Panorama Landschap - IJsselvallei

Introductie

De regio IJsselvallei omvat het rivierenlandschap van de IJssel en de Oude IJssel. Het landschap naar het oosten en westen uit naar het zand. Het kent steilte gradiënten naar het Veluwemassief. Kenmerkend zijn brede uiterwaarden. Langs de IJssel liggen handelssteden als Deventer en Zutphen.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van de Wilpse Kleipolder.
Afb. 1. Wilpse Kleipolder. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Huis Voorstonden. Eromheen zijn de bijbehorende grond en lanen te zien. Het landgoed is omgeven door bomen en grasvelden.
Afb. 2. Huis Voorstonden. Foto: Paul Paris
Stadsaanzicht van Deventer. In de voorgrond water en in de achter grond een huizenrij met een kerk in het midden..
Afb. 3. Deventer. Foto: Paul Paris
kerk in Zutphen. Ervoor staat een stadsmuur. In de voorgrond loopt een beekje met een grasveld ernaast.
Afb. 4. Zutphen. Foto: Paul Paris
DRU bij Ulft. Een bakstenen gebouw met een toren aar ‘’1913’’ op staat. In de voorgrond loopt een watertje.
Afb. 5 DRU in Ulft. Foto: Paul Paris
Kaart van IJsselvallei.
Afb. 6. IJsselvallei.

Karakteristiek

De Oude IJssel komt bij Ulft ons land binnen en neemt op haar tocht naar Doesburg verschillende beken op, zoals de Aastrang en de Boven-Slinge. De rivier loopt in een breed dal tussen de hogere gronden van Montferland en de dekzandrug van Keppel-Doetinchem. IJzererts in de vorm van oerbanken heeft geleid tot de kenmerkende ijzerindustrie in dit deel van de regio.

De IJssel splitst zich bij Westervoort af van de Nederrijn en stroomt langs de voet van de Veluwe naar Doesburg om daar samen te komen met de Oude IJssel en vandaar al meanderend naar het noorden te stromen. Ook in de IJssel komen verschillende beken uit, zoals de Berkel en de Schipbeek. Kenmerkend zijn uitgestrekte uiterwaarden, zoals de Wilpsche Klei en de Voorsterklei. Hierin liggen verspreid boerderijen op terpen. Oostelijk en westelijk van de IJssel gaat het rivierkleilandschap geleidelijk over in het Noordelijk zandgebied. Dit bestaat uit lage, oost-west lopende ruggen en enkele grotere, laaggelegen vlakten.

Doordat enkele landwegen de bevaarbare IJssel kruisten, ontstonden handelsnederzettingen, waarvan sommige uitgroeiden tot belangrijke steden: Doetinchem, Doesburg, Zutphen en Deventer. Ook Zwolle moet in dit verband worden genoemd, hoewel het niet direct aan de IJssel is gelegen. De steden waren lid van de Hanze en beleefden hun grootste welvaart in 14de-16de eeuw, waarna ze werden overvleugeld door de Hollandse steden.

De dorpen liggen op de hogere delen van het gebied: rivierduinen, dekzandkopjes en oeverwallen van de IJssel. In de regio liggen veel kastelen, vroegere havezaten, landgoederen en buitenplaatsen. Door het IJsseldal lopen de snelwegen A1, A12 en A18, de belangrijkste regionale wegen zijn de N348, N314, N344 en N337. Vanuit Doetinchem lopen meerdere 380kV hoogspanningsleidingen door het gebied, evenals vanuit Zwolle. Bij Deventer en Zutphen liggen langs de IJssel twee windparken.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

De IJsselvallei is ontstaan in de voorlaatste ijstijd het saalien (200.000-125.000 jaar geleden), toen het noorden van Nederland bedekt was met een ijskap. Aan de uiteinden daarvan lobden enkele tongen naar het zuiden, die als een bulldozer al het materiaal voor en onder zich uit schoven en zo de Veluwe en de Sallandse Heuvelrug vormden. Na het afsmelten van het ijs, ging vanaf de vroege middeleeuwen de IJssel door de laagte stromen. Tijdens de laatste ijstijd, het weichselien (circa 70.000-10.000 jaar geleden), bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste er een zeer koud klimaat en had de wind vrij spel. In het hele land werden zandlagen afgezet, de zogenaamde dekzanden. Er vormden zich ook lage ruggen en koppen. Door smeltwaterafzettingen werd het dal grotendeels opgevuld. Mettertijd verlegde de Rijn zijn loop naar het zuiden, onder de stuwwal van Montferland naar het westen. De verbinding tussen het IJsseldal en de Rijn raakte verbroken. In het dal van de IJssel traden nadien verstuivingen op en zand uit de drooggevallen rivierbedding werd tot rivierduinen opgestoven. Verschillende dorpen langs de IJssel liggen op dergelijke rivierduinen. Door het oude Rijndal loopt tegenwoordig de Oude IJssel.

