Panorama Landschap - Twente

Introductie

De regio Twente kent een verstedelijkt centraal deel en een landelijk deel aan weerszijden daarvan. In het centrum liggen de industriesteden en de Technische Universiteit. Het overige deel bestaat uit een kleinschalig zandlandschap met essen, kampen, beken en broekgebieden. Tussen Ootmarsum en Oldenzaal is het gebied zeer reliëfrijk.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Een voormalig fabrieksgebouw van N.J. Menko. Het is een kubistisch gebouw met daarvoor een heg en straat.
Afb. 1. Voormalige N.J. Menko fabriek. Foto: Paul Paris
Omgeving De Lutte. Te zien is een grote grasvlakte met aan de randen bomen. In de voorgrond een houten hek.
Afb. 2. De Lutte. Foto: Paul Paris
Dalhuisweg in Hoge Lutte. Links een oprijlaan en rechts in de achtergrond een huis.
Afb. 3. Dalhuisweg in Hoge Lutte. Foto: Wim van der Ende
Luchtfoto van universiteit Twente.
Afb. 4. Universiteit Twente. Foto: Paul Paris
Zwarte houten toren in grasweide. Deze fungeerde vroeger toren voor de zoutwinning.
Afb. 5. Boortoren van de vroegere zoutwinning in Hengelo. Foto: Paul Paris
Kaart van Twente.
Afb. 6. Twente.

Karakteristiek

Twente heeft zowel een stedelijk, industrieel als een landelijk karakter. De Twentse textielindustrie bepaalde in hoge mate de verstedelijking van het gebied Almelo-Borne-Hengelo-Enschede. De textielindustrie is intussen verdwenen en gedeeltelijk vervangen door metaalindustrie, maar de infrastructuur in de vorm van kanalen en spoorlijnen is gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met de aanleg van de A1 en A35. In Enschede is de komst van de Technische Universiteit bepalend geweest voor het huidige karakter: veel studenten en een uitgestrekte campus aan de westkant. De aanwezigheid van hightech bedrijven in Twente heeft er direct mee te maken.

Ten noorden en zuiden van het stedelijke gebied ligt het landelijke Twente. De dorpen en stadjes zoals Oldenzaal, Ootmarsum en Haaksbergen zijn in de laatste decennia gegroeid, soms zelfs flink, maar hebben hun kleinschalige karakter behouden. Oldenzaal was tot in de 19de eeuw de belangrijkste nederzetting. De industrialisatie vond nadien vooral in Hengelo, Enschede en Almelo plaats.

De regio ontwikkelde zich in hoog tempo tot het textielcentrum van Nederland, daarbij geholpen door verbeteringen in de infrastructuur, zoals het Overijsselsch Kanaal en spoorwegen, later uitgebreid met snelwegen. In de jaren 1960 is door buitenlandse concurrentie de textielindustrie verdwenen.

Twente behoort tot het zandlandschap en kent een geleding in essen en kampen, broekgronden en woeste gronden. De laatste werden in de 19de eeuw omgezet in heideontginningen. Specifiek voor de natuurlijke situatie in Twente is het voorkomen van stuwwallen en dekzandkopjes. Deze bepaalden in hoge mate het cultuurlandschap: op en langs de flanken van de stuwwallen lagen grote essen, terwijl op de dekzandkopjes alleen kleinere essen en kampen lagen, zoals rond Tilligte. Er is sprake van een kleinschalig landschap met houtwallen, terwijl de heideontginningen grootschaliger zijn. Na de Tweede Wereldoorlog zijn in het zandgebied ruilverkavelingen uitgevoerd die het oude landschap op sommige plekken aantastten. Meest ingrijpend was de ruilverkaveling rond Vriezenveen. Hier is de van oorsprong aanwezig langgerekte strokenverkaveling vrijwel geheel verdwenen. Het toen ontstane landschap is nu aangemerkt als wederopbouwgebied van nationaal belang.

Noordoost Twente is een Nationaal Landschap. Het toerisme concentreert zich in dit deel van de regio, langs de Dinkel. Andere karakteristieke elementen en patronen in Twente zijn watermolens, enkele kastelen, twee ronde percelen en boortorentjes van de zoutwinning.

