Natuursteen in het exterieur - verwering

Introductie[bewerken]

Natuursteen is aan veel monumenten toegepast. De doelstelling om monumenten te behouden voor volgende generaties wordt mede bemoeilijkt door de verwering van dit bouwmateriaal. Door verwering kan het materiaal op den duur zijn samenhang verliezen. Het is echter niet zo dat iedere vorm van verwering het voortbestaan van het monument bedreigt. De maatregelen die in het verleden zijn genomen om verwering tegen te gaan, leveren soms zelfs nog meer schade op.

Een scheur in een natuurstenen grafsteen.
Een steek (scheur) in Belgische hardsteen
Reliëf in plafond waar stukken zijn uitgevallen.
Schade aan Ettringer tufsteen bij de Utrechtse Domkerk. Door scheuren in de steen zijn er stukken af gevallen.
Een stapel steenbrokken.
Een verzameling stukken natuursteen die bij een inspectie van de Cuneratoren in Rhenen werden afgenomen. Deze inspectie maakte de ernst van de situatie duidelijk en was het startsein voor een restauratie.
Blokken steen in een muur met veel gaatjes erin.
Deze blokken mergel zijn geperforeerd door insecten; een teken dat de steen weinig samenhang meer heeft en aan vervanging toe is.
Versleten versiering op een pilaar in een kerk.
Sterk verweerde Reffroy kalksteen aan de Grote kerk in Breda.
Een muur in een kerk met donkere en lichtere blokken steen.
Bentheimer zandsteen krijgt op den duur een donkere patina. Hierdoor zijn in dit geval de oude blokken goed te onderscheiden van de nieuwe blokken. Na enkele decennia zal dit verschil veel minder groot zijn.
Een geschilderd huisnummer 213 op een gevel.
Een geschilderd huisnummer op een gevel van Belgische hardsteen laat zien hoe soms de verf de steen kan conserveren. De frijnslag is onder de verflaag nog goed zichtbaar, terwijl de steen die niet geschilderd is sterk is verweerd
Een hoek van een muur waarin grote blokken lichtgekleurde stenen zijn gebruikt. De helft van de stenen is iets lichter dan de rest.
Bij deze poort in Maastricht is links Belgische hardsteen en rechts Naamse steen naast elkaar gebruikt. De Naamse steen neemt op den duur een iets lichtere kleur aan dan de hardsteen.
Een donkergrijs stuk muur met lichtgekleurde strepen.
Donkere gipskorsten op Franse kalksteen (St.Joire) bij de Sint-Jan in Den Bosch. Alleen op plaatsen waar regenwater de steen bereikt spoelt de korst weg en blijft de witte kleur van de steen zichtbaar.
Een met algen begroeide kanthogel.
Middeleeuwse kanthogel van Bentheimer zandsteen aan de Joriskerk in Amersfoort. De steen heeft na ongeveer 500 jaar vooral door slijtage aan vorm verloren, maar verder is de steen nog goed.
Een muur waarvan het steen is gaan schilferen.
Het oppervlak van Baumberger steen kan op den duur gaan scheuren en schilferen
Een hoofdje van een engelbeeld waarvan de contouren zijn vervaagd.
Wit marmer aan de Waag in Leiden. De steen waarin dit 17de eeuwse beeldhouwwerk is gemaakt versuikert waardoor contouren steeds meer vervagen.
Een lichtbruine muur met een aantal verweerde plekken erop.
Udelfanger zandsteen aan de Utrechtse Domkerk. Deze steen verweert vooral daar waar zich leemhoudende lagen in de steen bevinden. Vocht en zouten hopen zich daar op en zorgen ervoor dat de steen verpoederd en verpulverd.
Een muur met bovenin bruine stenen en onderin witte stenen.
Römer tufsteen aan de Utrechtse Domkerk (boven) en Ledesteen (onder). Bij de tufsteen vallen op den duur korsten van het oppervlak. Bij de Ledesteen is vooral verwering te zien bij de voegen: dat komt omdat de steen in de kern van het blok het meest weersbestendig is.

