Panorama Landschap - Beiler- en Dieverderdingspel

Introductie

Deze regio bestaat uit een lang bewoond zandlandschap met essen (kampen als het reliëf kleinschaliger is) en beekdalen. Er is relatief veel heide te vinden. Het Dwingelerveld is een Nationaal Park. Meppel is de grootste nederzetting in de regio. In het noordwesten de regio’s liggen Frederiksoord en Wilhelminaoord, twee zogenaamde Koloniën van Weldadigheid.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Dwingeloose Heide met schapen en wolken aan de lucht.
Afb. 1. Dwingeloose Heide. Foto: Paul Paris
Diever Hunebed. Op de achtergrond bomen en struiken.
Afb. 2. Diever Hunebed. Foto: Paul Paris
Dwingelderveld radiotelescoop.
Afb. 3. Dwingelderveld radiotelescoop. Foto: Paul Paris
Knooppunt van vaarwegen in Meppel. In het midden een boot en huizen.
Afb. 4. Knooppunt van vaarwegen in Meppel. Foto: Wim van der Ende
Kaart van Beiler- en Dieverderdingspel.
Afb. 5. Beiler- en Dieverderdingspel

Karakteristiek

Het zandgebied in de regio zuidwest-Drenthe kent een lange bewoningsgeschiedenis van ruim 5.000 jaar. Op het hoger gelegen Drents Plateau ligt het karakteristieke Drentse esdorpenlandschap, met brinkdorpen, essen, kampen, groenlanden en heidevelden. Waar bredere dekzandwelvingen voorkwamen, konden grotere akkercomplexen ontstaan. Waar het reliëf meer variatie vertoonde, liggen kampontginningen en kleine gehuchten, zoals ten noorden van de Reest. Beekdalen werden gebruikt als hooiland en weidegrond, de woeste gronden dienden als leverancier van plaggen en als weidegrond voor het vee.

De 19de-eeuwse en latere heideontginningen, zoals het Ruinerveld en het Pesserveld, hebben een regelmatiger inrichting dan het oude cultuurland. Andere delen van de woeste grond zijn omgezet in bos, terwijl in deze regio relatief veel heide bewaard is, zoals in de Nationale Parken Dwingelderveld en Drents-Friese Wold.

In het zuiden van de regio komen veenontginningen voor. De inrichting en het gebruik wijken hier af van het zandgebied. Hier liggen streekdorpen met een opstrekkende percelering.

In en nabij de regio komen enkele bijzondere gebruiksvormen voor: de Koloniën van Weldadigheid Wilhelminaoord en Frederiksoord, militaire oefenterreinen en het terrein van de sterrenwacht. De regio is een overwegend agrarisch gebied met enkele grote boswachterijen. Meppel is de enige stad in de regio. Al eeuwenlang is het de toegangspoort tot de provincie en heeft het goede verbindingen met de rest van het land. De snelwegen en de spoorlijnen in de regio lopen alle via Meppel: de A28 en A32 en de spoorlijnen naar Zwolle, Hoogeveen en Leeuwarden. Beilen is na Meppel de grootste nederzetting, de andere dorpen, waarvan Diever het belangrijkste is, volgen qua inwoneraantal op afstand.

Door de regio lopen meerdere hoogspanningsleidingen. Vanaf Meppel loopt er een110kV leiding, parallel aan de A32 en het spoor. Er loopt ook een leiding langs de A28 uit het zuiden via Zuiderwolde richting het noorden. Er staan geen windturbines in de regio.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

In het saalien, de voorlaatste ijstijd, werd door het landijs een laag keileem afgezet, een mengsel van zand, leem en keien, dat op een groot deel van het Drents Plateau aan de oppervlakte ligt.

Bij Havelte en Zuidwolde werd het keileem door het ijs tot lage heuvels of ruggen opgestuwd. Ten zuiden van de rand van het ijs, stroomde smeltwater naar het westen en werd een breed dal gevormd, dat later is opgevuld door veen en afzettingen van de Reest en de Overijsselse Vecht.

Nadat het landijs in Drenthe was afgesmolten, is het keileem aan de randen door erosie aangetast. In deze tijd is het huidige afwateringsstelsel ontstaan met beken als de Steenwijker Aa, Beilerstroom en de Havelter Aa. Bij Meppel komen meerdere beken samen.

