Panorama Landschap - Flevopolders

Introductie

De regio Flevopolders bevat de jongste landschappen van Nederland. Het betreft twee grote droogmakerijen, gericht op grootschalige landbouw en recreatiebossen. Almere en Lelystad zijn de grootste steden. Recent zijn veel windparken aangelegd.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van Flevoland. Meerdere windmolens te zien.
Afb. 1. Flevoland, Adelaarsweg. Foto: Paul Paris
Foto van windmolens vanaf de grond genomen.
Afb. 2. Windturbines. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Almere.
Afb. 3. Almere. Foto: Beeldbank RCE
Het stadhuis van Lelystad. Ervoor staat een donkergrijze zuil.
Afb. 4. Stadhuis van Lelystad. Foto: Paul Paris
Kaart van Flevopolders.
Afb. 5 Flevopolders

Karakteristiek

De Flevopolders zijn de jongste landschappen van ons land. Dit is goed te zien in de maatvoering van de ruimte en in de functies die polders hebben. De wordingsgeschiedenis komt naar voren in de polderdijken, het patroon van wegen en waterlopen en in de rationele inrichting van de gronden. Behalve rationeel ingerichte landbouwgebieden waarin grootschalige landbouw en energiewinning plaatsvinden, zijn er bossen, grote natuurgebieden en twee steden Almere (200.000 inwoners) en Lelystad (76.000 inwoners). De Flevopolders laten zien dat de ideeën over ruimtegebruik en inrichting na de Tweede Wereldoorlog snel veranderden.

In Oostelijk Flevoland werden elf dorpen ontworpen, maar er werden er drie gebouwd. In Zuidelijk Flevoland werd er naast Almere één dorp aangelegd: Zeewolde. Het gevolg van deze inrichting is dat het centrum van de regio wordt gekenmerkt door een optimale agrarische inrichting, terwijl de andere functies (natuur, bos, stedelijke gebieden, bedrijventerreinen) aan de randen van de regio zijn geconcentreerd. Niet gepland was het Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen. Het was bestemd tot bedrijventerrein, maar ontwikkelde zich tot een ecosysteem van Europese betekenis.

De Flevopolders herbergen op het eerste gezicht onverenigbare functies: grootschalig landbouwgebieden, windparken – de komende jaren komt daar nog heel veel aan opgesteld vermogen bij –, een elektriciteitscentrale met bijhorende hoogspanningsleidingen, een groot natuurgebied en meerdere grootschalige woonlocaties met bijbehorende infrastructuur van snelwegen en spoorlijnen.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Holoceen

Zo’n 10.000 jaar geleden begon het holoceen, de huidige geologische periode. Het gebied van de Flevopolders was toen een zwak golvend zandlandschap. In het zuiden van de polder lag de benedenloop van de Eem, in het noorden de delta van de Overijsselse Vecht en de IJssel. Het klimaat werd warmer en vochtiger en er ontwikkelde zich een gesloten vegetatiedek.

Door het afsmelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en als gevolg hiervan ook de grondwaterspiegel. Op lage plekken met een gebrekkige afvoer ontstonden moerassen en vormde zich veen. Dit veengebied breidde zich over de regio uit en maakte deel uit van een nog groter gebied dat het huidige IJsselmeergebied bedekte. Dit proces ging door tot in de vroege middeleeuwen. In de 10de en 11de eeuw werden grote delen ontgonnen.

Door bodemdaling na klink en oxidatie werd dit kwetsbaar voor overstromingen. In de 12de eeuw begon de vorming van de Zuiderzee. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1170 werden grote stukken van het veen weggeslagen en in de eeuwen erna breidde de Zuiderzee zich steeds verder uit. Het veen werd op veel plaatsen weggeslagen tot op het pleistocene zand. Daarbovenop is door de Zuiderzee een metersdikke kleilaag afgezet. In de Flevopolders is ook in de IJsselmeerfase nog een kleilaag afgezet tot een halve meter dik.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot de Diepe droogmakerijen, met daarbinnen als landschapszones voormalige Zuiderzeebodems en kusttalud (aan de zuidoostelijke randen).

