Panorama Landschap - Drentsche Aa

Introductie

De regio Drentse Aa is hét esdorpengebied van Drenthe met veel hunebedden. De regio is een goed voorbeeld van het samengaan van natuur, recreatie (bossen) en landbouw. Assen is binnen de regio de belangrijkste plaats.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Foto van het landschap van het Anderse Diep.
Afb. 1. Anderse Diep. Foto: Wim van der Ende
Luchtfotovan Ballo.
Afb. 2. Ballo. Foto: Paul Paris
Foto van het Drostenhuis, Assen.
Afb. 3. Drostenhuis, Assen. Foto: Jos Stöver
Foto van een hunebed in Eext.
Afb. 4. Hunebed, Eext. Foto: Jos Stöver
Kaart van Drentsche Aa.
Afb. 5. Drentsche Aa

Karakteristiek

De regio Drentsche Aa vormt een karakteristiek esdorpenlandschap, gelegen op het Drents Plateau en de Hondsrug.

Het overgrote deel van de regio is onderdeel van het Nationaal Landschap de Drentsche Aa. Dit moet niet verward worden met het minder grote Nationaal Park ‘Nationaal beek- en esdorplandschap Drentsche Aa’ dat in het zuiden door de N33 (Assen-Gieten) wordt begrensd. Naast landbouw komen er veel natuurgebieden en boswachterijen voor. De verblijfsrecreatie vormt een belangrijke inkomstenbron. Belangrijk ijkpunt in de geschiedenis van de laatste 50 jaar van de regio is het zogenaamde ‘Gedachtenplan’ waarin is ingezet op het samengaan van de belangen van de landbouw, recreatie, cultuurhistorie en ecologie. Onder meer de sindsdien uitgevoerde ruilverkavelingen zijn uitgevoerd met respect voor het oude landschap.

Het landschap is opgebouwd uit de voor het zandlandschap karakteristieke eenheden esdorpen, omgeven door essen, (deels voormalige) hooi- en weilanden in de beekdalen en andere lage terreindelen en de heidevelden. De meeste nederzettingen liggen op de oostelijke en iets hogere gelegen flank van het plateau. De overgang van de Hondsrug naar het Hunzedal is een opmerkelijke visuele grens in het landschap. Het oostelijke deel van de regio maakt onderdeel uit van Geopark de Hondsrug.

Kenmerkend voor de regio is de continuïteit van de bewoning vanaf de prehistorie tot het heden. Grafvelden, grafheuvels en hunebedden vormen de oudste – in het landschap zichtbare – sporen van deze lange bewoningsgeschiedenis.

De arme zandgronden hadden oorspronkelijk bemesting nodig om in gebruik te kunnen blijven als akkergrond. De benodigde mest werd geleverd door koeien en schapen, die op de woeste gronden graasden. Het van nature aanwezig bos degradeerde hierdoor tot heide en weer later plaatselijk tot zandverstuiving.

Deze gebieden werden in de 19de en begin 20ste eeuw op grote schaal herbebost via grootscheepse werkverschaffing.

Zo ontstonden boswachterijen als Grolloo, Gieten, Borger en Hooghalen. In de laatstgenoemde liggen ook het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en de Radiosterrenwacht.

Assen is de enige stad in de regio. Voorts liggen er grotere dorpen als Rolde, Annen Gieten, Zuidlaren en Borger, bekend om het Hunebedcentrum. Vlak over de Hunze liggen de meestal middeleeuwse randveennederzettingen, zoals Zuidlaarderveen, Annerveen, Gieterveen.

De regio is via de A28 en A33 verbonden met Groningen, Duitsland en Zwolle. De A28 loopt vrijwel parallel aan de spoorlijn Zwolle- Assen-Groningen. Vanaf de Hondsrug lopen veel wegen het veengebied in.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

Tijdens de voorlaatste ijstijd, het saalien was een groot deel van Nederland bedekt met landijs. Onder het ijs werd een laag keileem afgezet, die op een groot deel van het Drents Plateau aan de oppervlakte ligt. Het ijs nam ook zware keien mee uit het noorden die achterbleven in het landschap. Door het ijs zijn meerdere ruggen in het landschap gevormd, die samen de Hondsrug vormen. Smeltwater en neerslag vanuit het noordwesten schuurden een breed en diep dal uit aan de oostkant van de Hondsrug, waar later de Hunze ging stromen. Na de landijsbedekking werd dit dal in het Holoceen opgevuld door een veenpakket, maar de scherpe overgang van het plateau naar het Hunzedal is nog steeds aanwezig.