In het weichselien, de laatste ijstijd, bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste er een toendraklimaat en was de bodem permanent bevroren (permafrost). De wind had vrij spel en zette een laag dekzand af in de hele regio. Op veel plaatsen in de regio komen pingoruïnes voor: een heuveltje waaronder zich in de ijstijd een ijslens bevond. Toen het ijs uiteindelijk smolt blijft er een laagte met een ringwal over: de pingoruïne. Het zijn nu kleine meertjes met een lage wal eromheen. Op de Dwingeloosche heide en de Gijsselterkoelen komen ze voor. Er zijn ook laagten die te boek staan als uitblazingskommen of doodijsgaten.

Holoceen

Zo’n 10.000 jaar geleden, begon het holoceen. Het klimaat werd warmer en vochtiger en er ontwikkelde zich een gesloten vegetatiedek. In afgesloten laagten en langs de randen van Drents Plateau trad veenvorming op. Het zandgebied werd hierdoor moeilijk bereikbaar.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het Keileemgebied, het Noordelijk zandgebied en Noordelijk kustveengebied. Daarbinnen zijn keileemvlakten, keileemruggen, dekzandruggen, beekdalbodems, pingoruïnes, dekzandvlakten, veenvlakten, kreken en prielen als landschapszones onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De regio wordt al sinds de prehistorie bewoond. Kenmerkend daarvoor is de aanwezigheid van prehistorische begraafplaatsen uit uiteenlopende perioden: hunebedden (bij Diever en Havelte), grafheuvels en urnenvelden. Celtic fields (‘raatakkers’) wijzen op vroege landbouwactiviteit, onder meer bij De Halvelter Berg.

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit het eind van de oude steentijd (15.000-10.000 jaar geleden). Toen was nog geen sprake van landbouw, maar leefde men van wat de natuur te bieden had. Bij de aanleg van de A28 werd in het Blikkenveen het wellicht oudste vaartuig ter wereld gevonden, de ongeveer 8000 jaar oude ‘kano van Pesse’. In de nieuwe steentijd (5300-2000 v.Chr.) deed de landbouw haar intrede. Uit deze periode dateren de hunebedden, graven van de zogeheten Trechterbekercultuur. Nederzettingen en graven uit de bronstijd (2000-800 v.Chr.) en ijzertijd (800-0 v.Chr.) zijn ook op diverse plaatsen gevonden, zoals bij Havelte, Vledder en Wapse. Op tal van plaatsen vond al in de bronstijd overbeweiding plaats, waardoor het vegetatiedek langzaam verdween en zandverstuivingen optraden. De oudste stuifzanden dateren uit deze tijd. In de late middeleeuwen kwamen op uitgebreidere schaal zandvestuivingen tot ontwikkeling. Bij Wijster is een grote nederzetting met grafveld uit de Romeinse tijd/vroege middeleeuwen opgegraven. Dit onderzoek geniet internationale bekendheid.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

De oudste van de hedendaagse dorpen in de regio liggen op de goed ontwaterde zandgronden van het plateau. Daar zijn ze omstreeks het jaar 800 ontstaan; daarvoor lagen nederzettingen nog niet op vaste plaatsen. Rond dezelfde tijd kreeg het christendom vaste voet in de regio, waarbij Diever fungeerde als moederparochie. Het landschap veranderde mee. De bewoning kreeg een permanent karakter, vrijwel altijd in de buurt van water, op de overgang van hogere naar lagere gronden, zodat zowel de akkers als de hooi- en weilanden makkelijk bereikt konden worden.

De vruchtbaarheid van de akkers werd door bemesting en periodieke braaklegging op peil gehouden. Dwingeloo en Ruinen zijn voorbeelden van dorpen die op de randen van de beekdalen liggen. Karakteristiek voor de nederzettingen is de aanwezigheid van één of meer brinken; een open plek waar het vee bijeengedreven werd en kon drinken. Brinken lagen aan de rand van het dorp. Door de bevolkingstoename groeiden de dorpen en kwamen de brinken vaak middenin te liggen.