Hengelo is een verbindingsstation van 380kV en 100kV hoogspanningsleidingen, die van daaruit over de regio uitwaaieren, onder meer ten behoeve van de Universiteit.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

In de diepe ondergrond van Twente hebben zich in het mesozoïcum (250-60 miljoen jaar geleden) zoutkoepels gevormd, die door druk in de ondergrond nadien tot relatief dicht onder de oppervlakte zijn gestegen en waar uit zout gewonnen wordt in onder meer Boekelo. Het huidige landschap is recenter van oorsprong en gaat terug tot het pleistoceen en holoceen.

Tijdens de voorlaatste ijstijd, het saalien, breidde landijs zich in verschillende fasen tot over Nederland en Twente uit. IJslobben drukten de bevroren bodemlagen zijdelings op tot heuvels: de stuwwallen. Eerder gevormde stuwwallen werden overreden en met een laag keileem bedekt, zoals die van Wierden en Enter. Keileem is een ondoorlatende laag bestaande uit fijn leem en zwerfstenen, die door het ijs werden meegevoerd. Tijdens het afsmelten van het ijs werden smeltwaterafzettingen neergelegd in de lagere delen van het gebied, zoals aan de oostkant van de stuwwal van Oldenzaal.

In het weichselien, de meest recente ijstijd, bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste een toendraklimaat. De wind had vrij spel en zette in het hele gebied een laag zand af (dekzand). Hier en daar werden zandruggen gevormd.

Ongeveer 10.000 jaar geleden werd het klimaat warmer en vochtiger. Twente raakte bedekt met bos. Door de beken werd in de dalen hier en daar een laagje leem afgezet. In afvoerloze laagten ontstonden moerassen waarin veen tot ontwikkeling kwam, dat zich over grotere oppervlakten uitbreidde. Enkele restanten zijn ervan overgebleven (Haaksbergerveen, Engbertsdijkvenen). Andere delen van het veen zijn verdwenen door turfwinning.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort Twente tot het Noordelijk zandgebied, de Stuwwallen, het Keileemgebied en het Münsterland (Oost-Nederlands plateau). Daarbinnen worden tal van landschapszones onderscheiden, waarvan de belangrijkste zijn: dekzandvlakten, dekzandruggen en rivierduinen, beekdalbodems, hellingen, stuwwallen en veenvlakten.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Op diverse plaatsen in Twente zijn werktuigen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van Neanderthalers in de periode 120.000-35.000 v.Chr. (Ambt-Delden, Mander, Almelo). In de laatste fase van de laatste ijstijd (weichselien) verbleven groepen nomadische jagers-verzamelaars in het gebied, waaronder rendierjagers (Hamburg cultuur: 13.000-10.000 v.Chr.). Sporen van kampementen van jagers-verzamelaars uit de middensteentijd (8800-4900 v.Chr.) zijn plaatselijk zeer talrijk, zoals in het stroomgebied van het riviertje de Regge. In de jonge steentijd schakelde de mens over op landbouw en vestigde men zich op vaste plakken. Stukken bos werden gekapt om akkers aan te leggen. Onder meer bij Markelo, Vasse, Oldenzaal en Saasveld bevonden zich in deze periode nederzettingen. Talrijke ‘urnenvelden’ (begraafplaatsen) duiden op een behoorlijke bevolkingsaantallen in de periode late bronstijd-midden ijzertijd (1100-500 v.Chr.). Vaak liggen die dicht bij oudere grafheuvels uit de periode late steentijd-bronstijd. Groepen grafheuvels zijn bewaard gebleven bij Markelo en op de stuwwal van Ootmarsum. ‘Celtic fields’, akkers uit de ijzertijd, zijn bij Vasse nog in het landschap zichtbaar. Het zijn complexen van min of meer vierkante akkertjes van circa 35 x 35 meter. Doordat stenen en stronken uit het gerooide perceel in de randen werden gedeponeerd, ontstonden lage, begroeide wallen. In de Romeinse tijd kende Twente ook bewoning. Hoewel het gebied nooit deel heeft uitgemaakt van het Romeinse Rijk, wijzen diverse vondsten op contacten over en weer.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Na de Romeinse tijd liep de bewoning wel terug, maar raakte de regio zeker niet ontvolkt. In de Karolingische tijd (8ste -10de eeuw) werden nieuwe gebieden ontgonnen en ontstonden de huidige dorpen. De wijze waarop het land werd gebruikt was afhankelijk van de terreinomstandigheden. De akkers lagen op hogere kopjes dicht bij de boerderij, de lagere delen werden gebruikt als weiland of hooiland. Onontgonnen gronden werden gemeenschappelijk gebruikt. Veeteelt leverde mest en stond in dienst van de akkerbouw. De akkers lagen vaak bijeen in grotere complexen, de essen of enken, die gemeenschappelijk bewerkt werden. Door eeuwenlange bemesting met potstalmest, die vermengd werd met heideplaggen, grasplaggen of bosstrooisel kwamen deze hoger dan de omgeving te liggen. Daar waar het reliëf onregelmatig, maar weinig verbrokkeld was bood dit mogelijkheden voor het ontstaan van uitgestrekte escomplexen met bijhorende esdorpen. Waar het reliëf bestond uit kleine dekzandkopjes zonder ruimte voor grote aaneengesloten bouwlandcomplexen, ontwikkelde zich een kleinschalig landschap van kampen, omgeven door heggen, houtwallen of houtsingels. De boerderijen lagen in dat geval verspreid.