Niet alle verwering vraagt om ingrijpen

Het probleem van verwering is al zo oud als het gebruik van natuursteen. De keuze voor een bepaalde soort natuursteen wordt onder andere bepaald door de verweringswijze van de steen. Gesteenten vallen op den duur uiteen en de wijze van dit verval is per gesteente verschillend.

Behalve dat zij uiteenvallen, verkleuren veel gesteenten in de loop der tijd. Natuursteen werd tot in de 19de eeuw vaak gepleisterd en/of overgeschilderd, vandaar dat indertijd de verweringskleur van natuursteen bij de steenkeuze vaak geen rol speelde. In de tweede helft van de 20ste eeuw heeft men op grote schaal verf en pleisterlagen van de natuursteen verwijderd.

Sindsdien heeft men te maken met verkleuringen van het oppervlak van de steen, onder andere door verwering. In de vorige eeuw was er ook waardering voor de kleur en het patina die het monument in de loop der tijd hadden gekregen. Het begrip ‘patina’ is op zich verwarrend, omdat de inhoud verandert met de esthetische opvattingen van het moment. Alleen wanneer men de verweringskleur waardeert, spreekt men van patina.

Het uiteenvallen van gesteenten door verwering vormt vrijwel altijd een bedreiging voor het behoud van het monument. De verkleuring door verwering is daarentegen doorgaans een onschuldig verschijnsel.

De gevolgen van verwering behoeven niet altijd een ingreep en verdienen soms juist een zekere waardering, daar zij bijdragen aan de beleving van de geschiedenis van een natuurstenen artefact. Het is zaak om in de praktijk dit idee voor iedereen aanvaardbaar te maken.

Natuurlijke verwering

Het verval van natuursteen noemt men verwering; ‘aangetast worden door invloed van het weer’. Er zijn allerlei fysische en chemische factoren van invloed op dit proces. Men kan bepalen in hoeverre deze factoren van invloed zijn op het verweringsgedrag, wanneer bekend is hoe verschillende gesteenten zich doorgaans gedragen als zij in ons land worden blootgesteld aan weer en wind. Men spreekt in dat geval van het natuurlijke verweringsgedrag of de steen-eigen gedragingen. Ieder gesteente heeft zijn eigen verweringsvorm en -kleur en is mede daardoor te determineren.

Versnelde verwering

Niet iedere steen van dezelfde soort verweert in hetzelfde tempo. Dat kan te maken hebben met zeven factoren. Deze factoren zijn niet constant van invloed op het verweringsproces en vandaar dat het proces ook niet lineair verloopt. De verwering verloopt soms zeer traag en soms zijn er periodes waarin de steen zeer snel verweert.

Kwaliteit van de toegepaste steen

Blokken uit de groeve kunnen misschien haarscheurtjes (als gevolg van de winning), brandlagen, aders of een ander gebrek hebben. Ook kleine verschillen in textuur en samenstelling kunnen de kwaliteit bepalen.

Blootstelling

Of de steen vrijstaat of deel uitmaakt van een groter geheel, is van invloed op de snelheid waarmee het verweringsproces plaatsvindt. De expositie beïnvloedt het drooggedrag, veroorzaakt al dan niet temperatuurschommelingen en bepaalt of de steen steeds wordt overspoeld met regenwater of niet. Dat laatste is bijvoorbeeld van belang bij kalkgesteenten, die op de kant waar geen regen spoelt een zwarte gipskorst vormen. Als de steen veel vocht opneemt en weer afstaat, gaat de vorming van een dergelijke korst sneller. Door uitspoeling en oplossing van het gesteente patineert bij veel natuursteensoorten de zichtkant en verruwt het oppervlak.

Biodegradatie

Steen die langdurig nat is en weinig zon krijgt, zal het snelst begroeid raken met allerlei algen en mossen. Deze organismen scheiden soms in eerste instantie zuren af die het oppervlak van de steen kunnen aantasten. Ook uitwerpselen van vleermuizen en duiven bevatten stoffen die verwering kunnen versnellen.

