Nijmegen - Berg en Dalseweg 81 - Canisius College

< Rijksmonumenten

(46805) monumentenregisterMonumentnummer: 46805

Introductie

Het Canisiuscollege is een gebouwencomplex ten behoeve van het eerste Nederlandse Rooms Katholieke Gymnasium. Gebouwd in 1898-1900 naar ontwerp van architect N. Molenaar in opdracht van de paters Jezuïeten.

Zwart-witfoto van het gebouw gezien vanaf de straat. Voor het college staan meerdere auto's geparkeerd.
Afb. 1 Voor- en linkerzijgevel van het college. Foto door A. J. van der Wal, 1978. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.0

Kenmerken

  • Datering: 1898-1900
  • Bouwstijl: Neorennaissance
  • Architect: N. Molenaar
  • Rijksmonument sinds: 1989
  • Bijbescherming externaatgebouw: 2023

Bijbescherming externaatgebouw

In 2023 is het aangebouwde externaatgebouw bij de bescherming als rijksmonument opgenomen. Dit vanwege het ontwerp van Charles Estourgie, het nog originele casco, de opzet en detaillering van de gevels en rijke entree met detailleringen in het beeldhouwwerk, smeedwerk en glas-in-lood, de zeldzaamheid van de functie als externengebouw binnen het grotere geheel van een katholiek jongensinternaat.

Kennisgegevens

Het "Canisiuscollege", genoemd naar de in 1521 te Nijmegen geboren en in 1925 heilig verklaarde Jezuïet Petrus Canisius is in 1898-1900 gebouwd in neorenaissance stijl naar ontwerp van architect N. Molenaar. De opdracht hiervoor werd gegeven door de paters Jezuïeten ten behoeve van het eerste Nederlandse Rooms Katholieke Gymnasium (in- en externaat). Dit gebouw voldeed aan de wettelijke eisen die door het Rijk werden opgesteld voor het bijzonder onderwijs (1900 en 1905) om als zodanig erkend te worden en is daarom te beschouwen als een belangrijk symbool voor de katholieke emancipatie.

Het gebouwencomplex bestond oorspronkelijk uit een parallel aan de Berg- en Dalseweg gelegen noordvleugel, waarop haaks staande drie onderling verbonden zijvleugels, die tezamen twee binnenplaatsen omsloten. Deze drie zijvleugels zijn gesloopt. Evenwijdig aan de voorgevel is aan de westzijde in 1930 een aanbouw met tussenlid gerealiseerd.

De hoofdvleugel uit 1898-1900 is gelegen aan de Berg- en Dalseweg en is opgetrokken in oranjerode baksteen. Het bestaat uit twee, respectievelijk drie bouwlagen. Hierin waren onder andere ondergebracht: de grote hal (midden), spreek-, woon- en slaapkamers voor de professoren (tussenleden), twee trappenhuizen (direct aansluitend op de tussenleden), de studiezaal voor de externen, de grote en de professoren-bibliotheek (links), de ontvangstzaal en de congregatiekapel (rechts). Het gebouw heeft trapsgewijs uitspringende midden- en zijrisalieten, ten dele onder hoge schilddaken met op de nok fraai smeedijzeren hekwerk en kleine dakkapellen.

De gevels hebben hardstenen plinten en waterlijsten, natuurstenen horizontale banden en neg blokken en sluitstenen bij de vensters. De rondgesloten vensters hebben hoofdzakelijk houten, en deels ook natuurstenen ramen en siermetselwerk in gele en rode baksteen en ten dele rondboogtraceringen in de boogvelden. In het middenrisaliet bevindt zich de hoofdingang. Deze is rijk gedecoreerd met dubbele pilasters die zijn gedateerd 1890, een gesneden dubbele paneeldeur, 4-ruits bovenlicht en erboven een balkon met smeedijzeren hek welke rust op gebeeldhouwde dubbele consoles, die neerkomen op de dubbele pilasters.

Bij het rechter zijrisaliet bevinden zich beelden van de vier jezuïeten heiligen (H. Ignatius van Loyola, H. Aloysius Gonzaga, H. Franciscus Borgia en H. Stanislaus Kostka). Deze beelden zijn vervaardigd in 1925 door Egidius Everaerts. Daarboven een groot rondgesloten kerkvenster.

Aan de achtergevel bevindt zich op de begane grond een inpandige, oorspronkelijk open, galerij, aan de rechterzijde overkluisd door gemetselde kruisribgewelven, rustend op gemetselde pilasters (binnenzijden), zandstenen kolommen (midden) en gemetselde pijlers met zandstenen hoekkolommen, alle met hardstenen basement en polygonale bladkapitelen van zandsteen, en aan de linkerzijde met vlakke overdekking, rustend op gemetselde pilasters en kruispijlers met hardstenen basementen.