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Uit de periode van voor de veenbedekking zijn vondsten bekend uit de middensteentijd en de jonge steentijd. Aan de oevers van de Vecht, die vroeger midden door Flevoland stroomde, vestigden zich mensen van de Swifterbantcultuur, genoemd naar het dorp Swifterbant. Daar is in de ondergrond een systeem van rivierduinen en kreken met oeverwallen ontdekt, waarop de resten van prehistorische nederzettingen tevoorschijn kwamen. De bewoners leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van plantaardig voedsel. Op kleine schaal werden ook al voedselgewassen verbouwd. De mensen van de Swifterbant cultuur maakten op deze manier optimaal gebruik van de mogelijkheden die de toenmalige IJssel-Vecht delta bood. Uit de volgende prehistorische perioden zijn nauwelijks vondsten bekend. De regio was toen grotendeels met veen bedekt geraakt. In de Romeinse tijd was het gebied grotendeels water, het mare Flevum. In 2014 zijn in het Kotterbos bij Almere houten palen gevonden die misschien de resten zijn van een Romeinse wachttoren. Die zal aan de rand van het water hebben gestaan en hebben gediend voor de beveiliging van de scheepvaartroute naar het Friese noorden.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

De veenvorming in de regio ging door tot in de 10de / 11deeeuw. Het veengebied strekte zich uit van de duinen van Noord-Holland tot de hoge gronden van de Veluwe. Ter plaatse van het huidige Almere lag in de Romeinse tijd het Flevomeer, dat in de middeleeuwen de naam Almere kreeg. Via een brede geul stond dit in verbinding met de Noordzee. Vanaf de 10de eeuw werden grote delen van het gebied ontgonnen en ontstonden dorpen als Dronthe en Arke. Doordat de ontginning gepaard ging met bodemdaling werd het gebied kwetsbaar voor overstromingen. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1170 werden grote stukken van het veenland in het huidige IJsselmeergebied weggeslagen en in de eeuwen erna breidde de Zuiderzee zich steeds verder uit.

Tal van dorpen verdwenen, sommige nederzettingen moesten worden verplaatst, zoals Elburg (1393) en Naarden (14de eeuw). Lange tijd waren de huidige Flevopolders onderdeel van de Zuiderzee. Bij het droogvallen van de polders zijn veel scheepswrakken te voorschijn gekomen. Uit onderzoek naar deze schepen is een gedetailleerd beeld ontstaan van de handel en de scheepvaart in het Zuiderzeegebied van de late middeleeuwen tot in de 20ste eeuw.

De Zuiderzeewerken

De eerste plannen voor de drooglegging van de Zuiderzee dateren uit de 17de eeuw van Simon Stevin. Deze waren echter technisch niet haalbaar. In de 19de eeuw werden opnieuw plannen gemaakt.

De technische mogelijkheden waren toegenomen door de toepassing van de stoommachines. De plannen sloegen niet aan bij de regering, die aanvankelijk niet happig was op grote staatsdeelname in dit soort projecten (maar van mening veranderde na de moeizaam verlopen droogmaking en inrichting van de Haarlemmermeerpolder, 1849-1852). Daarom werd in 1886 op particulier initiatief de Zuiderzeecommissie opgericht. Deze nam zich voor om de plannen te verbeteren en van een serieuze onderbouwing te voorzien. Daartoe werd ir. Cornelis Lely aangetrokken. Hij ging aan de slag en schreef in 1891 een gedegen rapport bestaande uit acht delen waarin hij de plannen ontvouwde die later bijna geheel zijn uitgevoerd. Twee gebeurtenissen waren er nodig om uiteindelijk de uitvoering ter hand te namen. Ten eerste de Eerste Wereldoorlog, die aantoonde dat Nederland niet in zijn eigen voedselvoorziening kon voorzien.

Uitbreiding van het landbouwareaal was dus noodzakelijk. In de tweede plaats veroorzaakte een stormvloed in 1916 uitgebreide overstromingen in het Zuiderzeegebied en in de Kop van Noord-Holland. Dit toonde de kwetsbaarheid van de dijken rond de Zuiderzee aan. In 1918 besloot de regering tot uitvoering van de Zuiderzeewerken volgens de plannen van Lely, die intussen minister van Waterstaat was. Cruciaal in zijn plannen was de verkorting van de kustlijn door de aanleg van de Afsluitdijk, waarmee grote overstromingen konden worden voorkomen.

Daarnaast zou er een groot zoetwaterreservoir ontstaan, dat noodzakelijk was om in het toenemend drinkwatergebruik te kunnen voorzien. Als laatste werd door de gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee het areaal landbouwgrond sterk uitgebreid. In het Zuiderzeegebied zouden volgens de plannen vijf droogmakerijen worden aangelegd, waarvan er uiteindelijk vier zijn gerealiseerd. In 1932 werd de Afsluitdijk aangelegd waardoor de Zuiderzee in het IJsselmeer veranderde. Achtereenvolgens vielen de Wieringermeer (1930), de Noordoostpolder (1942), Oostelijk- (1957) en Zuidelijk Flevoland (1968) droog. De Markerwaard is nooit tot stand gebracht.