De meeste essen vinden hun oorsprong in huiskampen, individuele ontginningen, omheind door een houtwal of haag. Als het reliëf het toeliet, konden ze aaneengroeien tot essen, zo niet, dan bleef het een verbrokkeld geheel. De ouderdom van de kampen varieert zeer sterk.

In het landschap had de woeste grond een belangrijke functie omdat hier schaapskudden graasden die de mest leverden. Bovendien werden hier de plaggen gestoken, die nodig waren voor het bemesten van de akkers. De omvang van het grasland, waar de runderen graasden en hooi werd gewonnen, vertoonde grote regionale verschillen. Vooral in het noorden en zuidoosten van Twente hadden riviertjes zich vaak diep ingesneden, zodat er maar weinig plaats voor grasland was. In het noorden legde men daarom graskampen in de laagten rond de essen aan. In het zuidoosten bleef het grasland schaars. Hier moesten de uitgestrekte heidevelden voor compensatie zorgen.

De marken

In de loop van de late middeleeuwen ontstonden de marken of markegenootschappen. De marken werden opgericht om de woeste gronden te beschermen tegen illegale ontginningen en plaggensteken. Deze bescherming was nodig vanwege de toename van de bevolking in de loop van de 12de eeuw.

De boerenbevolking sloot zich aaneen om nieuwkomers te weren. Elke boer had een waardeel in de marke: een evenredig recht om vee te weiden en heideplaggen te steken op de gemeenschappelijke markegronden. De markegenoten behartigden ook de buurtschapsbelangen, zaken die alle bewoners aangingen.

In principe had ieder dorp een eigen marke. Nieuwkomers werden geweerd, maar ze werden soms oogluikend getolereerd als keuters aan de randen van de ontginningen, waarop ze kleine stukjes grond bewerkten.

Vanaf het midden van de 18de eeuw ontstond het initiatief om de markegronden onder de belanghebbenden te verdelen. Landbouwvernieuwers vonden dat de extensief gebruikte gemeenschappelijke gronden van de marken beter benut konden worden. De gemene gronden zouden privébezit moeten worden en via technische vernieuwingen zouden de opbrengsten verhoogd kunnen worden. In 1810 kwam er een wet die de markeverdelingen moest regelen, maar weinig marken gaven hieraan gehoor. De belangrijkste reden was dat men de heidegronden nodig had voor het landbouwsysteem. De mest, vermengd met heideplaggen en ander organisch materiaal, was essentieel voor het bestaande bouwland. Pas toen aan het einde van de 19de eeuw kunstmest op grote schaal beschikbaar kwam, werd de afhankelijkheid doorbroken. De heide verloor haar functie als weidegebied voor schapen en leverancier van plaggen.

Daarop is een grote ontginningsgolf van de heide- en broekgronden ingezet. Dit leidde tot een nieuwe toevoeging aan het zandlandschap, de heide- en broekontginningen.

Het waren vooral initiatieven van de Twentse fabrikanten die de heideontginningen stimuleerden. Zij stonden ook aan de wieg van de Nederlandse Heidemaatschappij (Heidemij) in 1888.

Grote stukken door hen opgekocht land zijn door de Heidemij in cultuur gebracht. Flinke stukken voormalige heidevelden werden omgezet in buitenplaatsen en landgoederen, veelal voor de rijke textielbaronnen.