Het externengebouw met tussenlid is in 1930 ontworpen door architect Charles Estourgie. Hij koos op nadrukkelijk verzoek van de paters voor een uiterlijk dat nauwgezet aansluit bij de architectuur van het hoofdgebouw van Molenaar. Het externengebouw is een blokvormig drielaags, onderkelderd gebouw met een symmetrische voorgevel met een brede drieassige middenrisaliet uitlopend in drie dakkapellen. Het terugliggende tussenlid met het hoofdgebouw heeft een uitgebouwde, rijk uitgewerkte entree, waarin Estourgie eigentijdse detailleringen in het beeldhouwwerk, smeedwerk en glas-in-lood heeft toegepast. Op de begane grond bevond zich een grote recreatiezaal, die 1993 tot kantoorruimtes is opgebouwd. Op de verdieping zitten ter weerszijden van de middengang kamers voor externen. De kapconstructie bestaat uit een combinatie van stalen vakwerk knikspanten en houten spanten.

Van het qua hoofdopzet en detaillering in belangrijke mate nog gave interieur zijn speciaal van belang:

  • De in schoon siermetselwerk van rode en gele baksteen uitgevoerde hal met in het midden een houten lichtkap met glas-in-lood raam, met rondom op de begane grond een door gemetselde kruisribgewelven overkluisde galerij met gemetselde pilasters en roze marmeren kolommen en op de eerste en tweede verdieping vlakgedekte galerijen met gemetselde pilasters en muurstijlen, zandstenen kolommen en smeedijzeren hekken, alle pilasters en kolommen voorzien van (op de begane grond zwart gepolijste) zandstenen basementen en gebeeldhouwde kapitelen, en alle muurstijlen van dito consoles; direct hierop aansluitend en qua vormgeving overeenkomend de door kruisribgewelven overkluisde entree.
  • De vanaf de eerste verdieping in vijf etages opgebouwde grote bibliotheek met langs de korte zijden vier en langs de lange zijden drie grenenhouten galerijen met trappen en kasten langs de wanden.
  • De ontvangstzaal, waarvan de ruimte onderverdeeld is door twee paar rondbogen, rustend op een marmeren kolom (midden) en gepleisterde pilasters, alle met vergulde, gebeeldhouwde kapitelen en zwart gepolijste zandstenen basementen; tegen de noordoostgevel een gebeeldhouwde zandstenen schouw met zwart marmeren dekplaat.
  • De congregatiekapel met een vier traveeën lang schip voorzien van houten tongewelf, en twee traveeën lang, smal, recht gesloten koor met tongewelf en aan weerszijden een sacristie, waartegen aan de schipzijde hoge rondboognis ten behoeve van de zijaltaren; neogotisch hoofdaltaar, neogotische banken en grotendeels oorspronkelijke schilderijen van Albert Arens uit 1908; in de noordoostgevel per travee een rondboogvenster, evenals het grote koorvenster, in 1950 voorzien van glas-in-lood ramen van Max Weiss.
  • De achter de gevel van de entree van het externengebouwen geplaatste glazen tongewelf over de vestibule met glas-in-lood ramen in Art Deco-vormgeving.

Van het beschreven oorspronkelijke gebouwencomplex, is op uitdrukkelijk verzoek van de opdrachtgever, om wille van representatie, een zwaar accent gelegd op de voorvleugel, zowel door middel van de architectonische vormgeving, als door middel van materiaalgebruik, detaillering en decoratie. Als zelfstandige eenheid binnen het oorspronkelijk complex, is deze vleugel te beschouwen als een der meest rijke, gave en monumentale voorbeelden van zowel neorenaissance architectuur, als van scholen-, klooster- en internaat bouw rond 1890, zijnde het hoofdwerk der profane bouwwerken van architect N. Molenaar (1850-1930) en tevens een belangrijk symbool van de katholieke emancipatie, als zodanig van algemeen belang uit oogpunt van sociale, cultuur- en architectuurgeschiedenis.

De aanbouw met tussenlid, naar ontwerp van Charles Estourgie (1884-1950) vormt qua ontwerp, materialisering, opzet en detaillering van de gevels een ensemble met het hoofdgebouw en vertegenwoordigt daarmee belangrijke architectonische, situationele en cultuurhistorische waarden, ondersteunend aan de vorm en functie en passend bij de rijkheid en voornaamheid van het hoofdgebouw als opleidingsinstituut voor de katholieke jeugd. Belangrijk is ook dat de midden gang van het hoofdgebouw in de aanbouw wordt doorgezet. Alleen qua massa is de aanbouw ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Het bouwdeel met tussenlid is een belangrijk onderdeel binnen het oeuvre van architect Charles Estourgie.

Bronnen en verwijzingen

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's Begrippen

neorenaissance

Meer informatie
Meer over het monumentenregister en de pagina's in deze kennisbank is te vinden in Monumenten - Rijksmonumentenregister.
Meer over wat er is beschermd is te vinden in de leeswijzer.

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 27 feb 2024 om 04:00.