Panorama Landschap - Westergo

Introductie

De regio Westergo ligt op een kwelderwal met in het noorden reeksen terpdorpen en enkele stadjes. In het zuiden is de bewoning meer verspreid. Westergo kent een open landschap met veel dijken en vaarten.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

De Slachtedijk. Te zien is een slingerende dijkweg door een weiland met daarnaast een waterstroompje.
Afb. 1. Slagtedyk. Foto: Paul Paris
Foto van Firdgum met in de voorgrond een heg. Links achter de heg een huis, midden achter de heg een kerk en rechts achter de heg twee windmolens.
Afb. 2. Firdgum. Foto: Paul Paris
Topografische kaart waarop de bedijkingen in Friesland zijn weergegeven van de 10de eeuw tot aan 1754.
Afb. 3. Overzicht van de bedijkingen in Friesland. Bron: Schroor, 2000.
Luchtfoto van de Slagtedijk. Weiland waar wegen en sloten doorheen lopen. In het midden van de foto is een boerderij te zien.
Afb. 4. Slagtedyk. Foto: Paul Paris
Stadsaanzicht van Harlingen. Te zien is de Zuiderhaven met in de achtergrond een kerk en huizenrijen. Op de voorgrond liggen zeilboten in het water.
Afb. 6. Zuiderhaven, Harlingen
Kaart van Westergo
Afb. 6. Westergo

Karakteristiek

Westergo vormt samen met Oostergo een van de twee terpengebieden van Fryslân. Er liggen meer dan zevenhonderd terpen, waarvan enkele uitgroeiden tot stad: Franeker, Bolsward en Harlingen. Het bewoonde landschap kent geconcentreerde bewoning in terpdorpen en verspreide bewoning van boerderijen op het vlakke land en op huisterpen. De landschappelijke structuur wordt bepaald door kwelderwallen langs voormalige zeeboezems, geulen en slenken. Twee grote zeeboezems, de Middelzee en de Marne – een oude zeearm die met het Vlie in verbinding stond – scheidden het noorden en zuiden. Ten noorden liggen het kerngebied van Westergo en de oudste terpen. Het zuidelijke deel wordt gekenmerkt door een vrij willekeurige verspreiding van terpen. In het noordelijke deel liggen de meeste terpen in reeksen of snoeren zoals Achlum-Tritzum, samenhangend met de kwelderwallen die in verschillende fasen van de uitbouw van de kust zijn ontstaan. Het landschap veranderde na 1500 niet wezenlijk van karakter, toen eenmaal de Marne en de Middelzee waren ingepolderd en ingericht. De kustzone kent een vrij dichte bewoning en enkele stadjes, die gunstig lagen aan de toenmalige zee. Het huidige landschap wordt gekenmerkt door grote open ruimten, hier en daar onderbroken door een dorp of een boerderij. De kwelderwallen zijn veelal in gebruik voor akkerbouw of (glas)tuinbouw terwijl de lagere kweldervlaktes vooral uit grasland bestaan. Ruilverkavelingen hebben het landschap redelijk in tact gelaten.

Een belangrijke karakteristiek van Westergo is het dijkenstelsel. De verscheidenheid, ouderdom en functie is heel gevarieerd. Bekende voorbeelden zijn oude ringdijken rond de moederpolders, de dijken langs de Marne, de Pingjumer Gulden Halsband en de Slagtedijk.

Het gebied wordt doorsneden door kronkelende vaarten, die vaak bestaande geulen of laagtes volgen. Hoewel de recreanten meer richting de Friese meren trekken, is het water in de regio ook geliefd bij watersporters. Het Van Harinxmakanaal, een vergraven trekvaart, is tegenwoordig de belangrijkste transportader over water. Vanuit Harlingen vertrekken de veerboten naar Terschelling en Vlieland. Rond deze plaats en bij Franeker en Bolsward bevindt zich enige industrie.

