Natuursteen - vervangende steen afwerken

Introductie[bewerken]

Natuursteen is een materiaal dat in de loop der tijd vervalt. Dat maakt het soms noodzakelijk om stenen onderdelen van historische bouwwerken te vervangen. Dan speelt de vraag hoe deze vervangende steen bewerkt moet worden, want natuursteen is altijd op de een of andere manier bewerkt.

Een man maakt met een beitel een steenvlak effen.
Scharreren is de laatste bewerking met de beitel om een steenvlak te effenen. Hier van Belgische hardsteen.
Een zandstenen tracering van een raam.
Een nieuwe tracering van Bentheimer zandsteen.
Grijze blokken steen met een geruite afwerking.
Bij deze restauratie zijn de nieuwe blokken Naamse steen hetzelfde afgewerkt als de oude blokken.
Een steenhouwer bewerkt een blok Bentheimer zandsteen met een pneumatische hamer.
Een steenhouwer bewerkt een blok Bentheimer zandsteen met een pneumatische hamer.
Een steenhouwer bewerkt met een beitel een stuk steen.
Een steenhouwer legt een scharreerslag op een blok Weiberner tufsteen.
Grote blokken steen liggen opgestapeld in een steengroeve.
Vers gewonnen blokken Baumberger steen in de groeve in Duitsland.
Een machine bewerkt een blok steen in een decoratieve vorm.
Moderne machines kunnen stenen in elke vorm maken. In dit geval een blok Savonnières, Franse kalksteen.
Een rustica van blokken Muschelkalk bij een Zeevaartschool.
Rustica van blokken Muschelkalk
Een rode metalen pen met een grijze punt ligt op een stuk donkergrijze steen waarin strepen zijn getrokken.
Met een spitsijzer wordt het oppervlak ruw bewerkt tot op de juiste hoogte. De steen is Belgisch hardsteen.
Een ijzeren gereedschap met kleine tanden ligt op een stuk steen waarin een reliëf te zien is.
Met een tandijzer maakt de steenhouwer de steen na het spitsen verder op maat. De steen is Belgisch hardsteen.
Een stuk gereedschap dat lijkt op een beitel ligt op een steen met reliëf.
Een met een ceseel gescharreerd blok Belgische hardsteen.
Een man houdt een bijl vast.
Een steenbijl.
Een merk in steen, waarschijnlijk een persoonlijk merk van een steenhouwer.
Een merk in steen, waarschijnlijk een persoonlijk merk van een steenhouwer.
Op een steenblok waar allemaal kleine putjes inzitten, ligt een moker met kleine puntjes.
Zo ziet een Belgisch hardstenen blok er na de bewerking met een bouchardehamer uit.
Een stenen grafzerk met erin gegraveerde letters.
Grafzerk van tufsteen uit 1582 met letters in bas-reliëf.
Een stenen muur met veel putten en oneffenheden.
Deze met de hand bewerkte blokken donkere Belgische kalksteen uit 1662 bevatten veel putten en oneffenheden.
Een detail van een versierd plafond waar oude en nieuwe zandstenen in zitten.
Oud en nieuw werk, beide van Bentheimer zandsteen, sluiten goed op elkaar aan.
Een muur met een raam erin. De stenen in de muur hebben verschillende kleuren.
De verwering van gezaagde vlakken verloopt anders dan van de handmatige gehakte. De vervangende steen is Ierse hardsteen. De oorspronkelijke steen kwam uit België.
De grijze stenen in deze muur hebben een reliëf.
Bij de restauratie in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn alle blokken Gobertanger steen van deze gevel afgewerkt met een tandijzer, wat voor die tijd nooit het geval was.
In een muur is duidelijk dat in het midden de stenen zijn vervangen, doordat deze veel lichter van kleur zijn.
De nieuwe blokken ledesteen zijn vlak gezaagd, wat zich toch aftekent.

