Panorama Landschap - Bevelanden

Introductie

Het onderscheid tussen oud- en nieuw land is op de Bevelanden nog steeds herkenbaar: kreekruggen en kleinschalige polders versus grote, rationeel ingerichte polders en dijken. Goes is grootste stad. Rond Nisse is het oude landschap gaaf bewaard.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van Nisse.
Afb. 1. Nisse. Foto: Paul Paris
Afb. 2 Reconstructie van de verdeling van land en zee omstreeks 1300. Bron: Geschiedkundige Atlas van Nederland. alt=Kaart met daarop Reconstructie van de verdeling van land en zee omstreeks 1300.
Luchtfoto van Ellewoutsdijk.
Afb. 3. Ellewoutsdijk. Foto: Paul Paris.
Foto van een brug van onderen naar boven genomen. .
Afb. 4. Zeelandbrug. Foto: Beeldbank RCE
Foto van Goes. Te zien zijn aangemeerde boten aan de kade met daarachter huizen en in de voorgrond een anker dat als standbeeld dient.
Afb. 5. Goes. Foto: Beeldbank RCE
Foto van de door groen begeven vliedberg in Borssele.
Afb. 6 Vliedberg Borssele. Foto: Paul Paris
Kaart van Bevelanden.
Afb. 7. Bevelanden

Karakteristiek

We onderscheiden in de regio de landschappelijke eenheden oudland en nieuwland. Het oudland wordt gekenmerkt door de afwisseling van relatief hoge kreekruggronden en laaggelegen poelgronden, die omgeven zijn door nieuwland: grote en kleine dijken in een polderlandschap met grote, rationeel ingerichte polders, zoals de Reigersbergsche Polder bij Rilland, de Borsselepolder en de polders op Noord-Beveland. Een contrast daarmee vormt het kleinschalige polderlandschap met typische oudlandverkaveling met kleine, smalle strookvormige percelen in de Zak van Zuid-Beveland.

Goes is de enige stad in de regio. De bevolking is, naast Goes, geconcentreerd in dorpen, dorpjes en buurtschappen. Aan de vorm van de dorpen is vaak de ouderdom af te lezen. De oudste dorpen zijn de kerkringdorpen. Ze zijn vaak op een terp aangelegd, met de kerk in het midden en de bebouwing er in een kring omheen. Recenter zijn de dijk- en wegdorpen en de zogeheten voorstraatdorpen.

De Zeelandbrug is een rijksmonument uit de wederopbouwperiode. Uit de periode van de Deltawerken resteert het werkeiland Neeltje Jans. De Deltawerken worden beschreven onder Grote Wateren.

De A58 vormt de belangrijkste wegverbinding van de regio met de rest van het land. Evenwijdig aan het spoor en de snelweg lopen er meerdere hoogspanningsleidingen door de regio. Enkele ervan beginnen bij de kerncentrale Borssele.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Holoceen

Na afloop van de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden, begon het holoceen. Het klimaat werd warmer en vochtiger. Als gevolg van het afsmelten van de uitgestrekte ijskappen steeg de zeespiegel en rees ook de grondwaterstand. Er vond veenvorming plaats, die de zandafzettingen in de ondergrond bedekte. Omstreeks 5.000 jaar geleden werd de veenvorming onderbroken.