Er was een landbouwsysteem waarbinnen de onderdelen van elkaar afhankelijk waren. De veeteelt stond in dienst van de akkerbouw. Op de essen, vlak bij het dorp en op de randen van de beekdalen, werd akkerbouw bedreven. De weiden en hooilanden (mieden, maden of meten) lagen in de beekdalen, bijvoorbeeld langs de Ruiner Aa. Verder weg van het dorp lagen de woeste gronden. Daar graasden de schapen en werden plaggen gestoken. De plaggen werden gebruikt om, in combinatie met mest uit de potstallen, de vruchtbaarheid van de essen te vergroten. De essen kregen door die eeuwenlange bemesting met plaggen hun karakteristieke bolle vorm. De bodem onder de essen wordt afhankelijk van de dikte van het opgebrachte dek enkeerdgrond of laarpodzol genoemd. Een es kon door een steilrand begrensd worden, zoals bij de Kraloëresch. Ook wildwallen om het vee en wilde dieren te keren komen voor. Essen in de regio zijn onder meer de Dwingelder esch, Westeinder esch, Zuid-Lheederesch, Noord-Lheederesch en de Oosteresch, en de Groote Esch bij Ruinen. Bevolkingsgroei leidde op den duur tot het ontstaan van afzonderlijke gehuchten als Kraloo en Nuil, Lievinge, Wittele, Makkum, Terhorst, Alting en Klatering. Daarnaast kon bevolkingsgroei leiden tot een satellietnederzetting aan de andere zijde van de es.

Bij Hesselte, Pesse, Beilen en Westerbork ontstond zo Eursinge (‘Over-essinge’). Soms ontstond op deze manier een dubbeldorp zoals Hoog- en Laaghalen. Veel plaatsen van Ruinen, zoals Engeland, Oldenhave en Ansen zijn als dochternederzettingen begonnen en kregen een eigen es, waarna ze zich tot zelfstandige dorpen ontwikkelden. Indien de es omgeven werd door boerderijen, spreken we van een kransesdorp, zoals Wapse. Rondom Diever en Wapse lagen grote heidevelden.

De nederzettingen waren over het algemeen klein en bestonden uit enkele boerderijen. In de 18de eeuw groeide Beilen uit tot een grotere plaats door de ligging aan de weg Groningen-Meppel. In grote delen van de regio was de invloed van de adel beperkt. De dorpsgemeenschappen functioneerden zelfstandig.

Uitzondering was het dorpsgebied van Ruinen, waar vier havezaten waren: het Huis te Ansen, Oldenhave, Rheebruggen en het Huis te Echten. Een havezate was een adellijk huis, waarvan de eigenaren zitting hadden in het provinciaal bestuur. Rond elke havezate ontstond een gehucht. Bij Meppel stond Vledderinge (Oosterboer) en bij De Wijk Dunningen, terwijl eveneens dicht bij de Reest de Havixhorst te Schiphorst werd gebouwd. Dwingeloo kende vier havezaten: Batinge, Entinge, Oldengaerde en Westrup. De eerste is verdwenen.

In het zuiden, langs de Reest, ontwikkelden zich geen grotere essen omdat het natuurlijke reliëf dit niet toeliet. Hier liggen kleine essen en kampen: eenmansontginningen, veelal omgeven door een boomsingel of houtwal. Direct langs de Reest zelf lagen hooi- en weilanden. Het enige dorp dat zich ontwikkelde is De Wijk. Het landschap kent verspreide boerderijen en landhuizen.

Veenontginningen

Langs de randen van het plateau lagen veengebieden. Deze werden niet bewoond. Enkele smalle doorgangen bij Meppel, Coevorden, Groningen en Een verschaften toegang tot het Drents plateau. Vanaf de 10de eeuw trok de mens dit gebied in. Het grootste dorp is Ruinerwold, ontstaan in de 12de eeuw op een zandrug. De boerderijen waren bereikbaar vanaf de Wolddijk.

