Amsterdam - Hubertushuis
(Doorverwezen vanaf Amsterdam - Hubertushuis)
Monumentnummer: 532558
Introductie
Het Hubertushuis is van belang als illustratie van de wijze waarop de verzorgingsstaat vorm kreeg en symbool van de inspanningen voor de emancipatie van ongehuwde moeders. Ook is het een architectonische uitwerking van de filosofie over opvang en begeleiding van alleenstaande ouders en hun kinderen. In het gebouw komen de belangrijkste thema’s in het werk van architect Aldo van Eyck tot uiting.




Aanleiding voor de bescherming
In het Programma Post 65 (1965 – 1990) zijn om te beginnen vijftien monumenten geselecteerd die in aanmerking komen voor rijksbescherming. Het Hubertushuis is één van deze vijftien. Dit monument past in de Verhaallijn Post 65 Actie! en Vrijheid.
De Sint Hubertusvereniging
Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de verzorgingsstaat was in 1965 de invoering van de Algemene Bijstandswet (Abw). Deze kwam in de plaats van de Armenwet uit 1854, die met een kleine aanpassing in 1912 tot dan toe geldig was. De Awb legde het primaat voor de armenzorg bij de overheid. Waar de hulp aan behoeftigen voorheen op basis van liefdadigheid werd verzorgd door kerken en particuliere instellingen, werd bijstand nu een recht. Dit had gevolgen voor weldadigheidsinstellingen zoals de Sint Hubertusvereniging, die eind negentiende eeuw was opgericht met als doel ‘de redding van Roomsch-Katholieke gevallen vrouwen en van Roomsch-Katholieke meisjes wier zedelijkheid gevaar loopt’. De vereniging had hiertoe aan de Amsterdamse Prinsengracht een ‘doorgangshuis’ geopend, dat in 1926 was verhuisd naar de Plantage Middenlaan. Hier moesten de ongehuwde moeders van hun ‘zonde’ gelouterd worden door discipline, gebed en arbeid. Naarmate de vereniging in de jaren vijftig meer een beroep ging doen op niet-religieuze arbeidskrachten had de paternalistische christelijke liefdadigheid plaatsgemaakt voor een meer geseculariseerde aanpak. In 1963 was een nieuwe directrice, mej. M. Coenders, aangetreden die het huis een nieuwe, pedagogisch geïnspireerde oriëntatie gaf. Het huis werd getransformeerd tot een pension waar ongehuwde moeders en kinderen voor onbeperkte duur in een soort gezinsverband vrij konden samenleven. In de praktijk woonden er soms zestig moeders, waarvan sommigen zes jaar lang. De kinderen werden gegroepeerd in verticale leeftijdsgroepen, de moeders werden niet langer bevoogd maar in familiale sfeer ‘opgevoed tot volwassenen’.
Voor ouders en kinderen
Met het van kracht worden van de Abw werd de Sint Hubertusvereniging een volledig door de overheid gefinancierde maatschappelijke instelling. Nadat eind jaren zestig het Amsterdamse Centraal Bureau Huisvesting de ongehuwde moeder als een gezin was gaan beschouwen, aan wie binnen de gangbare termijnen een woning kon worden toegewezen, transformeerde de Hubertusvereniging tot een instelling voor sociale revalidatie. ‘Hubertus’ werd een tehuis voor alleenstaande ouders die tijdelijk opvang en begeleiding nodig hadden. Het bood onderdak aan ouders en hun kinderen, en aan kinderen van elders wonende en werkende alleenstaande ouders. Zij werden verzorgd en begeleid door meer dan zestig stafleden. De instelling vormde hiermee een concrete illustratie van de wijze waarop de verzorgingsstaat in deze jaren vorm kreeg. De aanpak op voet van gelijkwaardigheid was sterk geïnspireerd door de cliëntgerichte (psycho)therapie van Carl Rogers die in de jaren zeventig opgang deed. Deze ging ervan uit dat de volwassen mensen, met een juiste begeleiding, in staat waren inzicht in hun eigen problematiek te krijgen en er zelf antwoorden op te vinden. De organisatie van de instelling zelf evolueerde mee. In 1972 trad een nieuw bestuur aan, dat een verregaande democratisering doorvoerde en ‘Sint’ uit de naam van de vereniging schrapte.