Vaak is het bij een restauratie de bedoeling om de eenheid van architectuur te behouden en zo veel mogelijk authentiek materiaal te behouden. Tegelijk is ook nogal eens de wens geuit vanuit de restauratie-ethiek dat de vervangsteen onderscheiden moet kunnen worden van de oudere bouwmassa, om verwarring te voorkomen. De wens om de eenheid van architectuur te bewaren maar tegelijk oud en nieuw werk van elkaar te kunnen onderscheiden staat ogenschijnlijk op gespannen voet met elkaar, maar in de praktijk blijkt dat vaak mee te vallen.

Historie

Het bewerken van steen is een van de eerste vaardigheden geweest waarmee de mens zich onderscheidde van de overige primaten. De bewerking van vuursteen tot werktuigen in het zuiden van Limburg, gedurende een deel van de prehistorie, groeide uit tot een industrie en was aanleiding voor mijnbouw en ruilhandel.

Het verdwijnen van deze stenen werktuigen hing samen met de techniek die de mensen ontwikkelden om metalen gereedschappen te vervaardigen. In bepaalde gebieden nam daarmee de bewerking van steen een hoge vlucht. Zo hoog dat deze vaardigheid ons heden ten dage voor raadsels stelt. Neem de vazen en bakken van graniet in Egypte of de enorme granieten muurblokken in Mexico die naadloos op elkaar aansluiten. Het is moeilijk voor te stellen hoe deze duizenden jaren voor onze jaartelling gemaakt zijn.

De bewerking van natuursteen tot bouwmateriaal is in ons land begonnen met de komst van de Romeinen. Tot in de twintigste eeuw is de techniek die toen geïntroduceerd werd niet wezenlijk veranderd. Blokken natuursteen werden voornamelijk bewerkt met verschillende beitels, bijlen en hamers.

De twintigste eeuw

Aan het met de hand winnen, op maat maken en afwerken van natuursteen is in de loop van de twintigste eeuw nagenoeg een einde gekomen. Het overgrote deel van de steen die tegenwoordig in de bouw verwerkt wordt, is bewerkt met een zaag-, schuur- of freesmachine, of een combinatie daarvan. In de grote steengroeves in landen als Duitsland, België en Frankrijk zette deze ontwikkeling in het midden van de negentiende eeuw in. De mechanisatie van het steenhouwerswerk begon in het interbellum, met de introductie van draad- en carborundumzagen en later met diamantzagen. Ook voor het schuren en polijsten werden machines ontwikkeld en nieuwe schuurmiddelen. In de tweede helft van twintigste eeuw nam de verbetering van diamantgereedschap sterk toe en werd natuursteen gemakkelijk te verzagen, waardoor het meer en meer gebruikt werd als dun bekledingsmateriaal. Het bewerken van natuursteen zoals dat vanaf de Romeinen plaatsvond, werd steeds minder beoefend.

Nu

Tegenwoordig is er van alle natuursteenverwerkers maar een klein aantal dat de technieken uit het verleden nog beheerst. Zij passen ze voornamelijk toe in een klein segment van de grafwerken en de nieuwbouw, waarbij gedacht moet worden aan met de hand gehakte letters en gevelstenen. Ook in de restauratie wordt gevraagd om steenhouwers die de oude technieken beheersen.

De toepassing van handmatige bewerkingen is in het gedrang gekomen door de ontwikkeling van steeds betere zaag- en schuurmachines. Vrijwel elk gesteente kan tegenwoordig moeiteloos gezaagd worden, wat natuurlijk een geweldige besparing op de arbeidskosten betekent. De vormen die uitgezaagd en gefreesd kunnen worden nemen steeds verder toe. Daarmee verdwijnen ook de onvolkomenheden van het handwerk, die het een levendig karakter geven. Het zijn juist deze sporen van menselijke beroering die het werk een grote meerwaarde geven, wat bij een machinaal bewerkt vlak nog geheel ontbreekt. De ontwikkelingen gaan echter zo snel dat het voorbewerken van natuursteen met een machine meer en meer bruikbaar wordt als voorbereiding op handwerk, ook als dat een levendig karakter moet hebben.