Holoceen

In het holoceen, dat 10.000 jaar geleden begon, steeg de temperatuur en raakte het gebied begroeid met bos. De IJssel meanderde door haar brede dal en trad bij aanvoer van veel water buiten haar oevers. Hierdoor zijn langs beide zijden van de rivier lage zanderige ruggen ontstaan: de oeverwallen. Tussen Deventer en Zwolle is de oeverwal op sommige plaatsen meer dan een kilometer breed. In de gemeente Voorst loopt over de gehele westelijke IJsseloever een zandige oeverwal, waarop Wilp, Voorst en Terwolde liggen. Aan de overzijde liggen Olst en Wijhe op een oeverwal. Verder van de bedding van de rivier kwamen de kleinere deeltjes tot bezinking. Deze komklei bezonk verder van de rivier in de komgebieden als die van Nijbroek en Sekdoorn.

De IJssel werd vanaf de vroege middeleeuwen weer een Rijntak. Vanaf de 12de en 13de eeuw ging de IJssel meer Rijnwater verwerken en ontstonden meanders. De IJssel heeft haar bedding diverse keren verlegd. In de verschillende uiterwaarden komen oude restgeulen voor. De vreemde provinciegrens tussen Overijssel en Gelderland valt hieruit te verklaren: deze volgt oude IJssellopen. Er ontstonden kronkelwaarden als de Fraterwaard bij Doesburg.

Na ingrijpende waterwerken in de 18deeeuw bij de splitsingen van de Waal, de Rijn en de IJssel werd een stabiele situatie bereikt in de afvoer en verdeling van het Rijnwater.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het IJsseldal, het Noordelijk zandgebied, Lage Rijnterrassen en de Rijn-Maasdelta. Daarbinnen zijn onderscheiden als landschapszones: dekzandvlakten, dekzandruggen en rivierduinen, uiterwaarden, stroomrug- en crevassegronden, overstromingsvlakten, restgeulen en terrasresten. Enkele zeer kleine gedeelten horen tot de Stuwwallen van de Veluwe en het Noordelijk kustveengebied van de IJsseldelta.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De zandgronden langs de IJssel zijn al duizenden jaren bewoond. Onder meer bij Twello verbleven jagers-verzamelaar in de eindfase van de oude steentijd (laat paleolithicum, circa 12.000- 10.000 v.Chr.). Uit de daarop volgende middensteentijd (mesolithicum) zijn op diverse plaatsen sporen van jachtkampjes bekend. Een bekende vindplaats uit deze periode is Zutphen-Ooijerhoek (circa 9400-8700 v.Chr.). Mogelijk vanaf de nieuwe steentijd (de periode waarin de landbouw werd geïntroduceerd) en zeker vanaf de midden bronstijd (omstreeks.1500 v.Chr.) zijn de hoge gronden langs het IJsseldal continu bewoond. Oude bewoningsconcentraties bevinden zich bij Zutphen (Eme, Leesten), Deventer (Colmschate), Twello en Zwolle. Nadat de IJssel in de vroege middeleeuwen een zijtak van de Rijn werd en meer water ging afvoeren, zijn grote delen van het dekzandlandschap langs de rivier onder rivierklei verdwenen. Bij opgravingen in deze zone zijn op diverse plaatsen afgedekte prehistorische nederzettingen aangetroffen, onder meer bij Ittersumerbroek. De hoogste duintoppen in en langs het rivierdal waren veilig voor overstromingen en bleven bewoond (onder meer bij Windesheim en Vorchten). Op dergelijke locaties bij Herxen, Leesten en mogelijk Wijhe hebben zich voorchristelijke cultusplaatsen bevonden.

Ook uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen zijn langs het hele IJsseldal veel nederzettingen bekend. Bijzonder is dat enkele van die plaatsen continu bewoond bleven en dat ze niet tegen het einde van de Romeinse tijd werden verlaten (Twello, Colmschate, Zutphen, Zutphen-Eme). De meeste van de oude steden langs de IJssel lijken in de 8ste-9de eeuw te zijn ontstaan, Zutphen heeft oudere wortels.

Middeleeuwen en Nieuwe tijd

In de 8ste en 9de eeuw nam de bevolking in het IJsseldal toe. Nederzettingen en akkers kregen een vaste plaats. De indeling in buurtschappen is voor een belangrijk deel al voor het jaar 1000 tot stand gekomen; veel dorpen en steden in de regio worden al vermeld in archiefstukken uit die tijd. Zelfs sommige nog bestaande boerderijen zijn zo oud. De plekken die uitgekozen werden om te wonen, lagen zonder uitzondering hoog en droog.

