Panorama Landschap - West-Friesland

Introductie

Deze regio behelst het binnen de Omringdijk gelegen zeekleigebied (voormalige veenontginningen) met lintdorpen. De naoorlogse ruilverkavelingen hebben het landschap flink veranderd. Veel dorpen zijn thans komvorming. Hoorn is de grootste stad.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Opperdoes. Te zien is een sloot met aan weerszijden bomen, wegen en huizen.
Afb. 1. Opperdoes. Foto: Dieuwertje Komen
Omringdijk met huis erachter.
Afb. 2. Omringdijk. Foto: Beeldbank RCE.
Luchtfoto van Broek op Langedijk.
Afb. 3. Broek op Langedijk. Foto: Paul Paris
Kaartje met Geesterambacht erop.
Afb. 4. Geestmerambacht. Bron: www.topotijdreis.nl
plein in Hoorn met horeca en winkels aan de zijkanten.
Afb. 5. Hoorn. Foto: Jos Stöver
Luchtfoto van Medemblik.
Afb. 6. Medemblik Foto: Paul Paris
Kaart van West-Friesland.
Afb. 7. West-Friesland

Karakteristiek

West-Friesland heeft een langdurige strijd tegen het water geleverd. Er liggen drie historische steden in het gebied, Hoorn, Medemblik en Enkhuizen. Hoorn is vanaf de jaren 1960 als groeikern aangewezen en heeft zich sindsdien enorm ontwikkeld. De verstedelijking zet zich voort tussen Hoorn en Enkhuizen en in het gebied rondom Heerhugowaard en bij Schagen. Het buiten de regio gelegen Alkmaar vormt samen met Heerhugowaard één stedelijk gebied. In het landelijke gebied hebben zich in de laatste decennia door grootschalige ruilverkavelingen grote veranderingen voorgedaan waardoor de herkenbaarheid van het landschap verminderde.

Al bijna 5000 jaar woont de mens in het gebied en heeft hij zich aangepast aan de wisselende omstandigheden. In de bronstijd was het gebied dichtbevolkt, waarvan de grafheuvels in het Grootslag getuigen. Nadien trok de mens weg, om pas in de vroege middeleeuwen terug te keren. Vrij snel werd het toenmalige veengebied ontgonnen en in cultuur gebracht. Het veen is in de loop van de eeuwen bijna geheel verdwenen onder invloed van klink en oxidatie. Thans ligt klei aan de oppervlakte. Het gebied is in de loop der tijd daardoor flink gedaald en was zeer kwetsbaar voor inbraken van de zee. Ter bescherming tegen het buitenwater is de Westfriese Omringdijk aangelegd. Tegelijk kende het gebied ook problemen met de afwatering. Door de aanleg van afvoerkanalen, sluizen, molens en gemalen werd dit het hoofd geboden.

De drie steden waren zeer welvarend in de 16de en 17de eeuw, maar stagneerden in de eeuwen erna, om pas in de 20ste eeuw weer te groeien. De landbouw heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld van gemengd bedrijf via een specialisatie in veeteelt naar een gespecialiseerde groente- en bollenteelt. Er komen gebieden met kassen voor.

Veel mensen in de regio werken in de noordelijke Randstad. Via de snelwegen A7 en A9 (vanaf Alkmaar) en de spoorlijnen Hoorn-Zaandam-Amsterdam, Den-Helder-Schagen-Alkmaar-Amsterdam is de regio goed ontsloten. Windturbines staan door de gehele regio opgesteld; zowel los als in lijn of in parken. De komende jaren zullen er nog turbines bijkomen, hoewel de grootste opgave buiten de regio wordt gerealiseerd in de Wieringermeer. Vanaf het transformatorstation Oterleek lopen meerdere 150 kV hoogspanningsleidingen door de regio.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Holoceen

De ontstaansgeschiedenis van de regio begint na afloop van de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden. Door het afsmelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en kon de zee in het gebied doordringen. In minder actieve perioden ontstond er veen.