Vochttransport

Het is van belang of het vocht de steen gemakkelijk kan verlaten of dat dit wordt belemmerd. Deze belemmering kan worden veroorzaakt doordat de steen is gesteld in een te sterke speciesamenstelling, doordat de stenen rondom veel minder water opnemen of doordat op de zichtkant van de steen een laag is aangebracht die het verdampen van het water aan het oppervlak verhindert. In al deze gevallen raakt de steen versneld in verval.

Zouten

Het vocht dat de steen binnendringt en vervolgens weer verlaat, lost zouten op uit het gesteente, uit de atmosfeer en uit de bodem, en transporteert deze naar het oppervlak van de steen. Wanneer de oplossing oververzadigd is met zouten en deze uitkristalliseren in het verdampingsfront van de steen, even achter het oppervlak, ontstaat er schade omdat de gevormde zoutkristallen meestal een groter volume hebben dan de oorspronkelijke oplossing. Daardoor wordt de huid van de steen weggedrukt. Reeds gevormde zoutkristallen kunnen ook water opnemen, waardoor het volume nogmaals toeneemt en er eveneens schade ontstaat. Zouten maken bovendien de materie meer hygroscopisch. De steen trekt meer vocht aan, waardoor ze sneller verweert.

Stukvriezen

Ook de volumevergroting door het bevriezen van het in de steen aanwezige vocht is voor een aantal gesteenten fataal. In de meeste gesteenten kan het uitzetten van het water worden opgevangen in de poriën die niet gevuld zijn met water. De steen vriest stuk wanneer de poriën volledig gevuld zijn met water of de poriënstructuur van de steen zodanig is dat de volumevergroting niet opgevangen kan worden. De zwarte Doornikse steen, een harde kalksteen, is bijvoorbeeld door zijn poriënstructuur niet vorstbestendig. Vorstschade kan ook voorkomen bij steensoorten die - pas gewonnen - nog verzadigd zijn met bergwater. Wanneer dit water is verdampt, raakt de steen in zijn nieuwe omgeving doorgaans niet meer zodanig verzadigd met water dat vorstschade kan optreden.

Bewerking

Niet minder belangrijk voor de snelheid waarmee de steen verweert, is de wijze waarop deze is bewerkt. Door winning met behulp van springstof kan een gesteente vol scheuren zitten, waardoor de steen vervolgens stukvriest. Ook de bewerking met zware gereedschappen is niet voor iedere steen bevorderlijk. Zo moet men er bij de bewerking van bepaalde trachieten op bedacht zijn dat door boucharderen talloze haarscheuren kunnen ontstaan aan het oppervlak van de steen.

Door de steen glad af te werken, verkleint men het oppervlak en vindt er minder inwerking van schadelijke stoffen plaats. Beeldhouwwerk in natuursteen krijgt doorgaans meer schadelijke invloeden te verwerken, omdat de steen over een veel groter oppervlak wordt blootgesteld aan weersinvloeden dan bijvoorbeeld een paramentblok. Deze invloed kan men beperken door te zorgen dat het werk in ieder geval goed afwatert.

Verwering per steensoort

Hieronder volgt een overzicht van gesteenten die in Nederland op grote schaal zijn toegepast. Per gesteente is vermeld welke verweringsverschijnselen men bij deze steen kan verwachten. Soms zijn er echter geheel andere verweringsverschijnselen waar te nemen, waaruit geconcludeerd moet worden dat de steen door bepaalde omstandigheden versneld verweert. Per steensoort worden enkele verschijnselen en mogelijke oorzaken van versnelde verwering opgenoemd.

Stollingsgesteenten

Graniet

  • Dit gesteente is weervast, met uitzondering van de soorten die te veel (grote) glimmers bevatten. De steen verkleurt ook niet of nauwelijks, behalve soms op plaatsen waar de steen in hoge mate met zout belast wordt (trottoirbanden).
  • Graniet is ook nauwelijks gevoelig voor invloeden die de verwering zouden versnellen. Wanneer de steen is beschadigd is er meestal sprake van mechanische schade.

Basaltlava

  • Dit gesteente behoort tot de meest weervaste gesteenten. De steen verkleurt ook niet of nauwelijks.
  • Basaltlava is weinig gevoelig voor factoren die de verwering zouden kunnen versnellen. Wanneer de steen is beschadigd is er vrijwel altijd sprake van mechanische schade.