Soorten bewerkingen

Als we het hebben over de bewerkingen die in het verleden werden gebruikt om natuursteen op maat te maken, over welke bewerkingen hebben we het dan? De verwerking van een steen tot een onderdeel van een bouwwerk is onder te verdelen in drie processen: de winning, de bewerking tot de gewenste afmetingen en de afwerking. De laatste twee processen vallen soms samen.

Winnen

De techniek die wordt gebruikt bij de winning is sterk afhankelijk van de eigenschappen van de soort steen. Zachte gesteenten kunnen losgezaagd worden, zoals mergel. In de negentiende eeuw werden er machines ontwikkeld om ook hardere steensoorten los te zagen.

Steenformaties hebben vaak horizontale onderbrekingen, waarin zich een ander materiaal bevindt. Op deze onderbrekingen laat de steen gemakkelijk los. Soms is de bank steen hier en daar al min of meer verticaal gescheurd. Op die plaatsen kan de steen dan uitgebroken worden.

In andere gevallen worden de banken in blokken gezaagd of gebroken. Dat breken kan men doen door de steen op verschillende plekken onder spanning te zetten met wiggen en keilen. Recenter gebeurt dat door explosieven tot ontploffing te brengen in verticale boorgaten. Deze techniek kan haarscheurtjes in het gesteente veroorzaken, waardoor de steen versneld verweert.

Afhankelijk van de winningsmethode wordt dus een gezaagd vlak verkregen of een bruut vlak, eventueel met sporen van boorgaten.

Op maat maken

De bewerkingen die volgen op de winning werden vroeger uitgevoerd in verschillende stadia met verschillende gereedschappen. Een bruut blok kan van voegvlakken worden voorzien, het zogenoemde kantrechten. Brute steen is vaak verwerkt in basementen van gebouwen. Deze ruwe stenen worden dan rustica genoemd.

Spitsen

Om het oppervlak minder ruw te maken gebruikte de steenhouwer een spitshamer of een moker en puntbeitel. Doorgaans voorzag hij het vlak eerst rondom van een randslag met behulp van een bordijzer (een smalle vlakke beitel). Zo bracht hij het vlak meteen op de gewenste hoogte. Vervolgens werkte de steenhouwer het oppervlak verder af met een tandijzer, steenbijl, tandbijl of bouchardehamer, afhankelijk van de steen en zijn gereedschapskist. In gebieden die tot het Romeinse Rijk hadden behoord bleef men tot ver in de middeleeuwen gebruikmaken van een spitsijzer of een spitshamer. Prachtige voorbeelden van middeleeuws spitswerk zijn te zien op zandstenen sarcofagen op een aantal plaatsen in Nederland.

Steenbijlen

Het gebruik van een steenbijl komt voor tot ver in de middeleeuwen. De bijlslag op de blokken van de oudste tufstenen gebouwen in Nederland is uitgevoerd met een vlakke bijl. Deze tufsteen is afkomstig uit de Eifel en werd aangevoerd over de Rijn. Voor de bewerking van de tufsteen tot handzame blokken werd de bijl algemeen gebruikt. Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw werd het zichtvlak van de bouwsteen van een fijne bijlslag voorzien. De zichtkant kreeg na de grove bewerking met een bijl in zijn geheel een fijne slag. Op de randen is vaak een min of meer schuine randslag gelegd. In het koor van de Utrechtse Domkerk is een dergelijke afwerking te zien op de pijlers van Drachenfels-trachiet.

Beitels

Fijn geprofileerde delen werden met beitels op maat gemaakt, want met een bijl is dat niet mogelijk. Dit gebeurde met een tandijzer of een ceseel, een brede vlakke beitel. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw werden hamer en ceseel ook op grote schaal gebruikt om het gehele zichtvlak van de blokken te scharreren, in plaats van deze af te werken met een bijl. Vermoedelijk is deze manier van bewerken afkomstig uit Vlaanderen, waar in die tijd veel gebouwd werd.

De richting van de slagen was afhankelijk van de positie die de steenhouwer innam ten opzichte van zijn werkstuk en de vorm die hij moest hakken. Hij legde de slagen dus zoals hem dat het beste uitkwam. Aan de randen werd eerst begonnen met een min of meer smalle randslag, om vervolgens in een andere richting het hele vlak te scharreren. De ceselen waren doorgaans niet breder dan vijf centimeter.