Langs de ontginningsas vormden zich verschillende buurtschappen, zoals De Kraak, Oosteinde en Haakswold en langs de Wolddijk het Dijkhuizen. De Wolddijk werd na 1850 aan de zuidzijde intensiever bebouwd, zodat na 1940 sprake was van een tweede bebouwingslint met een concentratie nabij de Kerkweg. Andere dorpen in het laagveengebied zijn Wapserveen, Koekange en Nijeveen, alle langwerpige dorpen met een opstrekkende verkaveling.

Sommige dorpen zijn in de loop der eeuwen verplaatst. Dit had te maken met het feit dat het veen door ontwatering en landbouwkundig gebruik inklonk en te nat werd. Bij Kolderveen is dit goed te zien: de kerk staat op de plaats van de oude bewoningsas, 300 meter ten zuiden van de huidige bebouwing. Door de dorpsverplaatsing ontstond een verspringende structuur, die kluften worden genoemd.

In het veengebied van Nijeveen en Kolderveen ontstonden satellietnederzettingen: Kolderveense en Nijeveense Bovenboer. Deze nederzettingen lagen min of meer parallel aan de bewoningsassen van de hoofddorpen.

Zuidwolde en omringende buurschappen sluiten aan bij het Reestdal. Dit deel ligt op een opgestuwde zandrug. De veengebieden – met daartussen als eilandjes enige esgehuchten – werden sinds de 17de eeuw ontgonnen. Het is nu een weidegebied, met hier en daar een akker.

Het veengebied rond Nieuw-Ballinge werd vanaf midden 19de eeuw verveend. Via de nieuw gegraven Middenraai werd het veen naar de Hoogeveensche Vaart afgevoerd. Enkele hoogveenrestanten zijn overgebleven, zoals Martens Plek, Lentsche Veen, Hullenzand en Mantingerzand. Natuurmonumenten creëerde hier vanaf 1992 het Plan Goudplevier, waarbij de vroegere heidevelden zijn gereconstrueerd.

19de eeuw: markeverdelingen, heideontginningen en infrastructuur

In de eerste helft van de 19dee eeuw werden wetten uitgevaardigd om de markegronden te verdelen. Aanvankelijk had dit weinig succes, omdat de deze gronden een belangrijke rol vervulden in de bedrijfsvoering. Pas aan het einde van de 19de eeuw, toen het gebruik van kunstmest opkwam, waren de heidevelden niet meer nodig en kon de verdeling van de markegronden daadwerkelijk ter hand worden genomen. Er werd ook begonnen met de eerste bebossingen, hoewel deze ontwikkelingen vooral in de 20ste eeuw een vlucht namen. Er ontstonden Boswachterijen, zoals die van Hooghalen en het Dwingelderveld. Een gedeelte werd omgezet in landbouwgrond. In de regio zijn enkele landexploitatiemaatschappijen actief geweest. Meest opvallende ‘nieuwkomer’ in de 19de eeuw waren de Koloniën van Weldadigheid Wilhelminaoord en Frederiksoord (zie verder). Opvallend in de regio zijn de grote heideterreinen van de Dwingeloosche Heide.

De tuinbouw profiteerde van de verbeterde transportmogelijkheden naar Groningen via de straatweg Groningen-Assen, terwijl de producten ook per spoor vervoerd werden. Het Oranjekanaal, dat dwars door de regio loopt, was bedoeld om turf uit de Zuidoost-Drentse venen af te voeren. Ook de Drentsche Hoofdvaart loopt door de regio, maar had vooral een functie voor de afvoer van turf uit de Smildervenen. Het gedeelte door de regio Zuidwest Drenthe werd niet gegraven, maar is de gekanaliseerde Havelter Aa.

Ontwikkelingen in de 20ste eeuw

Zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog hebben zich in de regio enkele bijzondere grondgebruikers gevestigd in de regio.

Bij Hoogersmilde werd in 1898 de kalkzandsteenfabriek Albino gebouwd. Zand werd gewonnen uit de zandduinen ten zuidoosten van de fabriek. Daardoor ontstonden het Blauwe Meer en later de Achterste Plas en Voorste Plas. In 1925 werd Beileroord gesticht voor de opvang van psychiatrische patiënten, thans een groot complex. In 1931 ging de VAM (Vuil Afvoer Maatschappij) ten zuiden van Wijster van start: op 600 hectare heide verrees een compostfabriek, waar huisvuil werd verwerkt voor de jonge ontginningen. De bijbehorende afvalberg kreeg een groene ‘bekleding’ en vormt nu het hoogste punt in de provincie Drenthe. Het Linthorst-Homankanaal kreeg een aftakking naar het bedrijf: het VAM-kanaal. Het complex is ook aangesloten op het spoor.