Nieuwbouw en verbouw
Begin 1970 kreeg de Hubertusvereniging de mogelijkheid om naast hun twee panden Plantage Middenlaan 33-35 ook nummer 31 te kopen. Dit was de voormalige Talmoed Toraschool, synagoge en crèche van waaruit tijdens de Tweede Wereldoorlog zo’n zeshonderd Joodse kinderen ongezien naar onderduikadressen waren overgebracht. Door dit gebouw te vervangen door nieuwbouw en de twee negentiende-eeuwse panden te verbouwen, zou de accommodatie aanzienlijk kunnen worden verbeterd en kon een ander deel van de bestaande behuizing, aan de Plantage Kerklaan, worden afgestoten. De ontwerpopgave was in meerdere opzichten dubbel. Het ging om nieuwbouw én verbouw, maar bovendien werd de functie van het huis gekenmerkt door een fundamentele dualiteit: het gebouw moest open zijn, zonder centralistische of hiërarchische structuur, en gesloten om de noodzakelijke beschutting en bescherming te bieden. In de woorden van Addie van Roijen-Wortmann, destijds directrice en bouwcoördinator van de Hubertusvereniging: ‘We hebben een dubbele opdracht: we nemen mensen hier op, en op dat moment zeggen we ze: je krijgt van ons veiligheid, bescherming. Je haalt ze uit de maatschappij naar binnen, in beslotenheid. Maar vanaf dat moment gaan we met die mensen werken opdat ze teruggaan naar de maatschappij. Dus dat betekent openheid. Dat lijkt diametraal tegenover elkaar te staan: gesloten en open. Beide elementen zitten heel sterk in ons werk.’
Aldo van Eyck
De opdracht voor deze nieuw- en verbouw ging naar Aldo van Eyck, die eerder in Amsterdam het Burgerweeshuis en een groot aantal kinderspeelplaatsen had ontworpen. Van Eyck (1918-1999) gold toen al als een belangrijke en – ook internationaal - invloedrijke architect. Na zijn afstuderen aan de ETH in Zürich in 1942 was hij tot na de oorlog in Zwitserland gebleven, waar hij verkeerde in de avantgardistische kring rond Sigfried Giedion en Carola Giedion-Welcker. Na de oorlog werd Van Eyck lid van de internationale moderne architectenassociatie CIAM. Met onder meer Alison en Peter Smithson en Jaap Bakema vormde hij begin jaren vijftig Team X, waarmee de jongeren binnen de moderne beweging zich keerden tegen de in hun ogen te analytische en doctrinaire planningsmethoden van hun voorvaderen. Zij verrijkten het functionalistische gedachtengoed met sociologisch geïnspireerde begrippen als mobiliteit, groei, verandering, identiteit, habitat en core.
De Forumgeneratie
Van Eyck en Bakema vormden in 1959 samen met onder meer Dick Apon en Herman Hertzberger de redactie van het tijdschrift Forum. Hun eerste nummer was veelzeggend getiteld ‘Het verhaal van een andere gedachte’. Dit verwoordde en verbeeldde de anti-institutionele en humanistische denkwijze van deze architecten en ontwerpers. Kernpunten waren herstel van de door bureaucratie en technocratie verstoorde relatie tussen de mens en zijn omgeving en verbeelding van de complexe ruimtelijke en maatschappelijke totaliteit in onderlinge samenhang door opheffing van het onderscheid tussen architectuur en stedenbouw. Deze ideeën werden via het tijdschrift en de onderwijsactiviteiten van de betrokkenen verspreid en vonden in het antiautoritaire en veranderingsgezinde klimaat van de jaren zestig en zeventig een vruchtbare voedingsbodem.
Zo wordt wel gesproken van een Forumgeneratie die onder aanvoering van Van Eyck veel invloed heeft gehad op de bouwpraktijk in ons land. Dit uitte zich in een streven naar kleinschaligheid, herkenbaarheid en herbergzaamheid; naar een samengaan van stedenbouw en architectuur in een gebouwde omgeving die was gebaseerd op de menselijke maat en gelegenheid moest bieden voor ontmoeting, verrassing en individuele ontplooiing. Als antwoord op het naoorlogse vraagstuk van het ‘grote aantal’ wilde Van Eyck polariteiten als groot/klein, veel/weinig, binnen/buiten, individu/collectief en open/gesloten verzoenen tot betekenisvolle ‘tweelingfenomenen’.
