Omgevingsvergunning - gebouwde en aangelegde rijksmonumenten (Omgevingswet)

Introductie[bewerken]

De omgevingsvergunning is een vergunning voor werkzaamheden in de fysieke leefomgeving. Zo'n vergunning is vaak nodig bij werkzaamheden aan gebouwde of aangelegde rijksmonumenten of voor bepaald gebruik. Dit artikel beschrijft de vergunningprocedure bij gebouwde en aangelegde rijksmonumenten voor vergunningverleners en aanvragers vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Vergunningplicht, waarvoor en wanneer?

Rijksmonumenten zijn monumenten (gebouwde monumenten en aangelegde monumenten) en archeologische monumenten die als zodanig zijn aangewezen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en zijn ingeschreven in het rijksmonumentenregister als bedoeld in de Erfgoedwet. Gebouwde monumenten zijn gebouwen en andere vervaardigde onroerende zaken, zoals standbeelden, grafmonumenten, tuinvazen of monumentale hekken. Aangelegde monumenten zijn bijvoorbeeld groene monumenten, zoals historische tuinen en parken, aardwerken, grachten, begraafplaatsen of boerenerven. Voor de meeste activiteiten met betrekking tot rijksmonumenten – wettelijk voor het gemak samengevat in het begrip ‘rijksmonumentenactiviteit’ – is een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet nodig.

Een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit is nodig voor de volgende activiteiten (artikel 5.1 lid 1 onder b Omgevingswet):

  • slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) monument;
  • verstoren (vooral archeologische monumenten);
  • verplaatsen (deel) monument;
  • wijzigen (zoals: restaureren, reconstrueren, verbouwen, aan-/uitbouwen);
  • monument ontsieren of in gevaar brengen door herstel of gebruik.

Een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit is niet nodig voor (artikel 13.11 Besluit activiteiten leefomgeving):

  • noodzakelijke reguliere werkzaamheden gericht op behoud van de monumentale waarden (normaal onderhoud), als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; voorbeelden:
    • aanlassen van verrot kozijnhout;
    • opschuren en schilderen in dezelfde kleur;
    • vervangen van kapotte ruiten door hetzelfde type glas;
    • herstellen, vervangen of vernieuwen hemelwaterafvoer in hetzelfde materiaal;
    • opstoppen van rieten daken; of vervangen van enkele dakpannen door pannen van zelfde type en kleur.
  • een activiteit die alleen leidt tot inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; voorbeelden:
    • verwijderen van hard- en zachtboard betimmeringen, gipsplaten, niet dragende scheidingswanden, een keuken- of badkamerinrichting of verlaagde plafonds, aangebracht na aanwijzing als rijksmonument;
    • wijzigingen in het interieur van een recente uitbreiding van het monument;
  • binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
  1. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
  2. doen van begravingen of asbijzettingen; of
  3. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.

De vergunningplicht geldt behalve voor rijksmonumenten ook voor voorbeschermde rijksmonumenten. Deze laatste zijn monumenten waarvoor een procedure tot aanwijzing als rijksmonument loopt en waarvoor om die reden van rechtswege (automatisch) de vergunningplicht al geldt.

Vergunningprocedure

Wie beslist er op de aanvraag?

In bijna alle gevallen treedt de gemeente, of beter gezegd het college van burgemeester en wethouders (B&W), op als het bevoegd gezag. B&W beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Soms is een ander bestuursorgaan bevoegd gezag, bijvoorbeeld bij bepaalde risicovolle projecten of ontwikkelingen met een gemeente-overstijgend belang. Dan kunnen Gedeputeerde Staten van de provincie of een minister bevoegd gezag zijn. Als de vergunningaanvraag na indiening niet automatisch bij het bevoegd gezag terechtkomt, informeert de gemeente de aanvrager hierover als zij de vergunningaanvraag ontvangt en stuurt de aanvraag door.

Vooroverleg

In het algemeen is het verstandig om voorafgaand aan de vergunningaanvraag al contact te zoeken met het bevoegd gezag. Dit contact vindt het beste plaats voordat het definitieve plan is opgesteld. Zo’n overleg heet een vooroverleg. De meeste gemeenten vermelden op hun website de mogelijkheid van vooroverleg en de eventueel daaraan verbonden kosten. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) kan op verzoek van het bevoegd gezag hierbij aanschuiven, eventueel via de provinciale steunpunten monumentenzorg. Voor specialistisch advies kan het bevoegd gezag eerder al contact opnemen met de RCE.