In 1938 begon in Beilen DOMO (de Drentse Ondermelk Organisatie), welke uitgroeide tot een coöperatieve zuivelgigant. Door het ruime aanbod van turf was er voldoende brandstof voor kalkovens. De grondstof voor het fabriceren van metselkalk (schelpen) werd door de turfschippers als retourvracht meegenomen. Tegenwoordig staan er kalkovens in Dieverbrug en Meppel. Gedurende de jaren 1930 werden in het kader van de in werkverschaffing, het Hooimaveld, het Hamveld, het Oosterveld en het Veenveld in cultuur gebracht.

Na de Tweede Wereldoorlog werden in de regio veel ruilverkavelingen uitgevoerd, sommige bescheiden van omvang, andere juist heel groot. Centraal stond een verbetering van de toegankelijkheid van de percelen door de aanleg of het verbeteren van wegen, het vergroten van de gemiddelde omvang van de percelen door deze te herschikken en uit te ruilen en verbetering van de waterhuishouding door het graven van nieuwe watergangen en het kanaliseren van beken. Veel boerderijen werden verplaatst vanuit de dorpen naar het landelijke gebied. Het landschap heeft met de uitvoering van de ruilverkavelingen delen van zijn herkenbaarheid ingeleverd doordat er schaalvergroting plaatsvond. Op meerdere plaatsen gingen de plannen gepaard met uitvoering van een landschapsplan en kwam er meer aandacht voor natuurwaarden, recreatie en cultuurhistorie.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Smilde 5306 1984 - 1999 3,9%
Meppelerdiep 568 1959 - 1966 12,2%
Westerbork 5131 1968 - 1979/td> 57,6%
Hijken 3870 1960 - 1974 81,9%
Broekstreek 5474 1962 - 1973 98,9%
Vledder 3709 1962 - 1972 99,5%
Dwingeloo-Smalbroek 5865 1969 - 1984 99,7%
Nijeveen-Kolderveen 2708 1959 - 1972 99,9%
Stuifzand 927 1999 - 2005 100,0
Havelter Made 437 1927 - 1932 100,0%
Wittelter Made 174 1928 - 1932 100,0%
Uffelter Made 390 1929 - 1933 100,0%
Lheeder Made 343 1929 - 1934 100,0%
De Vorrelvenen 52 1931 - 1934 100,0%
Wallinger en Eursinger Esch 181 1940 - 1951 100,0%
Uffelter Esch 307 1952 - 1959 100,0%
Westerborker Esschen 325 1948 - 1958 100,0%
Zwiggelter Esch 247 1950 - 1959 100,0%
Dwingelder en Lheeder Esschen 497 1951 - 1959 100,0%
Spier-Wijster 1693 1954 - 1964 100,0%
Ter Horster Es 36 1957 - 1963 100,0%
Drijber 1528 1962 - 1971 100,0%
Havelte 3223 1981 - 1998 100,0%
Diever 3466 1971 - 1985 100,0%
Ruinerwold-Koekange 7216 1988 - 2010 100,0%
Ruinen 3351 1982 - 1995 100,0%
Zuidwolde-Zuid1 1702 2000 - 0 100,0%
Zuidwolde-Noord en Beneden-Egge1 295 1949 - 1958 76,5%
Oude Willem1 5306 1984 - 1999 65,1%
Dwingelerveld1 927 1999 - 2005 100,0%
1. Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG)

Een opvallende ruimtegebruiker is defensie. Na de Tweede Wereldoorlog zijn militaire oefenterreinen ingericht op de Havelterberg en in het Uffelterveen. De kazernes liggen in Overijssel.

De radiosterrenwacht, pal aan de noordgrens van de regio, dateert van 1970. Na 1945 hebben Meppel en enkele dorpen een flinke groei doorgemaakt. De meeste dorpen groeiden slechts op beperkte schaal, veelal op de oude essen. In het Reestdal wordt niet gebouwd.

