index van 100. Ze hebben een volledig spectrum waar alle golflengtes in zitten. Andere lichtbronnen hebben vaak spectra waarin golflengtes ontbreken of juist oververtegenwoordigd zijn; zij geven een vertekend kleurbeeld en hebben een lagere index (denk bijvoorbeeld aan de oude oranje hoge-druk natrium straatverlichting). In tabel 1 staan voor de verschillende lichtbronnen karakteristieke waarden voor kleurtemperatuur en kleurweergave-index. Met de opkomst van de LED-lamp werkt men aan een ander systeem om de kleurweergave uit te drukken. Getallen zeggen echter niet alles; het beste is om lampen in een proefopstelling te vergelijken en zo de meest passende voor de eigen situatie te selecteren.

Samenstelling en kwaliteit van licht
De samenstelling en de kwaliteit van het licht spelen een belangrijke rol bij het tonen van mineralen. In gewoon licht zien sommigen er saai uit, maar als er UV-straling op valt, fonkelen ze met prachtige kleuren (fluorescentie). Gerestaureerde objecten kunnen er onder bepaald licht prima uitzien. Onder een andere belichting kunnen restauraties zoals lijmnaden en ingekleurde lacunes echter opeens storend zichtbaar worden. Soms probeert men om met gekleurd licht het oorspronkelijke uiterlijk van een verbleekt object na te bootsen. Dit kan riskant zijn als de gekozen kleur veel energierijke straling bevat.

Schade door straling

Straling kan schade veroorzaken door (1) fotochemische reacties en (2) warmteontwikkeling (zie ook ‘infrarode straling’).

Fotochemische afbraak

Fotochemische reactieprocessen zijn vaak complexe ketenreacties waar straling vooral een rol speelt bij de eerste stap in de keten. De snelheid waarmee fotochemische reacties plaatsvinden en de mate waarin schade optreedt hangen af van:

  • de totale hoeveelheid energie die op het object valt
  • de gevoeligheid van het object
  • omgevingsfactoren

Totale hoeveelheid energie

De totale hoeveelheid energie hangt af van het type straling of het spectrum en blijkt uit de spectrale energieverdeling, de hoeveelheid energie die elke golflengte aan het totale spectrum bijdraagt. De schade die een bepaald type straling veroorzaakt hangt vervolgens af van de totale dosis: de intensiteit van de straling vermenigvuldigd met de blootstellingsduur. Voor licht geeft de intensiteit (lux) maal de belichtingsduur (uur) de belichtingsdosis (lux.uur).

Reciprociteitsprincipe

Voor de belichtingsdosis geldt bij normale lichtniveaus het zogenoemde ‘reciprociteitsprincipe’. Zolang de vermenigvuldiging van lux maal uur dezelfde uitkomst heeft, is de schade hetzelfde. Dit betekent dat 100 uur belichting met 50 lux dezelfde schade veroorzaakt als 50 uur belichting met 100 lux of 25 uur met 200 lux. In alle gevallen is de belichtingsdosis 5000 lux.uur.

Spectrale energieverdeling

Elke golflengte in het spectrum heeft een bijbehorende energie. Hoe korter de golflengte (hoe blauwer het licht), hoe meer energie en hoe groter de kans dat die energie voldoende is om een schadelijke fotochemische reactie in een materiaal te initiëren. Koel wit licht heeft meer blauw in het spectrum en is energierijker dan warm wit licht.

Iedere lichtbron heeft zijn karakteristieke spectrale energieverdeling die je in een grafiek kunt weergeven (figuur 3). Daglicht heeft relatief veel blauwe, violet en UV-A straling. Gloeilamplicht heeft relatief veel geel en rood licht en is daarom minder schadelijk dan daglicht.

Gevoeligheid van het object

Om een fotochemische reactie te kunnen ondergaan moet een materiaal de energie wel opnemen. Het moet licht, of bepaalde golflengtes eruit, absorberen. Het absorptiespectrum van een materiaal vertelt dus iets over de gevoeligheid. Daarnaast bepaalt de molecuulstructuur of er een reactie kan optreden.

Er zijn ook nog andere factoren die de gevoeligheid bepalen. Bij pigmenten speelt de grootte van de pigmentkorrels bijvoorbeeld een belangrijke rol. Kleine deeltjes verliezen sneller hun kleur dan grote deeltjes.

Bij kleurstoffen maakt het verschil welke beits er is gebruikt en op welke ondergrond ze zijn aangebracht. Indigo op katoen is veel gevoeliger dan indigo op wol.