In het weichselien, de laatste ijstijd, bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste er lange tijd een toendraklimaat en raakte de bodem permanent bevroren (permafrost), waardoor regen en smeltwater niet konden wegzakken en de wind vrij spel had.

De hele regio werd bedekt met een laag dekzand. Op veel plekken komen komvormige laagten voor. Het kunnen zowel pingoruïnes zijn – door ijs gevormde depressies – als uitblazingskommen die door de wind zijn gevormd, maar ook door de mens gegraven drinkputten voor het vee.

Holoceen

Na afloop van het weichselien, zo’n 10.000 jaar geleden, begon het holoceen. Het klimaat werd warmer en vochtiger en er ontwikkelde zich een gesloten vegetatiedek. In afgesloten laagten rondom en op het Plateau trad veenvorming op. Ten oosten van de hoge gronden van de Hondsrug ontstond een enorm hoogveengebied van meer dan 300.000 hectare. Het meest westelijke stuk van dit Bourtanger Moor is in de middeleeuwen vanaf de Hondsrug in gebruik genomen.

Op het plateau vond op tal van plaatsen overbeweiding plaats en traden zandverstuivingen op. De oudste stuifzanden dateren uit de bronstijd, maar kwamen tot in de late middeleeuwen voor. In de 19de eeuw werden deze vastgelegd door bebossing.

Het huidige landschap van het Drents Plateau is een zwak golvend gebied, van waaruit naar alle kanten beken en stroompjes lopen. De Drentsche Aa is de naam voor het stelsel van beken of ‘diepjes’, zoals het Rolderdiep, dat van zuid naar noord stroomt en samenvloeit tot uiteindelijk één stroom, de Drentsche Aa.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio tot het Keileemgebied. Daarbinnen zijn keileemvlakten, keileemruggen, beekdalbodems en droogdalbodems als landschapszones onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De oudste sporen van menselijke bewoning zijn van jagersverzamelaars. Restanten van kampplaatsen dateren van 120.000 jaar geleden uit de oude steentijd tot en met de middensteentijd. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid zijn van Neanderthalers.

De eerste boeren vestigden zich zo’n 6000 jaar geleden (nieuwe steentijd: neolithicum). De bekendste overblijfselen uit deze periode zijn de hunebedden, de gemeenschappelijke graven van mensen van de Trechterbekercultuur (3400-2850 v.Chr.). In heel Drenthe zijn nog ruim 50 hunebedden bewaard gebleven en een groot deel ervan ligt in de regio Drentsche Aa. Uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd stammen ook talrijke urnenvelden en grafheuvels, die in concentraties in de regio voorkomen. In het Strubben-Kniphorstbos ligt het grootste archeologische monument van ons land: een terrein met twee hunebedden en tientallen grafheuvels, urnenvelden en karrensporen. Opvallend element is de Galgenberg langs het zandpad van Anloo naar Schuilingsoord. De boeren in de ijzertijd legden complexen van kleine vierkante akkers aan, gescheiden door lage wallen. Deze akkercomplexen worden raatakkers of Celtic fields genoemd. In het Noordse Veld en het Balloërveld zijn ze nog vaag in het landschap zichtbaar.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Tot in de vroege middeleeuwen verschoven nederzettingen periodiek van plaats. Rond het jaar 800 kwam daar vrij abrupt een eind aan, wat te maken had met de komst van de nieuwe Frankische machthebbers en de inrichting van domeinen. De meeste dorpen lagen vanaf deze tijd op de overgang van hoog naar laag, handig op de grens van bouwlanden en weidegronden. De bouwlanden ontwikkelden zich mettertijd tot essen.

Het steeds intensievere grondgebruik voor de landbouw maakte het landschap steeds opener, zowel als gevolg van ontbossing, overbeweiding en het steken van plaggen als uitputting van de toch al schrale zandgrond. Heide breidde zich steeds verder uit en op tal van plekken ontstonden zandverstuivingen. Via de markegenootschappen trachtten de boeren een en ander te reguleren.