Vooroverleg versnelt de voortgang en kan teleurstellingen voorkomen. Tijdens dit overleg kan het bevoegd gezag de aanvrager informeren over de wijze waarop rekening kan worden gehouden met de monumentale waarden en met eventuele kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen die gelden voor werkzaamheden aan monumenten. Vooroverleg kan ook duidelijkheid geven over de bij de aanvraag in te dienen stukken (aanvraagvereisten). Tijdens het vooroverleg worden wederzijdse verwachtingen helder en kan worden aangegeven of een aanvraag kans van slagen heeft. Dit kan voorkomen dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd omdat bij de voorgenomen ingreep onvoldoende rekening wordt gehouden met de monumentale waarden. Ook kan vooroverleg voorkomen dat de vergunningprocedure moet worden opgeschort omdat na indiening van de aanvraag nog allerlei stukken nodig blijken, die dan alsnog bij de aanvrager moeten worden opgevraagd. In zo’n geval wordt de beslistermijn voor het bevoegd gezag opgeschort, waardoor de procedure langer duurt.

Aanvraag

Voor alle omgevingsvergunningen kan de aanvrager terecht bij één loket: het (nieuwe) Omgevingsloket. Bij de aanvraag levert de aanvrager alle gegevens en documenten aan die (volgens het bevoegd gezag) noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument en zijn monumentale waarde. De aanvraagvereisten specifiek voor rijksmonumentenactiviteiten staan in paragraaf 7.2.9 van de Omgevingsregeling. Deze paragraaf begint met een artikel met algemene aanvraagvereisten voor rijksmonumentenactiviteiten, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn (artikel 7.198). Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de activiteiten waaruit de rijksmonumentenactiviteit bestaat. Voor monumenten gaat het om de artikelen 7.201 tot en met 7.205:

  • slopen van monumenten;
  • gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;
  • wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of anderszins wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen daarvan;
  • gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
  • eisen aan tekeningen van monumenten.

Deze uitsplitsing zorgt dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) alleen worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die relevant voor ze zijn. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument en zijn monumentale waarde en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten rijksmonumenten van toepassing zijn.

De gemeente kan aangeven welke documenten bij een aanvraag moeten worden gevoegd, bij voorkeur tijdens het vooroverleg. Dit is afhankelijk van de aard en de omvang van de werkzaamheden en het soort monument. Voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan zijn bijvoorbeeld meer gegevens en documenten nodig dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties wordt een bouwhistorisch onderzoek aangeraden, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet hoeft. Ook de plek van de werkzaamheden maakt uit. Bij werkzaamheden in het interieur zijn interieurfoto’s nodig, maar weer niet als het alleen om de buitenkant van het monument gaat.

Naast de aanvraagvereisten in de Omgevingsregeling kan de gemeente zo nodig nog andere informatie vragen, die in het specifieke geval nodig is voor de beoordeling van de aanvraag.

Een complete aanvraag geeft een duidelijk beeld van de huidige en toekomstige situatie én van de gevolgen voor de monumentale waarden. Als de monumentale waarden van het monument niet duidelijk omschreven zijn, is nader bouwhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek nodig. Zo’n onderzoek geeft inzicht in de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor de monumentale waarden. Denk aan:

  • verlies van authentiek (bouw)materiaal;
  • wijziging van de gevels;
  • verandering van de inwendige structuur en afwerking;
  • wijziging van de (hoofd)vorm;
  • wijziging van een beschermde (tuin)aanleg, bijvoorbeeld het kappen van monumentale bomen, het wijzigen van de padenstructuur, of het dichtzetten van een zichtas.

Bij een onvolledige vergunningaanvraag krijgt de aanvrager een verzoek om aanvulling, met een beroep op artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Samenloop met andere Omgevingswet-activiteiten

Voor dezelfde werkzaamheden (fysieke handelingen) kunnen verschillende omgevingsvergunningen nodig zijn. De werkzaamheden vallen dan onder verschillende categorieën vergunningplichtige activiteiten, die in de tijd niet gescheiden kunnen worden verricht. Dit worden ook wel ‘onlosmakelijke activiteiten’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is het verbouwen van een rijksmonument: dat is onder de Omgevingswet zowel een bouwactiviteit als een rijksmonumentenactiviteit. In zulke gevallen moet behalve een omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit ook voor de daarmee onlosmakelijk samenhangende activiteiten een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Daarvoor gelden dan aparte aanvraagvereisten. Aan de hand van de vragenboom in de Vergunningcheck in het Omgevingsloket wordt duidelijk wanneer de voorgenomen werkzaamheden ook als een andere Omgevingswet-activiteit gelden. Uit het aanvraagformulier in het omgevingsloket blijkt vervolgens de bijbehorende aanvraagvereisten.

