Panorama Landschap - Alblasserwaard en Vijfheerenlanden

Introductie

De regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is langs de Merwede en de Noord vrijwel geheel bebouwd, het centrale en oostelijke veengebied is open en agrarisch. Een lange afwateringsgeschiedenis uit zich in de complexe situatie bij Kinderdijk (Werelderfgoed). Langs de Diefdijk liggen werken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van Kinderdijk.
Afb. 1. Kinderdijk. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Alblasserwaard.
Afb. 2. Alblasserwaard. Foto: Google Maps
Luchtfoto van het wiel van Bassa. Meer met weiland en (snel(weg eromheen.
Afb. 3. Wiel van Bassa. Foto: Paul Paris
Zwart wit luchtfoto van het Lingebos.
Afb. 4. Lingebos in 1969. Foto: Staatsbosbeheer
Bunker voor de Diefdijk.
Afb. 5. Bunker bij Diefdijk . Foto: Paul Paris
Kaart van Alblasserwaard en Vijheerenlanden.
Afb. 6. Alblasserwaard en Vijheerenlanden

Karakteristiek

De Alblasserwaard en Vijfheerenlanden bestaan uit uitgestrekte laagveengebieden, gelegen tussen de Lek en de Merwede. In het oostelijke deel gaat het veengebied over in het rivierkleilandschap, terwijl het westelijke deel een overgang vormt naar het zeekleigebied. Het nog aanwezige agrarische cultuurlandschap van de regio heeft alle kenmerken van alom bekende Hollandse veengebied en is exemplarisch te noemen.

Het landschapsbeeld van de regio is opvallend: het centrale deel en de oostelijke helft zijn open met kleine dorpen en stadjes en zijn in gebruik voor landbouw. Langs de Noord, Waal en Merwede is sprake van een vrijwel aaneengesloten stedelijk gebied van Gorinchem tot Alblasserdam, doorsneden door de infrastructuurlijnen van de A15, de Betuwelijn en hoogspanningsleidingen. Van noord naar zuid lopen de snelwegen A2 en A27.

Het veengebied wordt doorsneden door veenrivieren als de Alblas en de Giessen. Vóór de grootscheepse, regelmatig geplande ontginning in de middeleeuwen was in het gebied alleen bewoning mogelijk op de natuurlijke hoogten (donken). Hier zijn prehistorische bewoningssporen gevonden, waarmee ze een archeologisch monument van internationaal belang vormen.

Vanaf de 10de eeuw werd het veengebied ontgonnen en ontstond het kenmerkende landschap met lange, smalle kavels en boerderijlinten langs de ontginningsas. De sloten, tochten en weteringen tonen de verschillende fasen van de lange en ingewikkelde afwateringsgeschiedenis. De molens van Kinderdijk die op de Werelderfgoedlijst staan, zijn hiervan het meest in het oog springende voorbeeld.

Langs de Diefdijk liggen tal van militaire werken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Langs de A15 bij Giessen staan drie grote windturbines, rond Bleskensgraaf staat een drietal kleinere turbines.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

In het pleistoceen, de periode van de ijstijden, hebben de grote rivieren veel zand afgezet. Het huidige gebied van Alblasserwaard en Vijfheerenlanden was toen een uitgestrekte riviervlakte. Droog zand verwaaide en vormde rivierduinen of donken. Verspreid in het gebied steken donken boven het veen of de rivierklei uit. In de Alblasserwaard vinden we een grote groep dicht bij elkaar.

Holoceen

Na afloop van de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden, werd het klimaat warmer. De rivieren veranderden van vlechtend in meanderend en voerden vooral klei aan. Ze traden regelmatig buiten hun oevers, waarbij afzettingen plaatsvonden. De grootste en zwaarste korrels werden het eerst neergelegd. Hierdoor ontstonden er direct langs de rivier twee zandige, iets hogere gelegen ruggen: de oeverwallen. Verder weg werd komklei afgezet.

Tussen de Lek en de Merwede ontstond een uitgestrekt veenmoeras, waar veenriviertjes het water afvoerden uit het centrale, hoger gelegen deel. Bij hoog water overstroomden de rivieren de veengebieden. De randen werden daardoor overdekt met een kleilaag. In het centrum van het gebied ontbreekt een dergelijke laag rivierklei.