Er ontstond een duinenkust met daarachter een waddengebied. De veenlagen werden bedekt met wadafzettingen. Een nieuwe fase van veenvorming brak ruim 4.000 jaar geleden aan en duurde tot in de Romeinse tijd. Het veenlandschap werd alleen onderbroken door de Schelde, die via de huidige Oosterschelde in zee uitmondde. In de eeuwen daarna vond echter een grote overstromingsactiviteit plaats. Geleidelijk werd het veenlandschap omgevormd tot een eilandenrijk waarbij grote delen door de zee werden weggeslagen en grote zeegaten ontstonden. In de late middeleeuwen kreeg de Schelde een monding in zee via de Westerschelde. Op Zuid-Beveland werd een laag klei afgezet van ongeveer een meter dik. In het huidige landschap zijn de oude kreken en geulen te zien als ruggen. Dit heeft te maken met reliëfinversie. Oude kreken werden opgevuld met zand. Het land ernaast bestaat uit klei op veen. Na de ontginning klonk het veen in en rijpte de klei, met als gevolg dat dit zo ver daalde, dat het lager kwam te liggen dan de oude kreekbedding. Deze bleef dus als rug zichtbaar in het landschap. Plaatselijk werd de klei afgegraven voor steenbakkerijen, waardoor het verschil nog groter werd.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio tot het Zeeuws-Zuidhollands kleigebied (met daarbinnen kwelders en kreekruggen) en de Jonge zeeinbraken (met daarbinnen kwelders en kreken en prielen). Op Noord-Beveland ligt een klein stuk dat tot de Duinen en strandwallen behoort.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Het zuidwestelijk zeekleigebied was tijdens de bronstijd en ijzertijd dun bevolkt. Het was indertijd grotendeels met veen bedekt. De eerste aanwijzingen voor menselijke bewoning stammen uit de ijzertijd (800-0 v.Chr.). Op meerdere plekken zijn vondsten gedaan uit deze periode. Uit de Romeinse tijd stammen de resten van een aan de godin Nehallennia gewijde tempel die ten noorden van Colijnsplaat heeft gestaan (Bij Domburg stond er nog één, aan de toenmalige oever van de Schelde). Aan het einde van de 3de eeuw raakte vrijwel het hele Zeeuwse gebied ontvolkt. Na een periode van overstromingen werd het gebied langzaam door de mens in gebruik genomen. Men zocht de hoge plekken in het landschap op om te gaan wonen, verbouwde bij de boerderij akkerbouwgewassen en liet het vee op de schorren grazen. Vooral de schapenhouderij was belangrijk.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

In Zeeland wordt onderscheid gemaakt tussen oudland en nieuwland. Met oudland worden de gebieden bedoeld die vanaf de vroegmiddeleeuwse ontginning permanent bewoond zijn gebleven met een kleinschalige en onregelmatige verkaveling. Voorbeelden zijn de Goese Poel en de Yerseke Moer. Nieuwland zijn de polders die in en na de late middeleeuwen op de zee zijn veroverd. De percelering is hier regelmatiger en de dorpen verschillen in hun structuur.

De eerste bewoners zochten de hoogste plekken van het landschap op. Ook daar moesten ze zich beschermen tegen hoog water. Aanvankelijk koos men voor het aanleggen van terpen, bijvoorbeeld in Kloetinge, maar al snel ging men over tot het opwerpen van dijken. Algemeen wordt aangenomen dat dit vanaf rond 1000 n.Chr. in het zuidwestelijke zeekleigebied gebeurde. In de 12de eeuw was de bedijking zover dat er doorgaande dijkringen waren ontstaan. De grootste bedijkingen waren die van de Wateringen bewesten en beoosten Yerseke in de 12de eeuw.

Een stormvloed in 1134 richtte in Zuid-Beveland grote schade aan. Toen ontstond onder andere de Zwake, de geul die Zuid-Beveland scheidde van de oudlandgebieden van Borssele en Baarland. Van één eiland was nadien geen sprake. De Bevelanden bestonden feitelijk uit een aantal eilanden. Het huidige Zuid-Beveland behoort voor een groot deel tot de polder De Breede Watering ten westen van Yerseke. De polders Bewesten- en Beoosten Wijtfliet zijn de kern van het huidige Noord-Beveland. Voorts zijn er de polders Oost- en West-Borssele, Oost- en West-Baarland, Heinkenszand en Wolphaartsdijk.

De eilanden ten zuiden van de Zwake werden in de 12de en 13de eeuw bedijkt. Door middel van dammen werden de geulen tussen de eilanden afgedamd en groeiden Borssele, Baarland en Oudelande aaneen. Dit betekende echter dat bij een doorbraak het gehele gebied onder zou lopen. Daarom deelde men de polder op in compartimenten door enkele binnendijken aan te leggen, de zogenaamde vijfzodendijken.

In de regio hebben moerneringsactiviteiten bijgedragen aan de lage ligging van de poelgebieden. Moernering of selnering is het winnen van veen voor brandstof of zoutproductie. Vaak bleef na de moernering een hobbelig landschap achter (hollebollige percelen). In het kader van ruilverkavelingen na de Tweede Wereldoorlog hebben sommige poelgebieden hun hollebollige kenmerken verloren. Op andere plaatsen echter, is het specifieke oudlandkarakter – kleine onregelmatig gevormde percelen, een hobbelig oppervlak, elzen- en meidoornsingels als perceelsgrens – behouden gebleven en worden de poelgebieden beheerd als natuurgebied. Zo zijn aanzienlijke delen van de Yerseke en Kapelse Moer, het heggengebied bij Nisse en het oude landschap bij Kleverskerke bewaard gebleven. Eerstgenoemd gebied is een beschermd Natura 2000-gebied.