De bewoningsmogelijkheden waren gering. In delen waar de zee actief was, schuurde deze diepe geulen uit en zette het land voortdurend onder water. Bewoning kon dan niet plaatsvinden, maar als een kwelderlandschap hoog opgeslibd was en de activiteit van zee minder werd, kon dat wel. Bijvoorbeeld in de jonge steentijd, toen in het oostelijke deel van de regio een kwelderlandschap ontstond, dat doorsneden werd door geulen geflankeerd door hoge kwelderwallen. Er zijn uit die tijd tal van woonplaatsen, grafheuvels en andere resten teruggevonden.

Vanaf de 9de eeuw v.Chr. verslechterden de omstandigheden opnieuw en werden terpen opgeworpen. Deze terpen – die ouder zijn dan de oudste terpen in Friesland en Groningen – duiden op wateroverlast. Kort hierna verdween de bewoning volledig en brak er een periode aan waarin op grote schaal veen ontstond.

Vanaf de 6de eeuw n.Chr. is dit veengebied ontgonnen en trad bodemdaling op. De zee kreeg geleidelijk weer meer invloed op het gebied en sloeg delen van het veen weg. Omstreeks 1200 was het huidige West-Friesland geheel door water omgeven.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio voor het overgrote deel tot het Noord-Hollands kleigebied. Bij Heerhugowaard ligt het landschap van de Diepe droogmakerijen. Een klein deel van de regio behoort tot het Hollands-Utrechts veengebied. Als landschapszones zijn onderscheiden kwelders, kreekruggen, strandwallen en lage duinen, wadden, veenvlakten en droogmakerijen.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

In het laat-neolithicum, het einde van de jonge steentijd waren de omstandigheden gunstig voor bewoning. Er zijn tot dusverre sporen van menselijke aanwezigheid gevonden in Zandwerven en in de Waard- en Groetpolder. De vondsten behoren tot verschillende cultuurperioden, die elkaar voor een deel overlappen.

Het gaat om de Vlaardingencultuur (3200-2700 v.Chr., bewoning in Zandwerven), de Enkelgrafcultuur (3200-2500 v.Chr., bewoning in Zandwerven, Aartswoud, de Groetpolder en Kolhorn) en de Klokbekercultuur (2700-2200 v.Chr., belangrijkste vindplaats in Oostwoud). De vindplaatsen liggen op de hogere delen van het toenmalige landschap: op de natuurlijke ruggen langs de kreken en op oude strandwallen. In het westen van West-Friesland zijn uit deze periode geen vondsten bekend, omdat daar een inham van de zee lag. In de bronstijd was West-Friesland een dichtbevolkt gebied. Omstreeks 1350 v.Chr. kwamen nieuwe kolonisten naar het gebied. Ze vestigden zich op de flanken van de oeverwallen langs de kreken. Heel opmerkelijk zijn de vuurstenen sikkels die deze boeren gebruikten, waarvan er vele zijn teruggevonden.

Behalve sporen van boerderijen zijn tal van grafheuvels en vlakgraven ontdekt. Ten zuiden van Wervershoof zijn nog enkele grafheuvels in het landschap te zien. Vanaf 1000 v.Chr. trok de bewoning weg omdat het te nat werd. Er ontstonden moerassen en laag veen. Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling werden delen van het gebied weer tijdelijk bewoond. Bij Opperdoes zijn enkele woonplaatsen uit de late ijzertijd (250-0 v. Chr.) ontdekt. In de Romeinse tijd (0-450 n.Chr.) woonde men in de buurt van Schagen op het veen. In de tweede helft van de 3de eeuw n.Chr. verdween die bewoning weer.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

In de vroege middeleeuwen kwam de mens terug en ging opnieuw ontginnen. Dit paste in de ontginningsgolf die toen in de omgeving van het huidige Texel startte en zich geleidelijk over het veengebied uitstrekte. De kolonisten vestigden zich langs veenstroompjes of op de hogere delen van de veenkoepels.