De opdracht
De ‘dubbele opdracht’ voor het Hubertushuis was Van Eyck dus op het lijf geschreven. Behalve dat het gebouw tegelijk ‘open’ en ‘gesloten’ moest zijn, had de Hubertusvereniging een aantal meer concrete wensen: de kinderafdelingen zouden bij elkaar op de begane grond aan de binnenplaats moeten worden gesitueerd; met het oog op de noodzakelijke rust en een doelmatig werkproces dienden de baby-afdelingen zo hoog mogelijk en dicht bij elkaar in het gebouw te komen; de bewoners kregen elk een eigen kamer en een gezamenlijke huiskamer; omdat eten belangrijk werd geacht kreeg de keuken een centrale plaats. Daarbij zou het huis de communicatie tussen de bewoners moeten bevorderen. Het verdere programma van eisen kwam tot stand in intensief overleg tussen opdrachtgever Addie van Roijen-Wortmann en Van Eyck. De stedenbouwkundige context van het ontwerp werd gevormd door de Amsterdamse Plantage: een groene negentiende-eeuwse buurt met een grote verscheidenheid aan bouwtypen. De nieuwbouw kwam op de plek van de gesloopte synagoge, tussen de twee eclectische panden van de Hubertusvereniging rechts en links een naoorlogs pand dat kan worden gezien als voorbeeld van wat Van Eyck ‘de deskundige organisatie van het schriele’ noemde.
Open en gesloten
De wens om tegelijk openheid en geslotenheid te realiseren vatte Van Eyck op als een moment van transparantie binnen het bouwblok, als een opening die toegang biedt tot de binnenkant van de stad. Zijn ontwerp houdt het midden tussen een autonoom gebouw en een invulling die onderschikt is aan de bestaande bebouwing. Met zijn nieuwbouw worden de belendende panden als het ware naar elkaar toe gericht beëindigd. Daartussen bevindt zich een insnoering met een glazen trappenhuis dat als een scharnier de twee bouwdelen met elkaar verbindt. Hier verspringen de vloeren een halve verdieping, alleen op de eerste verdieping loopt de gang door. Het transparante trappenhuis biedt zicht op het achterterrein met loodrecht op de straatgevel een vleugel met de kinderverblijven. Deze opzet kent een zekere dubbelzinnigheid, doordat de nadruk op elk van beide bouwdelen ligt, maar evenzogoed op de ruimte ertussen. De nieuwbouw gaf Van Eyck vorm in een functionalistisch idioom. Hij confronteerde de laat klassieke conventies van de oudbouw demonstratief met de helderheid van het Nieuwe Bouwen, om ze als tweelingfenomenen op elkaar af te stemmen.
‘Die partituur van komen en gaan’
Net als de spiraalvormige trap die de vloerniveaus van oud en nieuw aan elkaar schakelt, was de ingang in de woorden van Van Eyck ‘een eenmakend tussen’. De nieuwe hoofdingang van het complex bevindt zich niet op dit scharnierpunt onderaan in het trappenhuis. Van Eyck situeerde de voordeur op de beletage waar oud en nieuw elkaar ontmoeten. Hij sprak in dit verband van ‘die partituur van komen en gaan’; via een stoep met acht gebogen treden kwam men in een open overdekt portiek vier meter achter de rooilijn, waar een opening in de scheidingswand toegang gaf tot een vestibule in de bestaande bouw. Van daaruit kon men dan een ‘lus’ maken en de nieuwbouw betreden. ‘Het conflict tussen het bestaande huis en zijn nieuwe uitbreiding wordt opgelost bij de ingang – een tussengebied, ook in associatief-temporele zin’ aldus Van Eyck.
De buitenwereld naar binnen
De nieuwbouw neemt de maat van het oude aan. Een quasi klassieke massieve onderbouw boven een plint heeft aan weerszijden van twee partijen glazen bouwstenen betonnen gevelvelden met gekleurde tegeloppervlakken die worden omlijst door brede spiegelstroken. Deze decoraties heffen de gezochte massiviteit gedeeltelijk op en slaan als het ware een gat in de wand; ze spiegelen wat er op straat gebeurt en voegen zo een extra dimensie aan de rooilijn toe. De bovenbouw heeft een draagstructuur van ranke betonpijlers. Hun ritme sluit aan op de ordonnantie van het bestaande gebouw rechts, maar conformeert zich niet hieraan. Naar links toe worden de traveematen geleidelijk groter, evenredig met de eveneens toenemende hoogte. Tegelijkertijd wordt naar boven toe steeds meer bouwvolume ‘weggesneden’ ten gunste van (deels overdekte) dakterrassen, waardoor zon en licht naar binnendringen en het blikveld wijder wordt. Deze insnijdingen en uithollingen van het bouwvolume maken de omtrek van het gebouw complex. Zo dringt de buitenwereld naar binnen en is deze op elke verdieping anders met het interieur verweven. Het gebouw zelf is steeds als deel van het uitzicht aanwezig, wat het gevoel van geborgenheid en betrokkenheid vergroot.