Bij parementblokken van Gobertanger of Ledesteen, die gebruikt werden om bakstenen muren te bekleden, ontbreekt vaak de randslag. De steenhouwer heeft het blok eerst vlak gescharreerd en daarna pas op lengte gemaakt, waardoor een eventuele randslag is vervallen.

Afwerken

Gedurende de zestiende en zeventiende eeuw werden de ceselen breder, tot wel twaalf centimeter, en het werk werd regelmatiger. De steen werd eerst op maat gemaakt, gladgeschuurd en vervolgens opnieuw voorzien van een slag met een ceseel. Deze afwerking volgde dus niet uit het proces waarin de steen op maat gemaakt werd. De eindbewerking was in deze periode alleen een sierslag. Men noemt deze afwerking ‘frijnen’.

Frijnen

Bij het frijnen volgen de slagen een bewust patroon. De randslag en de slagen op de rest van het zichtvlak liggen doorgaans haaks op de voegvlakken, maar er zijn ook andere mogelijkheden, zoals de kathedraalslag die een ruitjespatroon oplevert en de visgraat. Ook andere afwerkingen werden met verschillende gereedschappen binnen gefrijnde kaders toegepast. Zo werden vlakken gespitst, geprikt en gebouchardeerd. In de zeventiende tot ver in de negentiende eeuw zijn veel stenen behalve gefrijnd ook geschuurd, waardoor sporen van de bewerking met de beitel vaak verdwenen zijn.

Het aantal slagen per strekkende decimeter varieert nogal, wat onder andere samenhangt met de eigenschappen van de steen. In Bentheimer zandsteen ziet men vaak bredere slagen, dus minder slagen per decimeter (steenhouwers noemen deze breedtemaat een ‘palm’), dan in bijvoorbeeld hardsteen, omdat deze zandsteen zachter is dan hardsteen. Ook veranderde het aantal slagen in de loop der eeuwen mee met de vormgeving. In de zeventiende eeuw bijvoorbeeld waren de slagen soms extreem breed.

Op achttiende-eeuwse grafmonumenten zien we vaak bijzonder fijn en zuiver frijnwerk. Hekwerken rondom dergelijke grafmonumenten rusten regelmatig op banden van hardsteen die veel minder fijn en fraai gefrijnd zijn dan het grafmonument zelf. Blijkbaar werden aan de afwerking van belangrijke onderdelen ook hogere eisen gesteld.

Schaven

In mergel, misschien wel het zachtste gesteente dat op grote schaal in de bouw is gebruikt, is frijnen bijna niet mogelijk. Het oppervlak van deze steen wordt dan ook geschaafd. Het bewerken van mergel behoort niet tot het werk van de steenhouwer. Er bestaan gespecialiseerde mergelwerkers. Andere zachte kalkstenen, zoals Savonnières, worden overigens ook wel afgewerkt met een schaaf.

Schuren

Na het op maat maken van de steen werd het oppervlak soms geschuurd. Afhankelijk van het schuurmiddel werd daarmee een steeds diepere kleur van de steen zichtbaar. Om een steen te polijsten, waarmee de diepste kleur wordt bereikt, wordt de steen eerst geschuurd en gezoet. Er werd onder andere geschuurd met stukken Gotlandse steen en gezoet met puimsteen en doornsteen. Gepolijst werd er met onder andere lood, aluin en amaril. Dat laatste is een zeer hard gesteente. Bij het napolijsten gebruikte de steenhouwer zwavel en tinaspoeder. Tinaspoeder is tinoxide.

Tegenwoordig bestaan er machines die werken met schuurmiddelen als siliciumcarbide en diamant, waarmee de steenhouwer veel sneller schuurt. Het resultaat van het schuurwerk met de hand en met de machine is echter niet vergelijkbaar. Het werk dat met een machine is gemaakt is zuiver vlak en komt daardoor vaak harder over dan een oppervlak dat meer met de hand is gepolijst.