De aanvrager kan voor meerdere vergunningplichtige activiteiten tegelijk één aanvraag indienen of de aanvragen los en gespreid in de tijd doen. Belangrijk voordeel van het gelijktijdig aanvragen, is dat hiermee een samenhangende beoordeling van de betrokken activiteiten aan de daarop van toepassing zijnde beoordelingsregels mogelijk is. En dat voorschriften die aan de vergunningen worden verbonden inhoudelijk beter op elkaar kunnen worden afgestemd. De aanvrager ontvangt hiermee één besluit van één bestuursorgaan dat ook integraal bevoegd gezag is voor toezicht en handhaving van de omgevingsvergunning.

Voor bouwactiviteiten met betrekking tot een gebouwd monument geldt een dergelijke samenhang in het bijzonder, omdat de toepasselijkheid van bepaalde regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving mede afhankelijk kan zijn van de vergunningvoorschriften die worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor de betrokken rijksmonumentenactiviteit. Dit kan ertoe leiden dat als de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit eerder wordt aangevraagd en verleend, deze weer moet worden gewijzigd als de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit daartoe aanleiding geven. De aanvrager zal er dus bij gebaat zijn de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit gelijktijdig of eerder aan te vragen dan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.

Om de voorgenomen werkzaamheden te mogen verrichten, moeten uiteraard eerst alle vereiste omgevingsvergunningen zijn verleend.

Adviseurs

De gemeentelijke adviescommissie (voorheen monumentencommissie) adviseert B&W over alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, ook als een ander bestuursorgaan dan B&W bevoegd gezag is. In dat laatste geval adviseert B&W aan het bevoegd gezag, met medeneming van het advies van de gemeentelijke adviescommissie.

De gemeente vraagt in de volgende gevallen ook advies over de aanvraag aan de RCE (namens de Minister van OCW; artikel 4.32 lid 1 onder b Omgevingsbesluit). Het gaat hierbij om activiteiten die ingrijpende gevolgen (kunnen) hebben voor de monumentale waarden:

  • slopen van het monument of een deel daarvan, als het gedeeltelijk afbreken ingrijpend is voor de monumentale waarden;
  • ingrijpend wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan, als de gevolgen voor de monumentale waarden vergelijkbaar zijn met die van het voornoemde slopen;
  • reconstrueren van het monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij het monument wordt teruggebracht in een (veronderstelde) eerdere staat;
  • wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan voor een gebruiksverandering, als dat ingrijpende gevolgen heeft voor de monumentale waarden; of
  • verplaatsen van het monument of een belangrijk deel daarvan.

De RCE brengt vervolgens namens de minister van OCW advies uit aan B&W. De adviestermijn is maximaal 6 weken. Deze termijn gaat in op de datum van het adviesverzoek, mits alle voor het advies benodigde gegevens zijn bijgevoegd. Dit zijn alle stukken die noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag. Gedeputeerde staten (GS) hebben een adviesrecht in dezelfde gevallen als de minister van OCW, als het rijksmonument buiten de bebouwde kom ligt. Ook voor GS is de adviestermijn maximaal 6 weken.

Voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning

De Omgevingswet kent twee verschillende voorbereidingsprocedures voor de behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning: de reguliere en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. De uitgebreide procedure is in hoofdlijnen de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het bevoegd gezag vraagt in de uitgebreide procedure advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag kan dan alle adviezen meenemen in een ontwerpbesluit. De procedure verloopt sneller als de adviseurs tegelijkertijd om advies worden gevraagd en niet na elkaar. Bij rijksmonumenten geldt de uitgebreide procedure bij de eerdergenoemde ingrijpende activiteiten (artikel 10.24 lid 1 Omgevingsbesluit; zie ook hiervoor: ‘Adviseurs’). In alle overige gevallen geldt de reguliere procedure.