Veel lichtgevoelige kleurstoffen verkleuren in het begin het snelst; daarna neemt de snelheid af. Dit betekent dat voorwerpen waarvan de kleuren ‘als nieuw’ zijn, hun grootste schade ondervinden bij de eerste tentoonstellingen. Dit betekent echter niet dat reeds vaak tentoongestelde voorwerpen daarom meer licht kunnen hebben. Andere soorten van schade, bijvoorbeeld fotochemische afbraak van het textiel of papier waarop de kleur is aangebracht, gaan gewoon door en kunnen de overhand nemen.

Omgevingsfactoren

De temperatuur speelt een rol bij de snelheid waarmee chemische reacties verlopen. Een lage temperatuur kan fotochemische afbraakprocessen vertragen. Hetzelfde geldt voor de relatieve luchtvochtigheid (RV). Bij een lage RV verlopen afbraakreacties langzamer. Luchtverontreiniging kan de reacties versnellen. Voor oxidatiereacties is de aanwezigheid van zuurstof cruciaal. Veel fotochemische afbraakreacties kun je daarom vertragen door het voorwerp in een zuurstofarme omgeving schoon, droog en koel te houden.

Richtlijnen voor museumverlichting

Vanuit conserveringsperspectief is het doel van een verlichtingsplan voor een museum het effectief tonen van een voorwerp zodat we het optimaal kunnen zien, waarbij het echter zo min mogelijk aan schadelijke straling wordt blootgesteld.

Optimaal zien

Voor het optimaal zien van voorwerpen kan men de volgende vuistregels aanhouden (Michalski, 1977):

  • De gemiddelde mens heeft een verlichtingssterkte van 50 lux nodig om kleur en details te onderscheiden.
  • Om details in een donker voorwerp te zien is tot 3 x meer licht nodig.
  • Om details in een contrastarm voorwerp te zien is tot 3 x meer licht nodig.
  • Om details in een voorwerp op afstand te zien is tot 3 x meer licht nodig.
  • Voor het uitvoeren van gedetailleerd werk is tot 3 x meer licht nodig dan voor gewoon kijken.
  • Oudere mensen hebben meer licht nodig dan jonge mensen om hetzelfde te zien.
  • De waardering van vorm en kleur neemt bij verlichtingssterktes van meer dan 250 lux nauwelijks meer toe.

Als voor optimaal zien meer dan 50 lux nodig is, moet men voor lichtgevoelige materialen de belichtingsduur aanpassen om de acceptabele belichtingsdosis niet te overschrijden.

Bestraling beperken

UV-straling beperken

Uit figuur 2 blijkt dat ons oog UV straling (<400 nm) niet kan zien, terwijl de straling veel energie bezit en potentieel erg schadelijk is. Allereerst is het dus belangrijk de UV straling uit de lichtbundel te verwijderen. Filters, folies en de juiste lampen kunnen alle straling met een golflengte korter dan 400 nm vrijwel volledig uit de lichtbundel verwijderen. UV gehaltes lager dan 10 μW.lm-1 zijn moeilijk te meten; daarom houdt men die waarde aan als streefwaarde.

Verlichtingssterkte beperken

In theorie is er niet meer licht nodig dan de voor optimaal zien noodzakelijke verlichtingssterkte. Dat is het principe achter tentoonstelling van aquarellen en gekleurde prenten in een donkere ruimte met minimale verlichting. Die aanpak is uiteraard niet overal mogelijk of gewenst. In ruimtes met ramen geeft invallend daglicht een hoge verlichtingssterkte op objecten en een hoge omgevingsverlichting die een nog hogere accentverlichting vergt. Het verminderen van de hoeveelheid invallend daglicht is daarom een zeer effectief middel om schade te beperken.

Belichtingsduur beperken

Wanneer is vastgesteld welke verlichtingssterkte voor optimaal zien nodig is en in een gegeven situatie realiseerbaar is, kan men belichtingsdosis terugbrengen door de belichtingsduur te beperken. Dat kan bijvoorbeeld door te zorgen dat er geen licht op het voorwerp valt als het niet wordt bekeken, of door beperkingen te stellen aan de tentoonstellingsduur.

