Panorama Landschap - Kop van Overijssel

Introductie

De Kop van Overijssel ligt op het keileemplateau van Steenwijk en kenmerkt zich door kleinschalig zandlandschap. In het noordoosten gaat de regio over in laagveengebied, waar het landschap restanten van turfwinning bevat met petgaten en legakkers. Hier ligt het Nationaal Park Weerribben-Wieden.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van Vollenhove.
Afb. 1. Vollenhove. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Wieden en Belterweide: weilanden met water eromheen.
Afb. 2. Wieden en Belterweide. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van de Weerribben.
Afb. 3. Weerribben. Foto: Paul Paris
Villa Rams Woerthe. Bruin en crème buitenkant. Eromheen staan bomen en ligt er gras . Ervoor staat een donkergrijze zuil.
Afb. 4. Villa Rams Woerthe. Foto: Wim van der Ende
Kaart van Kop van Overijssel.
Afb. 5 Kop van Overijssel

Karakteristiek

Er komen drie verschillende landschappen voor in deze regio: keileemheuvels, veengebieden en droogmakerijen. Het hogere keileemplateau wijkt landschappelijk af van het veengebied. Het is een kleinschalig zandgebied met veel houtwallen. De rest van de regio ligt lager en was een gesloten veengebied. De landsheer, de bisschop van Utrecht, stimuleerde vanaf de 12de eeuw de ontginning van de veengebieden. Dit leidde echter tot bodemdaling, met als gevolg het verplaatsen van dorpen als Giethoorn. De regio werd daarnaast kwetsbaar voor overstromingen, zeker toen de nabijgelegen Zuiderzee steeds groter werd. De vele wielen en bochten in de dijken getuigen van diverse dijkdoorbraken, waarvan die in 1825 heel veel schade aanrichtte.

Vanaf de 14de eeuw zijn delen van het gebied verveend. Aanvankelijk gebeurde dit ‘in den droge’, boven de grondwaterspiegel, maar in de 16de eeuw gebeurde dit ook ‘in den natte’, met de baggerbeugel. Hierdoor ontstond een landschap van petgaten, legakkers en veenplassen. In de 19de eeuw zijn pogingen ondernomen om delen van het gebied te bepolderen, maar grote stukken bleven nat en werden gebruikt voor de rietteelt.

Door verschillende oorzaken duurde het tot in de Tweede Wereldoorlog voordat een groot plan tot inpoldering gedeeltelijk tot uitvoer kwam. Grote delen zijn recent omgevormd tot natuurgebied: het huidige Nationale Park Weerribben-Wieben, in bezit van zowel Natuurmonumenten als Staatsbosbeheer. Het bestaat uit uitgestrekte gebieden met veenplassen, legakkers en petgaten, waar de vervening halverwege is blijven steken.

Voor Nederlandse begrippen kent de regio een lage bevolkingsdichtheid. De stadjes en dorpen zijn meestal beperkt van omvang gebleven. Steenwijk is de grootste plaats in de regio. Langs de voormalige Zuiderzeekust liggen havenplaatsen als Vollenhove, Blokzijl en Kuinre. Willemsoord is één van de Koloniën van Weldadigheid. Per weg en spoor is de regio ontsloten via de A32 en de lijn Meppel-Leeuwarden, beide liggen in het noordoosten van het gebied. Richting de Noordoostpolder lopen de N333 en N762; de N334 vormt de belangrijkste noord-zuidverbinding. Door het uiterste zuiden van de regio loopt een hoogspanningsleiding van Zwartsluis, via een trafostation bij Vollenhove, naar het noorden en westen. Er staan geen windturbines in de regio.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

In het saalien, de voorlaatste ijstijd, was een groot deel van Nederland bedekt met landijs. Onder het ijs werd een laag keileem afgezet, een mengsel van zand, zware leem en keien. In de Kop van Overijssel is dit op veel plaatsen aanwezig. Bij Vollenhove en Steenwijk werd de keileem tot lage heuvels opgedrukt. Ten zuiden van de rand van het ijs stroomde smeltwater naar het westen. Hierbij werd het brede oerstroomdal van de Vecht gevormd, dat is opgevuld met smeltwaterafzettingen en veen.