In de late middeleeuwen begon men de lage delen van het IJsseldal en aangrenzende gebieden te ontginnen, zoals de Polder Sekdoorn, het Lierder- en Molenbroek, het Zuthemerbroek en de Nijbroek. Die laaggelegen gronden waren aanvankelijk te drassig om intensief te gebruiken. In die periode raakten ook de uiterwaarden permanent bewoond, die waren ontstaan na de aanleg van dijken in de 14de eeuw. Boerderijen aldaar werden gebouwd op de hoogste plekken: pollen. Deze werden vaak nog kunstmatig verhoogd. In de huidige uiterwaarden is dit beeld van verspreid gelegen boerderijen op een pol karakteristiek. De wijze waarop het land door de boeren werd gebruikt was afhankelijk van de terreinomstandigheden, zoals de waterhuishouding en bodemvruchtbaarheid. In de zandgebieden langs het rivierdal lagen de akkers op de hogere gronden dicht bij de boerderij, de lagere terreindelen werden gebruikt als weiland of hooiland. Er was een wisselwerking tussen akkerbouw en veeteelt (gemengd bedrijf). Onontgonnen gronden, zoals heidevelden, werden gemeenschappelijk gebruikt. Het voedsel werd geproduceerd op de akkers, het vee leverde de mest die nodig was voor de gewassen op de akkers.

De akkers (essen of engen) lagen vaak bijeen in grotere complexen. De bodem bestaat uit enkeerdgronden. Deze zijn ontstaan door eeuwenlange bemesting met mest, vermengd met heideplaggen, grasplaggen of bosstrooisel. Daardoor kreeg de bodem een bruine, grijsbruine, donkergrijze of zwarte kleur. Daar waar het reliëf de mogelijkheden bood, konden uitgestrekte escomplexen ontstaan zoals de Brummense Enk. Op andere plaatsen lag een mozaïek van graslanden en bouwlanden, afhankelijk van de waterhuishouding en de bodemgesteldheid ter plekke.

Op de kleigronden in uiterwaarden bestond het bodemgebruik vooral uit grasland. Het gevaar van een overstroming door de IJssel was hier zo groot dat er vrijwel geen akkerbouw plaatsvond. Om percelen werden singels aangelegd. Nog steeds liggen in de Wilpsche Klei en Voorsterklei verschillende singels, die voornamelijk uit meidoorns bestaan. Naast een veekerende functie, dienden ze ook om slib uit het water van de rivier te vangen. Recent zijn enkele singels opnieuw aangeplant. Plaatselijk werd klei afgegraven voor de baksteenindustrie, ook werd hier en daar zand gewonnen. De ontstane plassen maakten later deel uit van natuurontwikkelingsprojecten of van recreatieterreinen.

De marken

In de loop van de late middeleeuwen ontstonden de marken of markegenootschappen. Marken werden opgericht om de woeste gronden te beschermen tegen illegale en ongewenste ontginningen. Dit was nodig door de toename van de bevolking in de loop van de 12de eeuw. De toen aanwezige boerenbevolking sloeg de handen ineen om nieuwkomers te weren. Elke boer had een waardeel in de marke: een evenredig recht om vee te weiden en heideplaggen te steken op de gemeenschappelijke markegronden (de graslanden, heidevelden, venen en bossen). Markegronden vormden aanvullende weidegronden voor het vee. Het grootvee werd op de groengronden gebracht, de heide was het domein van de schapen. Het vee was een belangrijke mestleverancier voor de bouwlanden. Men zag erop toe dat ‘aangravingen’, illegale ontginningen van de markengronden werden voorkomen.

De marke behartigde ook de buurtschapsbelangen, zoals de kerk en het onderhoud van wegen. Marken langs de IJssel waren onder meer Herfte, Wesepe en Warnsveld.

In het midden van de 18de eeuw ontstond een beweging om de markegronden te verdelen onder de belanghebbenden. Landbouwvernieuwers vonden dat de extensief gebruikte gemeenschappelijke gronden van de marken beter benut konden worden. Om dit te kunnen realiseren, zouden de gemene gronden privébezit moeten worden. Nieuwe technieken moesten de productie verhogen, zo was de verwachting. In 1810 kwam er een wet die de markeverdelingen moest regelen, maar er gebeurde vooralsnog weinig. De belangrijkste reden was het feit dat men de heidegronden nodig had voor het landbouwsysteem.