Een transparant gelaagd evenwicht
Van Eyck liet het exterieur van de bestaande panden ongemoeid, maar gaf deze in samenwerking met zijn vrouw Hannie van Eyck een vrijwel volledig nieuw interieur. In de hoge zijmuur tussen oud en nieuw kwamen twaalf doorbraken, waardoor de vernieuwing zich als het ware op alle niveaus van de oudbouw kon uitbreiden. Muren werden zo onafhankelijke ruimtevormers, met eerder een verbindende dan een scheidende functie. Van Eyck liet volgens Herman Hertzberger steeds weer zien ‘dat het niet gaat om een keuze tussen binnen of buiten, tussen vroeger gesloten en nu open, tussen vroeger muren en nu glaswanden, maar nu om beide, zodanig ten opzichte van elkaar verschoven dat ze in een soort transparant gelaagd evenwicht komen’. In deze wisselwerking tussen oud en nieuw en open en gesloten kregen de verschillende onderdelen van de instelling een passende plaats. Het verblijf van de kinderen tussen een en zes jaar werd ondergebracht in een langgerekt laag bouwvolume op het binnenterrein dat haaks op de hoofdbouw staat. Dit achterhuis heeft met zijn boeiende ruimtewerking en afwisseling van hoog en laag, open en gesloten en licht en donker, van boven verlichte binnenstraat een eigen karakter, duidelijk onderscheiden van het meer transparante gebouw aan de straat.
De ervaring van het gebruik
Het geheel bestaat uit drie onderdelen – de bestaande panden, de nieuwbouw aan de straat en de nieuwe laagbouw op het binnenterrein – met een eigen structuur die door middel van assen met elkaar worden verenigd. Het complex is als een kleine stad – een terugkerend thema in het werk van Van Eyck; een schakeling van heterogene delen vol historische verwijzingen, architectonische motieven en verrassende elementen. ‘In het Moederhuis en in principe in al het werk van Van Eyck zie je steeds verschuiving van het accent en de extra aandacht terzijde van het gebruikelijke gevestigd, waardoor relativering (van beide dus) ontstaat’, stelde Hertzberger vast. ‘Dat is vakkundig gezien knap, maar waar het echt om gaat en werkelijk verhaal van een andere gedachte wordt is waar, zoals hier, door de accentverschuiving en relativering in de ruimtelijke organisatie aandacht op de ervaring van het gebruik wordt gevestigd, en wel zo dat het patroon van relaties tussen mensen zo gerelativeerd wordt, dat minder hiërarchische verhoudingen ermee worden aangeduid.’
Kleurenrijkdom
De architectuur van de nieuwbouw vertoont een opvallende kleurenrijkdom, die pas na voltooiing van de ruwbouw door Van Eyck werd uitgedacht. De metalen puien tussen de betonnen kolommen vertoonden in zijn ogen geen bevredigend beeld; de afbakening van de verschillende plekken was onvoldoende helder en de beoogde transparantie liet te wensen over. Daarom ging Van Eyck proefondervindelijk over tot de systematische toepassing van het volledige kleurenspectrum. Hij differentieerde de zes spectrale hoofdkleuren in twaalf verschillende tonen, die hij van buiten naar binnen zich in een telkens terugkerende reeks liet ontvouwen: van blauw voor de buitenpuien via groen voor de erkers, geel voor de traphal en oranje naar rood en paars voor de binnenpuien. Zo wordt de verticale gelaagdheid van het gebouw gearticuleerd en krijgt de ruimte meer diepte. In het achterhuis vervlechten de twaalf tonen zich tot een regenboogweefsel dat zich uitspreidt over de vijf hier ondergebrachte wooneenheden waarvan elk één hoofdkleur heeft: paars, rood, oranje, geel of groen.
Blijmoedig en opvallend
De bijzondere kleurtoepassing maakt het Hubertushuis volgens architect en architectuurhistoricus Francis Strauven, die een lijvige monografie over Aldo van Eyck schreef, een blijmoedig en opvallend gebouw, ‘een uitbundige verschijning te midden van de vergrijsde negentiende-eeuwse verkaveling’. Tegelijkertijd is het een wezenlijk onderdeel van de stedelijke samenhang en draagt het hieraan bij, constateert Strauven: ‘Het gebouw toont hoe de moderne architectuur zich kan inschakelen in de verscheidenheid van de historische stad. Het laat zien dat het Nieuwe Bouwen er niet per se naar hoeft te tenderen deze verscheidenheid te transformeren tot een homogeen, isotroop universum. Het maakt duidelijk hoe de functionalistische vormentaal een contextueel idioom kan zijn of worden; hoe ze, zonder afbreuk te doen aan zichzelf, maar juist door terug te keren naar haar oorspronkelijke uitgangspunten, de taal van de stad kan leren en het stedelijk zinsverband met nieuwe betekenis kan verrijken.’