In het weichselien, de meest recente ijstijd, bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste er een toendraklimaat: de bodem was permanent bevroren (permafrost), waardoor regen en smeltwater niet konden wegzakken. De dalen van de Linde en de Steenwijker Aa zijn in deze tijd ontstaan. Op enkele plaatsen ten oosten van Willemsoord komen pingo-ruïnes voor: komvormige laagten, veelal met een ringwal eromheen. Doordat in de bodem een ijslichaam aanwezig bleef dat langzaam aangroeide, werd de bovengrond opgeperst (de pingo). De grond gleed van de ijsheuvel af, en na het uiteindelijke afsmelten bleef een laagte met een ringvormige wal achter: de pingo-ruïne. In het Weichselien is door de wind op grote schaal dekzand afgezet, dat over het algemeen niet meer dan twee meter dik is.

Holoceen

Na afloop van het Weichselien, zo’n 10.000 jaar geleden, begon het holoceen. Het klimaat werd warmer en vochtiger en er ontwikkelde zich een gesloten vegetatiedek. Door het afsmelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en als gevolg hiervan ook de grondwaterspiegel. In het uitgestrekte, laaggelegen gebied tussen de heuvels van Steenwijk en Vollenhove vormden zich dikke lagen veen. Die breidden zich uit over grote delen van de regio en een groot deel van het huidige IJsselmeergebied. In de regio ging de veenvorming door tot omstreeks het jaar 1000 n.Chr. Toen was het één groot veenmoeras waar alleen de heuvels van Vollenhove en Steenwijk bovenuit staken. Daar zijn ook sporen van de oudste bewoning is aangetroffen. De rest was onbewoond.

In de 12de eeuw begon de vorming van de Zuiderzee. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1170 werden grote stukken van het veenland in het huidige IJsselmeergebied en de Noordoostpolder weggeslagen en in de eeuwen erna breidde de Zuiderzee zich steeds verder uit.

Archeologische Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio tot het noordelijk kustveengebied en het keileemgebied. Daarbinnen zijn als landschapszones onderscheiden veenvlakten, dekzandruggen, droogmakerijen, keileemruggen, keileemvlakten en beekdalbodems.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Vooral de heuvels van Vollenhove en Steenwijk kennen een lange bewoningsgeschiedenis. Daaromheen is bewoning te verwachten uit de midden- en het begin van de late steentijd. Toen was het gebied nog niet met veen bedekt en verbleven mensen op zandruggen langs waterlopen (dal Steenwijker Aa) waar gejaagd en gevist werd. Vervolgens zien we in dit lage land pas vanaf de middeleeuwen weer sporen van bewoning. Op het hoge land van Vollenhove en Steenwijk gaan de sporen van menselijke activiteit terug tot de oude steentijd, en lopen door tot en met de Romeinse tijd. Bij Steenwijk heeft ook een hunebed van de Trechterbekercultuur (circa 3400-2800 v.Chr.) gelegen en bevinden zich akkercomplexen (Celtic Fields) uit de ijzertijd (800-0 v.Chr.).

Middeleeuwen en nieuwe tijd

De eerste aanwijzingen voor middeleeuwse bewoning in Vollenhove komen uit 10de-eeuwse geschriften. Vermoedelijk werd toen in Steenwijk al een kerk gebouwd. De bisschop van Utrecht was als landsheer eigenaar van de niet-ontgonnen gronden, zoals de veen- en broekgebieden in de regio. Hij versterkte zijn positie in deze uithoek van het land en bouwde steunpunten in Vollenhove en bij Kuinre. Tevens voerde hij een actieve politiek om de wildernis te ontginnen. Waarschijnlijk dateren de oudste veenontginningen van de 12de eeuw. Een gegraven waterloop vormde de ontginningsbasis. Daar werden de boerderijen gebouwd. Vandaaruit werd het achterland in gebruik genomen door loodrecht op de basis sloten te graven voor de ontwatering. Hierdoor werd een proces van bodemdaling in gang gezet, veroorzaakt door klink en oxidatie. Hierdoor was het na enige tijd bij de boerderijen te nat geworden om akkerbouw te kunnen bedrijven. Daarop schakelde men over op veeteelt (zie verder) en werd de bewoning verplaatst naar nog niet ontgonnen en dus hoger gelegen gronden. De kerken schoven ook mee.