Trachiet

  • Trachiet stoot na enkele eeuwen de huid af, waardoor weer een ‘gezond’ oppervlak tevoorschijn komt.
  • De steen wordt doorgaans grauwer van kleur.
  • Bij Drachenfels en Reimerath trachiet weren de, voor deze trachieten kenmerkende, sanidienkristallen als eerste uit, waardoor het oppervlak langwerpige putten vertoont.
  • Trachiet blijkt soms gevoelig te zijn voor randspanningen. Grote schilfers die rond de voegen van de steen afspringen, zijn daarvan het symptoom.
  • Trachiet kan door bepaalde bewerkingen (boucharderen) gekneusd worden, waardoor de steen al na enige jaren tot op ongeveer een centimeter onder de huid zijn samenhang verliest.
  • Het afstoten van de huid kan in korte tijd plaatsvinden, waarbij de steen zouten afstoot en er vochtig uitziet. Vermoedelijk is de steen in dit geval in hoge mate belast met zout.

Afzettingsgesteenten

Zandsteen

Zandsteen bestaat doorgaans hoofdzakelijk uit aan elkaar gekitte kwartskorrels.

  • Patineert over het algemeen donker. Bentheimer verkleurt van groengrijs tot zwart, Obernkirchner naar donkerbruin, Udelfanger wordt eveneens donkergrijs van kleur. Rode zandgesteenten behouden doorgaans op de regenkant beter hun kleur. De donkere laag wordt gevormd door vuil dat zich met bindmiddel uit de steen hecht aan het oppervlak.
  • Bentheimer en Obernkirchner zandsteen kunnen in de loop der eeuwen licht afzanden. Doorgaans vertonen deze gesteenten echter nauwelijks sporen van verval.
  • Udelfanger zandsteen en bonte zandsteen uit Asschaffenburg (beiden vooral toegepast tegen het einde van de vorige eeuw) bevatten leemhoudende lagen. Wanneer de steen met een liggend leger is toegepast, ziet men op den duur diepe groeven ontstaan op deze plaatsen, bij toepassing met een staand leger (evenwijdig aan het gevelvlak) stoot de steen complete schollen af.
  • Zandsteen die geen leemhoudende lagen bevat, maar wel complete schollen afstoot, heeft doorgaans te lijden onder een hoge zoutbelasting. Vaak kan men op het breukvlak dan ook witte zoutuitbloeiingen waarnemen. Het zout kan in de steen terechtgekomen zijn door een schoonmaakbeurt in het verleden met agressieve middelen, maar bijvoorbeeld ook doordat de plek waar de steen is toegepast, wordt gebruikt als urinoir.
  • Zandsteen verkleurt rood-roze wanneer het heeft blootgestaan aan hoge temperaturen. Dit komt doordat er een oxidatieproces plaatsvindt, waarbij ijzerverbindingen gevormd worden die de steen een andere kleur geven. Deze verkleuring is onschuldig. Wel kan de steen door de plotse temperatuurwisseling inwendig gescheurd zijn (gespat), wat pas aan het licht komt na langere tijd (bijvoorbeeld door bevriezing van water in deze scheuren).

Tufsteen

Tufsteen bestaat uit fragmenten van magma en oude gesteenten, bims en een fijnkorrelige grondmassa die het geheel bindt. Per soort verschillen de samenstelling en de afmetingen van de ingesloten fragmenten.

