's-Gravenhage - Scheveningseweg 21 - Joodse begraafplaats Den Haag


(18067) monumentenregister Monumentnummer: 18067



Introductie

Joodse, door muur omringde, begraafplaats, met beheerderswoning en metaarhuisje.
Veld met grijze platte stenen met links een wit huisje en daarnaast een groep mensen. Op de achtergrond groen.
Zicht over het Portugees-Joodse gedeelte richting het metaheerhuisje.
Op de voorgrond een groot grafmonument met rondom platte stenen, op de achtergrond een muur en daarachter groen en gebouwen.
Grafmonument voor de schilder Salomon Verveer (1813-1876). Een in het geheel nogal afwijkend monument.



Historie

In januari 1694 werd aan Alexander Polak, ouderling van de Hoogduitse Natie in Den Haag een stuk grond van 84 m2 toegewezen nabij het Scheveningse Tolhuijs om in te richten als begraafplaats. Het perceel kwam niet in eigendom, maar werd onder erfpacht uitgegeven. Al in het eerste jaar werd er zonder toestemming van het Joodse bestuur begraven. Het oudste grafboek dateert echter van 1697, waarin als eerste begrafenis die van Alexander Polak werd genoteerd. Al in 1695 was de begraafplaats vergroot wegens het grote aantal begrafenissen dat plaats vond van zowel Hoogduitse als Portugese Joden.

In 1700 ontstond na de bouw van een huisje een conflict tussen de Hoogduitse en Portugese natie, dat pas in 1710 werd geslecht. De beide gemeenten kwamen overeen dat de begraafplaats in twee gelijke delen werd gesplitst, waarbij beide partijen de houten afscheiding tussen de delen zouden bekostigen. Tot die tijd werden Hoogduitse en Portugese Joden zonder onderscheid door elkaar begraven. Het huisje stond op het Portugese deel, maar de Hoogduitse Joden mochten er te allen tijde gratis gebruik van maken. De Portugese gemeente sloot een overeenkomst met de tollenaar die voor 20 gulden per jaar toezicht hield op de Portugese begraafplaats en Portugese begrafenissen vrije doorgang door het tolhek verleende.

In 1728 werd de begraafplaats aan de noordoostzijde met 100 roeden uitgebreid, waarbij elke gemeente ieder de helft van de uitbreiding ter beschikking kreeg. Het geheel werd met een (houten) omheining vervat.

In 1756 breidde de Hoogduitse gemeente haar begraafplaats uit en in 1768 de Portugese gemeente. De laatste uitbreiding was deels ook bedoeld voor de aanleg van een tuintje bij de nieuwe beheerderswoning van de Portugese begraafplaats. Hierna kwamen de beide gemeenten weer in conflict met elkaar, nu over toekomstige uitbreidingen. De Portugese begraafplaats mocht slechts worden uitgebreid naar de kant van het tolhek en naar het water. De Hoogduitse gemeente mocht slechts uitbreiden in de richting van Scheveningen. De Hoogduitse gemeente kreeg bovendien voor zeven jaar een vrije doorgang over de Portugese begraafplaats en vrij gebruik van het metaheerhuisje. Beide gemeenten breiden in de volgende jaren hun begraafplaats verder uit. De Hoogduitse gemeente deed dat in 1776 ook om een eigen metaheerhuis te bouwen, aangezien de overeenkomst met de Portugese gemeente toen was afgelopen. De Portugese gemeente kocht dat jaar de erfpacht op hun perceel af en daarmee was hun begraafplaats nu eindelijk in eigendom. De Hoogduitse gemeente was pas in 1849 in staat de erfpacht af te kopen. In de navolgende jaren groeide met name de Hoogduitse gemeente, die zich genoodzaakt zag hun begraafplaats steeds verder uit te breiden. Daartoe stond de Portugese gemeente in 1828 voor 100 gulden een stuk terrein af. In 1905 werd door de Hoogduitse gemeente voor het laatst een uitbreiding gerealiseerd en bereikte de begraafplaats als geheel haar huidige omvang van bijna 2,3 hectare

De Portugese begraafplaats heeft geen aparte indeling, op zogenaamde kinderregels na. Op de Hoogduitse begraafplaats is er altijd begraven naar onderscheid van functie en klasse. Daar werden vier verschillende regels gehanteerd, voor lidmaten, bestuurders, gasten (niet woonachtig in Den Haag) en kinderen.