In de regio heeft geen grootscheepse vervening plaatsgevonden. De kwaliteit van de turf was hiervoor te slecht. Wel is op kleine schaal turf gestoken voor eigen gebruik. Brede sloten en veenputjes getuigen hiervan.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot de Rijn-Maasdelta. Daarbinnen zijn als landschapszones veenvlakten, overstromingsvlakten, stroom- en crevasseruggen en overslaggronden onderscheiden. Enkele kleine gebiedjes zijn als uiterwaard gekarteerd.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

In het natte gebied ontstonden hoge rivierduinen. Deze donken waren aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor de mens. Veel donken bevatten dan ook sporen van oude bewoning. Omdat veel donken grotendeels of helemaal door veen bedekt zijn geweest, zijn die oude bewoningsresten goed bewaard gebleven.

De oudste, bij Hardinxveld-Giessendam opgegraven sporen van menselijke aanwezigheid stammen uit het eind van de middensteentijd (vanaf 7500 jaar geleden). Het gaat om kampementen van jagers-verzamelaars, mensen die leefden van wat de natuur te bieden had. Hier was dat vooral de jacht en de visvangst. In de laatste fase van deze vroege donkbewoning werden huisdieren gehouden, een teken dat men geleidelijk overschakelde op de landbouw. Ook in meer recente tijden zijn donken als woonplaats gebruikt: Streefkerk, Noordeloos en Hoog-Blokland zijn voorbeelden van dorpen die op donken zijn ontstaan. De oeverwallen langs de grote rivieren en de stroomruggen van vroegere rivieren, zoals de oost-west lopende Schoonrewoerdse Stroom, lagen ook iets hoger dan hun omgeving. Hierop zijn verschillende nederzettingen uit het einde van de jonge steentijd en het begin van de bronstijd (ongeveer 4000 jaar geleden) aangetroffen.

In de Romeinse tijd bevonden zich onder meer woonplaatsen op de oeverwal van de Linge bij Leerdam en in het noorden van het gebied. In de laat-Romeinse tijd liep de omvang van de bevolking sterk terug en werden de meeste nederzettingen verlaten.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Ontginningen en verkavelingspatronen

Het gebied is vanaf de 8ste eeuw (opnieuw) ontgonnen vanuit de oeverwallen van de Lek, Linge en Merwede. Later werden ook de Alblas en de Giessen gebruikt. Verschillende dorpen, zoals Kedichem, hadden grote aaneengesloten akkercomplexen of engen op de oeverwallen liggen. Vanuit de oeverwallen trok men het veen in. Dat gebeurde in smalle stroken. Sloten werden haaks gegraven op de rivieren om het veen te ontwateren, waarna het in gebruik kon worden genomen. Deze ontginningsblokken zijn te herkennen aan de lange kavels. Er was nog geen achtergrens bepaald zodat de boeren hun perceel konden doortrekken: de zogenaamde ‘vrije opstrek’. We vinden hier ook tiendwegen (een kade met twee sloten, dwars op de perceelsrichting en evenwijdig aan de rivier). De niet ontgonnen woeste gronden kwamen vanaf de 10de eeuw in bezit van de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht. Nadat de achtergrens was vastgesteld, werd de ‘Grote Ontginning’ van de woeste gronden in hun opdracht systematisch ter hand genomen. In drie eeuwen werd op deze wijze het gehele veengebied ontgonnen via deze zogenaamde ‘cope-ontginningen’. Er werd een ontginningsbasis uitgezet, meestal een nieuw te graven wetering. Evenwijdig hieraan werd de achtergrens van het ontginningsblok in het land uitgemeten. Als de ontginningsbasis een bocht vertoonde dan kreeg de achterkade dezelfde bocht, zoals in de polder Brandwijk. Bij cope-ontginningen had elke strook dezelfde lengte (circa 1250 meter) en breedte (circa 113 meter). Aan de kop van elke strook werd een boerderij gesticht, waardoor lintdorpen ontstonden. Ook de zijgrenzen van het blok werden uitgezet en gemarkeerd door kades of sloten. Zo ontstond een ordelijk, efficiënt, regelmatig ingedeeld landschap. Verschillende dorpsnamen in de Vijfheerenlanden eindigen op -kop of -cop (zoals Heicop en Middelkoop), die daarmee hun oorsprong als cope-ontginning verraden.