Plaggenbemesting bleef essentieel. Slechts enkele marken in het IJsseldal werden verdeeld, vooral in de buurt van Zutphen en Deventer. De markegenootschappen kenden daar veel grootgrondbezitters die in de stad woonden als grondeigenaren. Ook instellingen als gasthuizen en weeshuizen bezaten grond.

Zij waren veelal de motor achter de markeverdelingen. Pas toen aan het einde van de 19de eeuw het gebruik van kunstmest in zwang kwam, werd de onderlinge afhankelijkheid van veeteelt en akkerbouw doorbroken. Op dat moment werden veel heidevelden, die in de regel verder weg lagen van de IJssel, omgezet in bouwland, grasland of bos.

Water

Vanaf de middeleeuwen werd het gebied langs de IJssel door dijken beschermd. Tussen Wilp, Gietelo en Klarenbeek liggen twee dijken: de oude Veluwse Bandijk en een nieuwe dijk dichter bij de rivier. De Veluwse Bandijk kwam in de 14de eeuw tot stand.

Omstreeks 1308 was aan de Sallandse zijde van de rivier een doorlopende bedijking tot stand gekomen, waardoor de wateroverlast aan de westzijde van de rivier toenam en men ook hier een doorlopende dijk aan moest leggen. De nieuwe dijk loste niet alle problemen op, zoals blijkt uit tal van wielen. Bij het herstel werd de dijk meestal om zo’n wiel heen gelegd. In 1357 werd de rivier bij Zutphen in westelijke richting verlegd. In 1406 werd een nieuwe en huidige loop gegraven.

In de 19de eeuw werden langs de IJssel meerdere overlaten aangelegd. In geval van hoogwater op de Rijn werd het merendeel van het water via de IJssel afgevloeid. Omdat de bedding die hoeveelheid niet aankon, werden op diverse plekken – onder meer in de Snippelingsdijk in Deventer – de dijken verlaagd, zodat het water zijdelings kon worden afgevoerd. De overlaten leidden tot flinke protesten in de streek, omdat ze het land lange tijd waardeloos maakte en het effect op de waterstand discutabel was. Met de riviernormaliseringen vanaf de jaren 1860 kwam een eind aan de overlaten en werden de dijken verhoogd.

In het zuidelijke deel van de IJsselvallei lopen de beken aan weerskanten vanuit de Veluwe en de Graafschap naar de IJssel. Vanuit de Veluwe komen onder andere de Klarenbeek, de Voorsterbeek en de Eerbeekse Beek; uit de Graafschap de Grote Beek, de Baaksche Beek, de Berkel en de Schipbeek. Boven Deventer vindt de afwatering sinds de 14de eeuw plaats via de Sallandse weteringen richting het Zwarte Water. Ze liggen alle in het lage gebied tussen de zandgronden en de oeverwal. Aan de westzijde van de IJssel werd onder meer de Terwoldsche Wetering gegraven, die het water stroomafwaarts bij Hattem in de IJssel loost.

De beken en kleine rivieren werden benut om watermolens te bouwen om daarmee korenmolens, oliemolens en plaatselijk ook ijzermolens aan te drijven. In nog sterkere mate geldt dit voor de Veluwe. Al sinds de middeleeuwen werd op de Veluwe waterkracht als energiebron gebruikt[1].

Landgoederen en buitenplaatsen

Opvallend is het grote aantal kastelen en buitenplaatsen in de regio. Veel ervan zijn voormalige havezaten. De eigenaren van een havezate behoorden tot de ‘ridderschap’ van Overijssel en Gelderland en hadden als zodanig zitting in het provinciaal bestuur. In Salland lagen ruim zeventig officiële havezaten[2], de Graafschap kende er 36. Nadat ze hun militaire functie hadden verloren werden sommige van de havezaten verbouwd tot buitenplaatsen, terwijl er in de 17de en 18de eeuw ook nieuwe buitenplaatsen ontstonden. Voorbeelden hiervan zijn Soeslo in Wijthmen en Schellerberg. De invloed op het landschap bleef niet beperkt tot het huis en het park eromheen. De huizen werden vaak omringd door een groot oppervlak aan land, bestaande uit bossen, lanen en pachtboerderijen. Tot de bekendste behoorden Boxbergen, Nijenhuis, Hoenlo en Den Alerdinck. Van sommige is in het landschap nog een ruïne over, zoals Nijenbeek bij Voorst. De zone rond Brummen is aangewezen als Natura 2000-gebied.