Wanneperveen bijvoorbeeld, is twee keer verplaatst. Veel dorpen waren tot diep in de 20ste eeuw alleen over het water bereikbaar. Dit waren waterstreekdorpen, waarbij de boerderijen niet aan een weg, maar aan een waterloop werden gebouwd.

De Dwarsgracht van Giethoorn vormde de achtergrens van de ontginning. Het dorpsgebied was in vier eenheden verdeeld (kluften), van elkaar gescheiden door een brede waterloop of grachten: de Walengracht, de Kornelisgracht, de Tijsjesgracht, de Klossengracht en de Steenengracht. In de 17de eeuw vond de laatste verschuiving van het dorp plaats en kwam het op de huidige plek aan de Dorpsgracht te liggen.

Landbouw

Door de bodemdaling was akkerbouw niet meer mogelijk en werd het land vooral gebruikt als wei- en hooiland. Zuivelproducten werden verhandeld op de botermarkten van Steenwijk en Oldemarkt.

Op de hoger gelegen delen van de regio was de situatie anders. Op de heuvels bij Vollenhove lagen de percelen grasland en de akkers in een mozaïek bijeen, gescheiden door houtsingels, houtwallen en hier en daar tuunwallen: perceelsscheidingen van gestapelde graszoden van ongeveer een meter hoog. Ze zijn bekend van Texel en Wieringen, bij Vollenhove zijn nog maar enkele restanten over. Enkele bossen lagen (en liggen nog steeds) bij de havezate Oldenhof. Eenzelfde beeld geeft het landschap op de heuvels bij Steenwijk. Ook daar zijn de akkers verdwenen om plaats te maken voor grasland. Het landschap heeft een kleinschalig karakter door de vele houtwallen en bossen, met name de bossen van landgoed De Eese. De bosrijke omgeving was aanleiding voor het ontstaan van een uitgebreide houtbewerkingsnijverheid in Steenwijk. De dorpen op de keileem- en dekzandopduikingen in de regio hebben een heel ander karakter dan de veenontginningsdorpen. We vinden er zowel esdorpen (Onna) als streekdorpen, zoals Oldemarkt. Dit dorp is ontstaan op de plaats waar de dekzandrug ten westen van Steenwijk bij het vaarwater van het Mallegat kwam. Oldemarkt heeft eeuwenlang een belangrijke botermarkt gehad, tot die in 1925 verplaatst werd naar Wolvega. Bij Vollenhove ligt een krans van bebouwing, op de grens van de hogere gronden en het veengebied. Van Vollenhove loopt de bebouwing naar Moespot, Groot Leeuwte, Klein Leeuwte, Sint-Jansklooster, Poepershoek en Barsbeek.

De waterbeheersing

Op den duur kwam het veengebied onder de zeespiegel te liggen en werden de problemen met afvoer van water steeds groter. Het buitenwater kon tegelijkertijd steeds makkelijker het gebied indringen. Ter bescherming zijn vanaf de 13deeeuw dijken aangelegd langs de Zuiderzee en de Linde. Doordat de zee stukken veenland wegsloeg, moest de dijk enkele keren verder naar het oosten worden verlegd. Zo werd omstreeks 1400 het dijkvak tussen Blokzijl en Kuinre aangelegd, waarnaast het dorp Blankenham ontstond. De dijk heeft een zeer bochtig verloop als gevolg van vele overstromingen. Vooral de watersnood van 1825 was ernstig, toen de dijk op zes plaatsen doorbrak. Na deze ramp heeft men twee plaatsen ingericht voor kanonnen die bij een dreigende overstroming werden afgevuurd om de bewoners van het gevaar op de hoogte te stellen. Het kanon bij Blankenham staat er nog. Om dorpsgebieden waterstaatkundig van elkaar te scheiden werden kaden aangelegd.