Cope-achtige ontginningen ontbreken vrijwel geheel in de Alblasserwaard; alleen de latere ontginningen van Molenaarsgraaf en Brandwijk kunnen we hiertoe rekenen. De Alblasserwaard wordt gekenmerkt door een vrijwel aaneengesloten reeks van op de rivier gerichte, dicht bebouwde dorpen, waarvan er een aantal tegenwoordig uitgegroeid zijn tot forse nederzettingen, die het gebied omzomen. Achter de bebouwing ligt het grasland in lange stroken, min of meer haaks op de rivierdijken. Deze structuur vertoont overeenkomsten met het patroon van de andere Waarden. In de zuidelijke randzone verbreekt het veenriviertje de Giessen de doorgaande rij van de op de rivier gerichte nederzettingen. Het land aan weerskanten van de Alblas en de Giessen is vanuit de oever ontgonnen, zodat aan beide kanten bewoningslinten ontstaan zijn.

In het oostelijke deel van de Alblasserwaard en het aangrenzende deel van de Vijfheerenlanden is de percelering onregelmatig van karakter. Enerzijds komt dit doordat men de kronkelende veenstroompjes gebruikte als ontginningsbasis en anderzijds omdat hier veel donken voorkomen.

De nieuw ontgonnen gronden waren in de eerste eeuwen nog wel geschikt voor akkerbouw, maar door de voortdurende bodemdaling was dit op den duur niet vol te houden. Uiteindelijk schakelde men over op melkveehouderijen, wat nog steeds het geval is bij de overgebleven landbouwbedrijven. Het agrarische grondgebruik wordt daardoor nu nagenoeg geheel bepaald door grasland. In de 18de en 19de eeuw was rond de boerderijen hennepteelt in zwang. De hennep diende als grondstof voor de fabricage van touw. De hennepplanten zorgden voor een meer besloten landschapsbeeld dan nu het geval is.

Langs de Merwede vond in onder meer Boven-Hardinxveld (zalm) visserij plaats. Ook deze is intussen verdwenen.

Bodemdaling, bedijking, waterbeheersing en bemaling

Problemen met waterbeheersing begonnen rond 1300 toe te nemen. Dit had drie oorzaken. In de eerste plaats was er de stijging van de zeespiegel en daarmee de waterstanden op de rivieren. Ten tweede waren door bevolkingsgroei ook lagere gronden in productie genomen, die kwetsbaar voor overstromingen waren. Ten derde leidden de ontginningen tot klink en oxidatie van het veen met bodemdaling tot gevolg. Om zich tegen het water te beschermen legde men terpen, kades of zijdwendes rondom de ontginningen en dijken langs de rivieren aan. De oudste dijken dateren uit de eerste helft van de 12de eeuw.

Door de aanhoudende bodemdaling voldeed dit na verloop van tijd meer. Vanaf de 13de eeuw werden de doorgaande dijken langs de grote rivieren aangelegd. Hierdoor verminderde de frequentie van de overstromingen, maar als de dijk brak was de schade wel veel groter. Daarom zijn veel boerderijplaatsen opgehoogd. Nog steeds zijn lichte verhogingen in het landschap te zien. Dit kunnen opgehoogde woonplaatsen zijn, maar ook het gevolg van een verschil in oxidatie (resthemen, zoals te zien is bij de kerk van Brandwijk) of het zijn donken (rivierduinen).