Met de reguliere voorbereidingsprocedure krijgt de aanvrager binnen 8 weken een besluit op de aanvraag, tenzij de beslistermijn wordt verlengd (met maximaal 6 weken; artikel 16.64 Omgevingswet). Een verlenging moet worden bekendgemaakt binnen de beslistermijn van 8 weken. Als het bevoegd gezag deze termijn overschrijdt zonder een beslissing te nemen, volgt in tegenstelling tot het oude recht geen vergunningverlening van rechtswege (de zogenoemde positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, ofwel lex silencio positivo).

Bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure neemt het bevoegd binnen 6 maanden een besluit op de aanvraag (artikel 3:18 lid 1 Awb). Verlenging met maximaal 6 weken is mogelijk bij ingewikkelde of omstreden onderwerpen, mits bekendgemaakt en gemotiveerd binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag (artikelen 3:18 lid 2 Awb en 16.66 Omgevingswet).

Voor zowel de reguliere als de uitgebreide voorbereidingsprocedure is de in de Awb opgenomen regeling voor de dwangsom bij niet tijdig beslissen van toepassing. Om een dwangsom af te dwingen, laat de aanvrager het bevoegd gezag eerst schriftelijk weten dat de beslistermijn is verstreken. Dit heet in gebreke stellen. Het bevoegd gezag heeft dan 2 weken de tijd om alsnog een beslissing te nemen. Gebeurt dat niet, dan gaat de dwangsom automatisch lopen. Voor het in gebreke stellen van de overheid is op www.rijksoverheid.nl een standaardformulier ‘Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ te downloaden.

Besluit op de aanvraag

Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag beoordelingsregels toepassen. Voor een rijksmonumentenactiviteit bepalen die regels dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend “als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg” (artikel 8.80 Besluit kwaliteit leefomgeving). Ook moet het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag rekening houden met een aantal beginselen uit internationale verdragen:

  1. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten;
  2. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
  3. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en
  4. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Het voorgaande betekent allereerst dat er een belangenafweging moet worden gemaakt. Het gaat steeds om een belangenafweging in het concrete geval. De beoordelingsregels vormen geen gedetailleerd uitgewerkt toetsingskader aan de hand waarvan de belangen die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit aan de orde zijn, tegen elkaar afgewogen zouden kunnen worden. Dit komt doordat de af te wegen belangen van geval tot geval verschillen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), leiden er wel toe dat al deze betrokken belangen in de afweging die aan een beslissing op de vergunningaanvraag ten grondslag gelegd wordt, aan de orde moeten komen.

Het betreft in de eerste plaats het belang van het behoud van het rijksmonument en de monumentale waarde ervan, maar ook het belang van de aanvrager bij het gebruik van het monument, en de direct betrokken belangen van derden. Dat zijn bijvoorbeeld omwonenden, particuliere monumentenorganisaties en historische verenigingen, maar ook de minister van OCW. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument en zijn monumentale waarden voorop.

Wanneer de monumentale waarden nog niet (voldoende) bekend zijn, zullen deze voorafgaand aan de aanvraag (nader) vastgesteld moeten worden. Dat kan bijvoorbeeld door middel van cultuurhistorisch en bouwhistorisch onderzoek. Bij gebouwen gaat het zowel om de monumentale waarde van het exterieur als die van het interieur. Een rijksmonument is immers beschermd inclusief al zijn bestanddelen, ook die in het interieur. Ook als alleen de buitenkant is beschreven in de omschrijving bij de aanwijzing.

Als de monumentale waarden voldoende in beeld zijn, zal worden beoordeeld wat het effect van de voorgenomen activiteit is op de aanwezige monumentale waarden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de mate waarin authentiek materiaal verdwijnt, naar veranderingen in het beeld en naar de (inwendige) structuur van het monument.

Het bevoegd gezag houdt uitdrukkelijk ook rekening met het gebruik van het monument. Hierbij gaat het niet om de publiekrechtelijke, planologische functietoedeling, maar om de gebruiksmogelijkheden voor de eigenaar of gebruiker. Niemand heeft voordeel van leegstand en verval. Eigentijds gebruik van een monument moet, soms met wat creativiteit, mogelijk blijven.