De veengebieden

De ontginning van het grote hoogveengebied ten noorden van Almelo vond in verschillende perioden en op verschillende wijzen plaats. Het begon met de ontginning van Vriezenveen in de 14de eeuw vanuit de Almelose Aa. Op het veen werd aanvankelijk het gemengde bedrijf uitgeoefend. Door de ontwatering en door het landbouwkundig gebruik ging het veen echter inklinken en was akkerbouw al gauw niet meer mogelijk. Men besloot daarom verder het veen in te trekken. Er werden nieuwe boerderijen in een strook ten noorden van de oude as gebouwd. Op deze manier werd het dorp enkele keren naar het noorden verplaatst, tot het in de 17de eeuw op de huidige plek belandde.

Commerciële vervening heeft in het dorpsgebied van Vriezenveen niet plaatsgevonden. In andere veengebieden gebeurde dit wel, vooral na de aanleg van het Overijsselsch Kanaal (Coevorden-Almelo, 1856). Hierop werden wijken aangesloten, die diep in het veen bij Vroomshoop en Sibculo doordrongen. Via de wijken en zijwijken werd de turf afgevoerd richting de opkomende Twentse industrie. Later werd het veen per smalspoor naar turfstrooiselfabrieken vervoerd, zoals rond de Engbertsdijksvenen, het Huurnerveld en het Wierdense Veld.

Bij de vervening werd de bovenste veenlaag – de bolster – bewaard. Nadat het veen was afgegraven werd de bolster teruggezet en vermengd met de zandige ondergrond. Zo ontstond zogeheten dalgrond.

De veengebieden onderscheiden zich duidelijk van zandlandschap door hun regelmatige percelering, rechte wegen en waterlopen en de afwijkende type boerderijen, die sterk lijken op die uit het Oldambt en de Veenkoloniën.

Infrastructuur

Voor de 19de eeuw was men voor het vervoer aangewezen op enkele doorgaande landwegen die vanuit Zwolle en Deventer naar het achterland en vandaar naar Duitsland liepen. De belangrijkste weg liep van Deventer via Holten, Goor en Delden naar Hengelo. Daar splitste de weg zich in een tak naar Oldenzaal en een naar Enschede en Münster. Het westelijke deel van de regio kon gebruikmaken van de Regge/Overijsselsche Vecht en de Schipbeek en de Goorsche Schipbeek. Enter was een schipperscentrum, waar men speciale schepen bouwde voor het varen op de ondiepe wateren.

In de 19de eeuw werd de bereikbaarheid van het gebied sterk vergroot. Nieuwe straatwegen werden aangelegd, zoals de weg Almelo-Zwolle in 1830, gevolgd door kanalen en spoorwegen. Midden 19de eeuw kreeg de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij (OKM) het recht om een aantal kanalen te graven in de provincie Overijssel. In 1851 begonnen de werkzaamheden. Het hoofdkanaal van Zwolle naar Almelo kwam gereed in 1855, het zijkanaal Almelo-De Haandrik werd in 1856 opengesteld. In de jaren 1930 werd het Twentekanaal aangelegd, wat de bereikbaarheid verder verbeterde. Het waren echter vooral de spoorwegen die de openstelling van Twente bewerkstelligden. Hierdoor heeft de regio een geweldige economische impuls gekregen. In de periode tussen 1865 en 1910 kreeg Twente via een uitgebreid netwerk van spoorwegen verbindingen met Duitsland, Deventer, Zutphen, Zwolle en het westen van het land.

De oude landweg richting Duitsland is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog omgevormd tot Rijksweg A1/A35 en vormt tegenwoordig de belangrijkste verbinding tussen Noord-Duitsland (Hamburg, Berlijn) en Nederland. Voor de economie van de regio Twente zijn deze snelwegen van levensbelang. De provinciale weg N35 van Zwolle-Raalte-Almelo is de belangrijkste verbinding met de rest van Overijssel.

Landgoederen en buitenplaatsen

Opvallend is het grote aantal kastelen, landgoederen en buitenplaatsen in de regio. Sommige daarvan gaan terug tot de middeleeuwen. De landsheer, vanaf de 10de eeuw de bisschop van Utrecht, liet in de regio enkele versterkingen bouwen, zoals in Diepenheim, Oldenzaal en Ootmarsum (de Huneborg, circa 1100). Daarnaast gaf hij gebieden in leen aan adellijke families, die verdedigbare huizen bouwden (havezaten). De eigenaren daarvan behoorden tot de ‘ridderschap’ van Overijssel en hadden als zodanig een belangrijke politieke invloed. Nadat ze hun militaire functie hadden verloren werden sommige havezaten verbouwd tot chique buitenplaatsen, terwijl er in de 17de eeuw ook nieuwe ontstonden. Singraven is een bekend voorbeeld van een Twentse havezate.