Belichtingsduur beperken
Mogelijkheden voor het beperken van de belichtingsduur zijn onder meer gordijnen voor objecten, doeken over vitrines, objecten in laden die bezoekers kunnen openschuiven, lichtschakelaars bij vitrines of objecten, contactsensoren of bewegingssensoren die de verlichting bij objecten of aan de ingang van een ruimte kunnen sturen en automatisch wisselende verlichtingssterktes tussen optimaal en gedimd licht. Objecten in de tentoonstelling kunnen rouleren met objecten uit het depot en bladzijden van tentoongestelde boeken kunnen met enige regelmaat worden omgeslagen. Voor oudere bezoekers kan men een paar ‘lichtdagen’ per jaar organiseren. Tijdens die dagen is de verlichtingssterkte hoger dan gedurende de rest van het jaar.

IR-straling en opwarming beperken

Opwarming van de voorwerpen en hun omgeving, bijvoorbeeld in een vitrine, moet men voorkomen. Als vuistregel kun je aanhouden dat er te veel warmte wordt geproduceerd wanneer de eigen hand ter hoogte van het verlichte oppervlak opwarmt in de lichtbundel. Je kunt IR-straling uit de bundel verwijderen en opwarming door opvallend licht met aanpassing van de afstand en de sterkte van de lichtbron verminderen. Een groot deel van de energie die naar de lamp gaat wordt niet omgezet in straling maar direct in warmte. De warmte van lichtbron en armatuur moet men afvoeren door ventilatie of door ervoor te zorgen dat de warmteproductie buiten de vitrine optreedt.

Spectrale energie beperken

Eventueel kun je met speciale lichtbronnen de hoeveelheid energie in het opvallende licht nog verminderen. Men experimenteert met het mengen van drie specifieke golflengtes tot wit licht, zodat de totale energie van het spectrum kan worden verminderd (Cuttle, 2000). Tot nu toe is de kleurweergave van dit soort systemen nog niet goed genoeg om ze commercieel beschikbaar te maken. LED-lampen zijn met verschillende kleurtemperatuur verkrijgbaar. Als vuistregel geldt dat warm witte LEDs even schadelijk zijn als halogeen. ‘Cool white’ bevat meer blauwe straling en kan schadelijker zijn.

Gevoeligheid van het object

Maat voor lichtechtheid

De beste maat voor lichtechtheid en de snelheid van verkleuring is de ISO-classificatie, beter bekend als de ‘blauwe wol standaard’ (BWS) (ISO, 1995). De ‘blauwe wol standaard’ bestaat uit een kaart met acht stukjes wol die ieder met een andere blauwe kleurstof zijn geverfd. ISO 1 is het meest gevoelig voor licht, ISO 2 heeft de dubbele belichtingsdosis nodig om te verkleuren. ISO 3 heeft weer twee keer zoveel belichting nodig als ISO 2, enzovoort tot ISO 8 die het minst gevoelig is voor licht.

De lichtgevoeligheid van een materiaal kun je bepalen door het onder standaardcondities bloot te stellen aan een standaardbelichting en de verkleuring te vergelijken met een tegelijkertijd blootgestelde set blauwe wol standaarden. Scherm daartoe de helft van het materiaal af tegen licht zodat je verkleuring eenvoudig kunt vaststellen door de twee helften van ieder stukje met elkaar te vergelijken. De gevoeligheid van een materiaal wordt gedefinieerd als de ISO-waarde van de blauwe wol standaard die bij dezelfde belichtingsdosis eenzelfde kleurverandering toont.

Maat voor schade

Voor het gemak drukt men al de relaties tussen belichtingsdosis en optredende schade, dus de gevoeligheid van materialen, uit in vergelijkbare ISO waarden. Hiervoor kiest men omdat vergeling en ontkleuring eenvoudig waarneembaar zijn en tot ieders verbeelding spreken. Bovendien is verkleuring in de meeste gevallen de eerste indicatie van schade. Krantenpapier, een van de meest lichtgevoelige dragers, vertoont eerst een vergeling voordat de vezels waarneembaar aan sterkte inboeten. Verkleuring kun je goed meten met een kleurmeter of spectrofotometer.

Lichtgevoeligheid bepalen
Voor het bepalen van de lichtgevoeligheid van dragermaterialen zoals papier en textiel, gaat men uit van het ongekleurde materiaal waaraan de eerste tekenen van afbraak als een kleurverandering te zien zijn. Materialen die niet verkleuren maar wel hun sterkte verliezen, worden ingedeeld in de ISO-klasse met de belichtingsdosis waarbij dat verlies opvalt.