De hele regio helt in westelijke richting flauw af, waardoor de gebieden overlast hadden van water uit Gelderland. Om de ontginningen te beschermen tegen ‘Gelders’ water werd in de tweede helft van de 13de eeuw de Diefdijk aangelegd. De functie van deze dijk is in feite altijd blijven bestaan en nog steeds kan de coupure in de dijk, veroorzaakt door de kruising met de A2, worden afgesloten. Door die permanente functie is de dijk in de loop der tijd steeds verder opgehoogd waardoor er uiteindelijk een imposant dijklichaam in het landschap is komen te liggen. Grote wielen, stille getuigen van dijkdoorbraken tonen echter aan dat ook dit middel lang niet altijd werkte. Het Wiel van Bassa in de Diefdijk is zelfs het grootste wiel van ons land.

Door de aanleg van dijken en kaden moest ook het afwateringsysteem worden aangepast. Voorheen kon het overtollige water via de sloten rechtstreeks in de rivieren terecht. In de 14de eeuw werd de uitwatering van de Alblasserwaard verlegd naar de noordwestpunt bij Kinderdijk, waar onder invloed van eb en vloed de rivierstand het laagst was. Hier ontstond na verloop van tijd een complex van windmolens en weteringen: het huidige werelderfgoed Kinderdijk.

De invoering van de molenbemaling vanaf de 15de eeuw betekende dat de polders in de regio hun uitwatering konden verbeteren. In totaal zijn er 52 molens overgebleven in de regio.

De individuele polders konden zo hun eigen waterafvoer verbeteren met behulp van molens. Daarmee was de totale waterlossing van de regio nog niet op orde. Het polderwater kwam in boezems terecht, van waaruit het water nog moest worden uitgeslagen op de Lek. Het bijzondere aan Kinderdijk is dat hier sprake is van een getrapt systeem met een viertal boezems, waarmee de afwatering van de gehele waard werd geregeld. De schaal waarop dit door middel van samenwerking was georganiseerd, was voor die tijd opmerkelijk, ver boven het lokale schaalniveau. De poldermolens brachten het water in de Lage Boezem van de Overwaard of in de Lage Boezem van de Nederwaard. De 19 boezemmolens op Kinderdijk maalden het water vervolgens van de Lage Boezems naar de Hoge Boezems. Dit complex werd rond 1740 aangelegd en heeft tot in de 20ste eeuw gefunctioneerd. Het is in 1997 op de Werelderfgoedlijst geplaatst. Ook in Vijfheerenlanden werden boezems ingericht om het water bij hoge waterstanden op de rivier tijdelijk in op te slaan. De afwatering bleef desondanks gebrekkig. Dit had vooral te maken met de waterstaatkundige toestand van de Linge. Die loste via de vestinggrachten van Gorinchem op de Merwede. In de 19de eeuw werd dit uiteindelijk opgelost met de aanleg een stoomgemaal aan de Arkelse Dam en één aan de noordelijke punt van de Oude Zederik. Van eerstgenoemde is het gebouw bewaard gebleven.

Zoals de Diefdijk de (waterstaatkundige) scheiding tussen Holland en Gelre vormde, zo vormde de Zouwendijk de waterstaatkundige scheiding tussen de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

Recente ontwikkelingen

Vanaf de 19de eeuw zijn enkele belangrijke infrastructurele werken aangelegd. De aanleg van het Zederikkanaal in 1824-1825, in 1883-1893 verbreed tot het Merwedekanaal, verbeterde de scheepvaartverbinding tussen Amsterdam en Rotterdam. Door de beplanting met populieren aan weerszijden, is het kanaal markant in het landschap aanwezig. Het spoor kwam in 1883 in de vorm van de lijn Dordrecht-Elst. De in 2007 geopende Betuwelijn had een nog grotere landschappelijke impact. De verdiepte aanleg met geluidsschermen valt al snel op.

Vanaf de jaren 1930 zijn verschillende autowegen door de regio aangelegd. In het kader van werkverschaffing werd vanaf 1937 aan de verbinding tussen Meerkerk en Papendrecht (N214) gewerkt. Met de aanleg van de A27 (Utrecht –Breda, geopend in 1961) en de A15 (Rotterdam-Nijmegen, geopend in 1937) was voor de Tweede Wereldoorlog begonnen. De snelwegen en de Betuwelijn doorsnijden het polderlandschap zonder rekening te houden met de bestaande structuren. Na de Tweede Wereldoorlog werden, als onderdeel van de ruilverkaveling, bestaande wegen met een regionale functie verbreed (bijvoorbeeld de N216) of nieuw aangelegd (N214).

