Marius Duintjer (1908-1983)
Introductie
Marius Duintjer (Veendam 1908 - Amsterdam 1983) heeft nooit deel uitgemaakt van een specifieke architectuurbeweging. Toch wordt hij doorgaans gerekend tot de jongere generatie architecten van het vooroorlogse Nieuwe Bouwen, de Nederlandse exponent van de internationale Moderne Beweging in de architectuur. Na de oorlog brak Duintjer door als toonaangevend architect, maar na 1965 kreeg hij, met name vanuit de linkse hoek, felle kritiek vanwege de kolossale bankgebouwen die naar zijn ontwerp in de Amsterdamse binnenstad werden gebouwd.


Amsterdam
Duintjer studeerde van 1927 tot 1931 bouwkunde aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Na het vervullen van zijn dienstplicht werkte hij twee jaar bij Le Corbusier in Parijs, waar hij ervaring opdeed met gewapend beton. In 1935 vestigde hij zich als zelfstandig architect in Amsterdam. Samen met Auke Komter nam Duintjer in 1936 deel aan een door de gemeente Amsterdam uitgeschreven prijsvraag voor een nieuw raadhuis op het Frederiksplein, waar in 1929 het Paleis voor Volksvlijt was afgebrand. In de geest van het Nieuwe Bouwen ontwierpen zij een strak, sober L-vormig betonnen gebouw. Het ontwerp bereikte de laatste fase van de competitie, maar leidde tot ophef. De jury was bij de tweede ronde kritisch over de veranderde verhoudingen tussen de vleugels en de gesloten, strenge burgerzaal. Le Corbusier noemde het ontwerp zelfs "droog en zonder levensvreugde". Ondanks deze kritiek werden Duintjer en Komter uitgenodigd voor de derde ronde, maar hun ontwerp werd uiteindelijk niet geselecteerd. Het plan van Berghoef en Vegter won, maar ook dit werd nooit uitgevoerd, wat de controverse rondom het ontwerp vergrootte. Na de oorlog werd besloten het nieuwe raadhuis op het Waterlooplein te bouwen, gecombineerd met een opera. Dit complex, de Stopera, werd in 1986 opgeleverd naar ontwerp van Wilhelm Holzbauer en Cees Dam.
Van WOII tot het nieuwe Schiphol
Duintjers carrière werd onderbroken toen hij in de Tweede Wereldoorlog als reserveofficier werd opgeroepen. Tijdens de oorlog belandde hij in concentratiekampen in Amersfoort, Haaren en Grune (Polen). Dankzij de bemiddeling van een jeugdvriend werd hij in 1944 bevrijd en kon hij zijn architectenpraktijk hervatten. Terwijl de wederopbouw werd gedomineerd door de traditionalistische Delftse School, kreeg Duintjer als aanhanger van de 'modernen' toch een aantal opdrachten waaronder woningbouw en een aantal kerken. In 1952 ging hij een associatie aan met Dig Ishta en specialiseerde het bureau zich in het ontwerpen van ziekenhuizen. Voor de realisatie van Het nieuwe Schiphol in 1961 werd Duintjer de hoofdarchitect en supervisor van de hiervoor opgerichte architectencombinatie Bouwburo Stationsgebouw Schiphol (BBS). In 1967 werd het complex in gebruik genomen.
De Nederlandsche Bank
In 1960 won Duintjer de prijsvraag voor De Nederlandsche Bank in Amsterdam. De bank aan de Turfmarkt was uit zijn jasje gegroeid en als locatie voor de nieuwbouw koos men het nog altijd vacante Frederiksplein; een plek waarmee Duintjer vertrouwd was. Zijn nieuwe onderkomen voor de centrale bank van Nederland werd in 1968 opgeleverd. Tot op de dag van vandaag zijn het gebouw en zijn situering onder Amsterdammers een heikel onderwerp en zijn er zelfs ideeën voor de herbouw van het Paleis voor Volksvlijt. Nu het gebouw recent is gerenoveerd door architectenbureau Mecanoo, zal moeten blijken of dit leidt tot een hernieuwde waardering.
Inspiratie en samenwerking
Duintjer was geïnspireerd door Le Corbusier en Frank Lloyd Wright, maar ook door de traditionele Japanse architectuur. Hij combineerde techniek en esthetica, een bouwstijl die na de oorlog bekend stond als 'shake hands architectuur', een mengvorm van traditionele en moderne bouwmethoden. Daglicht speelde in zijn werk een cruciale rol, wat zich vertaalde in open plattegronden, verdiepingshoge glazen gevels, geperforeerde gevels patronen van gelijkmatig verdeelde ramen. Architectengroep Duintjer heeft door de jaren in verschillende formaties gefunctioneerd, met architecten als Jan Kramer, Maurice Da Silva Solis, Teun van Willegen, Piet Visser, Joost Koldeweij en Hans Liscaljet.
Objecten
- Kruiskerk, Amstelveen (1951).
- Opstandingskerk/Kolenkitkerk, Amsterdam (1955-1956).
- Thomaskerk, Zeist (1961).
- Christelijk Lyceum Buitenveldert, Amsterdam (1963).
- Het nieuwe Schiphol, stationsgebouw (1967).
- De Nederlandsche Bank, Amsterdam (1968).
- Provinciehuis Overijssel (1972).
- Voormalige Algemene Bank Nederland, Vijzelstraat, Amsterdam (1973).
- SZR Vrijthof, Tiel (1975).
- Provinciehuis & Park/Provinciehuis Drenthe (1973, uitbreiding 1983).
Bronnenlijst
- Bijleveld, Marylse van, Claassen, Tonny, Curré, Cindy, M.F. Duintjer 1908-1983: Strak, helder, open - architectuur als drager van een nieuwe samenleving (Rotterdam, 2007).
- Pennink, P.K.A., Marius Duintjer Architect (Rotterdam, 1986).
Dit artikel is geschreven door Eva Villanueva.
Zie ook
Artikelen- Post 65 (1965-1990) - De jongste rijksmonumenten van Nederland
- Post 65 - Tuinen bij woonhuizen en gebouwen in de periode 1965-1990
architecten, Modernisme, vliegvelden, kerken, bankgebouwen en provinciehuizen
PersonenSpecialist(en)Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 12 nov 2025 om 04:24.