Het overtollige regenwater uit de polders werd afgevoerd door een uitgebreid stelsel van sloten en weteringen. Door de invoering van poldermolens en stoom-, diesel- en elektrische gemalen, verbeterde de waterhuishouding in het gebied. Aan de komst van een stoomgemaal ging zestig jaar discussie vooraf, totdat het in 1891 zover was. In de 20ste eeuw zijn delen van de veenplassen drooggelegd en voor de landbouw ingericht. In de jaren 1920 waren er plannen om ruim 13.000 hectare kraggebieden te ontginnen. Door geldgebrek werd dat teruggebracht tot 9.400 hectare in de crisisjaren 1930. Ten behoeve van de waterbeheersing en voor de afvoer van de turf (zie verder) zijn tal van kanalen en vaarten gegraven, vooral in de 19de eeuw. Deze zijn karakteristiek voor de regio.

Veenwinning

In de middeleeuwen werd op kleine schaal turf gestoken. Vanaf de 16de eeuw nam de vraag naar turf toe en ging men grootschalig vervenen. Aanvankelijk gebeurde dit ‘op den droge’, totdat het grondwater zo hoog kwam te staan dat verder graven niet mogelijk was. Vanaf ongeveer 1700 ging men over op een systeem van natte vervening of ‘slagturven’ met behulp van de baggerbeugel. Daarmee kon de veenbagger van grotere diepte omhoog getrokken worden en op de legakker (de ‘ribben’) gebracht. Daar werd de (‘veen)slik’ gedroogd, aangestampt, versneden en per schip naar de markt gebracht. De trekgaten (‘weren’) waar de slik uit werd gehaald, werden op den duur steeds breder gemaakt. Bij storm kon een behoorlijke golfslag ontstaan waardoor de smalle legakkers weggeslagen werden. Hierdoor ontstonden grote plassen (‘wieden’).

Recente ontwikkelingen

Na de Tweede Wereldoorlog werd van de grootschalige plannen tot ontginning uiteindelijk 4.500 hectare ontgonnen, de rest is vanaf de jaren 1960 voornamelijk als natuurgebied in gebruik genomen. Tegenwoordig is dit het Nationaal Park Weerribben-Wieden, dat tevens Natura-2000 gebied is. De wel tot stand gekomen polders zijn de Polder Halfweg, Polder Wetering-Oost, Polder Wetering-West, Polder Gendringen en Polder Giethoorn. Ze zijn voornamelijk in gebruik als grasland en hebben een heel rationele inrichting, die contrasteert met het naastgelegen natuurgebied. De ontsluiting van de regio is sterk verbeterd met de aanleg of verbreding van doorgaande wegen.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Genemuiden 1683 1967 - 1976 1,2%
Meppelerdiep 568 1959 - 1966 36,8%
Buitenpolder achter Kuinre 768 1955 - 1963 95,1%
Vollenhove 4779 1957 - 1973 98,0%
Oldemarkt 1146 1948 - 1958 99,4%
Paaslo-Kerkbuurt 3934 1968 - 1985 99,5%
Giethoorn-Wanneperveen 4957 1979 - 1996 99,6%
Blankenham 1765 1964 - 1972 99,7%
Steenwijk-Oost 3154 1966 - 1980 99,9%
Steenwijker Kamp 414 1947 - 1956 100,0%
Muggenbeet 21 1951 - 1962 100,0%
IJsselham 372 1953 - 1961 100,0%
Noordwest-Overijssel1 4466 2004 - lopend 99,3%
Noordwest-Overijssel2 3391 2014 - lopend 99,9%
1. Strategisch Groenproject
2. Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG)

Op de hoger gelegen delen van het gebied is de landbouw veranderd in melkveehouderij en intensieve, niet-grondgebonden vormen van landbouw. De akkers hebben plaatsgemaakt voor grasland en maïspercelen. Veel houtwallen zijn gerooid. De structuur van het oude landschap is wel herkenbaar gebleven, ook na de uitvoering van de ruilverkavelingen.