Afhankelijk van de soort steen werd er geschuurd, gezoet of gepolijst. Marmers kan men over het algemeen polijsten, terwijl dat met zachte kalkgesteenten en zandgesteenten geen zin heeft. Het was vaak ook niet de bedoeling om van iedere steensoort de diepe kleur te gebruiken in het ontwerp. Veel steensoorten in een gebouw werden gepleisterd of geschilderd, waarbij dan vaak wel weer de kleur van de gebruikte steen een rol speelde. Marmers, albast, harde kalkgesteenten en heel soms dieptegesteenten werden wel bewust ingezet om hun kleur en daarom geschuurd.

De schuurtechniek werd afgestemd op de toepassing. Marmeren vloertegels werden belopen en daarom gezoet of geschuurd, terwijl zuilen doorgaans gepolijst zijn. Veel steensoorten – behalve de dieptegesteenten – behouden aan de buitenkant van een gebouw hun glans niet. Ze werden in dat geval ook niet gepolijst.

Steenmerken

Op een afgewerkt oppervlak komen soms ook met krijt aangebrachte of ingehakte merken voor. Dit doet zich vooral voor in gebouwen van meer dan driehonderd jaar oud. De merken houden verband met de productie of met de plaatsing van de steen. Het gaat dan om persoonsmerken of stelmerken.

De persoonsmerken zijn het merk van de steenhouwer, de groevemeester of de leverancier. Deze merken vertellen iets over de manier waarop de bouw was georganiseerd. Uit hetzelfde steenhouwersmerk in stenen van verschillende bouwwerken kan bijvoorbeeld gereconstrueerd worden welke omzwervingen deze steenhouwer gemaakt heeft. Bovendien worden nogal eens dezelfde merken steeds samen in een bepaalde bouwfase van verschillende gebouwen aangetroffen. Dit betekent dat de steenhouwers in groepsverband werkten en wisselden van bouwplaats. Het merk van een groevemeester geeft aan waar de steen indertijd betrokken is.

Stelmerken werden aangebracht om aan de steller duidelijk te maken waar het blok thuishoort. Een paarmerk is op twee stenen gezet op de twee voegvlakken die tegen elkaar moesten komen. Laagmerken gaven aan in welke volgorde de stenen gestapeld moesten worden.

Steenmerken vormen dus een belangrijke bron van informatie, zeker naarmate er meer verzameld worden. Blokken met steenmerken mogen dan ook nooit verloren gaan, het is belangrijk om ze te bewaren of documenteren.

Gehakte teksten

Teksten in steen zijn meestal bedoeld ter herinnering. Door teksten op grafmonumenten, eerste stenen, oorlogsmonumenten en gevelstenen wordt de lezer herinnerd aan feiten uit het verleden. Cijfers in een gevelsteen herinneren doorgaans aan de datum van stichting. De tijd die de boodschap meegaat, is afhankelijk van de duurzaamheid van het gesteente en de hoogte of diepte van de letters.

Vroeger werden letters vrijwel uitsluitend met een beitel gehakt. Letters hakken is een vak dat nauw verwant is met het steenhouwersvak en dat om kennis van typografie vraagt. Doorgaans worden de letters eerst getekend. Vervolgens worden ze uitgehakt in haut- of bas-reliëf. In het eerste geval hak je het oppervlak terug en laat je de letter staan, in het tweede geval hak je de letter verdiept in de steen. Men spreekt ook wel over respectievelijk uitwendige en inwendige letters.

Tegenwoordig worden veel teksten gezandstraald. Door met een mal de steen af te dekken en vervolgens te zandstralen, wordt de tekst zichtbaar.

Teksten in steen worden op den duur vaak onleesbaar, waarmee de herinneringsfunctie verdwijnt. Veelal ontstaat er dan ook de behoefte om de tekst weer leesbaar te maken. Het reinigen van de steen zorgt doorgaans voor nog meer slijtage van het oppervlak en is dus niet bevorderlijk. Door het opnieuw ophakken van de tekst verdwijnt de oorspronkelijke bewerking en dat is nu juist net de reden waarom zo’n steen van monumentale waarde kan zijn. Deze methoden zijn dus geen optie. Afhankelijk van de situatie kan wel gedacht worden aan het opnieuw leesbaar maken met behulp van kleur of door de tekst via een ander medium op de toeschouwer over te brengen.