Van daaruit groeven ze parallelle sloten het veen in die het gebied ontwaterden. Een natuurlijke of gegraven waterloop voerde het overtollige water af naar de zee of een meer. Er ontstond een landschap met smalle lange percelen loodrecht op relatief rechte bewoningsassen. In de zuidwestelijke uitbreiding van Schagen, Waldervaart, is een nederzetting ontdekt uit de 6de-7de eeuw.

Ook Medemblik stamt uit die tijd: het lag aan een geul tussen het Almere en het Vlie, zodat per schip de belangrijke handelscentra in Friesland en (via het Almere, de Vecht en de Rijn) Dorestad bereikt konden worden. Medemblik werd door deze gunstige ligging een belangrijke handelsplaats.

Geleidelijk werd heel West-Friesland ontgonnen. Dit leidde echter tot een daling van het oppervlak en daarmee tot de noodzaak zich tegen de zee te beschermen. In de buurt van Schagen deed men dit aanvankelijk door terpen op te werpen. Later werden dijken gebouwd. Deze eerste dijken waren lage kaden, die de individuele dorpsgebieden omringden. Van een doorgaande zeewering was toen nog geen sprake.

Het verdwenen veen

Karakteristiek voor West-Friesland is de inrichting van het landschap die typisch is voor een laagveengebied, terwijl er geen veen meer aanwezig is. Door ontwatering, klink en oxidatie en eeuwenlang agrarisch gebruik van het gebied is het veen verdwenen. Op enkele plaatsen, bijvoorbeeld onder oude gebouwen, kerken of onder dijken is een veenlaagje aangetroffen, een zogenaamd restheem. De hoger gelegen kreekruggen en strandwallen kwamen op den duur boven het veen uit, zoals bij Zandwerven. Soms leidde dit tot een andere inrichting van het gebied, als bijvoorbeeld een dorp verplaatst werd naar zo’n relatief hooggelegen rug. Ondanks het verdwenen veen, bleef de oude inrichting van het landschap gehandhaafd.

Dorpen werden doorgaans op de flanken van de veenkussens aangelegd. Daar bouwde men de boerderijen, terwijl het akker- en weiland het veen in stak. Winkel, Niedorp, Aartswoud en Hoogwoud zijn hier voorbeelden van. Er werden sloten gegraven van de bestaande veenstroompjes naar de centrale delen van het veen. Als het land voldoende droog was geworden konden de boeren er hun gewassen verbouwen. Andere dorpen werden aangelegd bij de veenstroompjes zelf, zoals Schagen en Medemblik.

In de beginperiode werd de grond voor akkerbouw gebruikt. In West-Friesland ging men relatief vroeg tot de specialisatie in landbouw over. Er was kort sprake van gemengd bedrijf. Al snel specialiseerde men zich in veeteelt. Zowel melkveehouderij als de vetweiderij kwam voor. Bij die laatste werden in het voorjaar ossen uit Jutland en Sleeswijk-Holstein aangevoerd die in de zomerperiode op gewicht konden komen op de weiden om daarna voor de slacht verkocht te worden.

Anderzijds specialiseerden de boeren in Broek op Langedijk en Scharwoude zich op de teelt van grove tuinbouwgewassen, vooral kool, wortel en aardappel. Hier was het vooral de nabijgelegen stad Alkmaar, die als belangrijkste afzetmarkt functioneerde.

Ook de bollenteelt was een bron van welvaart in de landbouw. Om de bodem vruchtbaarder te maken, zijn op meerdere plekken in West-Friesland zogenaamde daliegaten gemaakt. Dit zijn kuilen, met een doorsnede van 3-10 meter. Ze zijn ontstaan in de tijd dat er nog een veenlaag in het gebied lag. De boeren groeven gaten in het veen tot ze op de klei kwamen. Deze klei werd omhoog gehaald en over de velden uitgespreid. De kuilen werden daarna weer gedicht met veen. Toen de veenlaag verdwenen was en de klei aan de oppervlakte kwam te liggen zaten daar dus gaten in die met veen waren opgevuld. Door inklinking van het veen zijn ze wat lager komen te liggen dan de omgeving.