  • De in Nederland vaak toegepast tufsteen uit de Eifel vormt een goede voedingsbodem voor algen en mossen die de steen donker doen verkleuren wanneer ze verdrogen. Op zich veroorzaakt dit geen schade (zie artikel Algen, mossen en korstmossen).
  • De huid, de zichtzijde van deze tufsteen wordt na verloop van tijd afgestoten, waarna vaak weer een gezonde steen tevoorschijn komt.
  • De bims, te herkennen als zanderige, gele plekken, spoelt na verloop van tijd uit, waardoor de steen pokdalig van uiterlijk wordt.
  • Bij vrijstaand werk in tufsteen uit de Eifel is op den duur vaak scheurvorming waarneembaar. Scheurvorming en vervolgens uiteenvallen van de steen vindt soms plaats waar de steen diep is uitgehakt. De scheurvorming in tufsteen kan een gevolg zijn van de verschillende uitzettingscoëfficiënten van de verschillende gesteenten die zijn opgesloten in de grondmassa. Bij grote temperatuurschommelingen kunnen deze spanningen in het gesteente tot scheurvorming leiden. Tufsteen die is ingesloten, bijvoorbeeld als paramentblok, heeft doorgaans geen last van scheurvorming.
  • Duitse tufsteen waarbij de huid al na enkele decennia van de steen valt, heeft vaak in het verleden een behandeling ondergaan met een middel (steenversteviger, hydrofoberingsmiddel) dat het oppervlak heeft verdicht en de vochthuishouding heeft verstoord.

Franse kalksteen

De witte Franse kalkgesteenten bestaan doorgaans hoofdzakelijk uit calciet.

  • Deze gesteenten vormen een donkere korst op de vlakken waar ze niet worden schoongespoeld door regen. Deze korst ontstaat door het uitkristalliseren van gips aan het oppervlak. Het gips is opgelost uit het gesteente (soms ook uit de mortel) en door vocht naar het oppervlak getransporteerd. Tussen de gipskristallen zit vuil uit de lucht ingekapseld, waardoor de korst donker van kleur wordt. Waar de steen schoonspoelt, ontstaat een lichte patina. Bij witte Franse kalkgesteenten, als Savonnières en Brauvilliers, is het contrast tussen de donkere korst en de lichte vlakken het sterkst.
  • Het oppervlak verruwt op den duur door oplossing van het bindmiddel.
  • Franse kalksteen neemt over het algemeen gemakkelijk vocht op en geeft het langzaam af. In een omgeving waarin het zijn vocht niet voldoende kan afgeven, raakt het snel in verval. Vooral wanneer kalksteen is gebruikt om in zandsteen in te boeten, kan dit problemen geven.

Witte Belgische zandige kalksteen

  • Bij Lede- en Gorbertanger steen neemt men een ander kenmerkend verschijnsel waar. De blokken van dit materiaal zijn in de kern het meest weervast, met als gevolg dat de steen op de lintvoegen als eerste uiteenvalt en de blokken dus op den duur een meelzakvorm krijgen. Bij Gobertanger wordt door oplossing van zachtere lagen een structuur zichtbaar, waaraan de steen zijn bijnaam ‘eikenhout’ te danken heeft.
  • Deze kalkgesteenten vormen net als de Franse soorten een gipskorst.

Donkere kalksteen

  • Donkere Belgische kalkgesteenten vormen een licht patina en een donkere gipskorst waar de steen niet wordt schoongespoeld. Bij hardsteen is de kleur uiteindelijk vuilgrijs, terwijl Namense steen tot zilvergrijs verkleurt. Deze gesteenten vallen op den duur uiteen door steekvorming. De richting van deze steken staat meestal loodrecht op het groefleger.
  • Het oppervlak verruwt op den duur door oplossing van het bindmiddel.

Mergel

  • Mergel wordt gewonnen in Zuid-Limburg, is zeer zacht en toch weervast. Op plaatsen waar de steen lang vochtig blijft, begroeit de steen geheel met mos. De steen vormt een beschermende huid, maar ook een gipskorst die bestaat uit het bindmiddel van het gesteente en vuil. Mergel kan op den duur verzwakken, waarbij het vervolgens vaak wordt bewoond door insecten die gangen graven in de steen. Dat is een teken dat de steen ‘op’ is.
  • Mergel is in het verleden wel eens ingesmeerd met een verstevigend middel (waterglas), waardoor de steen aan het oppervlak zijn vocht niet meer kwijt kan en de complete huid afstoot.
  • Wespen graven soms een netwerk van gaten (wespengaten) en vogels slijten met hun klauwen sporen in de mergel.