De inrichting van de polders

Een belangrijk verschil met de iets oudere Noordoostpolder is de scheiding van het oude land door middel van de randmeren. Dit had vooral een waterstaatkundige achtergrond, maar de kustzone kreeg naast een waterstaatkundige functie ook een recreatieve betekenis. De strakke, kale dijk van de Noordoostpolder bestaat in de Flevopolders uit begroeide dijk, met een voorland van (speel)weiden en stranden.

Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zijn sterk met elkaar verbonden, maar zien er niet hetzelfde uit. Enerzijds omdat iedere droogmakerij werd ingericht naar de nieuwste technologische, agrarische, economische en sociale inzichten, anderzijds omdat men leerde van de ervaringen die men opdeed bij de inrichting van de voorgaande droogmakerijen. Eén van de nieuwe technologische ontwikkelingen was de voortgaande mechanisatie in de landbouw en de toegenomen mobiliteit. Daarom werd het plan uit 1954 voor elf dorpen in Oostelijk Flevoland bijgesteld en teruggebracht tot drie: Dronten, Swifterbant en Biddinghuizen. Daarbij wilde men in Oostelijk Flevoland in eerste instantie een hiërarchisch nederzettingspatroon ontwikkelen, zoals dat in de Noordoostpolder bestond. Aan de westkant van de polder was Lelystad gepland als centrum voor het gehele Zuiderzeegebied. Het centrum van Oostelijk Flevoland bleef vrij van dorpen. Zodoende ontstond daar de grootste aaneengesloten oppervlakte landbouwgrond, terwijl bossen en andere recreatieve voorzieningen aan de randen van de polder te vinden waren. Bij de aanleg van Zuidelijk Flevoland besloot men op dit stramien voort te borduren: het centrum van de nieuwe polder werd als landbouwgebied ingericht, de andere functies werden in de randen ondergebracht, zoals de bossen van het Horsterwold, Hulkesteinse Bos en het Almeerder Hout, alsmede de nieuwe stad Almere en het dorp Zeewolde. Lelystad werd in 1986 aangewezen als hoofdstad van de nieuwe Provincie Flevoland.

Landbouw

De IJsselmeerpolders zijn in eerste instantie aangelegd om het areaal landbouwgrond in Nederland te vergroten. De regelmatige, blokvormige verkaveling in het agrarische buitengebied is grootschalig en rationeel. Het was mogelijk bij het ontwerp de ideale kavelgrootte te bepalen aan de hand van de gewenste bedrijfsvoering, de kosten voor de landinrichting en het landgebruik. Daarnaast maakte de naoorlogse mechanisering in de landbouw het ontstaan van grote en efficiënte agrarische bedrijven mogelijk. Het verschil in kavelgrootte tussen de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland is grotendeels te verklaren door de ontwikkelingen in de mechanisatie. In Oostelijk Flevoland kwam men tot kavelgroottes van 30 en 45 hectare. In Zuidelijk Flevoland was dat 60 hectare (Noordoostpolder: 24 hectare).

Na Tweede Wereldoorlog veranderde de agrarische situatie in Nederland. Het streven om in de eigen voedselproductie te voorzien werd losgelaten. Bij de inrichting van Oostelijk en vooral van Zuidelijk Flevoland kwam daarom de agrarische functie minder prominent naar voren dan voorheen. In de Zuidelijke IJsselmeerpolders werd bewust ruimte gereserveerd voor de aanleg van een grote stad, voor de realisatie van recreatiegebieden, bossen (vooral op minder vruchtbare zandige grond) en natuurgebieden. Zo ontstonden de recreatie- en natuurzones langs de randmeren en op een aantal plaatsen in de droogmakerijen zelf.

Waterbeheersing

De IJsselmeerdijken zijn geen zeewaterkerende dijken, maar moeten die rol wel kunnen vervullen voor het geval de Afsluitdijk mocht doorbreken. Kenmerkend is de Knardijk, een opvallende dijk midden in het land. Het is de oude waterkering van Oostelijk Flevoland, toen Zuidelijk Flevoland nog niet was aangelegd en is daarna bewust in stand gehouden ter compartimentering van beide polders. Op de kruising met de Vogelweg ligt een voormalige werkhaven. De polders worden door de gemalen Wortman in Lelystad, De Blocq van Kuffeler aan de Oostvaardersdijk in Almere, Lovink te Harderhaven en Colijn te Ketelhaven drooggehouden.