In grote delen van de moerasgebieden is het economische gebruik, zoals hooiwinning en rietteelt, weggevallen en de gebieden zijn in beheer bij natuurbeschermingsorganisaties. Door het veranderde gebruik konden er wilgen en elzen opslaan, zodat grote delen van de natuurgebieden nu gekenmerkt worden door moerasbos. Sinds het vertrek van de boeren, zorgen de bewoners in Dwarsgracht voor een deel van het landschapsonderhoud om het agrarische karakter van het landschap in stand te houden.

Toerisme en recreatie zijn tegenwoordig van groot belang voor de regio. De voormalige havens Blokzijl en Vollenhove hebben jachthavens. Giethoorn is landelijk bekend als lintdorp aan het water en is aangewezen als beschermd dorpsgezicht, evenals Jonen en Dwarsgracht. De laatste jaren is het toerisme uit vooral China enorm gegroeid. Het Nationaal Park Weerribben-Wieden ontvangt jaarlijks duizenden dagjesmensen. Er zijn meerdere bezoekerscentra. Vollenhove heeft een bescheiden groei doorgemaakt, Steenwijk is in de afgelopen decennia veel meer gegroeid.

Specifieke thema’s

Steden

Steenwijk (18.500 inwoners) ligt op een laag punt van de heuvelreeks die zich uitstrekt van de Havelterberg in het oosten tot Oldemarkt in het westen. Vanaf Steenwijk kon men naar de Zuiderzee varen via de Steenwijker Aa, waarvan de benedenloop in de 16de eeuw was verbeterd door bochten af te snijden, een kanaal van Muggenbeet naar Blokzijl aan te leggen en in Blokzijl een sluis te bouwen. De benedenloop heette vanaf die tijd het Steenwijkerdiep. Steenwijk kreeg eind 13de eeuw stadsrechten en in 1358 marktrecht, waarna het zich ontwikkelde tot een belangrijke marktplaats. Van de oude verdedigingswerken zijn enkele bastions en de omgrachting overgebleven. Ten zuidoosten van de oude stad lag de Steenwijker Kamp, een grote es. Deze is tegenwoordig voor een groot deel bebouwd.

Na een lange periode van stagnerende economische ontwikkeling brak in de tweede helft van de 19de eeuw een periode van bloei aan. Houtnijverheid, touwslagerijen en een biezen mattenfabriek waren in die tijd de belangrijkste industriële activiteiten. De aanleg van het spoor en de aansluiting op het landelijke snelwegennet via de A32 hebben de centrumfunctie van de plaats versterkt. De wijk Oostermeente is de meest recente uitbreiding van de stad.

Ten oosten van de stad ligt het militaire oefenterrein Havelte West (750 hectare). De Johannes Post Kazerne hoort bij dit complex.

De stadjes Vollenhove, Blokzijl en Kuinre hebben alle drie in de middeleeuwen stadrechten gekregen, maar zijn niet tot volwaardige steden uitgegroeid. Ze waren van regionaal belang als vissers- en handelsplaats. Kuinre bezat een motte die door de bisschop van Utrecht in 1165 werd gebouwd. Korte tijd later werd deze verwoest. Restanten liggen in de huidige Noordoostpolder. In Vollenhove bevond zich eveneens een bisschoppelijk kasteel. Verder stonden er eertijds dertien havezaten. Oldruitenborg , Marxveld, Lindenhorst, Plattenburg, De Haare en Oldenhof zijn overgebleven, de rest is afgebroken. Vollenhoven en Blokzijl zijn beschermde stadsgezichten.

Rietteelt

Lange tijd was de rietteelt een belangrijke bron van inkomsten in de regio. Rietlanden waren restproduct in het landbouwkundig bedrijf. Na vervening kon de natte grond vaak nergens anders meer voor gebruikt worden, tenzij besloten werd tot drooglegging. De veenplassen verlandden na verloop van tijd en veranderden in rietvelden. Omdat de gronden voedselarm waren, was de kwaliteit van het riet in het algemeen goed. De rietteelt bood de bewoners een extra inkomstenbron naast het boerenbestaan.