De Westfriese Omringdijk

In de 12de en 13de eeuw veranderde de waterstaatkundige situatie. West-Friesland raakte aan alle kanten omringd door water. Het gebied werd bedreigd, in het westen door de Zijpe, in het noorden door de al maar groeiende Wieringermeer en in het oosten de Zuiderzee. Aanvankelijk was dit alleen een zoetwatermeer (het Almere), dat door het Vlie afwaterde naar de Noordzee.

Na verschillende stormvloeden werd het veengebied tussen Friesland en Noord-Holland weggeslagen en ontstond de Zuiderzee. Ten zuiden van West-Friesland, binnenlands dus, bestonden de bedreigingen uit kleine veenstromen die uitgroeiden tot grote meren als Beemster en Schermer. De Zijpe wist via het riviertje de Rekere verbinding te maken met de Schermer, waarmee de ring van water rondom West-Friesland gesloten was.

Aanvankelijk lag de verantwoordelijkheid voor de aanleg en het onderhoud van dijken, kades en sluizen bij de dorpen of buurtschappen. Een vervolgstap was de samenwerking in de vier kwartieren van West-Friesland: Geestmerambacht, Drechterland, Vier Noorder Koggen en Schager- en Niedorperkogge.

Aangrenzende dorpen gingen samenwerken en verdedigden het grondgebied tegen de zee door een gemeenschappelijke dijk aan te leggen. In de eerste helft van de 13de eeuw werden de afzonderlijke dijken met elkaar verbonden en kwam de grote Westfriese Omringdijk tot stand. Deze brak vrij regelmatig door, getuige de vele wielen bij de dijk: resten van vroegere doorbraken.

Het onderhoud van de dijk werd in de loop van de tijd steeds door een hoger gezag geregeld: in 1320 bijvoorbeeld werden door het bestuur van de Graaf van Holland voorschriften uitgevaardigd voor het onderhoud van de dijk, waaruit de bemoeienis van het landsbestuur bleek.

Binnen de Omringdijk lagen enkele meren, waarvan de Heer Hugowaard het grootste was. De Huigendijk scheidde dit meer van de Schermer. Aanvankelijk was de dijk nog door een brede strook voorland beschermd, maar in de loop van de tijd was dit vrijwel geheel weggeslagen. Het onderhoud van de dijk vergde steeds grotere inspanningen. De situatie bij de Huigendijk verbeterde toen in de jaren ‘30 van de 17de eeuw de Heerhugowaard en de Schermer aan weerzijden van de dijk werden drooggelegd met behulp van molens, opgesteld in een molengang. Elke molen maalde het water ongeveer 1,5 meter naar boven, waarna een andere molen het volgende stuk deed, net zo lang tot de het gehele meer op die manier bereikt kon worden.

Soms werd een dijkvak zo bedreigd, dat er landinwaarts een nieuwe dijk of inlaagdijk werd aangelegd, voor het geval de oude dijk het zou begeven. Achter de dijk van de Niedorperkogge en de noordelijke dijk van Drechterland was dit het geval. De inlagen waren nodig toen de oude dijken het in 1335 begaven. Na de Sint-Elisabethsvloed in 1421 en de stormvloeden van de jaren erna werd een deel van de stad Enkhuizen opgegeven. De stenen van de oude Pancratiuskerk werden gebruikt om meer westelijk de huidige St.-Pancras te bouwen.

Door afdamming en drooglegging was de Omringdijk na enkele eeuwen op verschillende plekken geen directe waterkerende dijk meer, maar een slaperdijk: een binnendijk zonder directe waterkerende functie. Onder meer door de afdamming van de Rekere was dit deel slaper geworden. Datzelfde gold voor de dijk van de Schager- en Niedorperkogge toen de Zijpepolder (1597) en de Wieringerwaard (1610) werden bepolderd. Later volgde onder meer de Wieringermeer (1929). Sinds de afsluiting van de Zuiderzee door de Afsluitdijk is het laatste deel van de dijk geen echte zeedijk meer. De gehele Omringdijk is tegenwoordig beschermd provinciaal monument.