Recente ontwikkelingen

De Baakse Overlaat bij Zutphen werd in 1955 gesloten. Tegelijkertijd werd ook de uitwatering van de beken verbeterd in de gehele IJsselvallei. Dit had vooral te maken met de ontginning van de hogere gronden verder van de rivier af, waardoor er meer water naar de rivier afstroomde. De aanwezige beken en weteringen waren daar niet op berekend, zodat ingrepen noodzakelijk waren. Nieuwe watergangen werden gegraven, bestaande verbreed, beken werden genormaliseerd en tal van stuwen werden geplaatst. De verbeteringswerken gingen in veel gevallen gepaard met de uitvoering van ruilverkavelingen. Daarbij werden de agrarische productieomstandigheden verbeterd door de percelen van boeren bijeen te brengen en nieuwe boerderijen te bouwen. Veel landschapselementen als houtwallen en meidoornsingels zijn verdwenen en de verschillen tussen kleinschalige gebieden en grotere open ruimtes zijn voor een deel verloren gegaan. Het landschap heeft aldus een flinke rationalisatie doorgemaakt en de productiecapaciteit van het land is enorm verbeterd. De leesbaarheid van het landschap is op tal van plaatsen onder druk komen te staan.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Bevermeer 8199 1968 - 1990 9,8%
Mastenbroek 8077 1973 - 1989 10,2%
Warnsveld 8485 1960 - 1974 14,3%
Hattem-Wezep 3060 1966 - 1981 17,8%
Salland-West 4173 1992 - 2010 20,9%
Olst-Wesepe1 4130 2011 - lopend 23,3%
Dinxperlo 2126 1974 - 1986 28,4%
Marshoek-Hoonhorst 3584 1990 - 2010 31,9%
Duiven-Westervoort 2590 1996 - 2010 32,8%
Duivensche Broek 2609 1941 - 1951 63,0%
Steenderen 4503 1976 - 1993 69,3%
Heerde 3379 1967 - 1981 89,0%
Gendringen 7228 1957 - 1971 91,6%
Brummen-Voorst 6720 1986 - 2008 97,9%
Twello 5468 1980 - 1999 99,9%
Weteringer Esch 96 1951 - 1955 100,0%
Hummeloo-Keppel 1050 1954 - 1962 100,0%
Cortenoever 1250 1959 - 1965 100,0%
1.Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG)

Na de bijna-watersnoden van 1993 en 1995 is een begin gemaakt met versnelde verhoging van de rivierdijken, op plekken waar dat nog niet was gebeurd. De Sallandse IJsseldijken waren al verhoogd, als uitvloeisel van de verbeteringswerken van de jaren 1960 en 1970. In het kader van het programma Ruimte voor de Rivier zijn of worden meerdere projecten langs de IJssel uitgevoerd. Deze bestaan uit dijkversterking, dijkteruglegging en het vergraven van uiterwaarden. Er is ook nieuwe natuur gecreëerd. Delen van de uiterwaarden behoren tot Natura 2000-gebieden Rijntakken en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

De historische steden en stadjes en enkele dorpen zijn vanaf de jaren 1960 aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Naast de grotere steden, betreft het Bronckhorst, Hattem, Hummelo en Laag-Keppel. Steden zijn met name na 1850 flink gegroeid, met een versnelling na 1950. Tal van dorpen hebben een groei doorgemaakt. De infrastructuur is vanaf de 19de eeuw flink verbeterd. Dit begon met de verharding van de doorgaande wegen, gevolgd door de spoorwegen na 1864. Na 1960 verschenen de snelwegen: de A1 door de regio dateert uit de jaren 1970 en volgt in grote lijnen de oude handelsweg van Deventer naar het oosten. De A12 loopt sinds de jaren 1960 door het zuiden van de regio, met de A18 – die sinds 1974 bestaat – als aftakking richting Doetinchem.

Specifieke thema’s

Steden

Zwolle (124.000 inwoners) is ontstaan in de 10de eeuw op een zandrug tussen de Vecht en IJssel langs de Aa, ter hoogte van het Gasthuisplein, Oude Vismarkt, Grote Markt en Melkmarkt. Stadsrechten volgden in 1230. Zwolle lag gunstig aan de kruising van water- en landwegen en ontwikkelde zich tot een bloeiende handelsstad. In 1324 werd de stad vergroot en werden nieuw wallen aangelegd, waaraan onder meer de Sassenpoort begin 15de eeuw werd toegevoegd. Omstreeks 1590 werd de stad opnieuw versterkt. En werden elf bolwerken aangelegd en er kwam een linie tussen de stad en de IJssel, die met vier schansen werd versterkt. De stad zelf groeide ook, waarbij opvallend veel bebouwing buiten de stad lag. In 1790 werd de vesting opgeheven. De wallen en bolwerken werden omgevormd tot plantsoenen in landschapsstijl volgens plannen van H. van Lunteren. Buiten de stad werd het Nieuwe Werk in 1828 omgevormd tot een wandelpark in de Engelse landschapsstijl; het ‘Engelse Werk’.