Nieuwland: bedijkingen van op- en aanwassen

Vanaf de 13de eeuw veranderde het karakter van de dijkaanleg in de regio. De meeste dijken werden niet langer aangelegd ter bescherming, maar om nieuw land te winnen (offensieve bedijking). Dit nieuwland bestond uit opgeslibde platen en schorren in de vorm van op- en aanwassen. Dit proces heeft meerdere malen achtereen plaatsgevonden, wat resulteerde in een reeks van opeenvolgende polders met een kleinschalige polderstructuur. Dit is karakteristiek voor de Zak van Zuid-Beveland.

Nieuwland ontstond ook door langdurige opslibbing van eerder bewoond, maar later weer geïnundeerd land, zoals op Noord-Beveland. Het oude eiland was in 1530 tijdens een stormvloed verloren gegaan. Het duurde bijna zeventig jaar voordat Noord-Beveland weer werd bedijkt. De Oud Noord-Bevelandpolder dateert van 1598; de andere polders zijn jonger.

De nieuwe polders hebben een grootschalige, rationele blokvormige percelering. Ook het wegenpatroon is regelmatig en wordt gekenmerkt door rechte doorgaande wegen. In de nieuwe polders komen restgeulen voor: overblijfselen van kreken die door afdamming werden afgesloten. Ze kregen vaak een functie in de afwatering van de polder. In de polders is de volgorde van landaanwinning dikwijls nog goed in het dijkenpatroon te herkennen.

Landbouw

In het onbedijkte landschap woonde men op de hoge kreekruggen, waar ook de akkers lagen. Het vee liet men op de schorren grazen. De schorren werden doorsneden door kreken met zout of brak water. Voor het drinkwater legde men hollestellen aan: drinkvijvers met een dijk eromheen. Het regenwater werd in de vijver opgevangen. De dijk zorgde ervoor dat er geen zout water in de stelle kon stromen. In de regio liggen er drie: bij Wemeldinge, Yerseke en Rilland.

Na de eerste bedijkingen nam het beschikbare landbouwareaal toe en was men in staat om het bodemgebruik te intensiveren. De kreekruggen werden gebruikt als bouwland en boomgaard. De laaggelegen poelgebieden waren in gebruik als hooi- en weiland. Het verkavelingspatroon op de kreekruggen is vrij regelmatig, in de lage gebieden onregelmatig.

De jonge polders zijn hoger opgeslibd en hebben minder last hadden van klink. Hierdoor kon men in deze nieuwe polders akkerbouw bedrijven. Alleen de laaggelegen gronden langs de kreken en kreekrestanten werden als grasland gebruikt.

Fruitteelt is vanouds belangrijk op de hoge gronden. Een ander bekend gewas was meekrap. De wortels leverden de grondstof voor een roodbruine textielverf voor wol, katoen en zijde.

Vanaf de 14de eeuw was Zeeland een belangrijke exporteur van meekrap. Na de oogst werd de meekrap naar meestoven gebracht om verder te worden verwerkt. In de regio zijn tal van meestoven geweest. De meeste zijn verdwenen na 1870. Toen schakelde men over op de synthetische kleurstof alizarine.

Infrastructuur

In het eilandenrijk van Beveland lag de nadruk op het vervoer te water. Goes en diverse dorpen hadden en hebben nog steeds een haven, die tegenwoordig vooral voor de pleziervaart worden gebruikt. Doorgaande wegen waren er nauwelijks. Deze lagen op de grotere kreekruggen en op de dijken. In de 19de eeuw werden enkele grote infrastructurele werken aangelegd. Zo werd in 1833 de rechte Postweg tussen Kapelle en Yerseke aangelegd, onderdeel van het landelijke (post)wegennet. Enige decennia later werd het Kanaal door Zuid-Beveland gegraven (1852-1866). De spoorlijn Roosendaal-Vlissingen volgde in 1868-1872. Daardoor verloor Zuid-Beveland (en Walcheren) zijn eilandstatus, omdat het Kreekrak en het Sloe werden afgedamd en ingepolderd. Op grond van een verdrag met België uit 1839 moest er een vervangende vaarweg tussen Antwerpen en de Rijn worden gemaakt. Daarom zijn twee kanalen aangelegd: het Kanaal door Zuid-Beveland (1866) en het Kanaal door Walcheren. De Rijn-Scheldeverbinding uit 1974 is de meest recente vaarweg in het gebied. Na 1945 is vooral in het kader van de Deltawerken werk gemaakt van het verbeteren van de ontsluiting van Zeeland. Onder meer het ‘Drie Eilandenplan’ werd opgesteld, dat voorzag in een verbinding van Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland. In 1958-1961 werd de Veersegatdam aangelegd.