Op plekken waar grote oppervlakten aan riet stond, werkten ook professionele rietsnijders. Riet werd voornamelijk gebruikt als dakbedekking, maar ook om schermen te maken en als isolatiemateriaal (betengeling). Tegenwoordig wordt nog steeds riet gesneden in de regio, maar de schaal is veel kleiner dan voorheen.

Eendenkooien

Het waterrijke landschap van de regio leent zich uitstekend voor eendenkooien. Daarvan zijn er tegenwoordig nog drie in de regio aanwezig: de Klooster-, Otters- en de Smitskooi. In Hasselt, even buiten de regio liggen er twee. Voor de jacht worden de kooien niet meer gebruikt. Gevangen eenden worden geringd en gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. De kooien zijn onder leiding van een gids te bezoeken. Eendenkooien zijn zeldzame landschapselementen en herbergen hoge ecologische waarden.

Literatuurlijst

Baan. I., H. Hengeveld, M. Knigge en H. van der Velde, 2012. De landschappen van Overijssel. Zwolle. Bloemhof, J., K. van Elp en C. Heidema, 1984. Wanneperveen 700 jaar. Kampen. Boon, H. vd, 1991, De polders van het Land van Vollenhove. Waterbeheersing en ontginning in een uitgeveend gebied 1848-1943. Kampen. Kroes, J. en T. Hol, 1979. Het land van Vollenhove; een historisch geografische studie van het noordwest-Overijsselse kultuurlandschap, Zwolle. Kroes, J., 1984. Het waterstreekdorp Giethoorn. Historisch Geografisch Tijdschrift 2: 1-8.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap Kop van Overijssel
Algemeen Zandlandschap op keileembult rond Steenwijk / Steenwijkerwold, laagveen langs Steenwijker Aa en in rest regio
Veenontginningen in overig deel
In grote delen daarvan turfwinning waarna delen drooggemaakt, overig deel NP Weerribben-Wieden
Landbouw en natuur NP Weerribben-Wieden (zie ook delfstoffen)
Rietteelt
Strokenverkaveling in droogmakerijen met weilanden en veeteelt)
Veenpolders met strokenverkaveling langs Steenwijkse Aa en tussen vml Zuiderzeedijk en NP
Kleinschaliger landschap op hogere gronden met akkers, graslanden en houtwallen als scheiding
Bosbouw Bossen rond De Eese en Woldberg
Wonen Steenwijk grootste nederzetting met historisch centrum
Kuinre, Blokzijl, Vollenhove kleine handelsstadjesg
Lint- en waterstreekdorpen in veengebied
- Bv Kalenberg, Giethoorn (met ‘kluften’), Wanneperveen, Blankenham
Es- en streekdorpen op keileem
- Bv Onna en Oldemarkt
Waterstaat Droogmakerijen in vml turfwinningsgebieden, regelmatig ingericht
Oude Zuiderzeedijk Kuinre-Blokzijl-Vollenhove
Dijk Linde
Steenwijker Aa / Steenwijkerdiep
Meppelerdiep
Gemaal A.F. Stroink
Tjaskers
Defensie Burchtterrein Kuinre (NOP)
Vml bisschoppelijk kasteel Toutenburg Vollenhove
Vml havezaten De Haare en Oldenhof
Joh. Postkazerne en militair oefenterrein Havelte west (ook regio Beiler-Dieverderdingspel)
Delfstofwinning Grote vml turfwinningsgebieden met petgaten, veenplassen (wieden) en legakkers
- omgeving Dwarsgracht, Zwartsluis, Ossenzijl, Kalenberg, Giethoorn
Verkeer A32, N333, N334, N762
Spoorlijn Meppel-Steenwijk-Heerenveen
Kanaal Steenwijk-Ossenzijl
Kanaal Muggenbeet-Steenwijk
Veel turfvaarten en kanalen tbv afvoer turf
Grachten Giethoorn
Kanaal Beukers-Steenwijk
Vollenhoverkanaal
Landgoederen en buitenplaatsen Vml havenzaten De Haare en Oldenhof (zie ook defensie)
Zorg, cultuur en onderwijs Willemsoord, Kolonie van Weldadigheid (doorlopend naar Wilhelminaoord, buiten regio)
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:03.