De dijkdorpen langs de Merwede en de Lek zijn in de 20ste eeuw verdicht en uitgebreid. Na de oorlog zette de ontwikkeling van de bedrijvigheid en bewoning versneld door. Boven-Hardinxveld, Sliedrecht en Papendrecht groeiden in het kielzog van Rotterdam uit tot forensensteden. Tegenwoordig vormen het zuidelijke en westelijke deel van de Alblasserwaard een bijna ononderbroken stedelijke band tussen Alblasserdam en Gorinchem met ruim 130.000 inwoners. Met name scheepswerven en baggerbedrijven zijn bekende vormen van bedrijvigheid langs de Merwede, voor de laatste vorm van bedrijvigheid vormt dit gebied de bakermat in Nederland. Nieuwe woonwijken in de dorpen zijn van de dijken af aangelegd. Beschermde dorpsgezichten zijn Kinderdijk (het Unesco-complex), Oosterwijk onder Leerdam en Noordeloos.

Door de nabijheid van Rotterdam en de bijhorende bedrijvigheid, zijn in de Alblasserwaard, bij Krimpen aan den IJssel en rondom Dordrecht meerdere hoogspanningsstations gebouwd.

Van daaruit lopen meerdere hoogspanningsleidingen door het gebied. Al met al vormen de westelijke en zuidelijke Alblasserwaard een hoogstedelijk milieu, terwijl het noorden en het centrale deel hun agrarische karakter hebben weten te behouden.

In het kader van ruilverkavelingen zijn de agrarische productieomstandigheden verbeterd door samenvoeging en vergroting van percelen, verbetering van de afwatering, vooral in de komgebieden en door aanleg van nieuwe wegen. De oorspronkelijke structuur van de polders is hierdoor op veel plaatsen aangetast.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Tielerwaard-West 12776 1958 - 1972 4,9%
Vijfheerenlanden 11755 1980 - 2005 99,8%
Giessen-Nieuwkerk 844 1955 - 1965 100,0%
Alblasserwaard 22670 1965 - 1989 100,0%

Door de afnemende economische betekenis van de landbouw zijn op diverse plaatsen de boerenbedrijven vertrokken en vervangen door recreatieterreinen, bijvoorbeeld ten zuiden van Goudriaan. Veel polders zijn rijk aan natuurwaarden. Het betreft dan vooral eendenkooien, grienden, houtsingels, schraalgraslanden in de voormalige boezemgebieden en ten slotte rietvelden langs de Oude Zederik. Er liggen drie Natura 2000-gebieden: Zouweboezem, Donkse Laagten en Boezem Kinderdijk. Bij Avelingen zijn in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier de uiterwaarden vergraven.

Specifieke thema’s

Dorpen en steden

Typerend voor dit deel van de waarden, liggend in het grensgebied van Holland, Utrecht en Gelre, zijn de stadsstichtingen door de verschillende landsheren in de middeleeuwen. Een opportunistische actie, want de meeste stadjes hebben daarna eeuwenlang geen of nauwelijks groei doorgemaakt.

Gorinchem (35.000 inwoners) is een oude vestingstad, gelegen op het punt waar de Tielerwaard, de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard bij elkaar komen. Op dit punt mondt ook de Linge in de Merwede uit. De binnenstad wordt vrijwel geheel omgeven door 16de-eeuwse vestingwerken. In de naoorlogse uitbreidingswijken Haarwijk, Stalkaarsen en Gildenwijk gelegen langs de A27, is hoogbouw verrezen die onmiddellijk vanaf de snelweg opvalt.

Leerdam (21.000 inwoners) is ontstaan op de plaats waar ooit de Leede in de Linge uitmondde. De bouw van het kasteel Ter Leede gaf de aanzet tot de groei van de plaats. Het regelmatige patroon van de plattegrond is gebaseerd op de onderliggende agrarische verkaveling. De verdedigingswerken uit de 14de en 15de eeuw zijn vooral langs de Linge goed bewaard gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog is de stad flink gegroeid tot over het spoor. De in Leerdam gevestigde glasfabriek geniet landelijk bekendheid.