‘Een fantastisch huis’
Directrice van de Hubertusvereniging en bouwcoördinator Addie van Roijen-Wortmann bekeek vanuit het perspectief van de gebruiker: ‘Als je je af wilt vragen of het nieuwe huis van Hubertus een geslaagd gebouw is, dan is het goed om op een zonnige dag eens in het trappenhuis te gaan staan: in de loggia’s zie je dan baby’s rondkruipen als in een grote box, op het dakterras zie je kinderen fietsen, vallen en in het water poedelen. Op de balkons zonnen de moeders, de kinderen hebben hun eigen plekken, hoeven niet steeds in het blikveld van de volwassenen te verkeren en kunnen via de loopbrug en de trappen avontuurlijke tochten maken. Een groep mensen die in zoveel opzichten onderaan in de samenleving zit woont nu eens in een fantastisch huis.’
Hubertushuis wordt hotel
In 1992 fuseerden de Hubertusvereniging en Tehuis Annette tot de Stichting Afra (Algemene Fiomhulpverlening Regio Amsterdam), een jaar later sloot de stichting Beth Palet zich hierbij aan. Rond 2007 verliet de stichting, die inmiddels Altra heette, het complex aan de Plantage Middenlaan, waarna er een kinderdagverblijf werd gevestigd. In de jaren hierna raakte het gebouw in onbruik en in verval, ondanks het feit dat het in 2001 gemeentelijk monument was geworden. In 2016 verkocht eigenaar Ymere het complex aan een investeerder die het een hotelfunctie gaf. De transformatie werd ontworpen door Filip Mens en Peter Verheul van Architectenbureau Filip Mens, in samenspraak met Tess van Eyck en Julyan Wickham. Hierbij zijn de oorspronkelijke architectuur, ruimtelijke indeling, materialisering en kleurafwerking van Van Eyck zoveel mogelijk behouden.
Waardering en betekenis
- Het Hubertushuis is van belang als illustratie van de wijze waarop de verzorgingsstaat in de jaren zestig en zeventig vorm kreeg.
- Het gebouw is van belang als symbool van de inspanningen voor de emancipatie van ongehuwde moeders en als architectonische uitwerking van de filosofie over opvang en begeleiding van alleenstaande ouders en hun kinderen van de Vereniging Hubertus.
- Het gebouw is van belang als architectonische uitdrukking van de belangrijkste thema’s in het werk van Aldo van Eyck en als sleutelwerk in het oeuvre van deze architect.
- Het gebouw is van belang als internationaal erkend icoon binnen de naoorlogse architectuur in Nederland.
Bronnen
- V. Ligtelijn (samenstelling), Aldo van Eyck. Werken, Bussum 1999.
- F. Strauven, Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding, Amsterdam 1994.
- H. Hertzberger e.a., Aldo van Eyck. Hubertushuis, Amsterdam 1982.
- J. van der Werf/BMZ, Waardestelling Hubertushuis Amsterdam, 2000.
- RCE, Hubertushuis/Moederhuis
- Herbestemming tot hotel door Filip Mens.
- Meer informatie over de Hubertusvereniging
Besluit
Over dit monument is een besluit gepubliceerd:
- Amsterdam - Ontwerpbesluit 1782890 (21 januari 2026)
Zie ook
Monumenten- Eindhoven - Watertoren
- Utrecht - De Musketon
- Kerkrade - Rodahal
- Mildam - Ecokathedraal
- Monumenten/Post 65 - 4 (pagina bestaat niet)
- Apeldoorn - Centraal Beheer
- Terneuzen - Stadhuis
- Delfzijl - Eemsmondgebouw
- Almelo - Yunus Emre Moskee
- Arnhem - Blauwe Golven
- Nieuwegein - Emmauskerk
- Emmen - Broken Circle/Spiral Hill
- Post 65 (1965-1990) - De jongste rijksmonumenten van Nederland
- Waarderingscriteria gebouwd en aangelegd (groen) erfgoed
- Rijksmonumenten - waarderen
- Aldo van Eyck (1918-1999)
Meer informatie Meer over het monumentenregister en het rechtsgevolg van de aanwijzing tot rijksmonument is te vinden op cultureelerfgoed.nl/monumenten.
Meer over de omvang en reikwijdte van de bescherming van specifiek dit monument is te vinden in Monumenten - Rijksmonumentenregister en de leeswijzer.Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 feb 2026 om 17:48.