Door de verbeterde bereikbaarheid werd de regio interessant voor forensen en gepensioneerden (‘Drentenieren’). De afwisselende omgeving met veel natuurgebieden en cultuurwaarden, maakte de regio ook interessant als vakantiegebied. Er zijn tal van campings, bungalowparken, recreatiewoningen en andere recreatieve voorzieningen aanwezig in de regio. Orvelte, één van de beschermde dorpsgezichten, werd omgevormd tot een openluchtmuseum, waarin ook plek is voor elders uit Drenthe afkomstige gebouwen en een brink is aangelegd die er aanvankelijk niet was. Het trekt jaarlijks veel toeristen. Andere beschermde dorpsgezichten zijn Havelte (vier stuks), Echten, Kraloo, Westeinde, Ten Arlo, Dwingeloo en Frederiksoord-Wilhelminaoord.

In het noorden van de regio, doorlopend tot in Friesland, ligt het Drents-Friese Wold, sinds 2000 een Nationaal Park in beheer bij Staatsbosbeheer. Het bestaat uit de zandverstuivingen van het Aekingerzand ten zuiden van Appelscha, enkele 20ste-eeuwse cultuurbossen als Dieverzand en Berkenheuvel, poelen en heidevelden. In Diever ligt één van de twee bezoekerscentra.

Er staan enkele uitzichttorens in het park. Een ander Nationaal Park is Dwingelderveld (1991), een 3.700 hectare groot Natura 2000-gebied met heidevelden, bossen en vennen, dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en particulieren. Het noordelijke deel bestaat uit vrij rechthoekig verkavelde bossen met diverse vennen. In het zuiden liggen de Dwingeloosche Heide, de Kraloërheide en de Bendersche Heide, eveneens met diverse plassen en vennen. Beide Nationale Parken hebben de status van Natura 2000-gebied. Verspreid door de regio liggen enkele andere Natura 2000-gebieden: Elperstroom, Mantingerbos en –zand en Holtingerveld, veelal in bezit van Staatsbosbeheer.

Specifieke thema’s

Meppel (gemeente: 32.000 inwoners) is de enige stad in de regio. Het ligt aan de Reest en is via het Meppeldiep met het IJsselmeer verbonden. Het Meppelerdiep begint als samenvloeiing van de Reest, de Wold Aa, de Havelter Aa/ Drentse Hoofdvaart, Leisloot en Hoogeveensche Vaart, waarmee ook de strategische positie van de stad duidelijk is, die de stad tot op heden heeft. Meppel was één van de toegangspoorten van Drenthe. De weg van Zwolle naar Groningen liep langs de stad, Toen vanaf de 16de eeuw op grote schaal turf werd gewonnen in de Drentse venen, was Meppel het scharnierpunt in het vervoer. Dit bleef het geval tot ver in de 19de eeuw, toen zich langs de verbrede en verlengde Drentse Hoofdvaart en het Meppelerdiep nieuwe industrie vestigde.

Het spoor naar Zwolle, Leeuwarden en Groningen volgde in 1868. De snelweg A28 dateert uit eind jaren 1960. Meppel groeide uit van een kleine agrarische nederzetting tot een handels- en schippersnederzetting en vanaf de 19de eeuw tot een industriestad. Tot aan de Tweede Wereldoorlog volgden meerdere stadsuitbreidingen, onder meer de buurten rondom het station en de Indische Buurt. Naoorlogse uitbreidingen zijn onder meer Koedijkslanden en Oosterboer. Meppel Oud-Zuid is een beschermd stadsgezicht.

Koloniën van Weldadigheid

In 1818 richtte generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op om bedelaars en landlopers te leren werken. Daartoe werden de koloniedorpen Willemsoord (Overijssel), Frederiksoord, Wilhelminaoord, Boschoord, Ommerschans en Veenhuizen gebouwd (en in de zuidelijke Nederlanden Wortel en Merksplas). Frederiksoord werd een ‘vrije kolonie’, terwijl Veenhuizen al snel een ‘onvrije’ kolonie werd en uitgroeide tot gevangenisdorp. In Zuidwest Drenthe liggen Frederiksoord en Wilhelminaoord is elkaars verlengde, Boschoord ligt enkele kilometer naar het noordoosten. In kleine woningen woonden gezinnen, die een stuk grond ter beschikking hadden voor het levensonderhoud. Veel bedrijfjes zijn verdwenen, maar de lineaire structuur van de nederzettingen is wel herkenbaar. Het bouwland en bos is in de koloniën opgedeeld in zeer regelmatige percelen.