Soms treft men ook eeuwenoude, ingekraste graffiti aan in stenen delen van gebouwen, vooral in zachte steensoorten. Het is niet de bedoeling om hier deze heimelijke praktijken toe te juichen, maar het verdient aanbeveling om deze historische sporen van menselijke beroering te bewaren.

Restauratie

Bij de eerste grootschalige restauraties die in Nederland tegen het einde van de negentiende eeuw plaatsvonden, werd de vervangende steen doorgaans zeer strak afgewerkt, net zoals toen in de nieuwbouw en het grafwerk gebeurde. Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam er weer waardering voor de levendigere manier waarop stenen in de middeleeuwen werden afgewerkt. Niet alleen moest voortaan weer het vormgevoel van de vakman aan de stenen af te lezen zijn, ook de manier waarop het werk tot stand was gekomen mocht zijn sporen nalaten. Er ontstond een scheiding tussen het werk van de steenhouwer in de restauratie en dat van de steenhouwer in het grafwerk en de nieuwbouw. Een scheiding die in de loop der tijd steeds zichtbaarder is geworden.

Andere techniek

Sinds het begin van de vorige eeuw werd de oorspronkelijke afwerking vaker uitgangspunt voor de afwerking van de vervangende steen. Veelvuldig echter werd de levendigheid schromelijk overdreven. Er werd met enige afschuw gesproken over het steen- en beeldhouwwerk dat aan het einde van de negentiende eeuw en nog in het begin van de twintigste eeuw was gemaakt voor het vervangen van steen bij restauraties. Het zou een te machinaal, doods karakter hebben en daarmee ongunstig afwijken van het historische steen- en beeldhouwwerk dat ten dele of geheel was vervangen.

Het steen- en beeldhouwwerk dat gemaakt werd vanaf omstreeks 1918 onderscheidt zich echter ook vaak weer van de historische omgeving waarin het is geplaatst, omdat het wel erg grof en levendig is uitgevoerd. Ook werden er technieken ingezet die de steen wel een levendig aanzien gaven, maar die tot dan toe niet gebruikelijk waren als afwerking. Zo werd er soms gebruikgemaakt van een tandijzer om de steen af te werken, terwijl de oorspronkelijke steen met een ceseel afgewerkt was.

In de tweede helft van de twintigste eeuw werd daar minder vrij mee omgegaan en werden de technieken uit het verleden meer aangehouden. De oude en de nieuwe afwerking leken echter onvoldoende op elkaar, wat vooral te wijten is aan de machinale voorbewerking van de vervangende steen.

Identiek ogende afwerking

Een pasklaar antwoord op de vraag hoe vervangende steen het beste afgewerkt kan worden is er niet. Er kan per geval tot een goede keuze gekomen worden door belang te hechten aan de eenheid en het karakter van het werk, aan de samenhang tussen de afwerking en de eigenschappen van de steen en aan de herkenbaarheid van de ingreep. Bij het vervangen van een natuurstenen onderdeel hoort de steen in ieder geval zodanig afgewerkt te worden dat het geen storende factor wordt in de beleving van het historische bouwwerk. De omgeving van de steen is dus uitgangspunt bij de keuze van de afwerking.

Er zijn tal van voorbeelden uit restauraties van de afgelopen decennia waaruit duidelijk wordt dat daar te veel van afwijken geen bevredigende werkwijze is. Veel nieuwe, gezaagde en met de hand afgewerkte blokken zijn storend zichtbaar tussen oud werk dat op een andere manier tot stand gekomen is.

Door het verval van de stenen zullen er in de toekomst altijd weer blokken vervangen moeten worden. Als de nieuwe stenen niet op de originele manier afgewerkt worden, dan zal het karakter van het oude bouwwerk uit het zicht verdwijnen. Daarmee zal er een deel van de cultuurhistorische waarde van het gebouw verloren gaan.