Door de regio lopen de snelwegen A7 en A31 en enkele grotere provinciale wegen als de N359 en de N384. Per spoor is de regio ontsloten vanuit Leeuwarden richting Franeker-Harlingen en Sneek-Stavoren. De aanwezigheid van een aantal 110kV hoogspanningsleidingen, twaalf parken met windturbines en tuinbouwkassen geven een eigentijdse dimensie aan de regio.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Holoceen

Na afloop van de laatste ijstijd zo’n 10.000 jaar geleden, veranderde het klimaat en steeg de zeespiegel. In de omgeving van het huidige Fryslân verplaatste de kustlijn zich voortdurend in zuidelijke en oostelijke richting. Er werd een laag klei afgezet en aan de landzijde ontwikkelde zich veen.

Door de zee werden parallel aan de kust lopende strandwallen gevormd, de latere eilanden. Tussen de strandwallen en het veengebied ontstond een gebied met geulen, zandplaten en kwelders. Rond 500 v.Chr. slibde een oude zeegeul dicht en ontstond de Middelzee, die als estuarium van de Boorne ging fungeren. De Middelzee vormde de grens tussen Westergo en Oostergo. Langs de geulen werden lage ruggen of kwelderwallen gevormd. Langgerekte kwelderwallen vinden we ook in het noordelijk deel van Westergo. Hier ontstonden verscheidene wallen evenwijdig aan de huidige kustlijn. Door aanslibbing verschoof de kustlijn enkele malen in noordelijke richting, zodat de zuidelijke kwelderwal de oudste is. Achter de kwelderwallen lagen vlakke kwelderbekkens. In de vroege middeleeuwen kwam de Middelzee in de buurt van Bolsward in contact met de Marne, een zeearm die uit het westen met het Vlie in contact stond. Bij hoog water was het kerngebied van Westergo geheel door water omsloten. Het zuiden van de regio Westergo vormt de overgang van het zeekleigebied naar het laagveengebied.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het Fries-Gronings kleigebied en aan de randen tot de Jonge aanwassen. Daarbinnen zijn als landschapszones kwelders, kwelder- en kreekruggen, kreken en pielen en droogmakerijen onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De eerste bewoning in Westergo dateert uit de ijzertijd en vond plaats op de hogere kwelderwallen langs Marne, de Middelzee en enkele oudere ruggen in het binnenland. De bewoners waren afkomstig van het Drents Plateau en de zandgebieden van de Friese Wouden, waar de woonomstandigheden door het oprukkende veen en de vernatting van de omgeving steeds moeilijker werden. In eerste instantie verbleef men er alleen in de zomer, maar al snel vestigden de boeren zich permanent. De kwelders rondom Wommels, Hichtum en Tritzum zijn al rond 600 v.Chr gekoloniseerd. De aanwas van nieuw land duurde voort en zodra een kwelder hoog genoeg opgeslibd was, werd deze bewoond. Op die manier schoof de bewoning op naar het noorden. Tussen 600 v.Chr. en 700 n.Chr. raakten de kwelderwallen van Tzum-Hitzum, Franeker-Menaldum, Wijnaldum-Dongjum-Ried-Berlikum en ten slotte die van Sexbierum-Tzummarum-Minnertsga bewoond. Er zijn archeologische vondsten aangetroffen die aantonen dat Wijnaldum een belangrijk centrum moet zijn geweest.

Aanvankelijk woonde men direct op het maaiveld. Door de zeespiegelstijging moest men de woonplaatsen ophogen met mest en kleizoden. Zo ontstonden de karakteristieke terpen. Dit gebeurde in verschillende fasen, afhankelijk van de frequentie en hoogte van overstromingen. In eerste instantie was er alleen sprake van afzonderlijke huisterpen, na verloop van tijd groeiden sommige daarvan aan elkaar tot dorpsterpen. Soms werden terpen geheel overspoeld en verlaten, vooral langs de Marne. Bij opgravingen zijn lage dijken van voor het begin van de jaartelling gevonden. Die dienden om kleine arealen landbouwgrond tegen het zoute zeewater te beschermen.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

De meeste terpen hebben een onregelmatige structuur, wat ze onderscheidt van de ronde terp met een straalsgewijze verkaveling, waarvan een aantal in Oostergo en in de provincie Groningen liggen. De terpen in Westergo zijn onregelmatig verkaveld. De boerderijen staan verspreid op de terp, meestal op de rand, dicht bij het land.