In een donkergeverfde zijde is de zijde zelf mogelijk gevoeliger dan de kleurstof. Vergeling is onder de donkere kleur niet waarneembaar en schade valt pas op wanneer de zijde daadwerkelijk sterkte verliest. Dit materiaal valt in ISO 1.

Juist waarneembare verandering

Voor de mate van verkleuring wordt de eenheid ‘juist waarneembare verandering’, jwv, geïntroduceerd. Dit komt overeen met de ‘just noticeable fade’ van de Commission Internationale de l’Eclairage( CIE, 2004) en de ‘perceptible change’ van Ashley-Smith et al. (2002). Eén ‘juist waarneembare verandering’ is het kleurverschil dat je nog net met het oog kan zien. Het komt overeen met een meetbaar kleurverschil van ΔE=1,5 volgens CIELAB. Denkend in termen van ‘juist waarneembare verandering’ kun je als vuistregel hanteren dat een verzadigde kleur na circa 30 jwv volledig is ontkleurd (‘total loss’). Een voorwerp dat zijn karakter geheel aan zijn kleur ontleent, heeft na circa 10 jwv zijn tentoonstellingswaarde eigenlijk verloren. Het is ook mogelijk dat een textiel weefsel dan zoveel aan sterkte heeft verloren, dat het niet meer kan hangen maar moet worden ondersteund.

CIELAB en ΔE
De L*a*b* kleurenruimte, ook bekend als CIELAB, is een in 1976 door de CIE gedefinieerde manier om kleur uit te drukken als een punt ergens in een bolvormige ruimte. De L* is de lichtheid die van wit naar zwart loopt. De a* geeft de groen-rood waarde en de b* geeft de blauw-geel waarde. Iedere kleur heeft zijn eigen L*a*b*-coördinaten. Het verschil tussen twee kleuren, ΔE, wordt uitgedrukt als de afstand tussen de twee coördinaten in de bol.

Juist waarneembare verandering en ‘total loss’
Bij lichtgekleurde voorwerpen of lichte partijen waarin relatief weinig kleurstof of pigment aanwezig is, gaat de benadering van de 30 jwv tot ‘total loss’ niet op. Bij een pasteltint, een transparante kleur of een glacis in een schilderij kan een absolute kleurverandering van ΔE=1,5 al in één stap tot totaal kleurverlies leiden. Het aantal stappen kleurverlies dat tot ‘total loss’ leidt, moet men dus altijd per geval bekijken. Zo is in een kleurenfoto ook de plaats waar het kleurverlies optreedt bepalend voor de acceptatie. In een portret zijn de lichte tonen de zwakste plek; die bepalen juist veelal het karakter van de geportretteerde. Daar kunnen een paar stappen verandering de gezichtsuitdrukking al volledig vervagen en tot ‘total loss’ leiden.

De belichtingsdosis die nodig is om in ieder van de acht ISO blauwe wol standaarden een kleurverschil van ΔE=1,5 (1 jwv) te veroorzaken, is bepaald en gepubliceerd (CIE, 2004). De CIE-publicatie geeft belichtingsdoses voor twee soorten verlichting:

  • UV-arm licht

Een spectrum waar straling met een golflengte van minder dan 400 nm uit is gefilterd. Voor gloeilamplicht mag je de UV-arme waarden gebruiken.

  • UV-rijk licht

Een spectrum waarin UV-straling aanwezig is; dit is meestal het spectrum van de Xenotest, ook bekend als ‘daglicht achter glas’.

In tabel 3 is de belichtingsdosis voor een verkleuring van 1 jwv van de verschillende ISO-standaarden vermeld in de gele kolommen. Voor alle twijfelgevallen wordt aangeraden om met de getallen voor UV-rijk licht te werken. In de tabel is tevens een kolom opgenomen met de hoeveelheid stralingsenergie die nodig is voor 1 jwv. Sommige lichtmeters hebben tegenwoordig de mogelijkheid om naast lux ook deze waarde (W.m-2) te bepalen.

Gevoeligheidsklassen

Materialen kun je op basis van hun lichtgevoeligheid en ISO-waarde in drie klassen indelen:

  • Hoog gevoelig (ISO 1-3)
  • Gevoelig (ISO 4-6)
  • Laag gevoelig (ISO 7-8)

Hier komen nog twee klassen bij:

  • Als nieuw (<ISO 1)

Dit zijn materialen en voorwerpen die nog in hun oorspronkelijke toestand verkeren en daar hun waarde aan ontlenen. Voorbeelden zijn referentiecollecties. Omdat het verband tussen belichtingsdosis en verkleuring niet lineair is en er in veel gevallen voor de eerste stappen ontkleuring een lagere belichtingsdosis nodig is dan voor latere stappen, leidt belichting van dit soort ‘maagdelijke’ voorwerpen tot relatief grote schade.