De aanleg van de Omringdijk betekende niet dat de oude dijken geen functie meer hadden. Men hield ze in stand als slaperdijk, die Foto Beeldbank RCE het water kon keren als de zeedijk doorbrak. Voorbeelden hiervan zijn de Oude Dijk en de Valkogerdijk bij Sint Maarten en Schagen, maar ook binnendijken die ervoor zorgden dat binnenwater kon worden gekeerd, zoals de Grote en Kleine Zomerdijk nabij Wadway, de Bobeldijk en de Spierdijk.

De toename van drooggelegde meren had als neveneffect dat de boezem – het gebied waarop het overtollige water werd geloosd voordat het op zee werd uitgeslagen – steeds kleiner werd. Door middel van molenbemaling heeft men dit het hoofd weten te bieden.

Met de aanleg van de Westfriese Omringdijk was de dijkring gesloten. Vanaf toen was sprake van bovenlokale of streekwaterschappen. West-Friesland behoort tot het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen van Hollands Noorderkwartier.

Kastelen en steden

Na verschillende mislukte pogingen slaagde Floris V er omstreeks 1280 in West-Friesland onder Hollandse heerschappij te brengen. Daarop bouwde hij een aantal dwangburchten: bij Wijdenes, in Medemblik (kasteel Radboud), bij Alkmaar (de Middelburg en de Nieuwburg) en de Nuwendoorn bij Warmenhuizen. Hiervan is alleen Radboud bewaard, de andere zijn vergaan of verwoest. Daarnaast verleende hij stadsrechten aan verschillende nederzettingen. Alleen Medemblik, Hoorn en Enkhuizen lukte het zich tot stad te ontwikkelen. De andere ‘steden’ bleven klein; de mooie stadhuizen zijn vaak het enige stedelijke kenmerk.

Koopvaarders en vissers

De 17de eeuw was voor de scheepvaart en handel op de Oost een hoogtepunt in de Republiek. Onder andere de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) en de WIC (West Indische Compagnie) werden opgericht. De VOC had zes vestigingen of kamers, waaronder die in Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. Tussen 1602 en 1795 groeide de VOC uit tot een enorm bedrijf. In Hoorn en Enkhuizen zijn gebouwen van de VOC en WIC bewaard gebleven: de kantoorpanden waar nu een deel van het Zuiderzeemuseum in gevestigd is.

Enkhuizen was naast handelsstad ook een belangrijk centrum voor de visvangst als haring en platvis. Vooral na de komst van de haringbuizen – vrij grote schepen met een kiel en een kajuit – en de uitvinding van het haringkaken – zodat de vis aan boord verwerkt en geconserveerd kon worden – nam het een grote vlucht. In totaal kon een haringbuis tussen de 280 en 420 tonnen meenemen. Eenmaal aan wal gekomen werd de haring opnieuw verpakt en gereedgemaakt voor verder transport. Dit gebeurde in Enkhuizen in de Paktuinen.

Recente ontwikkelingen

Doordat er verschillende polderpeilen werden gehanteerd, was het erg lastig om met een boot landbouwproducten rechtstreeks naar de afzetmarkt te varen. Schutsluizen of verlaten, zoals het Niedorper Verlaat, boden een oplossing evenals overtomen: een tussen twee vaarwegen van verschillend niveau gelegde drempel waarover een platbodem kon worden getild. Dergelijke installaties werden eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw geavanceerder en groeiden uit tot scheepsliften. In Bovenkarspel is in 1923-1924 een scheepslift gebouwd. Zowel deze als een overtoom in Venhuizen zijn thans rijksmonument. In de jaren 1930 werd overgeschakeld op wegtransport, wat het einde betekende van het transport over water.

Even buiten Andijk werd in 1926 de zogenaamde proefpolder aangelegd als test voor de latere Zuiderzeerwerken. Kort daarop begon men met de inpoldering van de Wieringermeer, de eerste grote polder van de Zuiderzeewerken. Het poldertje is tegenwoordig in gebruik als recreatiegebied.