Het huidige metaheerhuisje stamt uit 1737, toen een naastgelegen huisje volledig afbrandde. In het midden van de negentiende eeuw is er bij de begraafplaats, langs de Scheveningseweg sprake van een stenen woonhuis met de benedenruimte voor de wassing en de bovenruimte voor de bewaarder van de begraafplaats. Aan de binnenzijde van de muur aan de Scheveningseweg ter hoogte van de locatie waar het huisje heeft gestaan, bevindt zich een gedenksteen in de muur met het jaartal 1776, hetgeen mogelijk het jaartal van de bouw van het huisje aangeeft. In de twintiger jaren van de vorige eeuw raakte het pand steeds meer in verval, waarna het in 1930 werd gesloopt. De vrijgekomen grond werd gereed gemaakt voor de uitgifte van 20 graven. In de muur kwam een toegangspoort, die in 1988 weer werd gesloten.

De beheerderswoning bij de huidige entree werd in 1768 gebouwd door de Portugese gemeente. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de begraafplaats geen officiële beheerder meer gekend. De woning wordt wel nog steeds bewoond.

In de oorlog werden door de bezetter loopgraven aangelegd op de begraafplaats als onderdeel van de Atlantikwall. Daarbij werden verschillende zerken opgericht en van hun plaats gehaald. Het is echter niet bekend om welke grafmonumenten het gaat.

In de loop der jaren is de begraafplaats omheind geweest met palen en houten schuttingen. Vanaf de negentiende eeuw zijn langzamerhand steeds meer delen van de omheining vervangen door bakstenen muren. Eerst enkel op het Hoogduitse deel, later ook rond de Portugese begraafplaats.

Rijksmonument

In 1967 werd de begraafplaats aangewezen als rijksmonument als zijnde van algemeen belang uit een oogpunt van oudheidkundige en kunsthistorische waarde. De muur, beheerderswoning en metaheerhuisje zijn expliciet genoemd maar de verzameling staande en liggende grafmonumenten is als collectief eveneens beschermd.

Huidige situatie

De Portugese begraafplaats is nog steeds in gebruik en wel op het deel dat in 1769 en deels in 1774 werd aangekocht en waar vanaf 1867 wordt begraven. In 1906 namen de Hoogduitse Joden een begraafplaats in Wassenaar in gebruik en werd er in Den Haag nog slechts sporadisch begraven.

In 1982 is de Stichting tot Instandhouding van de Joodse Begraafplaats te ’s-Gravenhage opgericht. In 1987/1988 werd de begraafplaats grondig gerestaureerd, waarbij de 550 meter lange keermuur werd hersteld en de beheerderswoning, het metaarhuisje en het entreehek gerestaureerd. Ook werd een inventarisatie gemaakt van de te herstellen grafmonumenten.

In 2006 heeft nieuw onderhoud plaatsgevonden aan de gemetselde keermuur en is het casco van de beheerderswoning hersteld. Tijdens het gedeeltelijk voegwerk aan de plaatselijk zeer scheve muur viel zelfs een gedeelte van de muur om. In 2011 is over een gedeelte van de muur een aantal stalen steunberen geplaatst om verdere scheefstand te voorkomen.

Brokstukken van zerken die bij de restauratie van de muur in 2006 tevoorschijn kwamen zijn neergelegd in een klein monument op de begraafplaats, ontworpen door leerlingen van het Haagse Wateringse Veld College en uitgevoerd door leerlingen van de Haagse Escamp VMBO, in 2009.


Deze pagina is tot stand gekomen in samenwerking met stichting Dodenakkers.




Bronnen en verwijzingen

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema'sBeschermd stads- en dorpsgezicht Begrippen

begraafplaatsen, zerken en metaheirhuizen

Specialist(en)

Meer informatie Meer over het monumentenregister en het rechtsgevolg van de aanwijzing tot rijksmonument is te vinden op cultureelerfgoed.nl/monumenten.

Meer over de omvang en reikwijdte van de bescherming van specifiek dit monument is te vinden in Monumenten - Rijksmonumentenregister en de leeswijzer.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.


Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 19 sep 2025 om 03:08.