Veel nieuwe landgoederen en buitenplaatsen zijn vanaf het einde van de 19de eeuw gesticht door rijke textielfabrikanten, die vrijgekomen markegronden aankochten. Bij de landhuizen werden veelal parken in de Engelse landschapsstijl aangelegd. De invloed op het landschap bleef niet beperkt tot het huis en het park eromheen. Vaak behoorde een grote oppervlakte land bij het huis, bestaande uit bossen, lanen en pachtboerderijen, zoals Twickel in Delden dat meer dan 2.000 hectare groot is.

Recente ontwikkelingen

Bij de steden en in tal van dorpen hebben zich grote veranderingen voorgedaan. De groei van de steden begon rond 1850 en zette in de 20ste eeuw door. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de textielindustrie na een korte opleving vrijwel geheel verdween, breidden de steden zich gestaag verder uit. Nieuwe werkgelegenheid werd onder meer gevonden in de metaalindustrie, hightech bedrijven én bijhorende energie-infrastructuur (hoogspanningsleidingen) en in de Technische Universiteit. Met name die laatste werd een grote werkgever en trok veel nieuwe mensen richting Twente.

Door de opkomst van de recreatie zijn na 1960 veel nieuwe recreatieve voorzieningen aangelegd, zoals campings, fietspaden en vakantieparken. We vinden deze voorzieningen vooral in de niet verstedelijkte delen van de regio. Ootmarsum vormt tegenwoordig een belangrijk toeristenstadje in de regio, terwijl de verschillende kastelen en watermolens, gelegen in een landschappelijke setting veel dagjesmensen op de fiets of per voet aantrekken. Hengelo- ’t Lansink, Borne, Ootmarsum, Stokkum, Diepenheim en het Stift Weerselo zijn beschermde stads- of dorpsgezichten.

De delen van de woeste gronden die niet werden ontgonnen, zijn tegenwoordig natuurgebied of omgezet in bos (met natuur- en/of productiefunctie; in totaal liggen elf Natura 2000-geieden in de regio). Dit heeft ertoe geleid dat de verschillen tussen essen, kampen, groenlanden en heidevelden in belangrijke mate verloren zijn gegaan. Dit proces werd voortgezet door de meer dan 25 ruilverkavelingen die na 1950 zijn uitgevoerd, waarbij de agrarische productieomstandigheden werden verbeterd door de percelen van boeren bijeen te brengen, nieuwe boerderijen te bouwen en de waterbeheersing te verbeteren. Veel elementen als houtwallen en meidoornsingels zijn verdwenen en de verschillen tussen kleinschalige gebieden en grotere open ruimtes zijn voor een deel verloren gegaan.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Vriezenveen 4295 1954 - 1968 100%
Daarle-Hellendoorn 5091 1976 - 1992 32,4%
Brammelo-Rietmolen 2773 1962 - 1970 51,5%
Holten-Markelo 12899 1968 - 1987 65,9%
Rijssen/Algemeen 3690 1999-0 72,1%
Wierden 2811 1960 - 1969 91,0%
De Beneden Dinkel 5451 1953 - 1968 97,2%
Haaksbergen 8578 1985 - 2012 99,9%
Denekampse Veld 2836 1960 - 1969 100,0%
Usseler Esch 259 1940 - 1951 100,0%
Hasseler en Deurninger Esch 629 1941 - 1952 100,0%
Het Rossumer Veld C.A. 2014 1951 - 1961 100,0%
Agelo-Reutum 2224 1967 - 1978 100,0%
Deurninger Esch, Uitbreiding 146 1943 - 1952 100,0%
Groot Driene 420 1950 - 1959 100,0%
Zendersche Esch 201 1950 - 1957 100,0%
Alberger Esch 167 1951 - 1958 100,0%
Stokkumer Esch 716 1950 - 1958 100,0%
Zoekerveld 148 1953 - 1961 100,0%
Enter Esch 192 1954 - 1961 100,0%
Weerselo-Dulder 2342 1953 - 1962 100,0%
Volthe (Rossum-Oost) 1369 1991 - 2006 100,0%
Saasveld-Gammelke1 2829 1998-0 100,0%
Enter1 4802 2007-0 100,0%
Enschede-Noord1 4561 2009-0 100,0%
Enschede-Zuid/Algemeen1 4753 2000-0 99,9%
Losser1 9183 2010-0 99,9%
Eschmarke2 1074 1991 - 1996 100,0%
1. Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG)
2. Aanpassings Inrichting

Specifieke thema’s

Steden

Enschede (158.000 inwoners) kreeg in 1325 stadsrechten. Tot in de 18de eeuw was het een landbouwstadje met stadsboerderijen, die hun bouwland hadden op de essen ten oosten van de stad.