In 1819 werd Willemsvaart gegraven, waardoor Zwolle een verbinding kreeg met de IJssel (in 1952 gevolgd door het grotere Zwolle-IJsselkanaal). Zwolle profiteerde in de 19de eeuw volop van de komst van het spoor. Het werd een belangrijk spoorwegknooppunt naar alle delen van het land. Mede hierdoor groeide de bevolking. Dit werd opgevangen in nieuwe wijken buiten het oude centrum, zoals de buurt tussen het centrum en het station. In de periode tot de Tweede Wereldoorlog vonden diverse planmatige uitbreidingen plaats, in het bijzonder naar het noordoosten (Wipstrik) en westen (Oranjebuurt). Naoorlogse uitbreidingen betroffen modernistische wijken in het noorden zoals Aa-landen.

Langs de diverse infrastructuurlijnen ontwikkelden zich flinke bedrijventerreinen, die het economische succes illustreren. Dit werd nog versterkt met de aanwijzing als groeistad in 1976, waarna vooral in het zuiden nieuwe wijken verrezen. De laatste uitbreiding betreft de Vinex-wijk Stadshagen, gelegen in de polder Mastenbroek, die deels voortbouwt op de structuur van de oude polder.

Deventer (98.500 inwoners) is ontstaan op enkele rivierduinen langs de IJssel waar deze overgestoken kon worden. Lebuïnus stichtte er rond 780 een kerk. Rond 885 werd een ringwalburcht gebouwd tegen aanvallen van de Vikingen. Deventer groeide uit tot een handelsnederzetting en kreeg in 1190 stadsrechten. Bij de bouw van de eerste stadsmuur tussen 1250 en 1325 werd ook het Bergkwartier bij de stad betrokken. In de stad werden verschillende jaarmarkten gehouden, die een belangrijke economische impuls waren. In 1285 sloot Deventer zich aan bij de Hanze, wat een lange periode van economische bloei inluidde, die duurde tot in de 16de eeuw. Daarna trad stagnatie en verval op. In de Tachtigjarige Oorlog werd flink om Deventer gevochten. In 1591 werd de stad definitief Staats en werden nieuwe fortificaties aangelegd. De stad viel terug tot een regionaal handelscentrum.

Een nieuwe impuls kwam in de 19de eeuw, toen verschillende bedrijven zich in de stad gingen vestigen; textielindustrie, voedingsnijverheid en metaalbewerking waren de belangrijkste takken. Nadat de vestingstatus was opgeheven (1874), breidde de stad zich in hoog tempo uit, vooral langs de uitvalswegen naar het oosten en noorden. Het gebied binnen de ring van de Ceintuurban en J. van Vlotenlaan werd volgebouwd met arbeiders- en middenstandswijken; herenhuizen verschenen vooral op de voormalige vestingwerken. Ten zuidoosten van de binnenstad ontstond een haven- en industrieterrein, in aansluiting op de latere A1, een ontwikkeling die zich na de Tweede Wereldoorlog voortzette. Vanaf de jaren 1950 werden op grondgebied van de voormalige gemeente Diepenveen enkele grootschalige woonwijken gebouwd, zoals Zandweerd-Noord en Borgele. Sinds ongeveer 1980 vinden de uitbreidingen vooral plaats naar het oosten, waar Colmschate is ontwikkeld. De laatste uitbreiding betreft De Vijfhoek, die in het landschap is ingepast. Het centrum is beschermd stadsgezicht.

Doetinchem (45.000 inwoners), gelegen op de oostoever van de Oude IJssel, werd in 838 voor het eerst genoemd. Begin 13de eeuw kreeg het dorp stadsrecht. De stad maakte een periode van bloei door die duurde tot in de 17de eeuw. Na 1850 kreeg de economie van de stad nieuwe impulsen, onder meer door de drukkerij Misset. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Doetinchem sterk en werden de oude dorpen Dichteren en Wijnbergen in de stad opgenomen. Het is thans de belangrijkste plaats in de Graafschap en een regionaal verzorgingscentrum. Langs de Oude IJssel liggen bedrijventerreinen.