Zandige kalksteen

  • In Noord- en Oost-Nederland is sinds de Middeleeuwen op grote schaal Baumberger steen toegepast. Het patina van de steen is donker tot okerkleurig en er vormt zich een gipskorst. De steen is niet altijd vorstbestendig gebleken, wat vermoedelijk wordt veroorzaakt doordat de porositeit in het gesteente niet gelijkmatig is en de steen soms een hoog leemgehalte heeft.

Metamorfe gesteenten

Marmer

Van de groep metamorfe gesteenten zijn de marmers het meest toegepast in Nederland. Overigens behoort niet ieder marmer in de bouw tot de metamorfe gesteenten. In de afgelopen twee eeuwen is op grote schaal gebruik gemaakt van zwart en rood marmer uit België, die gerekend moeten worden tot de afzettingsgesteenten. Het eveneens veel toegepaste witte marmer uit de groeven rond het Italiaanse Carrara is wel een metamorf gesteente.

  • Wit marmer is een metamorfose van kalksteen en vertoont deels dezelfde kenmerkende verweringsverschijnselen als kalksteen. De steen vormt op plekken waar de regen niet spoelt een zwarte gipskorst en verbleekt op de vlakken die schoonspoelen door het water.
  • Het oppervlak verruwt, waarbij steeds meer op gaat vallen dat eventueel aanwezige grijze aders in de witte steen harder zijn. Deze komen daardoor hoger te liggen in het oppervlak van de steen.
  • Het komt soms voor dat de steen onder de huid uiteenvalt in losse kristallen. Deze zogenoemde versuikering wordt vermoedelijk veroorzaakt doordat het bindmiddel tussen de kristallen door vochttransport zover is opgelost dat de steen zijn samenhang verliest.
  • Deze versuikering van het marmer kan ook in de hand worden gewerkt doordat het bindmiddel door zuren wordt opgelost. Marmeren objecten zijn nogal eens gereinigd met zure oplossingen. Deze oplossingen dringen in de steen en zorgen jaren later nog voor schade.

Zijn verweringsvormen aan te pakken en hoe?

Steensoorten verweren in uiteenlopende mate. Niet iedere vorm van verwering is direct een bedreiging voor het voortbestaan van het monument. De verwering is een natuurlijk proces en is als zodanig moeilijk te bestrijden zonder dat men de eigenschappen van het materiaal of de omgeving wijzigt, wat vaak op gespannen voet staat met het streven naar behoud van het cultureel erfgoed. Het 19de-eeuwse idee van Ruskin om uit respect voor het monument het verval te laten voortduren, biedt voor de monumentenzorger geen soelaas. Niet alleen vanuit het oogpunt van behoud maar ook omwille van de veiligheid wordt daarom op verschillende manieren getracht om de schade door verwering zoveel mogelijk te beperken.

Vervangende materialen

Slechte steen kan men niet beschermen en goede steen hoeft men niet te beschermen. In de restauratie is de steenkeuze echter een voldongen feit. Wanneer de slechte steen een bedreiging vormt voor omliggend werk, kan overwogen worden om de steen te vervangen. Ook andere materialen die de verwering van de steen bespoedigen, zoals roestende ijzeren doken, te harde mortel en verkeerd toegepaste lijm, moeten zoveel mogelijk vervangen worden. Als dookmateriaal moet bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van bronzen of roestvast stalen ankers. De gebruikte lijm, voeg- of stelmortel mag geen verandering in de vochthuishouding van het object opleveren.

Bescherming

Verdere verwering kan effectief tegengegaan worden door de blootstelling aan weer en wind zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door het object dat men wil behouden onder te brengen in een overdekte ruimte. Aan het koor van de Grote Kerk van Breda is bijvoorbeeld een weinig in het oog springende luifel aangebracht boven de enig resterende middeleeuwse venstervulling die het gebouw nog rijk is, om deze zoveel mogelijk te beschermen tegen weersinvloeden. Maar ook het afdekken van waterlijsten en handlijsten van balustrades met lood kan ervoor zorgen dat minder water in de steen trekt en er ook minder gevolgschade is aan de gevel.