Door de Zandkreekdam en de Veerse Dam raakte Noord-Beveland zijn eilandstatus kwijt. Via de Zeelandbrug (1965, thans Rijksmonument) en de Oosterscheldekering is de landverbinding met Schouwen-Duiveland tot stand gekomen. Via de Oesterdam zijn Tholen en Zuid-Beveland met elkaar verbonden. Tussen 1970 en 1975 werd het gedeelte van snelweg A58, dat door de regio loopt aangelegd, waarmee de regio aansluiting kreeg op het landelijke net van autosnelwegen. Voor de economische ontwikkeling van de provincie zijn al deze verbindingen van levensbelang.

De A58 loopt ter hoogte van het Rijn-Scheldekanaal parallel aan de spoorlijn. Eind 20ste eeuw kwam de vaste oeververbinding onder de Westerschelde gereed.

Meestal werden de nieuwe verbindingen op plaatsen aangelegd die voorheen die functie niet hadden, waardoor ter plekke een geheel nieuwe infrastructuur gemaakt moest worden. De oude verbindingen in de vorm van veerponten kwamen in de loop der tijd vervallen. De bijbehorende infrastructuur (haven, aanlegplaats) is meestal wel blijven voortbestaan.

Recente ontwikkelingen

De landbouw kreeg in de Tweede Wereldoorlog en na de watersnoodramp van 1953 een zware klap. In 1953 bleven grote delen van de regio droog. Op Noord-Beveland werd vooral de omgeving van Kortgene getroffen, op Zuid-Beveland waren Wolphaartsdijk en omgeving en gebieden rond Ellewoutsdijk en Oudelande ondergelopen. In deze delen waren vrijwel alle houtopstanden, zoals perceelrandbegroeiing op de kreekruggen verdwenen. Er zijn in de regio herverkavelings- en ruilverkavelingsprojecten uitgevoerd.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Kleverskerke 1097 1960 - 1965 3,2%
Borssele 1712 2000 - 2010 98,3%
Noord-Beveland 7618 1964 - 1976 99,9%
Zak van Zuid-Beveland 4579 jaren 60 99,9%
Kruiningen 1567 1941 - 1958 100,0%
Yerseke Moer 1320 1985 - 1994 100,0%
De Poel-Heinkenszand 7049 1967 - 1982 100,0%
Waarde 803 jaren 60 100,0%
Kapelle-Wemeldinge 3546 1972 - 1987 100,0%
Wolphaartsdijk 801 1983 - 1988 100,0%
Inkel 3152 2001 - 2005 100,0%

In de Zak van Zuid-Beveland werden delen overgedragen aan natuurbeschermingsorganisaties en uit productie genomen. Dit gebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest Nederland.

De verschillen in percelering tussen poelgebieden en kreekruggen is grotendeels verdwenen tijdens de herverkaveling en vervangen door een rationele verkaveling. Ook het wegenpatroon werd gewijzigd.

Een kustprovincie als Zeeland is geschikt voor de plaatsing van moderne windturbines. In de regio staan tegenwoordig tal van turbines, vooral in het havengebied van Vlissingen, langs het Rijn-Scheldekanaal, op Neeltje Jans en aan de Ooster- en Westerschelde. Er zullen er in de regio nog meer volgen in de ‘concentratiegebieden’ Vlissingen-havens, Neeltje Jans, Rijn-Scheldekanaal en op Noord-Beveland bij de Oosterscheldekering. De recreatiefunctie is sterk gegroeid na de Tweede Wereldoorlog.

Bestaande havens breidden zich uit ten behoeve van de recreatievaart, nieuwe havens werden aangelegd. Ook werden parken met vakantiehuisjes en bungalows aangelegd, die zich meestal vlak bij het water en de pleziervaarthavens bevinden. Dit deed zich vooral voor langs het Veerse Meer (een Natura 2000-gebied). In de regio liggen vijf beschermde stads- en dorpsgezichten: Goes, Kloetinge, Nisse, Borssele en Colijnsplaat.