  • Niet gevoelig (> ISO 8)

Dit zijn materialen en voorwerpen die geen schade ondervinden, zoals steen, metaal, onbewerkt glas, onbewerkt aardewerk en keramiek. Let wel, bewerkt glas en keramiek kunnen lichtgevoelige componenten bevatten. Een voorbeeld is mangaan ontkleurd glas dat op de lange duur paars wordt.

In tabel 3 zijn de klassen in de eerste kolom opgenomen.

Tabel 2 geeft een overzicht van de lichtgevoeligheid van verschillende materialen. De meeste waarden komen uit tests waarin is belicht met UV-rijk licht. In Verlichting in musea en expositieruimten (ICN/NSVV, 2008) is een uitgebreidere lijst te vinden.

Uitgangspunt voor de maximaal toelaatbare belichtingsdosis voor een gevoeligheidsklasse is de laagste ISO-waarde binnen de klasse. Met meer informatie over de gevoeligheid kan men de werkelijke ISO-waarde nemen. Leer valt bijvoorbeeld in de klasse ‘gevoelig’. Wanneer er niets bekend is over het leer, kun je veiligheidshalve het best uitgaan van ISO 4. Als echter vaststaat dat het chroom gelooid leer is en dat er geen kwetsbaarder leer in de omgeving is, kun je het iets minder streng als ISO 6 belichten.

Acceptatie van schade door de collectiebeherende instelling

Als tentoonstellen per definitie het accepteren van verandering is, dan is de cruciale vraag hoeveel verandering acceptabel is en over welke periode die mag optreden. Dit is de verantwoordelijkheid van de collectiebeherende instelling die daarover een standpunt zal moeten innemen. Aan de basis van ieder belichtingsregime ligt daarom de vraag: ‘In hoeveel tijd mag er 1 jwv optreden?’. Met andere woorden: ‘Hoelang moet het voorwerp meegaan?’.

Hierbij geven de volgende periodes enig houvast:

  • 1 jwv in 10 jaar betekent dat een voorwerp dat zijn waarde aan zijn kleur ontleent, na ongeveer 100 jaar blootstelling zijn tentoonstellingswaarde verliest (bijvoorbeeld verbleking van bepalende kleurpartijen) en dat het in circa 300 jaar blootstelling al zijn kleur heeft verloren. Een materiaal dat zijn sterkte verliest zal na 100 jaar niet zonder ondersteuning kunnen worden getoond en na circa 300 jaar bros zijn en verkruimelen. Een mens ziet gedurende zijn leven ongeveer 5 veranderingen optreden, bijvoorbeeld een opvallend kleurverlies of een opvallende achteruitgang in sterkte.
  • 1 jwv in 50 jaar betekent dat een voorwerp in ongeveer 500 jaar blootstelling zijn tentoonstellingswaarde heeft verloren en dat het in circa 1500 jaar blootstelling zijn waarde totaal heeft verloren. Een mens ziet gedurende zijn leven 1 verandering optreden. Onze kleinkinderen gaat de schade pas opvallen als ze een vergelijking maken met documentatie uit onze tijd.

Acceptatie van schade
Schade is een onacceptabel verlies van waarde. Behoud is in feite het voorkomen of beperken van waardeverlies. Een object zal altijd verschillende waarden hebben die in de loop van de tijd kunnen veranderen, bijvoorbeeld cultureel, artistiek, historisch, informatief, documentair, authentiek, referentie, functioneel, presentatie, educatief, emotioneel en politiek. Iedere instelling zal zich voor zijn collectiebeleid en zijn behoudsplan moeten bezinnen op de vraag wat een bepaalde verandering betekent voor de waarde van een object; zowel de waarde voor ons nu, als die voor volgende generaties in de toekomst.

De roze bloesems van een bloeiend perenboompje van eind 19de eeuw zijn 100 jaar later wit omdat de eosine in de toplaag van de verf is afgebroken. Het schilderij is niet meer zoals het origineel was, maar heeft voor het museum toch nog een hoge (tentoonstellings)waarde. Een brief waarvan de rode inkt is ontkleurd, is niet meer leesbaar en heeft zijn belangrijkste waarden verloren. Dezelfde materiële verandering heeft voor het ene object dus andere consequenties dan voor het andere object. Het nadenken over veranderingen, hun consequenties en de acceptatie ervan is niet alleen van cruciaal belang in de besluitvorming bij museumverlichting, maar vormt de basis voor beheer en behoud, of het ruimere kader van ‘collectie risico management’.