De stad begon zich flink te ontwikkelen in de 19de eeuw, toen het het kloppende hart van de textielnijverheid in de regio werd. De oorsprong daarvan lag in de huisweverij, die vooral in de wintermaanden werd bedreven. Na een grote stadsbrand in 1750 werden de eerste fabrieken opgericht en werden langs de beken grote bleekvelden ingericht. Koning Willem I stimuleerde de ontwikkeling van de textielindustrie. In Twente is al snel tot het toepassen van stoommachines overgegaan. In 1834 verscheen de eerste stoomkatoenspinnerij. Nieuwe fabrieken kwamen buiten de ovale ring die het middeleeuwse Enschede vormde te liggen, voornamelijk langs de spoorlijnen. De skyline bestond aan het begin van de 20ste eeuw uit tientallen rokende fabrieksschoorstenen. De stormachtige ontwikkeling van de industrie had ook een toename van de bevolking tot gevolg. Deze mensen werden gehuisvest in wijken buiten de oude stad. Het verstedelijkingspatroon vertoonde aan het einde van de 19de eeuw een spinnenwebachtige structuur: langs uitvalswegen werden fabrieken aangelegd. Bekende uitbreidingswijken tot 1940 zijn het Volkspark, Roombeek (herbouwd na de vuurwerkramp van 2000) en Pathmos.

Na de oorlog lag de stad voor een groot deel in puin en moest herbouwd worden. Naoorlogse uitbreidingen volgens modernistische principes betroffen wijken als Stadsveld en Twekkelerveld, in de jaren 1960 gevolgd door Mekkelholt en Deppenbroek.

Van recentere tijd zijn de Stroinklanden en de Eschmarke. In de jaren 1960 was het gedaan met textielindustrie door de grote concurrentie van derdewereldlanden. Veel fabrieksgebouwen werden afgebroken en herontwikkeld. De eerder genoemde skyline met fabrieksschoorstenen verdween vrijwel volledig.

Er kwamen nieuwe vormen van werkgelegenheid bij onder meer de Technische Universiteit Twente, die op het landgoed Drienerlo een plek vond. De stad heeft de omschakeling naar de dienstensector goed doorstaan en is thans de dertiende gemeente qua inwonertal van het land. Op 13 mei 2000 werd de wijk Roombeek ten noorden van het centrum zwaar getroffen door de vuurwerkramp. Dit leidde tot grootscheepse vernieuwing van de wijk, waar overigens ook al voor de ramp plannen voor waren.

Hengelo (81.000 inwoners) ontstond bij het 13de-eeuwse huis Hengelo. Lange tijd bleef het een agrarische nederzetting, tot het in de 19de eeuw een sterke industriële ontwikkeling doormaakte.

De kruising van spoorlijnen was heel bepalend. Bontweverijen, katoenspinnerijen en vooral metaalindustrie vestigden zich en zorgden voor groei van het aantal inwoners. Vanaf circa 1900 werden verschillende wijken aangelegd, waaronder het tuindorp ’t Lansink. Nieuwe bedrijvigheid ontstond door de zoutfabriek (nu Akzo-Nobel) die in 1936 aan het Twentekanaal werd gebouwd.

De stedelijke ontwikkeling voltrok zich nadien meer aan de zuidkant van de stad. Evenals in Enschede was er aanzienlijke oorlogsschade die voortvarend werd aangepakt met de aanleg van modernistische wijken, zoals Kleine en Grote Driene Es.

De grootschalige herstructurering van het centrum en de directe voormalige industriële omgeving van de laatste twintig jaar is succesvol geweest. De meest recente uitbreidingen betreffen wijken als Roershoek en Vossenbelt. De binnenstad en Klein Driene I en II zijn door het Rijk uitgeroepen tot wederopbouwgebieden van nationaal belang.

Almelo (72.500 inwoners ) werd in 1236 voor het eerst genoemd. Het kasteel Almelo was gebouwd op de plek waar een landweg, de huidige Grotestraat, over de Almelosche Aa liep. De nederzetting bij het kasteel kreeg rond 1420 stadsrechten. Stadsmuren, poorten of andere verdedigingswerken zijn nooit gebouwd, wel een gracht. Almelo bleef een klein stadje tot in de 19de eeuw.