Bescherming van de steen middels versteviging van het oppervlak is al geruime tijd bekend, maar wordt in ons land niet veel toegepast. Door behandeling met steenverstevigende middelen kan in het meest ongunstige geval het vocht in de steen niet meer verdampen door het verdichte oppervlak en ontstaat er schade. Ook wanneer de steen zoutbelast is, kunnen problemen optreden door een behandeling met een steenversteviger. Tegelijk kan het juist toegepast soms wel degelijk iets betekenen voor het behoud. Een vergelijkbare werking kan uitgaan van een beschildering, mits men een voldoende ademende verf gebruikt.

De versteviging van de steen is vaak wel succesvol gebleken wanneer de steen volledig doordrenkt wordt met acrylaat. Deze methode kan bijvoorbeeld een halt toeroepen aan de versuikering van marmer. Vooral voor vrijstaand beeldhouwwerk is deze methode van conservering geschikt, zij het zeer kostbaar. De behandeling is echter onomkeerbaar en daarom alleen bruikbaar bij urgente gevallen.

Scheuren en steken, die met name voorkomen in de donkere Belgische kalkgesteenten, kunnen worden geïnjecteerd met lijm of worden dichtgezet met reparatiemortel. Daarmee wordt voorkomen dat het eventueel aanwezige water in deze ruimten door opvriezing schade veroorzaakt. Vochttoetreding kan men ook beperken door ervoor te zorgen dat het natuurstenen object goed afwatert. Doel bij iedere restauratie zou dan ook moeten zijn dat waterlijsten en goten weer goed functioneren.

Onderhoud

Het tempo waarmee de steen verweert, is in veel gevallen wel degelijk te beïnvloeden zonder dat daar drastische maatregelen voor nodig zijn. Lekkages, begroeiing met bomen en struiken en het gebruik van het monument als openbaar toilet door mens en dier dient zoveel mogelijk beperkt te worden door regelmatig onderhoud en preventieve maatregelen.

Reinigen

De oppervlakteverandering of het patineren van de natuursteen is in de meeste gevallen een natuurlijk proces en vormt doorgaans geen bedreiging voor het voortbestaan van het monument. De huid die aan het oppervlak van zand- en kalksteen ontstaat, bestaat doorgaans uit een verdichting van bindmiddel aan het oppervlak waardoor de steen meer weervast wordt.

Verwijdering van deze huid draagt er dus toe bij dat de steen versneld verweert, omdat de steen deze huid niet opnieuw vormt. Het reinigen van steen met mechanische (zandstralen, schuren) of chemische middelen (zoutzuur, loog) is dus in de meeste gevallen ten zeerste af te raden. Bij zandsteen kan een sterk verdicht oppervlak er daarentegen toe leiden dat de steen op den duur de huid afstoot. Dit komt met name voor bij delen van de gevel die vaak nat regenen en onderhevig zijn aan veel droog-nat cycli. Enige mate van reiniging om de steen weer meer ademend te krijgen lijkt in deze gevallen een gunstig effect te hebben. Met name kalksteen kan men wel schoonspoelen met water, onder lage druk opdat de huid niet alsnog wordt stukgespoten. Gipskorsten bij kalkgesteenten groeien aan het oppervlak van de steen en kunnen met speciale pasta’s verwijderd worden zonder dat het oppervlak beschadigd wordt.

Steen die in het verleden gereinigd is met een zuur of loog (omdat bijvoorbeeld witkalklagen verwijderd zijn) zit doorgaans vol met zouten die aan het oppervlak van de steen veel schade kunnen veroorzaken. Ook op andere manieren, bijvoorbeeld door lekkages, kan de steen vol raken met schadelijke zouten. Losse objecten kan men ontzouten door ze uit te spoelen in een bad, maar ook met kompressen kan de steen ontzout worden. Vooraf is echter een grondig onderzoek naar de zoutbron noodzakelijk.

Is natuursteenherstel subsidiabel?

De kosten van natuursteenherstel zijn in principe subsidiabele restauratiekosten.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

Hoort bij deze thema's

Specialist(en)


Reageren
U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

Wilt u ons helpen?
De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 mei 2022 om 03:02.