Zutphen (38.000 inwoners) is strategisch gelegen op een rivierduin waar de Berkel uitmondt in de IJssel. Na een verwoesting aan het einde van de 9de eeuw door de Vikingen, werd rond 890 een grote ringwalburg aangelegd die nog altijd het centrum van de stad vormt. Zutphen vormde tot 1138 een graafschap, dat toen in handen kwam van de graven van Gelre. Deze verleenden Zutphen als eerste Gelderse stad stadsrechten. De stad groeide in de 13de eeuw zeer snel en rond 1250 stichtte de graaf de Nieuwstad ten noorden van de Berkel. In de 13de en 14de eeuw werden beide stadsdelen ommuurd. Resten hiervan zijn nog aanwezig in het centrum. Evenals de andere IJsselsteden, werd Zutphen lid van de Hanze, waarna een bloeitijd volgde tot in de 15de eeuw. Door politieke strijd tussen Gelre, Bourgondië en het Habsburgse Rijk, de opkomst van de Hollandse steden, de verzanding van de IJssel en de langdurige oorlog tegen de Spanjaarden, nam de economische betekenis van Zutphen af en het accent kwam in de 17de eeuw te liggen op een regionale verzorgende functie. In de 17de en 18de eeuw werd de stad versterkt door een ring van bolwerken en wallen. In de 19de eeuw keerde de groei terug. Voor welgestelden was Zutphen een aantrekkelijke vestigingsplaats omdat geen inkomstenbelasting werd geheven. Vanaf het einde van de 19de eeuw ging de stad weer groeien en verrezen de eerste wijken buiten de oude vesting, vooral langs de uitvalswegen richting bijvoorbeeld het Deventerwegkwartier. De opening van het Twentekanaal, dat bij Zutphen uitmondt in de IJssel, was een belangrijke economische impuls. In de Tweede Wereldoorlog werden er veel verwoestingen aangericht rondom het station. Herbouw vond plaats volgens plannen van Kuiper en Witteveen. Grootschalige uitbreidingen naar het oosten zijn uitgevoerd na 1950. In 2005 werd de gemeente Warnsveld geannexeerd. Het centrum is beschermd stadsgezicht.

Doesburg (11.000 inwoners) werd in 884 voor het eerst vermeld. Het oudste deel van de stad ligt op een rivierduin bij de samenvloeiing van de IJssel en de Oude IJssel. De stad maakte vanaf 1447 deel uit van de Hanze en bloeide tot in de 15de eeuw. Daarna werd het overvleugeld door de Hollandse steden. Vroeg in de Tachtigjarige Oorlog werd het Staat (1586) waarop nieuwe verdedigingswerken aangelegd werden. Resten daarvan liggen aan de oostkant van de binnenstad. Aan het begin van de 18de eeuw werden verder naar het oosten twee linies aangelegd (het Retranchement van Doesburg). Het garnizoen verschafte enige inkomsten, maar verder was Doesburg een ingeslapen stadje.

In 1922 werd de vestingstatus opgeheven. Na de Tweede Wereldoorlog is de stad flink gegroeid, onder meer met uitbreidingswijken in het ten zuiden van de Oude IJssel gelegen Beinum. De Oude IJssel kreeg een nieuwe monding ten zuiden van de stad.

Defensie

Het oudste verdedigingswerk in de regio was de walburcht in Deventer, aangelegd omstreeks 900 en nog steeds te herkennen in het stratenpatroon. Rondom de steden werden uitgebreide wallen met bastions en andere verdedigingswerken aangelegd. Deze zijn in de 19de eeuw omgevormd tot parken en/of villawijken. Het Engelse Werk in het zuiden van Zwolle en het retranchement van Doesburg zijn hier goede voorbeelden van. Langs de IJssel resteren nog delen van de IJssellinie. Deze gaat terug tot de 17de eeuw, hoewel de oudste resten thans bestaan uit betonnen constructies uit 1939- 1940. In de Koude Oorlog werd de IJssellinie nieuw leven ingeblazen. De Nederrijn en de Waal konden worden afgedamd, zodat het water naar de IJssel zou stromen. Bij Olst kon een stuw in de IJssel worden aangebracht en via inlaatsluizen kon ook een groot deel van Salland onder water worden gezet. Verschillende onderdelen van deze linie, die in 1964 weer is opgeheven, zijn nog aanwezig of hersteld. Bij Rande is een klein museum ingericht in een voormalige commandobunker annex hospitaal.

IJzer

Een kenmerkende vorm van bedrijvigheid in de IJsselvallei is de ijzerindustrie. Op veel plaatsen in de ondergrond zit ijzeroer, in de bodem gevormd door ijzerrijk kwelwater. Als dat verdampt blijft de ijzer in de bodem achter en vormt daar dikke oerbanken. Deze zijn in de middeleeuwen gebruikt voor de bouw van huizen en kerken en voor de winning van ijzer. In de nieuwe tijd werden onder meer in Gaanderen (1689), Deventer (1755), Ulft (1754) en Keppel (1794) hoogovens gesticht. De hoogovens werden gestookt met houtskool uit de bossen of uit speciaal daarvoor aangelegde brede houtsingels. Verschillende watermolens werden ingericht om het gewonnen ijzer verder te bewerken. Deze vroege industrieën zijn verdwenen, maar bijvoorbeeld in Ulft was de DRU fabriek een rechtstreekse opvolger van de ijzerindustrie. Het terrein is recent herontwikkeld tot het DRU-industriepark.