Halverwege de 20ste eeuw is West-Friesland een belangrijke forensenregio geworden. Door dorps- en stadsuitbreidingen na de Tweede Wereldoorlog is het kenmerkende lineaire patroon veranderd. Grote delen van de Heerhugowaard en het gebied tussen Hoorn en Enkhuizen zijn volgebouwd. Alkmaar werd in de jaren 1970 een groeikern en groeide sindsdien de regio in. Vanaf de jaren 1990 wordt vaak gesproken van het HAL-gebied: Heerhugowaard-Alkmaar-Langedijk, dat feitelijk als één stedelijk gebied functioneert. Voor de groeiende bevolking is ook het aantal voorzieningen en de benodigde infrastructuur flink toegenomen. Snelwegen en vooral provinciale wegen werden op grote schaal aangelegd en legden de regio open.

In de regio is op grote schaal ruilverkaveld om betere productieomstandigheden te realiseren. Vooral de ontsluiting per weg is aangepakt. Soms zijn deze ingrepen zo rigoureus geweest dat het oorspronkelijke landschap totaal is veranderd, zoals in het Grootslag en het Geestmerambacht. Daarnaast zijn enkele grootschalige recreatieterreinen gerealiseerd.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Geestmerambacht 4970 1964 - 1980 81,1%
Westerkogge 3610 1978 - 1992 90,7%
Heerhugowaard 4048 1963 - 1971 95,5%
Grebpolder 147 1954 - 1961 99,1%
De Drieban 2511 1960 - 1972 99,2%
Westwoud 3153 1981 - 1998 99,2%
Het Grootslag 6149 1969 - 1988 99,2%
Ringpolder 1205 1954 - 1967 99,8%
De Vier Noorder Koggen 6226 1972 - 1992 99,9%
Schagerkogge 3673 1988 - 2007 100,0%
Zuid-Scharwouder Polder 41 1940 - 1951 100,0%
Waarlands- en Slootgaardpolder 554 1948 - 1959 100,0%
Polder Valkkoog 606 1950 - 1959 100,0%
Hensbroek 587 1956 - 1966 100,0%
Speketerspolder 350 1957 - 1967 100,0%
Ursem 950 1967 - 1977 100,0%
Niedorperkogge 3251 1966 - 1976 100,0%
Woudmeer 441 1958 - 1966 100,0%
Warmenhuizen 208 1958 - 1966 100,0%
Obdam 889 1970 - 1977 100,0%
De Gouw 6974 1990 - 2013 100,0%

Alle genoemde ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de herkenbaarheid van het West-Friese landschap in de laatste decennia achteruit is gegaan. Enkele plekken, onder meer oostelijk van Heerhugowaard, zijn niet ruilverkaveld. Dan vallen direct de verschillen in verkaveling op. In het Geestmerambacht is rond de voormalige Broekerveiling een klein deel van ‘land van duizend eilanden’ bewaard gebleven. Bij Wervershoof ligt een eendenkooi.

Specifieke items

Steden

Hoorn (72.000 inwoners) is de grootste stad van West-Friesland. Dit heeft de stad vooral te danken aan de aanwijzing tot groeikern in 1966, toen het als overloopgemeente voor Amsterdam ging fungeren en veel nieuwe wijken werden gerealiseerd. Voordien was Hoorn een van de drie steden in West-Friesland. Het is ontstaan eind 13de eeuw op de plek waar de Gouw een natuurlijke haven aan de Zuiderzee vormde. De nederzetting kreeg in 1357 stadsrechten en groeide uit tot bestuurscentrum. Het Rode Steen was het centrum van de stad. In 1426 volgde de eerste omwalling, een tweede kwam eind 16de eeuw tot stand, waarna enkel aan de waterzijde nog havens werden gegraven. Pas na 1890 breidde Hoorn zich buiten de vesting uit. De grootste periode van bloei vond in de 16de en 17de eeuw plaats, daarna trad een ernstige terugval in handel en scheepvaart op. Door het feit dat Hoorn zich als een regionale markt kon handhaven en bovendien een regionaal bestuurscentrum was, bleef de economische terugval enigszins beperkt.