Het landschap kende een duidelijke geleding. De akkers lagen aan de randen of op de iets hogere delen van beekdalen. Heide en bos lagen op de hoogste delen. Daar werden schapen geweid en plaggen gestoken om de es mee te bemesten. In het bos, als dat er nog was, haalde men bosstrooisel, bouw- en geriefhout. De beekdalen waren te nat voor akkerbouw en waren in gebruik als wei- of hooiland (beemden of madelanden). De boerderijen lagen dicht bij het bouwland, tussen de wei- en hooilanden in de natte beekdalen en de heidevelden hogerop. In veengebieden werd vee geweid en turf gestoken. De bouwlanden moesten jaarlijks worden bemest om de vruchtbaarheid op peil te houden. De mest van het vee werd vermengd met bosstrooisel op de essen gebracht. Doordat het oppervlak aan bos verminderde, werd in de loop der tijd steeds meer gebruik gemaakt van heideplaggen. Op den duur kwamen de essen daardoor nog hoger te liggen en kregen ze een bolle vorm. Aan de rand van de es legde men een wildwal aan: een dichte houtsingel, al dan niet op een wal, begroeid met moeilijk doordringbare struiken.

Naast de aangesloten bossen of ‘holten’, kwamen houtopstanden voor in de vorm van houtwallen en strubben. Het hout werd voor verschillende doeleinden gebruikt. Strubben liggen vooral aan de rand van de heide. Houtwallen (vooral 18de-eeuws) liggen vooral in de beekdalen. Het Kniphorstbos en De Strubben zijn restanten van een aaneengesloten holt- en strubbencomplex.

Via veedriften werden de schapen en koeien naar de heidevelden en de weilanden gedreven. Zo’n veedrift kwam vaak uit op een open ruimte aan de rand van het dorp, de brink. Vaak bevond zich op de brink de dobbe, een met drink- en bluswater gevulde kuil. De bevolkingsgroei vanaf de late middeleeuwen werd in eerste instantie opgevangen in de bestaande dorpen. Meestal vond de uitbreiding plaats in de richting van de brink, zodat deze midden in het dorp kwam te liggen, zoals in Anloo en Taarlo. In een aantal gevallen kreeg een nederzetting ook meerdere brinken: Zuidlaren heeft er tien. Door de bevolkingsgroei groeiden ook de essen. Dit leidde tot het ontstaan van dochternederzettingen aan de randen van de essen.

Randvenen

Relatieve overbevolking van de dorpen op de Hondsrug in de late middeleeuwen maakte ook dat de hoogvenen tot aan de Hunze werden ontgonnen. Zo ontstonden aan de rand van het Hunzedal satellietdorpen als Zuidlaarderveen en Annerveen. De dorpen bestaan uit bebouwingslinten en hebben dus een heel andere structuur dan de esdorpen op het zand. In de 17de eeuw nam de vraag naar turf enorm toe, wat het begin was van de grootschalige turfwinning. Er ontstonden toen weer nieuwe nederzettingen als Nieuw-Annerveen, Eexterveen en Gasselternijveen.

De marken

De balans tussen de hoeveelheid vee, de hoeveelheid landbouwgrond en het gebruik van de gemeenschappelijke woeste gronden – de heide en de weilanden – werd gewaarborgd door de markeorganisatie. Het gebruik van de gemeenschappelijke gronden moest goed geregeld worden, omdat deze van groot belang waren voor de bedrijfsvoering.

Het ontstaan van de marken kwam voort uit de wens om de grens van het dorp vast te leggen en nieuwkomers in het dorp te weren ter bescherming van de rechten van de bestaande boeren op de woeste gronden. Waarschijnlijk zijn de marken in de eerste helft van de 13de eeuw opgericht. Een boer had één of meer waardelen of waren, soms echter ook gedeeltelijke waardelen. Het waardeel gaf recht op gebruik van de markegrond. Al naar gelang de grootte van het waardeel mocht men vee weiden, hooien, hout kappen, strooisel halen, plaggen en turf steken. In sommige marken bestonden bepalingen dat er niet geplagd mocht worden.