Vianen (16.000 inwoners) was gedurende de middeleeuwen de zetel van de heren van Vianen. De zeer brede Voorstraat en de nog aanwezige vestingwerken, met onder meer de Lekpoort zijn heel kenmerkend voor Vianen. De Lekdijk die als doorgaande route fungeerde, is opgenomen in de oude stad. Het regelmatige patroon van de plattegrond is gebaseerd op de onderliggende agrarische verkaveling. Na de oorlog zijn vanwege de gunstige ligging nabij snelwegen en de stad Utrecht, grote bedrijventerreinen en uitbreidingswijken gebouwd. Hierdoor is het historische stadscentrum, een beschermd stadsgezicht, tussen al deze bebouwing verborgen komen te liggen.

Nieuwpoort (1.400 inwoners) was in de middeleeuwen al versterkt. Bij de inval van de Fransen in 1672-1673, werden nieuwe versterkingen aangebracht bestaande uit zes bastions, hoge wallen en een poort, die sindsdien grotendeels intact zijn gebleven. De binnenstad zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht.

Eendenkooien

In de regio liggen zes eendenkooien: De Zouwe, Brandwijk, Braakse Kooi, Achthoven, Noordeloos en Streefkerk. Daarnaast zijn op veel plaatsen nog kooirelicten te vinden zoals oude kooibossen, resten van de kooiplas of vangarmen. Eendenkooien bestaan uit een door bos omzoomde kooiplas met meerdere vangpijpen. Ook zijn wielen ‘verbouwd’ tot eendenkooi, zoals bij Ameide en Lexmond. Een eendenkooi is een vorm van lokjacht, waarbij de kooiker – samen met een kooikerhond en tamme eenden – wilde eenden naar de vangpijpen lokt en vangt. Een kooi bestaat uit een plas water met bos er omheen. Rondom de kooiplas liggen vier tot zes vangpijpen. Omdat de kooien veelal in open graslandpolders liggen, zijn de kooibossen opvallende en karakteristieke elementen. Eendenkooien zijn zeldzame landschapselementen en hebben ecologische waarde.

Defensie: de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie

De regio ligt in het grensgebied van Holland, het Sticht en Gelre. Met name Vianen was hierdoor van strategisch belang. Rondom werden vestingwerken aangelegd, waarvan belangrijke delen zijn overgebleven. Van later tijd zijn de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze werden aangelegd om de grote steden van Holland te beschermen tegen aanvallers uit het oosten.

De Oude Hollandse Waterlinie (16de – 17de eeuw) bestond uit een aantal vestingsteden, aarden verdedigingswerken en inundatiegebieden. Nieuwpoort en Gorinchem maakten deel uit van de linie. Midden door Nieuwpoort liep het inundatiekanaal waarmee de Alblasserwaard onder water kon worden gezet. De 16de-eeuwse omwalling van Gorinchem werd gebruikt ter afsluiting van de Waal. De stad had toen twaalf bastions.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie ontstond na 1815 en werd meer naar het oosten gelegd, zodat ook de stad Utrecht erbinnen kwam te liggen. Gorinchem werd opgenomen in de nieuwe line. In de Vijfheerenlanden – vooral langs de Diefdijk die als inundatiedijk diende – en rond Asperen (net buiten de regio) zijn toen tal van nieuwe verdedigingswerken aangelegd. Meest in het oog springend zijn de forten Everdingen, Asperen en Honswijk. De laatste twee liggen net buiten de regio. Vanuit de Lek kon het inundatiewater worden ingelaten. Dit waterstaatkundige systeem is nog grotendeels intact.

Tot aan de verbreding van de A2 kon de coupure in de Diefdijk via schuiven worden afgesloten. Tegenwoordig kan de coupure met betonnen balken worden gesloten. Fort Asperen diende ter beveiliging van het Linge-acces en de inundatiewaaiersluis uit 1815. Asperen (buiten de regio) is belangrijk voor de context van het militaire verhaal in Vijfheerenlanden. De plaats was van groot belang voor de aanvoer van Waalwater uit Tiel.