De ontsluiting via lanen en kanaaltjes is karakteristiek. Het succes van de Koloniën was beperkt en in 1859 werden Ommerschans en Veenhuizen door de regering overgenomen. In de Frederiksoord-Wilhelminaoord besloot men in 1860 tot schaalvergroting. In 1884 volgde een tuinbouwschool. Grote delen van Frederiksoord en Wilhelminaoord behoren nog steeds tot de Maatschappij van Weldadigheid.

Tegen de Friese grens ontwikkelde Vledderveen zich als een ‘paria-nederzetting’ van ex-kolonisten. Samen met de Koloniën Veenhuizen, Ommerschans, Wortel en Merksplas wordt nu samen met België gewerkt aan de nominatie voor plaatsing van de koloniën op de UNESCO Werelderfgoedlijst. Deze is voorzien voor 2020.

Literatuurlijst

  • Elerie, J.N.H., 1998. Weerbarstig land. Een historisch-ecologische landschapsstudie van Koekange en de Reest. Groningen.
  • Spek, T., 2004. Het Drentse esdorpenlandschap – een historisch-geografische studie. Utrecht.
  • Versfelt, H.J., 2004. Kaarten van Drenthe 1500-1900. Groningen/ Veendam.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap Beiler- en Dieverderdingspel
Algemeen Karakteristiek Drents esdorpenlandschap, met brinkdorpen, essen, kampen, groenlanden en heide
Lange bewoningsgeschiedenis: hunebedden
Landbouw Brinken
Essen op Drents Plateau
Ruilverkavelingen met doordacht ontwerp (bv Harry de Vroome)
Kampen en kleine essen langs de Reest
Heideontginningen met rationele percelering
- Koloniën Weldadigheid als bijzonderheid
Veenontginningen met opstrekkende verkaveling aan ZW-rand Drents Plateau
- Wapserveen, Nijeveen, Ruinerwold
Bosbouw en natuur NP Drents-Friese Wold: heide, bos, zandverstuivingen
NP Dwingelderveld: heide, bos,
Boschoord: Kolonie van Weldadigheid
Heideontginningen tot bos: Oosterzand, Westerzand
Holtingerveld
Echtenerveld
Wonen Meppel centrum regio
Brinkdorpen: o.a. Ruinen, Dwingeloo, Havelte, Zuidwolde, Diever, sommige met satellietdorpen
Esdorpen: Orvelte, Westerbork, Zwiggelte
Lintdorpen in veenontginningen, soms met verspringingen (kluften), o.a. Ruinerwold, Kolderveen, Koekange met verschoven dorpen/linten
Koloniën van Weldadigheid
Waterstaat Ruiner Aa/ Wold Aa
Oudevaart / Dwingelerstroom
Vledder Aa / Wasperveense Aa
Oude Diep
Leisloot
Wolddijk
(middeleeuwse)Griften bij Meppel (Kolderveen etc)
Beilerstroom/Westerborkstroom
Defensie Militaire oefenterreinen Havelte west, - oost en Holtinge
Vm Duits WOII vliegveld, rolbaan Holtingerveld
Luchtwachttoren Echten
Verkeer Drentse Hoofdvaart
A28/A32, N371, N375, N381
Spoorlijn Zwolle-Meppel-Assen-Groningen / Meppel-Leeuwarden
Hoogeveense Vaart
Oranjekanaal
Linthorst Homankanaal
VAM-kanaal
Beilervaart
Landgoederen en buitenplaatsen Havezaten, buitenplaatsen etc rond Dwingeloo, Ruinen en langs Reest
Westerbeek met sterrebos Frederiksoord
Religie Hunebedden, grafheuvels, urnenvelden op heide
Overig Radiosterrewacht Dwingeloo
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:03.