Omstreeks 1800 waren er in Drenthe ongeveer 100 marken. De grenzen werden zorgvuldig vastgesteld, al kwamen conflicten vaak voor. Voor het vastleggen van grenzen koos men vaak natuurlijke punten of plaatste men veldkeien. Bij Anloo nog zijn deze nog terug te vinden. Bossen behoorden vanouds tot de markebezittingen, evenals de veengronden richting het Hunzedal.

Bij de ontginning van de heidevelden en de hoogvenen in de 19de eeuw zijn de markegrenzen medebepalend geweest voor de ontginningspatronen en de inrichting van het landschap.

Kunstmest en markeverdelingen

Het markesysteem functioneerde eeuwenlang naar behoren, ook al vonden er kleine, individuele kampontginningen plaats, door ‘ongewaarde’ nieuwkomers. In de 19de eeuw werd gepleit voor verdeling van de woeste gronden om tot productieverhoging te komen. De verdelingen vonden vooral tussen 1840 en 1860 plaats. Het leidde niet direct tot grote veranderingen. Pas met de komst van kunstmest rond 1900 veranderde het landschap drastisch. De heidevelden verloren toen hun betekenis voor de bedrijfsvoering. Ze werden verkocht en ontgonnen tot nieuwe landbouwgrond of tot bos. Het landschap dat toen ontstond is grootschaliger en rationeel ingericht.

Een ander deel van de woeste gronden werd omgezet in bos. Er werden grote boswachterijen opgericht en er ontstond een vrijwel aaneengesloten (naald)bosgebied op het Gietenerveld, het Gasselterveld, het Drouwenerveld, het Zwiggelterveld, het Grolloërveld, het Schoonloërveld en het Ellertsveld. De bebossing had tot doel om zandverstuivingen vast te leggen, maar het hout werd ook gebruikt in de Limburgse mijnen.

De veengebieden in het oosten van de regio waren al eerder, in de 17de eeuw verdeeld ten behoeve van de turfwinning. Het proces van grootschalige, commerciële turfwinning nam in de 19de en 20ste eeuw een vlucht en veranderde het veengebied enorm.

Recente ontwikkelingen

Ruilverkavelingen en Gedachtenplan

Ten behoeve van de verbetering van de agrarische bedrijfsvoering zijn na de Tweede Wereldoorlog in de regio verschillende ruilverkavelingen uitgevoerd. Het bijzondere aan de Drentse ruilverkavelingen is dat ze over het algemeen zijn uitgevoerd met grote zorg voor het historische landschap. Zo zijn veel houtwallen en singels behouden of hersteld. Belangrijk hierbij was het in 1965 gelanceerde ‘Gedachtenplan’.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Bronneger- en Buinervenen 1878 1961 - 1970 2,5%
Odoorn/Algemeen 3727 x - 2013 5,5%
Buinen 145 1942 - 1957 23,0%
Zuidlaren 2818 1963 - 1978 24,2%
Westerbork 5131 1968 - 1979 41,6%
Vries 7531 1966 - 1979 43,9%
Gieten-Gasselte 3279 1970 - 1980 47,5%
Laaghaler en Hooghaler Esschen 295 1949 - 1958 50,8%
Laaghalen 1702 2000 - lopend 58,4%
Anloo 6037 1972 - 1986 68,3%
Gasselter Esch 399 1947 - 1955 100,0%
Elper Esschen 310 1947 - 1959 100,0%
Anreep-Schieven 152 1950 - 1957 100,0%
Borger 4261 1952 - 1965 100,0%
Grolloo-Schoonloo 2918 1959 - 1970 100,0%
Rolde 5518 1972 - 1985 100,0%

Staatsbosbeheer wilde niet alleen de bijzondere natuur-, cultuuren landschapswaarden in de regio beschermen, maar dit ook zo goed mogelijk combineren met de recreatie en een zekere aandacht voor leefbare dorpen en een toekomstbestendige landbouw. Zo kwamen de belangen van agrariërs, recreanten, dorpsbewoners, natuur- en landschapsbeschermers in één samenhangend raamwerk bijeen. Bij de herinrichting vormden de hoofdkenmerken van het bestaande landschap het uitgangspunt waarop werd voortgeborduurd. Landschapsarchitect Harry de Vroome was in belangrijke mate verantwoordelijk voor deze vorm van herinrichting (en is daarvoor geëerd met een standbeeld in het gebied). Na aanvankelijke grote aarzeling binnen de agrarische sector, ging men akkoord met de begrenzing van een reservaat. Ook koos de sector zelf voor de uitvoering van enkele geïntegreerde ruilverkavelingen. Hiermee werd het fundament gelegd voor een proces dat in 2002 uitmondde in de vorming van het Nationaal Park Drentsche Aa, een landschap dat door velen als het meest gave beek- en esdorpenlandschap van Nederland wordt gezien, hoewel er wel degelijk ruilverkaveld is.