Infrastructuur

Het weg- en waterlopenpatroon van Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland is kenmerkend voor het landschap van de droogmakerijen: rechte wegen en waterlopen voorzien van beplanting, die meestal een vast aantal kavels ontsluiten.

Grote vaarten dienen voor zowel scheepvaart als afwatering. De hoofdwegen lopen in Oostelijk en delen van Zuidelijk Flevoland min of meer evenwijdig aan de dijken. In het oostelijk deel van Oostelijk Flevoland lopen secundaire wegen evenwijdig aan de randmeerdijk en in het noorden en zuiden staan de secundaire wegen dwars op de dijken. In Zuidelijk Flevoland is de structuur van de secundaire wegen minder strak. De wegen- en waterlopenstructuur is in beide droogmakerijen niet zo regelmatig als in de Noordoostpolder.

De snelweg A6 loopt door de Flevopolders en heeft dezelfde oriëntatie als de polders. Ten noorden van Lelystad ligt aan de IJsselmeerdijk een windmolenpark, dat de snelweg begeleidt tot aan de brug naar de Noordoostpolder. Noordelijk van Almere ligt het gelijknamige knooppunt, waar de A27 begint. Deze doorkruist de polder in het zuiden. Langs deze snelweg bevindt zich een groeiend aantal bedrijven.

Bossen

De beplanting in de noordwesthoek van Oostelijk Flevoland ligt op een aantal oude oeverwallen en rivierduinen van de IJssel. Hier werden ook de sporen van de Swifterbantcultuur gevonden. De bossen in Flevoland hebben zowel een productiefunctie als een recreatiefunctie. Met name de bossen bij de nederzettingen, die het contrast tussen de beslotenheid van de nederzettingen en de openheid van het agrarisch gebied sterk vergroten en de bossen langs de randmeren hebben een belangrijke recreatieve functie.

De hier aangelegde bosstroken zijn geïnspireerd op de Amerikaanse parkways. De bossen in Zuidelijk Flevoland concentreerden zich in de zuidlob en rond Almere. Deze zijn veelal onderdeel van het natuurnetwerk. Het Oostvaarderswold moet als verbinding gaan fungeren tussen de bossen en de Oostvaardersplassen.

Landschapskunst

In de regio zijn enkele land art objecten aangelegd. De eerste werd in de jaren 1970 ten noordoosten van Lelystad aangelegd: het Observatorium van Robert Morris. In het landelijk gebied van Zuidelijk Flevoland, aan de Vogelweg, ligt het ervaringslandschap ‘De Aardzee’ van Piet Slegers, waar de componenten water en aarde met elkaar verbonden zijn. In de Almeerderhout staat ‘De Groene Kathedraal’ van Marinus Boezem. Hier zijn 178 Italiaanse populieren geplant volgens de plattegrond van de kathedraal Notre Dame in Reims.

Recente ontwikkelingen

De Flevopolders hebben in de laatste decennia veel Amsterdammers gehuisvest, met name in Almere (zie verder). Een echt overloopgebied is het nu niet meer, hoewel er nog steeds mensen uit Amsterdam naar de polder trekken. De afgelopen jaren zijn en in de komende jaren worden in de Flevopolders op grote schaal windturbines geplaatst. Het Rijk heeft zich tot doel gesteld om in 2020 in totaal 6.000 MW aan opgesteld vermogen op land te hebben gerealiseerd. Een flink deel daarvan zal in de Flevopolders tot stand komen, in gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Rijkscoördinatieregeling. Op dit moment staan er al tientallen windturbines in de polders en dat zullen er de komende jaren alleen maar meer worden. Ook de tiphoogte van de turbines, tot 200 meter, zal fors toenemen.

Voor de toenemende bevolking wordt de komende jaren flink geïnvesteerd in de uitbreiding van de bereikbaarheid van Almere. De A6 wordt verbreed en de spoorverdubbeling SAAL (Schiphol-Almere-Amsterdam-Lelystad) is thans in volle gang.

De Zuiderzeespoorlijn van Lelystad naar Zwolle dateert van 2012. Er zijn geen ruilverkavelingen uitgevoerd in de regio.