Belichtingsregime

Wanneer de gevoeligheid van het materiaal bekend is en een besluit is genomen over welke periode 1 jwv mag optreden, kun je aan de hand van de toelaatbare belichtingsdosis het belichtingsregime opstellen. In tabel 3 staan in de rechter helft een aantal voorbeelden van belichtingsregimes uitgewerkt.

Klasse 0: ‘Als nieuw’
Voor de klasse voorwerpen waarvan de toestand nog zo goed als nieuw is en die daaraan zijn waarde ontleent, moet je belichting tot een absoluut minimum beperken. Belichting kan slechts bij uitzondering plaatsvinden en dan slechts voor zeer korte duur bij een zo laag mogelijke verlichtingssterkte en met totale uitbanning van UV-straling.

Klasse 1: Hoog gevoelig
Voor de klasse voorwerpen die een lichtgevoeligheid hebben vergelijkbaar met ISO 1-3 moet je de verlichtingssterkte zo laag mogelijk houden, 50 lux UV-arme belichting. Bij schadeacceptatie van 1 jwv in 10 jaar kun je een voorwerp onder deze omstandigheden 20% van de tijd tentoonstellen. Bij een hogere verlichtingssterkte of bij een schadeacceptatie van 1 jwv in 50 jaar wordt de belichtingsduur evenredig korter.

Klasse 2: Gevoelig
Voorwerpen die een lichtgevoeligheid hebben vergelijkbaar met ISO 4-6 kun je met een iets hogere verlichtingssterkte belichten, tot 150 lux UV-arme belichting. Bij schadeacceptatie van 1 jwv in 10 jaar kun je een voorwerp onder die omstandigheden permanent tentoonstellen. Bij een schadeacceptatie van 1 jwv in 50 jaar moet je voor permanente tentoonstelling de verlichtingssterkte terugbrengen naar 50 lux UV-arme belichting. Wanneer je voor een hogere verlichtingssterkte kiest moet je de belichtingsduur terugbrengen. Een sterkere verlichting mag niet tot schade aan gevoeligere voorwerpen in de directe omgeving leiden.

Klasse 3: Laag gevoelig
Voorwerpen die een lichtgevoeligheid hebben vergelijkbaar met ISO 7-8 kun je met een vrij hoge verlichtingssterkte belichten, maar omwille van een evenwichtige verlichting in een ruimte wordt een maximum van 200 lux UV-arme belichting aanbevolen. Bij schadeacceptatie van 1 jwv in 50 jaar kun je een voorwerp onder die omstandigheden nog permanent tentoonstellen. Een sterkere verlichting mag niet tot schade aan gevoeligere voorwerpen in de directe omgeving leiden.

Klasse 4: Niet gevoelig
Voorwerpen die ongevoelig zijn voor licht kun je in principe zonder beperkingen tentoonstellen. Hierbij is het alleen van belang dat hun belichting die van gevoeligere voorwerpen niet stoort en dat de evenwichtigheid van de verlichting door het gebouw heen niet in het geding komt.

Permanente tentoonstelling
Onder permanente tentoonstelling wordt hier verstaan 8 uur belichting per dag, 3000 uur per jaar. Wanneer je rekening houdt met verlichting buiten openingstijden, zoals noodverlichting, beveiligingsverlichting en schoonmaakverlichting of verlichting tijdens recepties en andere evenementen, is het realistischer om 4000 uur per jaar belichting aan te houden. Voor een daglichtmuseum hanteert men een belichtingsduur van 5000 uur per jaar.

Procedure voor museumverlichting

Planning

1. Lichtgevoeligheid Bepaal de lichtgevoeligheidsklasse van het tentoon te stellen voorwerp op basis van het meest gevoelige materiaal dat erin is verwerkt. Als de materialen niet bekend zijn, ga dan uit van de voorwerpvoorbeelden en maak een conservatieve inschatting (tabel 2).

2. Schadeacceptatie Besluit over welke periode 1 jwv mag optreden.

3. UV-reductie Reduceer het UV-gehalte in het licht (golflengte < 400 nm); als mogelijk <10 μW.lm-1, in ieder geval <75 μW.lm-1. Houd daarbij vooral ook rekening met binnenvallend daglicht, dat vaak de grootste bron is voor UV-straling.