De stad groeide vanaf 1830 toen de eerste textielfabrieken werden opgericht. De aanleg van het Overijsselsch Kanaal en komst van het spoor naar Duitsland, Zwolle en Deventer leidden tot uitbreiding van de weverijen en spinnerijen. Eén van de eerste uitbreidingswijken is tuindorp De Riet. Door forse herstructurering van de binnenstad is de historische structuur van de stad verloren gegaan.

Oldenzaal (32.000 inwoners) werd in 893 voor het eerst genoemd. Het kreeg in 1049 marktrecht en was in 1222 ommuurd.

De bisschop van Utrecht bezat er enkele hoven. In de Tachtigjarige Oorlog werden nieuwe versterkingen om de stad aangelegd.

Vanouds was de handel in de stad belangrijk, omdat het op een kruispunt van landwegen lag. In het midden van de 19de eeuw vestigden zich verschillende textielfabrieken in het stadje.

Oldenzaal maakte een minder stormachtige industriële ontwikkeling door dan andere Twentse steden. Tot ongeveer 1940 vond geleidelijke uitbreiding plaats tussen het oude centrum en het stationsgebied. Pas na de Tweede Wereldoorlog is de stad flink gegroeid tot over het spoor naar het noordwesten (o.a. Graven Es).

Ootmarsum (4.400 inwoners) gaat terug tot 917. In het stratenpatroon is de ligging van de oude stadswal nog te herkennen. De restanten van de gracht zijn gedempt in de jaren 1930. Het thans erg op het toerisme en kunstenaars ingestelde stadje is bescheiden in omvang gebleven. Ten oosten van het centrum ligt de belangrijkste uitbreiding.

Vlak bij kasteel Twickel kwam Delden (7.400 inwoners) tot ontwikkeling. Al in de 12de eeuw werd hier een kerk gebouwd en in 1325 kreeg Delden stadsrechten. De stadswal en -gracht zijn nog zichtbaar in het stratenpatroon.

Defensie

In de late middeleeuwen liet de bisschop van Utrecht verschillende kastelen aanleggen, zoals de Huneborg (rond 1100) bij Ootmarsum en kasteel Diepenheim. De havezaten hadden een beperkte verdedigingsfunctie. Een huis werd pas als havezate erkend als het verdedigbaar was en van een gracht was voorzien, maar een belangrijke militaire betekenis hadden ze niet. Dit geldt in het bijzonder voor de havezaten die vanaf de 16de eeuw werden gesticht.

In het landelijke gebied zijn hier en daar middeleeuwse verdedi gingswallen of landweren te vinden. Doorgaans bestonden die uit een brede zware wal, aan elke zijde voorzien van een flankerende gracht, met op de wal een stekelige heg. Soms was de landweer meerwallig. Landweren waren soms kilometers lang. De meeste stammen uit de late middeleeuwen. In de landweer zaten een paar doorgangen, die afgesloten konden worden met slagbomen. Over het algemeen waren landweren multifunctioneel: ze vormden de grens van gemeenschappelijke gronden of marken en beschermden deze tegen ongewenste vreemdelingen zoals vijandelijke troepen, rovers en huursoldaten op plundertocht. Vaak werd bij de doorgang tol geheven. Soms hadden de wallen en sloten tevens een waterstaatkundige nevenfunctie en hielden ze afdwalend vee tegen.

Watermolens

De beken in Twente werden vanaf de middeleeuwen benut om watermolens aan te drijven. Het betreft zowel boven- als onderslagmolens. Ze werden gebruikt als korenmolens, maar er waren ook papiermolens, oliemolens en volmolens. Een aantal is bewaard, onder meer in Singraven. Om een constante watervoorziening te verzekeren in het voorjaar werd een waterbuffer aangelegd in de vorm van een molenvijver of wijerd, waarmee korte droge perioden overbrugd konden worden. Molens vormen tegenwoordig aantrekkelijke plekken voor toeristen.