Specifieke thema’s

Steden

Goes (27.000 inwoners) is de enige stad op Zuid-Beveland. De stad ontstond op een hoge kreekrug aan de Schenge, die met de Oosterschelde in verbinding stond. Goes ontwikkelde zich tot handelsnederzetting die begin 15de eeuw stadsrechten kreeg.

Er werd een omwalling aangelegd, die in de 16de eeuw werd gemoderniseerd, gelijk met de grootste economische bloei van de stad. Door inpolderingen van de Goessche Polder (1644) en de Wilhelminapolder (1809) was het nodig een havenkanaal tussen de haven van Goes en de Oosterschelde aan te leggen.

Tot in de 19de eeuw bleef Goes een nederzetting met een regionaal verzorgende functie. Rond het midden van de 19de eeuw verschenen overheidsinstellingen, zoals een gevangenis, kantongerecht en een HBS. Dit kon worden opgevangen de oude stadswallen te slopen. Pas na 1917 begon de stad te groeien. Buiten de singels kwamen enkele wijken tot stand, zoals de buurt tussen het spoor en de Voorstad. Vanaf de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw groeide Goes flink, nadat in de jaren vijftig al Goes-west tot stand kwam. De werkgelegenheid in de industrie en dienstverlening nam flink toe, mede onder invloed van de verbeterde bereikbaarheid. Er verrees een bedrijventerrein langs de A58 en in het noorden langs het Havenkanaal ligt een industriegebied.

Nieuwe wijken waren onder andere de Goese Polder en Goes-Oost. Tegenwoordig liggen Kloetinge en ’s-Heer Hendrikskinderen bijna tegen de kern van Goes aan. Ten noorden van de stad is het Goes Meer een belangrijk recreatiegebied. Het centrum is een beschermd stadsgezicht en trekt veel dagjesmensen. De oude haven is populair bij de pleziervaart.

Overige nederzettingen

De meeste dorpen van het oudland zijn kerkringdorpen: op een centraal gelegen kerkhof stond een kerk, met een ring van bebouwing er omheen.

Kenmerkend voor de grotere nieuwlandpolders is het voorstraatdorp. De bebouwing werd neergezet aan de voorstraat, die meestal loodrecht op de dijk werd aangelegd. Eventuele dorpsuit breidingen werden gerealiseerd door parallel aan de voorstraat een of twee achterstraten te leggen.

Borssele is opmerkelijk: een geplande, rechthoekige nederzetting, waarvan de omtrek bepaald wordt door vier wegen. Het dorp is opgenomen in de gelijknamige polder en is verdeeld in een aantal rechthoekige kavels met lengte/breedteverhoudingen die bijna voldoen aan de regels van de gulden snede. De rechthoekige kern van het dorp ligt enigszins gedraaid ten opzichte van de omringende, ook rechthoekige kavels.

Inlagen en karrenvelden

Kenmerkend zijn de inlaagdijken, inlagen en karrenvelden. Het aanleggen van inlaagdijken gebeurde op plekken waar de bestaande zeedijk dreigde in te storten. Daarom werd achter de zeedijk de inlaagdijk aangelegd. Het gebied tussen de twee dijken is de feitelijke inlaag. Hieruit haalde men klei om de dijken mee te versterken. Dit werd met karren afgevoerd: de karrenvelden.

Er ontstonden langgerekte greppels die van elkaar werden gescheiden door dammetjes. Tegenwoordig zijn deze inlagen en karrenvelden veelal in beheer bij natuurbeschermingsorganisaties en herbergen ze bijzondere natuurwaarden.

Verdedigingswerken

Karakteristiek voor Zeeland zijn zogenaamde ‘vliedbergen’. Op deze 5 tot 12 meter hoge bergjes stonden mottekasteeltjes waarop de bevolking zich kon terugtrekken bij invallen in het land. Zuid-Beveland telt er dertien, onder meer de Berg van Troje in Borssele en de bergjes van Baarsdorp. De versterkingen op de vliedbergen waren vaak uit hout opgetrokken.