4. Belichtingsdosis Bepaal de belichtingsdosis die bij het haalbare UV-gehalte tot 1 jwv zal leiden (tabel 3).

5. Effectieve belichting Bepaal de minimale verlichtingssterkte die het voorwerp nodig heeft om het optimaal te kunnen zien.

6. Belichtingsregime Werk een aantal mogelijke belichtingsregimes uit (belichtingsduur bij verschillende verlichtingssterktes) en overleg over de consequenties voor het tentoonstellingsontwerp.

7. Afstemmen effectieve belichting en belichtingsdosis Stem in overleg de effectieve belichting af op de acceptabele belichting (aanpassing belichtingsduur, type verlichting, opstelling). Houd rekening met binnenvallend daglicht en temper dat zonodig om een goede achtergrondsituatie voor uitlichten te bereiken.

8. Opwarming Controleer of het voorwerp of de vitrine waarin het voorwerp zich bevindt, niet opwarmt als gevolg van opvallende straling of warmteproductie door armaturen. Warmte mag met de hand in de bundel niet voelbaar zijn.

Tentoonstelling

9. Monitoring Controleer regelmatig verlichtingssterkte, UV-gehalte, belichtingsduur en opwarming bij het voorwerp (handmeters, lichtloggers, dosimeters). Controleer of maatregelen om belichting te beperken, voldoen.

10. Lichtlog Houd voor ieder voorwerp de belichting bij in een logboek of in het collectieregistratiesysteem.


Contrast
Bij het uitlichten van een object is het contrast met zijn omgeving heel belangrijk; zowel contrast in kleur als in helderheid. Als vuistregel kun je hanteren dat bij een voorwerp dat met 50 lux moet worden uitgelicht, het omgevingslicht niet meer dan 40 lux mag bedragen. Bij een voorwerp dat met 150 lux wordt uitgelicht, mag het omgevingslicht niet meer dan 125 lux bedragen. Een achtergrond die minder reflecteert dan het object zelf draagt bij aan de vergroting van het contrast; een licht object heeft met een donkere achtergrond veel minder extra licht nodig om ertegen af te steken dan met een lichte achtergrond.

Rekenvoorbeelden belichtingsregime

Prent, ingekleurd met waterverf, op lompenpapier, al vaker getoond, er zijn meerdere exemplaren

1. Gevoeligheid Meest gevoelig zijn de natuurlijke kleurstoffen: klasse 1 - Hoog gevoelig (ISO 1), des te meer omdat ze verdund zijn aangebracht. De instelling schat in dat de prent in 10 jwv zijn kleur totaal heeft verloren. De drukinkt en het papier hebben een lagere gevoeligheid. De prent is al vaker getoond en is niet meer als nieuw.

2. Schadeacceptatie Stel: de instelling maakt de keuze om deze prent te tonen om de zichtbaarheid van haar collectie te vergroten, en aanvaardt het kleurverlies in deze prent omdat er meerdere exemplaren van zijn die niet zullen worden getoond. De instelling accepteert totaal kleurverlies in 100 jaar, dus 1 jwv in 10 jaar. De prent heeft na die periode niet al zijn waarde verloren; de zwart-wit afbeelding is nog goed.

3. UV-reductie Stel: voor de instelling is reductie tot 75 μW.lm-1 goed mogelijk.

4. Belichtingsdosis Tabel 3 - Klasse 1 - UV-rijk licht: 1 jwv na 0,22 Mlx.h of 220 klx.h

5. Effectieve belichting Zwarte contourlijnen zijn goed zichtbaar, jonge ogen kunnen zachte kleuren bij 50 lux zien; bezoekers ouder dan 50 jaar zullen meer licht nodig hebben. Uitgangspunt 50 lux.

6. Belichtingsregime Tabel 3 - Klasse 1 - UV-rijk licht: 1 jwv treedt op na 4400 uur bij 50 lux. Tentoonstelling is mogelijk 55 dagen per jaar bij 50 lux; de prent kan 1,5 jaar worden tentoongesteld bij 50 lux, maar moet dan 8,5 jaar in het donker, of de prent kan ruim 1 uur per dag bij 50 lux worden getoond. Bij verhoging van de verlichtingssterkte tot 100 lux moeten de tijden tot de helft worden teruggebracht. Verdere reductie van het UV-gehalte levert 20 extra dagen belichting bij 50 lux per jaar op.