Tegelijk blijkt het in de praktijk vrijwel onmogelijk om vervangsteen zo af te werken dat het zich niet onderscheidt van het oude werk. Daarmee is het probleem opgelost dat een ingreep niet herkenbaar is, maar ontstaat dus ook een situatie die esthetisch niet altijd bevredigend is.

Slijtage

Het vervangen van tegels in een oude vloer is lastig, juist door de ‘onvolkomenheden’ van de oude tegels. Deze zijn niet alleen een gevolg van slijtage, maar ook van het handwerk dat soms is verricht om de tegels vlak te maken. Het is dus ook niet juist om te veronderstellen dat het verschil tussen oude en nieuwe tegels in de loop der tijd onzichtbaar wordt. Hetzelfde geldt voor blokken in gevels. Door verwering wordt het verschil tussen blokken die met de hand vlak gemaakt zijn en die vlak gezaagd zijn niet minder groot, maar vaak juist groter. Zelfs al zijn ze vervolgens gefrijnd. Alleen al de verspreiding van de verweringskleur verloopt bij een zuiver vlak geheel anders.

Aanpak

Hoe kun je er in de praktijk bij het vervangen van natuursteen voor zorgen dat de steen op de juiste manier wordt afgewerkt? Voordat de afwerking van de vervangsteen begint, hoort er eerst duidelijkheid te bestaan over de afwerking van de oorspronkelijke steen. Deze afwerking wordt omschreven, evenals de afwerking van de vervangende steen. Bovendien wordt deze keuze gemotiveerd. Als de nieuwe steen afgewerkt wordt conform de te vervangen steen, hoe was die afwerking dan? Wordt deze opnieuw toegepast om het totaalbeeld niet te verstoren?

Van belang is dat de aan het monument reeds aanwezige afwerkingen herkend worden en dat de waarde die ze hebben voor het historische bouwwerk wordt onderkend. De afwerking van de vervangende steen mag geen afbreuk doen aan deze waarde.

Onderscheid

Door het gebruik van een andere steensoort of een andere afwerking zijn veel vervangingen uit het verleden herkenbaar. Ook al wordt er gestreefd naar het aansluiten bij de oude omgeving, het zuiver kopiëren van handwerk blijkt in de praktijk vaak niet mogelijk. Maar soms bestaat de wens om de nieuwe steen nadrukkelijker te kunnen onderscheiden van het authentieke materiaal, om verwarring te voorkomen. Een goede oplossing is het aanbrengen van een teken (jaartal, initiaal), waardoor ook na lange tijd het onderscheid nog gemaakt kan worden. Niet overal is het mogelijk om een teken aan te brengen op een steen zonder dat dit te veel in het oog springt. Echter, het hoeft slechts bij een paar nieuwe blokken te gebeuren.

Een andere mogelijkheid om onderscheid te maken tussen oud en nieuw werk is omstreeks 1935 toegepast in de gevel van het Leidse stadhuis aan de Breestraat. De oude blokken zijn gefrijnd, de nieuwe blokken eveneens. In de nieuwe blokken zijn bovendien sporen van een tandijzer zichtbaar, die in de oude blokken ontbreken. Ondanks de verschillende technieken voegen ze zich zo goed samen dat de gevel toch oogt als één geheel.

Omgevingsvergunning en subsidie

Bij het vervangen van natuurstenen onderdelen van een rijksmonument is er sprake van een wijziging van het monument. Voor het wijzigen van een rijksmonument is een omgevingsvergunning vereist, te verlenen door het bevoegd gezag. Dat is meestal de gemeente. Actuele informatie over de omgevingsvergunning en rijksmonumenten vindt u hier (verwijzing naar artikel hierover…)

De kosten van noodzakelijke vervanging van natuurstenen onderdelen zijn in principe subsidiabele instandhoudingskosten. Actuele informatie over de subsidiemogelijkheden vindt u hier.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen


Hoort bij deze thema's


Specialist(en)


Contact

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 22 feb 2021 om 10:10.