De aanleiding van de bloeiperiode was dat Hoorn een van de steden was met belangen in verschillende compagnieën, zoals de VOC en de WIC. Hiervan resteren nog verschillende huizen in het centrum. Ook ontwikkelde Hoorn zich tot een regionaal bestuurlijk centrum. Het werd de vergaderplaats van de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier, het bestuurscollege van de zeven steden van Noord-Holland ten noorden van het IJ. Het Statencollege uit 1632 doet vanaf 1878 dienst als Westfries Museum. De bestuurs- en marktfunctie maakte dat Hoorn zich vanaf het einde van de 19de eeuw opnieuw kon ontwikkelen tot belangrijkste stad van de regio. Dit werd na 1966 versterkt met de aanwijzing tot groeikern. De stad ontwikkelde zich stormachtig met nieuwe wijken als Risdam en Kersenboogerd.

De dorpen Zwaag en Blokker zijn opgeslokt door de stedelijke bebouwing van hoorn. Naast woningbouw werd de watersport van groot belang voor de stad. Toeristen weten de weg naar Hoorn goed te vinden. De oude haven trekt veel dagjesmensen en ook de museumstoomtram Hoorn-Medemblik trekt veel toeristen. Het centrum is beschermd stadsgezicht.

Enkhuizen (18.500 inwoners) is ontstaan in de 13de eeuw en groeide snel uit tot een belangrijke havenstad. Met name de haringvisserij en -handel bracht Enkhuizen voorspoed. Door de blokkade van de Amsterdamse haven ging het Enkhuizen een tijdlang buitengewoon voor de wind, maar ook nadien bleef het een belangrijke havenstad. De stadswallen uit 1595-1600 zijn nog vrijwel geheel intact. De Drommedaris, een oude stadstoren dateert van 1540. Enkhuizen heeft veel 17de-eeuwse woon- en pakhuizen, waaronder het pakhuis van de VOC. Dit is nu in gebruik als Zuiderzeemuseum.

De 18de en 19de eeuw waren een periode van stagnatie. Het ging Enkhuizen economisch erg slecht en de bevolking kromp fors ten opzichte van de bloeitijd in de 17de eeuw. Aan de randen van de stad werden huizen afgebroken en keerden boerderijen en tuinen terug. Na 1850 trad langzaam herstel op. Het Snouck van Loosenpark is een mooi 19de-eeuws tuindorp in het centrum.

Tegenwoordig is Enkhuizen een forenzenplaats, maar tevens een populaire watersportplaats met een historisch centrum. Het centrum met de oude wallen is beschermd stadsgezicht.

Medemblik (8500 inwoners in de stad) is de oudste van de Westfriese steden met stadsrechten uit 1289. De geschiedenis gaat terug tot de 8ste eeuw en in de vroege middeleeuwen was het een belangrijke handelsplaats. Graaf Floris V van Holland bouwde er omstreeks 1288 een burcht, kasteel Radboud. De stad beleefde een bloeiperiode in de 16de en 17de eeuw. In 1630 is de Medemblik flink vergroot door de aanleg van de Wester- en Oosterhaven.

Aan het einde van de 18de eeuw werd de Landswerf hier gevestigd: de werf waar oorlogsschepen werden gebouwd en gerepareerd. Met de drooglegging van de Wieringermeer in de jaren 1930 was de blik naar het water uitgebreid met een blik naar het land. De in de Wieringermeer aangelegde windturbine De Ambtenaar is tegenwoordig met zijn tiphoogte van bijna 200 meter één van de hoogste van het land. Vanuit het centrum van Medemblik is deze niet te missen. Medemblik haven en ‘Kerksituatie’ zijn twee afzonderlijk beschermde stadsgezichten.

Dorpen

De dorpen in West-Friesland zijn bijna allemaal van oorsprong langgerekte weg- of lintdorpen. Tot de meest kenmerkende behoren Barsingerhorn en Twisk, beide beschermd dorpsgezicht. De opbouw van de lintdorpen is veelal gelijk: aan weerskanten van de weg staan de boerderijen op lange strookvormige kavels.