Schilderij 17de eeuw, olieverf op paneel, gevernist

1. Lichtgevoeligheid Bij gebrek aan informatie over specifiek materiaalgebruik geldt in het algemeen voor schilderijen op doek of paneel klasse 2 - Gevoelig, met de toevoeging dat in dit geval ISO 5 aangehouden mag worden omdat het schilderij van een goede vernislaag is voorzien.

2. Schadeacceptatie Stel: de instelling wil het schilderij minstens 500 jaar in goede staat behouden, maar wil het wel zoveel mogelijk tentoonstellen, dus accepteert ze enige verandering gedurende die tijd: 1 jwv in 100 jaar.

3. UV-reductie Stel: de instelling heeft geïnvesteerd in reductie van het UV-gehalte tot 10 μW.lm-1

4. Belichtingsdosis Tabel 3 - Klasse 2 - UV-arm licht: algemeen 1 jwv na 10 Mlx.h, maar voor ISO 5 is dat 30 Mlx.h

5. Effectieve belichting Kleuren en textuur zijn bij 150 lux van 2 meter afstand goed genoeg te zien als het omgevingslicht juist is afgesteld.

6. Belichtingsregime Tabel 3 - Klasse 2 - UV-arm licht: 1 jwv treedt voor ISO 5 bij 150 lux op na 201.000 uur. Bij acceptatie van 1 jwv in 100 jaar is tentoonstelling bij 150 lux UV-arm licht gedurende 67% van de tijd mogelijk, bijvoorbeeld 250 dagen per jaar of 5,5 uur per dag. Er moet wel rekening worden gehouden met het vergelen of degraderen van het vernis, dat gedurende de behoudsperiode van 500 jaar mogelijk moet worden vervangen.

Lichtgevoeligheid van schilderijen
Schilderijen kun je niet over één kam scheren. De meeste 17de eeuwse doeken en panelen zijn over het algemeen met een duurzaam palet geschilderd en vallen in ISO 5-6. Veel 19de eeuwse schilderijen zijn veelal gevoeliger; vooral de partijen waarbij verf met de toen nieuwe synthetische pigmenten is gebruikt vallen in ISO 1-3. Waar het uitgangspunt voor een Rembrandt 150 lux is, is dat voor een lichtgevoeligere Van Gogh 50 lux. Bij moderne schilderijen hangt de gevoeligheid sterk af van de gekozen materialen en werkwijze; door de sterk individuele benadering van de kunstenaar is daar niets algemeens over te zeggen.

Flitslicht en kopiëren

Normale flitsapparaten geven op een afstand van 1 m een belichting die vergelijkbaar is met 20 sec tot 12 min gloeilamp belichting met 50 lux. In een trouwzaal waar per week circa 700 foto’s worden genomen op 5 m afstand van voorwerpen, levert dat per week gemiddeld 1 uur gloeilampbelichting met 50 lux extra op (Neevel, 1995). De meeste flitsapparaten hebben tegenwoordig een UV-filter; dat is wel een vereiste voor gebruik in musea. Digitale camera’s kunnen bij weinig licht zonder flits nog goede foto’s nemen; dat is het beste. Datzelfde geldt voor video-opnames. In het geval van filmopnames kun je in het contract opnemen dat de verlichtingssterkte niet boven een bepaalde waarde mag komen. De filmploeg kan dan (digitale) camera’s met een hoge lichtgevoeligheid meenemen.

Kopieerapparaten en scanners geven per kopie een UV-belasting die gemiddeld vergelijkbaar is met 3 min gloeilampbelichting bij 50 lux per kopie (Neevel, 1995).

Lees meer

ICN/NSVV (2008) ‘Verlichting in musea en expositieruimten’; Praktijkdocument NSVV werkgroep Museumverlichting; Instituut Collectie Nederland, Amsterdam – Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde, Ede, 147 pp. https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2008/01/01/verlichting-in-musea-en-expositieruimten (geraadpleegd 15 juli 2021)

Michalski, S. (2018) ‘Agent of Deterioration: Light, Ultraviolet and Infrared’; Canadian Conservation Institute, Ottawa. https://www.canada.ca/en/conservation-institute/services/agents-deterioration/light.html (geraadpleegd 15 juli 2021)

Saunders, D. (2020) ‘Museum Lighting’; Getty Conservation Institute, Los Angeles, 328 pp.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen


    Hoort bij deze thema's


    Specialist(en)


    Contact

    Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 21 dec 2021 om 15:55.