Niet elke aantasting van de monumentale waarden van een rijksmonument hoeft dus te leiden tot weigering van de vergunning. Maar als de uitkomst van de belangenafweging is dat de omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit niet kan worden verleend, kunnen ook eventuele andere, er onlosmakelijk mee samenhangende activiteiten niet worden uitgevoerd. Ook niet als daarvoor wel een vergunning is verkregen.

Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag is verplicht om aan een omgevingsvergunning voorschriften te verbinden die nodig zijn voor de belangen die zijn opgenomen in de beoordelingsregels (artikel 5.34 lid 1 Omgevingswet). Het gaat dan om het belang van de monumentenzorg en om de internationaalrechtelijke beginselen in de beoordelingsregels (artikel 8.80 Besluit kwaliteit leefomgeving). Zo kan het bevoegd gezag de vergunninghouder bijvoorbeeld verplichten bouwhistorische expertise in te schakelen vóór en tijdens de werkzaamheden of de werkzaamheden te laten uitvoeren conform de normen in de desbetreffende beroepsgroepen.

Met het belang van de monumentenzorg wordt niet alleen het belang van het desbetreffende rijksmonument bedoeld, maar ook het bredere belang van de (archeologische) monumentenzorg. Zo komt het voor dat er bij sloop van een rijksmonument met vergunning onderdelen en materialen ter beschikking komen – bijvoorbeeld een gebeeldhouwde geveltop – die van nut kunnen zijn bij het restaureren van andere monumenten. Als aan de vergunning het voorschrift wordt verbonden dat afkomende onderdelen of materialen voor een restauratie van een ander monument ter beschikking moeten worden gesteld, is dit strikt genomen niet in overeenstemming met het belang van het rijksmonument zelf, maar wel met dat van de monumentenzorg als geheel.

Bij een voorgenomen verplaatsing van een (deel van een) gebouwd monument is het bevoegd gezag verplicht specifieke voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden (artikel 8.82 Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze verplichting dient ter uitvoering van artikel 5 van het verdrag van Granada. Het gaat hierbij om voorschriften over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen naar en de herbouw van dat bouwwerk op een geschikte nieuwe locatie. Die geschikte nieuwe locatie moet er dus ook zijn om over een voorgenomen verplaatsing te kunnen besluiten. Opslag behoort daar niet toe, omdat het monument daar niet tot zijn recht komt.

Als een rijksmonumentenactiviteit van invloed is op een archeologisch monument dat zich (naar verwachting) onder het desbetreffende gebouwde of aangelegde rijksmonument bevindt, kunnen aan de omgevingsvergunning vergunningvoorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg (artikel 8.81 Besluit kwaliteit leefomgeving). Zo heeft het aanleggen van vloerverwarming in een kerk onder een zerkenvloer ook impact op de graven en resten van eventuele voorgangers van de kerk, en het uitbaggeren van een slotgracht op het daarbij vrijkomende bodemarchief afkomstig van het slot of eventuele voorgangers. Voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg zullen met name aan de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit kunnen worden verbonden zolang er op die locatie nog geen adequaat gemeentelijk beschermingsregime voor archeologische monumenten bestaat. Is dat er wel, dan zullen de voorschriften in dat kader aan een omgevingsvergunning worden verbonden.

Inwerkingtreding omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning treedt bij de reguliere procedure in beginsel in werking op de dag na bekendmaking van het besluit tot vergunningverlening, en in de uitgebreide procedure op de dag na terinzagelegging van het definitieve besluit (artikel 16.79 Omgevingswet).

Hierop is één belangrijke uitzondering, namelijk als de vergunde activiteit binnen vier weken na de bekendmaking of terinzagelegging kan leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en de beoordelingsregels voor vergunningverlening ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. Omdat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit er zijn om het rijksmonument en zijn monumentale waarden te behouden, is deze uitzondering bij dergelijke onomkeerbare handelingen aan de orde. Als deze uitzondering naar het oordeel van het bevoegd gezag van toepassing is, moet het in de omgevingsvergunning bepalen dat deze pas vier weken na bekendmaking (reguliere procedure) respectievelijk terinzagelegging (uitgebreide procedure) in werking treedt.

Als er binnen voornoemde periode van vier weken een voorlopige voorziening is gevraagd bij de bestuursrechter (voorzieningenrechter), treedt de omgevingsvergunning pas in werking als op dat verzoek is beslist (artikel 16.79 lid 4 Omgevingswet). Belanghebbenden die last hebben van deze opschorting kunnen de rechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen.

Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het voorgaande bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en opschorting ook niet via een voorlopige voorziening kan.

Beroep schort de werking van de vergunning niet op. Opschorting kan alleen via een voorlopige voorziening van de bestuursrechter.

Rechtsbescherming

De rechtsbeschermingsmogelijkheden verschillen iets per voorbereidingsprocedure. Bij de reguliere procedure kunnen de aanvrager en andere belanghebbenden een bezwaarschrift indienen tegen een beslissing op de aanvraag waarmee zij het oneens zijn. Als zij het ook niet eens zijn met de beslissing van het bevoegd gezag op bezwaar, staat er beroep open bij de rechtbank en daarna hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook bij de uitgebreide procedure geldt er rechtsbescherming in drie instanties. In plaats van de mogelijkheid van bezwaar kan iedereen – bijvoorbeeld buren, belangengroepen, de aanvrager of de RCE namens de minister van OCW – reageren op het ontwerpbesluit in een ‘zienswijze’. Het ontwerpbesluit wordt door het bevoegd gezag 6 weken ter inzage gelegd voordat het een definitief besluit neemt. Op basis van al deze inbreng stelt het bevoegd gezag een definitief besluit op. Daarna is er nog beroep mogelijk bij de rechtbank en ten slotte hoger beroep bij de Raad van State.

Toezicht en handhaving

Het bevoegd gezag, dus doorgaans de gemeente, is bevoegd tot toezicht en bestuursrechtelijke handhaving van de omgevingsvergunningplicht.

Het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verrichten van een rijksmonumentenactiviteit geldt als een economisch delict en is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed, artikel 1a). De maximale gevangenisstraf is in geval van een misdrijf (een opzettelijke overtreding) zes jaren, of bij een overtreding één jaar. De maximale geldboete is bij een misdrijf een boete van de vijfde categorie (€ 90.000) en bij een overtreding een boete van de vierde categorie (€ 22.500), maar kan als het financiële voordeel van de overtreding hoger is dan ¼ van dit bedrag verhoogd worden tot de naasthogere categorie (de zesde boetecategorie = max. € 900.000). Naast deze straffen is er nog een scala aan bijkomende straffen en op te leggen maatregelen mogelijk, zoals het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel of het alsnog laten doen wat wederrechtelijk is nagelaten (artikelen 6 t/m 9 Wed).

In het kader van bestuursrechtelijke handhaving kan het bevoegd gezag, als de strafrechtelijke weg niet wordt gevolgd, op grond van artikel 18.13 Omgevingswet desgewenst een bestuurlijke boete opleggen. De maximale boete is een bedrag van de vijfde categorie (€ 90.000).

Iedereen die kennis draagt van een strafbaar feit kan daarvan aangifte doen bij de politie.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geeft voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Ook bij beschermde monumenten moet men rekening houden met de voorschriften van het Bbl. Voor gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten bevat artikel 2.8 Bbl een ontheffingsmogelijkheid. Hiermee kan het bevoegd gezag voorkomen dat bij bouwwerkzaamheden aan een (voor)beschermd monument de voorschriften van het Bbl voor bestaande bouw (H3), nieuwbouw (H4) of verbouw/verplaatsing (H5) onwenselijke effecten op de monumentale waarden hebben. De ontheffing komt erop neer dat als voor het wijzigen van een (voor)beschermd monument een omgevingsvergunning wordt verleend en deze vergunning of de daaraan verbonden voorschriften afwijken van de voorschriften van het Bbl, uitsluitend de voorschriften van de omgevingsvergunning van toepassing zijn. Een omgevingsvergunning zonder expliciete afwijkende voorschriften, voor een van het Bbl afwijkend bouwplan geldt dus ook als een omgevingsvergunning met afwijkende voorschriften. Wanneer duidelijk is dat toepassing van een voorschrift van het Bbl een ongewenst effect zal hebben op de monumentale waarden, is het dus belangrijk dat hier via de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het beschermde monument – in dit geval die voor de rijksmonumentenactiviteit – van af wordt geweken. Om misverstanden te voorkomen het liefst via een voorschrift dat expliciet afwijkt van de voorschriften van het Bbl.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

    Hoort bij deze thema's

    Specialist(en)


      Reageren
      U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

      Wilt u ons helpen?
      De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
      Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

      Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 17 aug 2022 om 13:28.