Cirkels van Jannink

Vlak bij Mander, tegen de Duitse grens, werden in de jaren 1920 twee opvallende ronde percelen aangelegd. Textielfabrikant Gerhard Jannink liet deze aanleggen als landbouwkundig experiment: ronde akkers zouden meer voordelen bieden dan rechthoekige. De velden konden vanuit het midden in een spiraalvormige gang worden bewerkt zodat de machines niet behoefden te keren. Tot 1991 werden er daadwerkelijk gewassen verbouwd, nadien is het in bezit gekomen van Landschap Overijssel en is het omgevormd tot een groot land-art project van Paul de Kort.

Literatuurlijst

  • Baan. I., H. Hengeveld, M. Knigge en H. van der Velde, 2012. De landschappen van Overijssel. Zwolle.
  • Barends, S., 1982. Het onderzoek naar de stedebouwkundige karakteristieken en cultuurhistorische waarden van de kleine kernen van Noordoost-Overijssel. Zwolle.
  • Beek, R. van, 2009. Reliëf in ruimte en tijd. Interdisciplinair onderzoek naar de bewoning en landschap van Oost-Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Wageningen. (diss. WUR)
  • Hermens, P. en G. Derkman, 2013. Wederopbouwgebied Vriezenveen Landschapsanalyse, kwaliteiten en inspiratie. Landschap Overijssel, Dalfsen.
  • Rappol, M. (red.), 1993. In de bodem van Salland en Twente. Geologie-archeologie-excursies. Amsterdam.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap Twente
Algemeen Centraal verstedelijkt deel
Ten noorden en zuiden daarvan landelijk gebied, bestaande uit kleinschalig zandlandschap met essen/kampen, broekgronden en heideontginningen
Landbouw Afhankelijk van reliëf terplekke ontstaan van
- grote essen (bv Enter)
- essen (essenzwerm) en kampen op dekzandkopjes met verspreide boerderijen
Houtwallen rond essen en kampen (veel verdwenen!)
In lagere delen weiland (broekgronden)
19de-eeuwse heideontginningen tot landbouwgrond, rationele verkaveling
- Na uitvoering ruilverkavelingen zijn verschillen verminderd
Regelmatige verkavelingspatroon veengebieden
- Na uitvoering ruilverkaveling verminderd, Wederopbouwgebied van Nationaal belang Vriezenveen
Bosbouw Bos bij landgoederen, o.a.
- Huis Twickel
19de-eeuwse heideontginning tot bos, o.a.:
- Twentse stuwwal
- Lutterzand
Wonen Enschede, Hengelo en Almelo: textielindustrie met kenmerkende groei langs uitvalswegen, teruggrijpend op middeleeuwse stadjes
- Enschede thans universiteit (campus)
- Hengelo/Almelo: herstructurering na sluiting industrie
Oldenzaal, Ootmarsum, Delden: historische stadjes
Nijverdal: gestichte fabrieksnederzetting
Veel esdorpen, o.a. Enter, Albergen, Tubbergen
Nederzettingen in het veen: Vriezenveen, Vroomshoop
Waterstaat Regge
Dinkel (vrij meanderend)
Schipbeek
Een veelheid aan kleinere beken, kenmerkend voor het zandlandschap
Defensie De Huneborg
Middeleeuwse kastelen, o.a. Diepenheim, Huis Almelo
Delfstofwinning Boortorens voor de zoutwinning: Hengelo, Boekelo
Turfwinning bij Vroomshoop-Sibculo met wijken en zijwijken
Bedrijvigheid Textielindustrie in steden, grotendeels verdwenen, restanten herkenbaar, ook na herstructurering
Metaalindustrie Hengelo
Hightech-industrie Enschede
Universiteitscampus Enschede
Watermolens, o.a. Singraven
Verkeer A1, A35/N35 (vml. Straatweg Almelo-Zwolle), N18, N343
Spoorlijnen en stationsgebouwen
- Deventer-Almelo-Hengelo-Enschede/Hengelo-Bad Bentheim
- Zutphen-Enschede-Gronau<
- Almelo-Marienberg
Overijsselse Kanalen, met sluiscomplexen<
- Almelo- De Haandrik
Kanaal Almelo-Nordhorn
Twentekanalen, met sluiscomplexen
- Zutphen-Enschede
- Zijkanaal naar Almelo
Bestuur Kastelen en middeleeuwse havezathes
- Bv Twickel, Heeckeren en Singraven
Landgoederen en buitenplaatsen Vml havezathen
- O.a. Het Nijenhuis, Den Alerdinck, Boxbergen, De Haere
Buitenplaatsen van textielfabrikanten
Concentratie op stuwwal en rond Enschede
- bv Hof Espelo, Paasberg/td>


Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.