In de veengebieden, onder meer rond Bronnegerveen, is overal ruilverkaveld. De Hunze was al rechtgetrokken voor de ruilverkavelingen en er ontstond een overwegend leeg landschap zonder boerderijen. Hier gingen zware discussies met de landbouwsector aan vooraf. In het zuiden van de regio is rond Borger ook een ruilverkaveling uitgevoerd. Hier werden nieuwe boerderijen aan de Strengeweg gebouwd.

Rond de meeste dorpen in de regio heeft vanaf de 20ste eeuw op kleine schaal uitbreiding van de bebouwing plaatsgevonden en verschenen in en om de dorpen voorzieningen als psychiatrische inrichtingen (Dennenoord, thans beschermd dorpsgezocht Zuidlaren). Na de Tweede Wereldoorlog zijn vooral bij de hoofddorpen veel nieuwbouwwijkjes gebouwd. Dit gebeurde bijvoorbeeld in Annen, Gieten, en Borger. De naoorlogse uitbreidingen gingen niet ten koste van de oude dorpsstructuur. Zo zijn de brinken en de essen bij Zuidlaren nooit bebouwd geraakt. Beschermde dorpsgezichten in de regio zijn verder de dorpskernen van Zuidlaren en Anloo.

Windenergie

Het Rijk heeft zich voorgenomen om in 2020 14% van onze elektriciteitsbehoefte via duurzame energie op te wekken. Windenergie moet hier de grootste bijdrage aan leveren. Vanuit het Rijk zijn daartoe 13 gebieden aangewezen waar grootschalige windparken – dat wil zeggen met een gezamenlijk vermogen van meer 100 MW – moeten worden gerealiseerd. De provincies hebben voorts de opdracht om parken tot 100 MW aan te wijzen. In de Veenkoloniën, grenzend aan de Drentsche Aa zal de komende jaren het windpark Drentsche Monden-Oostermoer worden aangelegd (zie ook regio Veenkoloniën). De visuele impact van dit park zal zich tot in de regio Drentsche Aa uitstrekken.

Infrastructuur

Het centrale deel van Drenthe was tot ver in de 19de eeuw slecht bereikbaar. Alleen bij Coevorden, Meppel, Een en Groningen kon het Drents Plateau bereikt worden. Elders belemmerde het veen de doorgang. In de regio zelf bestond de voornaamste infrastructuur uit lokale zandwegen en enkele doorgaande wegen, die de grotere plaatsen met elkaar verbonden. Omstreeks 1840 werden de wegen van Assen naar Groningen en van Meppel naar Assen, langs de Drentse Hoofdvaart verhard. Per schip was de regio na 1780 via de Drentse Hoofdvaart (Assen-Meppel) te bereiken. In 1861 werd deze doorgetrokken naar Groningen via het Noord-Willemskanaal. De komst van het spoor naar Zwolle en Groningen volgde in 1870, waarvan Assen vooral profiteerde. Vanaf de jaren 1960 werden de latere A28 en de N34 naar Emmen aangelegd. De snelweg A28 loopt parallel aan de spoorlijn, een voorbeeld van bundeling van hoofdinfrastructuur. Rond de hoofddorpen zijn in de afgelopen decennia rondwegen aangelegd om het doorgaande verkeer uit de dorpen te weren.