Literatuurlijst

  • Baan. I., H. Hengeveld, M. Knigge en H. van der Velde, 2012. De landschappen van Overijssel. Zwolle.
  • Demoed, H.B.,1987. Mandegoed schandegoed. De markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19de eeuw, Zutphen.
  • Groothedde, M. (red.), 1996. Leesten en Eme. Archeologisch en historisch onderzoek naar verdwenen buurtschappen bij Zutphen. Kampen.
  • Groothedde, M. (red.), 2001. Leesten en Eme 2. Steentijdjagers en Frankische Boeren in het Laaksche Veld bij Zutphen. Zutphen
  • Driessen, A., G. vd Ven en H.J. Wasser, 2000. Gij beken eeuwigvloeijend. Water in de streek van Rijn en IJssel. Utrecht.
  • Peters en, J.W. van, 1978. De waterplaag; dijkdoorbraken en overstromingen achter Rijn en IJssel. Zutphen.
  • Makaske, B., G.J. Maas & D.G. van Smeerdijk 2008: The Age and Origin of the Gelderse Ijssel. Netherlands Journal of Geosciences — Geologie en Mijnbouw 323 - 337.
  • Spek, Th., F.D. Zeiler en E. Raap, 1996. Van de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. Kampen.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap IJsselvallei
Algemeen duidelijke opbouw in noord-zuid lopende delen: rivier – uitgestrekte uiterwaarden – oeverwallen (met dijken) en strokenpercelering in zone iets van de dijk afgelegen
Verder oostelijk en westelijk gaat het over in stuwwal Veluwe en enkele grotere, laaggelegen vlakten (resp. Veluwe en Salland)
Landbouw Graslanden in uiterwaarden, kenmerkende ‘kleien’ met verspreide bewoning op terpen (ook waterstaat)
Open landschap en strokenpercelering achter dijk (Nijbroek, Sekdoorn, Lierder- en Molenbroek)
Verder weg van de dijk: Bouwlandcomplexen op dekzandruggen, meer besloten van karakter, kleinschaliger landschap
regelmatige strookvomige percelering in de veertiende–eeuwse broekontginningen, zoals bij Nijbroek
Bosbouw Landgoedbossen
Bossen op vml heidegronden (Gelders deel)
Wonen Historische steden aan het water Zwolle, Deventer, Doesburg, Zutphen, Doetinchem
- Alle na 1970 flink gegroeid
Oudste bewoning op oeverwallen, dekzandkopjes en rivierduinen
Terpen in de kleien
Markante IJsselhoeven
Waterstaat IJssel met tal van grotere en kleinere zijbeken (Oude IJssel, Berkel, Schipbeek, Klarenbeek, Voorsterbeek)
Zwarte Water met benedenloop Sallandse Weteringen
In de zuidelijke IJsselvallei afwatering via sprengen en beken direct op de rivier. In de noordelijke IJsselvallei afwatering eerst via sprengen en beken, opgevangen via een stelsel van zuid-noord gerichte weteringen.
Veluwse Bandijk
Sallandse Bandijk
Afwateringspunten in IJssel (gemalen en sluizen)
Wielen
Uiterwaarden, kenmerkende ‘kleien’ met verspreide bewoning op terpen (ook landbouw)
Defensie Nijenbeek
IJssellinie
Stadsmuren
- Engelse Werk Zwolle wandelpark
Vml Havezathen en kastelen
- O.a. Middachten en Laag-Keppel
Delfstofwinning Sporen zand- en kleiwinning in uiterwaarden, steenfabrieken bij o.m. Den Nul
IJzeroer rond Oude-IJssel
Bedrijvigheid Diverse watermolens, sommige aangedreven door sprengenbeken Veluwe
DRU industriecomplex Ulf
Verkeer Zwolle-IJsselkanaal
Katerveer en Willemsvaart
Zwolle spoorknooppunt: Amersfoort, Leeuwarden/Groningen, Kampen, Coevorden, Almelo, Deventer/Arnhem
Stationsgebouwen, o.a. Zwolle en Deventer
A1, A28, A50, A18
IJsselbruggen bij Deventer en Zwolle
Bestuur Zwolle provinciehoofdstad
Landgoederen en buitenplaatsen Veel voormalige havenzaten, later omgevormd tot buitenplaatsen
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. De weteringen en kanalen door Salland en de Veluwe zijn in de betreffende regio’s beschreven
  2. Sommige daarvan zouden we ook tot het Land van Vollenhove en de Vechtstreek kunnen rekenen.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:01.