Langs de spoorweg aan de zuidzijde van de Diefdijk werd in 1880 fort Nieuw Schaik gebouwd. Het diende ter afsluiting van het acces, dat was ontstaan door de aanleg van de spoordijk. Bij het werk lagen beweegbare kraanbruggen, waarvan er één resteert.

Het Kanaal van Steenenhoek

In de 19deeeuw ging het rijk zich actief met het beheer van de grote rivieren bezighouden en werd Rijkswaterstaat opgericht. Een van de eerste werken die uitgevoerd werden, was de verbetering van de uitmonding van de Linge in de Merwede. Vroeger stroomde het water van de Linge via de stadsgrachten en singels van Gorinchem de Merwede in. Dit leidde vaak tot wateroverlast in Gorinchem. Om de situatie te verbeteren werd in 1818 het Kanaal van Steenenhoek gegraven, waardoor de Linge haar water verder stroomafwaarts kon lozen.

Literatuurlijst

  • Borger, G.J., A.J. Haartsen en P. Vesters, m.m.v. F. Horsten (1997) Het Groene Hart, een Hollands cultuurlandschap. Utrecht.
  • Groningen, C.L. van, 1992. De Alblasserwaard (Zeist, Rijksdienst voor de Monumentenzorg; Zwolle, Waanders Uitgevers).
  • Louwe Kooijmans, L.P. , 2001. Archeologie in de Betuweroute: Hardinxveld-Giessendam De Bruin. Een kampplaats uit het Laat-Mesolithicum en het begin van de Swifterbantcultuur (5500-4450 v. Chr.), Amersfoort.
  • Oerlemans, H., 1992. Landschappen van Zuid/Holland. Den Haag.
  • Prins, L., 1992. ‘Historisch geografische inleiding’ In: C.L. van Groningen (1992) De Alblasserwaard (Zeist, Rijksdienst voor de Monumentenzorg; Waanders, Zwolle.
  • Visscher, H.A., 1986. De Alblasserwaard; kennismaking met een bijzonder polderlandschap. Dordrecht.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Alblasserwaard en Vijfheerenlanden
Algemeen Open veenpolderlandschap, met lange, smalle percelen, waterrijkdom
Open centraal deel, aaneengesloten bebouwing in zuiden
Kinderdijk Werelderfgoed
Landbouw Planmatige cope-ontginningen met vaste maatvoering, resulterend in een veelsoortige, stelselmatige verkaveling
Veeteelt
Grienden en knotbomenrijen
Landscheidingen
Wonen Bewoningslinten in copes (1- en 2-zijdig van ontginningsas)
Hallehuisboerderijen (L- en T-varianten)
Archeologie: Donken
Bewoning langs rivieren én langs linten
Vianen
Leerdam
Gorinchem en aangrenzende bebouwing naar het westen langs de Merwede tot Alblasserdam
Waterstaat Waterrijk door kavelsloten
Merwede
Lek
Linge, Alblas, Zederik, Giessen
Stelsel van boezems, lieten en weteringen, samenkomend bij Kinderdijk (Werelderfgoed)
Dijken (o.a. Diefdijk en Zouwendijk), sluizen, gemalen, molengangen (Kinderdijk)
Tiendwegen
Infra A2, A15, A27
N3/N214, N216, N484
Betuweroute (goederenvervoer)
Spoorlijn Dordrecht-Geldermalsen (MerwedeLingelijn)
Merwedekanaal / Kanaal van Steenenhoek
Defensie Oude Hollandse Waterlinie elementen Nieuwpoort en Gorinchem
Nieuwe Hollandse Waterlinie elementen: Diefdijk met coupure A2, fort Everdingen, Gorinchem
Vestingstad Vianen (zie ook wonen)
Jacht Eendekooien
Delfstoffenwinning Kleinschalige sporen turfwinning voor eigen gebruik
Religie Kerken onderdeel stedelijk en dorpse weefsel. Silhouetten dorpskerken goed te zien in het open veenlandschap, fungeren vaak als baken.
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.