Specifieke thema’s

Nederzettingen

Assen (67.000 inwoners) is de enige stad in de regio en ontstond als buurschap in de middeleeuwen. Begin 17de eeuw werd het de hoofdplaats van Drenthe toen het College van Gedeputeerden Assen als vaste vergaderplaats van Landschap Drenthe kozen. In 1688 volgde de Etstoel, het hoogste rechtsorgaan in Drenthe. Assen breidde zich geleidelijk uit vanaf het midden van de 18de eeuw. Het werd aangesloten op het netwerk van wegen tussen Groningen, Coevorden en Meppel. Steeds meer ging de Drentse elite in Assen wonen. De status van hoofdplaats werd nog eens bevestigd doordat de Drentse Hoofdvaart naar Assen werd aangelegd terwijl ook Huize Overcingel (1778) en het Asserbos (1784) de plaats allure gaf. In 1814 werd Assen formeel de hoofdstad van de nieuwe provincie.

Door de goede verbindingen ontwikkelde Assen zich in de 19de eeuw tot een bestuurs-, handels-, garnizoens- en industriestad. Er werden kazernes gebouwd, militaire oefenterreinen zoals het Witterveld aangelegd. De groei van de stad zette door in de 20ste eeuw. Tal van voorzieningen, scholen en industrie vestigden zich in Assen. Na 1970 zette een nieuwe periode van verdergaande groei deels buiten de omringende hoofdinfrastructuur in. Er verrezen nieuwe bedrijventerreinen en wijken als Peelo en Pittelo. Kloosterveen in het zuidwesten, buiten de A28, is de laatste uitbreiding. Het centrum en omgeving is een beschermd stadsgezicht en huisvest het (inter)nationaal goed bekend staande Drents Museum, met onder meer enkele veenlijken. Direct in de nabijheid van de stad ligt het recreatiegebied Baggelhuizen. Ten noordwesten van Assen ligt een grote golfbaan met bijbehorende ‘golf lodge’. Dergelijke ontwikkelingen zijn bewust ten westen van de stad toegelaten, zodat het Drentsche Aagebied is ontzien.

Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa

Het beekdal van de Drentsche Aa is een gaaf laagland-bekenstelsel en beslaat een oppervlakte van circa 30.000 hectare. De Drentsche Aa vindt zijn oorsprong op het Zwiggelterveld en rond Grolloo en stroomt 28 kilometer noordwaarts. De beek wordt telkens genoemd naar het dorp waar hij langs stroomt en heeft namen als Amerdiep, Loonerdiep, Oudemolense Diep, Schipborgerdiep.

Het eerder genoemde Gedachtenplan uit 1965 vormde de aanleiding tot een nieuwe wijze van bescherming van en ontwerpen aan het landschap. Speciaal voor de Drentsche Aa werd in 2002 een Nationaal Park met ‘verbrede doelstelling’ gecreëerd, waarbij natuurterreinen, landbouwgronden, dorpen, verblijfsrecreatieterreinen, houtwallen en bossen werden geïntegreerd.

Dit 10.000 hectare grote gebied wordt gekenmerkt door essen, brinkdorpen, de vrij meanderende beek, groenlanden in het beekdal en omringende heide, die nu veelal bebost is. Het is de kern van de hier beschreven regio.

Toerisme

Al voor de Tweede Wereldoorlog maar vooral erna werd Drenthe ontdekt door de toerist. De toegenomen bereikbaarheid van het gebied en de stijging van de welvaart waren belangrijke voorwaarden. Maar minstens zo belangrijk was het esdorpenlandschap dat door veel toeristen werd gewaardeerd, ook al had daar een stevige ruilverkaveling plaatsgevonden. Het toerisme resulteerde in de komst van een aantal recreatieve voorzieningen, aanvankelijk vooral in en rond Zuidlaren, Zeegse en op de Hondsrug. Later kwamen daar de gebieden bij die waren bebost in de buurt van de nog bestaande zandverstuiving Drouwenerzand (thans een Natura 2000-gebied). Het resulteerde in een aantal campings en andere toeristische verblijfplaatsen. In het kader van bijvoorbeeld ruilverkavelingen en landinrichtingsprojecten werden wandel-, fietspaden en dergelijke aangelegd.

De meest recente ontwikkeling is de opening van de Hof van Saksen, een groot resort bij Rolde. Het bestaat uit 800 recreatiewoningen en restaurants. Het moet de sfeer van een Drents dorp benaderen. De recreatiewoningen werden rond open brinkachtige ruimtes gebouwd, met bomen eromheen.