Een landschappelijk karakteristiek ensemble ligt ten oosten van Heerhugowaard. Hier is het oorspronkelijke karakter niet door grootscheepse stedelijke ontwikkelingen of door ruilverkavelingen beïnvloed. Er komen grote open ruimten voor, overwegend grasland met kleine langgerekte dorpen, zoals Wadway, Spanbroek en Hensbroek. Sommige dorpen zijn verdicht en hebben een dorpskom ontwikkeld, zoals Obdam, Opmeer en Benningbroek.

Literatuurlijst

  • Bartels, M. et al, 2016. Dwars door de dijk. Archeologie en geschiedenis van de Westfriese Omringdijk tussen Hoorn en Enkhuizen. Stichting Archeologie West-Friesland, Hoorn.
  • Beenakker, J., 1988. Van Rentersluze tot strijkmolen. De waterstaatsgeschiedenis en landschapsontwikkeling van de Schager- en Niedorperkoggen tot 1653. Alphen aan den Rijn.
  • Borger, G. J., 1975. De Veenhoop. Een historisch-geografisch onderzoek naar het verdwijnen van het veendek in een deel van West-Friesland. Amsterdam.
  • Haartsen, A. en J. Lenten, 2001. De cultuurhistorie van West-Friesland. Haarlem.
  • Leeuwen, J. van, 2015, Middeleeuws Medemblik: een centrum in de periferie. Archeologisch onderzoek naar de (vroeg)middeleeuwse handelsnederzetting en het oudste regionale centrum van West-Friesland in de periode 675-1289, WAR 61.
  • Timmerman, T., 2017. Middeleeuwse agrarische veenontginningen in de Vier Noorder Koggen. Een interdisciplinair onderzoek naar de opbouw van het natuurlijke landschap en de kolonisatie- en ontginningsgeschiedenis van West-Friesland (800 – 1300). Masterscriptie RUG.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
West-Friesland
Landbouw en industrie Laagveenontginningen met langgerekte strokenverkaveling en (zij)kaden
- Agv ruilverkaveling verminderd herkenbaar gebleven (herkenbaar: Spanbroek e.o.)
Resthemen onder kerken als getuigen verdwenen veen
Heringericht landschap na ruilverkaveling
- Geestmerambacht
- Grootslag (met restant scheepslift Bovenkarspel)
Rationele verkaveling in droogmakerijen (HHW: bebouwd)
Open landschap, met doorzichten in linten
Inversiekreekruggen + ‘kadetjesland’
Wonen Lintdorpen, herkenbaarheid verminderd na 1960 door komvorming
Historische binnensteden Hoorn, Enkhuizen, Medemblik
Terpen rond Schagen
Stolpen + stolpenstructuren
Waterstaat Westfriese Omringdijk, incl Valkogerdijk, inlagen, wielen, sluizen e.d.
Droogmakerij Heerhugowaard: ringdijk en –vaart (niet de inrichting!)
Kleinere droogmakerijen (o.a. Wogmeer), met ringdijk en –vaart en verkaveling (zie landbouw)
Historische diesel- en stoomgemalen, concentratie Kolhorn
Dijk en polder Oterleek
Dijk om proefpolder Andijk (niet inrichting)
Defensie Dwangburchten: Nuwendoorn (Warmenhuizen), Radboud (Medemblik)
Kasteel Schagen
Vestingwerken Enkhuizen, Hoorn, Medemblik (zie wonen)
Bedrijvighied Veilinggebouw Broek op Langedijk
Waag, Enkhuizen
Waag, Hoorn
Waag, Medemblik
Turfschuren, Kolhorn
Verkeer Historische havens Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, thans watersport
Spoorlijnen
Kanaal Alkmaar-Kolhorn
Trekvaart Purmerend-Hoorn, overgaand in Zesstedenweg
Bestuur (vml) raadhuizen, centraal in dorpslinten gelegen/td>
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:01.