In de Franse tijd werd de Westerschelde versterkt en verschenen meerdere met elkaar samenhangende verdedigingswerken. Een fort lag bij Ellewoutsdijk (1839), thans in bezit van Natuurmonumenten, een ander lag bij Bath. Hiervan is alleen de omtrek bewaard gebleven. In de omgeving van Bath is voor 1940 de Bathstelling aangelegd, een voorstelling van de Zanddijkstelling bij Kruiningen. Van beide stellingen resteren een kazemat bij Bath en de Bathsedijk, die als inundatiegrens fungeerde. Aan weerszijden van de spoorbaan bij Kruiningen liggen twee kazematten.

Moernering

In de late middeleeuwen heeft op grote schaal moernering of selnering plaatsgevonden: veenwinning ten behoeve van zoutproductie. Zoutwinning was in de middeleeuwen een belangrijke economische activiteit in het kustgebied. Het zout werd gewonnen met behulp van met zeewater overstroomd veen.

Het veen werd vergraven, gedroogd, nog enkele malen met zeewater overgoten en gedroogd, tot het verzadigd van zout was. Daarna werd het veen verbrand en werd het zout uit de as gewonnen. De zoutwinning had grote landschappelijke gevolgen.

Door het vergraven kon de zee verder het land binnendringen en tal van overstromingsrampen waren het gevolg van zoutwinning.

Op Zuid-Beveland hebben de moerneringsactiviteiten bijgedragen aan de lage ligging van de poelgebieden. Vaak bleef na de moernering een hobbelig landschap achter doordat men het land niet goed egaliseerde.

Visserij

Aan het einde van de 19de eeuw werd de visserij op schaal- en schelpdieren een belangrijke bron van inkomsten. Yerseke ontwikkelde zich tot het centrum van de mossel- en oesterteelt. In 1871 werd een haven aangelegd en sindsdien is het dorp sterk uitgegroeid. In 1965 volgde een tweede haven.

Literatuurlijst

  • Abelmann, L.J., 1971. Cornelis Adriaenszoon Soetwater; ontwerper van het grondplan van het dorp Borssele. Zeeuws Tijdschrift 21: 48-51.
  • Bos, K. en J.W. Bosch, 2017. Landschapsatlas van de Oosterschelde. Spiegel van verleden, venster op toekomst. Koudekerke.
  • Cruyningen, P.J. van, 2002. Schone welbetimmerde hofsteden. Boerderijbouw in Zeeland van de tiende tot de twintigste eeuw. Utrecht.
  • Dekker, C., 1982. Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen. Krabbendijke.
  • Heeringen, R.M. van, e.a., 2007. Monumenten van aarde. Beeldcatalogus van de Zeeuwse bergjes. Koudekerke.
  • Klerk, A.P. de, 2003. Het Nederlandse landschap, de dorpen in Zeeland en het water op Walcheren. Historisch-geografische en waterstaatshistorische bijdragen. Utrecht. Stichting Natuur- en Recreatieinformatie, 1986. Vliedbergen, tekens van tijd in het Zeeuwse landschap. Middelburg.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Bevelanden
Algemeen Sporen van strijd tegen het water: dijkringen, inbraken, kreken/td>
Onderscheid oudland (kreekruggen en poelen) – nieuwland – duinstrook
Kanalen naar zee met gemalen om de polders droog te houden
Landbouw Kleinschalige structuur/verkaveling Zak van Zuid-Beveland
Hollestellen
Renaissancepolder Borssele (planmatig) en Colijnsplaat
Wonen Kerkringdorpen en voorstraatdorpen
Historische stad Goes, incl vooroorlogse uitbreidingen
- Kloetinge en Tervaten
Monumentale boerderijen
Waterstaat Dijkringen van opeenvolgende inpolderingen; op- en aanwassen
Inlagen
Zeedijken Ooster- en Westerschelde, her en der met Muraltmuurtjes
Dammen Deltawerken
Veerse Meer
Sporen verdronken dorpen en -land
Defensie Werken aan de Westerschelde (Ellewoutsdijk en Bath)
Vliedbergenn
Zanddijkstelling (NL, jaren 1930)
Bathstelling
Delfstoffenwinning Sporen moernering
Karrenvelden
Jacht en visserij Yerseke vissersdorp en oesterputten
Verkeer oude verbindingswegen op kreekruggen
A58
Spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom, incl stationsgebouwen
Zeelandbrug
Kanaal door Zuid-Beveland incl sluizen
Schelde-Rijnverbinding
(vml) veerhavens en gebouwen
Recreatie/natuur Neeltje Jans
Bedrijvigheid Havenactiviteiten Sloegebied
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.