Herinneringskamp Westerbork en de Radiosterrenwacht De boswachterij Hooghalen is in bezit van Staatsbosbeheer en maakt samen met de boswachterijen Grolloo, Borger, Schoonloo onderdeel uit van het 6.000 hectare grote natuurgebied ‘Hart van Drenthe’. Zoals veel boswachterijen in Drenthe, wordt het gebied gekenmerkt door een afwisseling van naaldbos voor houtproductie, heidevelden, vennen en stuifzanden. In de boswachterij Hooghalen werd in 1939 door de Nederlandse overheid een vluchtelingenkamp geopend, dat door de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog werd ingericht als het doorgangskamp Westerbork. Vanuit Westerbork werden ruim 100.000 Nederlandse joden per trein getransporteerd naar vernietigingskampen als Auschwitz. Na de oorlog werd het terrein onder andere gebruikt als interneringskamp en vanaf 1951 woonoord voor Zuid-Molukkers. Sinds 1983 is het kamp als herinneringscentrum in gebruik. Bekend symbool is het in 1970 geopende Nationaal Monument Westerbork, bestaande uit twee omhoog staande spoorstaven. Ook in de boswachterij Hooghalen, deels op het terrein van het voormalige kamp, staan de veertien radiotelescopen van de Radiosterrenwacht Westerbork. Ze werden in 1970 in gebruik genomen en in 1999 gemoderniseerd. Een educatief wandelpad loopt vanaf de parkeerplaats bij het herinneringscentrum naar de telescopen en vandaar naar het voormalige kamp.

De TT in Assen

Sinds 1925 worden er motorraces gehouden rond Assen onder de naam Tourist Trophy of ‘TT’. Aanvankelijk over een 28 kilometer lang stratenparcours tussen Rolde, Borger en Schoonloo, dat werd ingekort tot een 16 kilometer lang alternatief. Dit werd in 1955 vervangen door een echt circuit, dat ten zuiden van Assen ligt. In de loop der jaren is ook dit enige malen aangepast. Daardoor ontstond in de jaren tachtig een permanent circuit, dat nu vrijwel dagelijks wordt gebruikt. De TT races zijn onderdeel van de TT-week, een druk bezocht evenement met meer dan 500.000 bezoekers. Inmiddels is ter plaatse onder andere ook een beurscomplex verrezen. Er zijn plannen voor de aanleg van een outlet center.

Literatuurlijst

  • Elerie, J.N.H., S.W. Jager en Th. Spek, z.j. Landschapsgeschiedenis van De Strubben/Kniphorstbos. Archeologische en historischecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug. Groningen.
  • Spek, T., 2004. Het Drentse esdorpenlandschap – een historischgeografische studie. Utrecht.
  • Spek, T, H. Elerie, J. Bakker en I. Noordhoff, 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Assen.
  • Vroome, H.W. de, 1972. Geschiedenis van het Drentse cultuurlandschap. Stedebouw en Volkshuisvesting 53: 298-301.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap Drentsche_Aa
Algemeen Kenmerkend Drents esdorpenlandschap
Landbouw en natuur Escomplexen (akkerbouw)
19de eeuwse heideontginningen tot landbouwgrond
(toponiem “-veld”)
Weilanden in beekdalen, veelal met houtwallen
Heide, bv Ballooërveld en nabij boswachterijen en zandverstuiving Drouwenerzand
Bosbouw Boswachterijen Drouwenerveld, Gieten, Grolloo, Borger, Hooghalen (heideontginning tot bos), met veel naaldbomen voor de mijnen
- Hooghalen: Kamp Westerbork
Wonen Assen
Esdorpen met brinken (Rolde, Anne, Gieten, Zuidlaren, Borger)
Dorpen bij de randvenen oostelijk van de Hunze
Relatief veel (vml) psychiatrische inrichtingen, bv. Dennenoord
Waterstaat Drentsche Aa (stelsel van beken en diepen)
Hunze
Kleinere diepen en beken
Delfstoffenwinning Turfwinning in oostelijk deel regio, Hunzedal
Verkeer A28
Spoorlijn Groningen – Assen - Hoogeveen
Noord-Willemskanaal
Havenkanaal
Oranjekanaal
Bestuur Assen provinciehoofdstad
Recreatie/sport TT-circuit Assen
Religie Hunebedden en grafheuvels op flank Hondsrug
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.