Specifieke onderwerpen

Almere (197.000 inwoners) is tegenwoordig de achtste stad qua inwonertal van ons land. In de toekomst is een sprong voorzien naar 350.000 inwoners. De stad is geheel ontworpen op de tekentafel. Al in de jaren 1960 werd over Almere nagedacht en in 1976 werd de eerste woning opgeleverd. Almere is een meerkernige nederzetting bestaande uit Haven, Stad en Buiten, van elkaar gescheiden door groenstroken. Later zijn daaraan toegevoegd Hout en Poort en mogelijk volgen in de toekomst nog Pampus en IJland (Buitendijks). Elke kern heeft aparte stelsels voor auto’s en fietsers en bestaat overwegend uit betaalbare, grondgebonden eengezinswoningen. Al na 25 jaar besloot men om in Almere-Stad een herstructurering door te voeren en een echt centrum te gaan ontwikkelen, met bijbehorende hoogbouw. Tegenwoordig is Almere een uitgestrekte stad met overwegend laagbouw –hoewel de laatste jaren nadrukkelijk ook ingezet is op hoogbouw in het centrum – waarvan de meeste inwoners werkzaam zijn in Amsterdam. Dagelijks fileleed hoort daarbij.

Lelystad (76.000 inwoners) is de hoofdstad van Flevoland. De nederzetting is genoemd naar de ontwerper van Flevoland, Cornelis Lely. De stad zou moeten uitgroeien tot de belangrijkste nederzetting van de nieuwe polders, maar dat werd Almere. Lelystad ligt in Oostelijk Flevoland, langs de westelijke dijk. De stad is net als Almere geheel ontworpen op de tekentafel. Typerend voor de inrichting is de sterke scheiding van verkeersstromen in de stad. De groei van Lelystad kwam in de jaren 1980 tot stilstand en sloeg tijdelijk om in bevolkingsafname. Door meer in te zetten op koopwoningen en een meer diverse woningvoorraad, is de stad opnieuw gaan groeien. Naast het stadshart, bestaat Lelystad uit een achttal wijken. De negende, Waranda, zal de komende decennia ontwikkeld worden, waarna de stad mogelijk groeit tot 100.000 inwoners. Nabij Lelystad ligt een vliegveld, dat in de komende jaren als overloop voor Schiphol moet gaan dienen. Op dit moment is het vooral bekend doordat het Aviodrome er is gevestigd.

Literatuurlijst

  • Dissel, A.M.C., 1991. 59 jaar eigengereide doeners in Flevoland, Noordoostpolder en Wieringermeer. Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders 1930-1989. Lelystad.
  • Duin, R.H.A. van, 1995. Het Zuiderzeeproject in zakformaat. Lelystad.
  • Geurts, A. J., 1997. De ‘groene’ IJsselmeerpolders. Inrichting van het landschap in Wieringermeer, Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Lelystad.
  • Hemel, Z., 1994. Het landschap van de IJsselmeerpolders. Planning, inrichtingen vormgeving. Rotterdam.
  • Horlings, H en Blom, A., 2018. De groene horizon. Vijftig jaar bouwen aan het landschap van de Flevopolder.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Flevopolders
Algemeen Zuiderzeepolders uit de twintigste eeuw met New Towns Almere en Lelystad
Grootschalig en open
Landbouw in centrale deel, bos en recreatie aan randen
Vanaf de tekentafel ontworpen leefomgeving/landschap en doorontwikkeld voor een ideaal bestaan; voortschrijdend inzicht over ideale inrichting en afstanden is te lezen in de verschillen tussen de polders
Landbouw Grootschalige, rationele percelering (kavel- en erfstructuren)
Elzenhagen rondom fruitgaarden
Akkerbouw
Bosbouw (ook tbv recreatie) Dorps en stadsbossen, bv. Horsterwold, Almeerder Hout, Swifterbos
Randmeerbossen
Overige bossen, bv. Hulkesteinsebos, Harderbos
Natuur Nationaal Park Nieuwland
Markerwadden
Wonen New Towns: Meerkernige tuinstad Almere en Lelystad: steden
Zeewolde, Dronten, Biddinghuizen en Swifterbant: dorpen
Ketelhaven
Waterstaat IJsselmeerdijken
Knardijk
Gemalen en sluizen
Stelsel vaarten en tochten, bv. Hoge en Lage Vaart
Randmeren
Bedrijvigheid Bij steden
Businesspark Lelystad (incl. vliegveld)
Verkeer A6, A27
Structuurbepalende beplante wegen Zuiderzeelijn: spoorlijn Almere-Lelystad-Zwolle
Polderpakrwegen, die de open polder maat en schaal geven, bv. Dronterweg en Larserweg
Opvallende open ruimte, begrensd carré: Tureluurweg, Schollevaarweg, Lepelaarweg, Ooievaarweg, Ibisweg, Kievitsweg
Bestuur Lelystad provinciehoofdstad
Recreatie em cultuur Randmeren in gebruik voor recreatie met bijhorende voorzieningen
Meerdere land-art objecten
Archeologische vindplaatsen en scheepswrakken
Energie Windturbines langs landschappelijk lijnen
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.