Een bijzonder soort terp waren de handelsterpen. Deze ontstonden na 700, de tijd waarin het Friese kustgebied op het kruispunt lag van belangrijke Europese handelsroutes en de handel bloeide. De handelsterpen lagen strategisch langs een kreek of zeearm vlak achter de kust. Ze hebben een langgerekte vorm en bestaan uit een lange weg met aan weerszijden bebouwing van ambachts- en kooplieden. Door de aanwezigheid van zeearmen als de Marne, konden de toenmalige zeeschepen tot diep in Westergo komen. Hier ontstonden handelsplaatsen als Bolsward aan de Marne en Franeker aan de Ried. Door de bloeiende handel was Westergo in de middeleeuwen een van de dichtstbevolkte gebieden in Europa met de steden Bolsward, Workum, Harlingen, Franeker, Hindeloopen en Stavoren.

Landbouw

De ontginningen in Westergo kunnen worden opgedeeld in twee delen: ten zuiden van de lijn Harlingen, Franeker en Dronrijp, in de Greidhoek, zijn onregelmatige blokverkavelingen te vinden. Ten noorden van deze lijn, in de Bouwhoek, liggen regelmatige blokverkavelingen en is de grond wat zaveliger.

De Greidhoek werd als eerste in gebruik genomen. Op de hogere delen in het landschap en op de flanken van de terpen werd op kleine schaal akkerbouw bedreven. De lagere gronden waren in gebruik als weiland en hooiland. Het van nature aanwezige krekenpatroon gebruikte men voor de afwatering. Dit leidde tot het ontstaan van de kleinschalige, onregelmatige blokverkavelingen die kenmerkend zijn voor de regio. Rondom plaatsen als Waaxens, Itens en Dronrijp is dit goed zichtbaar. Op veel plaatsen is dit na uitvoering van de ruilverkavelingen aangetast.

In de Bouwhoek wordt het gebied gekenmerkt door een aantal parallel lopende hoge kwelderwallen en kwelderbekkens met een afwisseling van klei en zavel. De verkaveling bestaat uit regelmatige blokvormige percelen. Terpdorpen als Oosterbierum, Ried en Tzummarum liggen te midden van een regelmatig ingericht agrarisch landschap. De hogere delen waren in gebruik als akker land, de lagere als wei- en hooiland. Een dergelijke regelmatige blokverkaveling is ook te zien op de oeverwallen van de Marne.

Op sommige plaatsen in de Marne, bij Pietersbierum en nabij Menaldum komen ‘kruinige percelen’ of ‘bolle akkers’ voor. Dit zijn percelen waarbij men doelbewust grond van de rand van de percelen naar het midden verplaatst heeft, waardoor deze bol kwamen te liggen. Hierdoor verbeterde de ontwatering.

In het zuidwesten van Westergo ligt een aantal droogmakerijen. De oudste Friese droogmakerij is de 436 hectare grote Stavorensche Noorder- en Zuidermeerpolder uit 1620. De meeste andere, zoals de Makkumermeerpolder, de Parregaastermeerpolder en de Workumermeer zijn na 1850 drooggemaakt en ontgonnen. De rationele verkaveling van de droogmakerijen vormt een contrast met het onregelmatige patroon van het omliggende oude land. De waterhuishouding van de droogmakerijen zorgde voor problemen op de gronden die het meest geschikt zijn voor beweiding. Ten slotte ligt een klein veengebied ten zuiden van de Hemdijk dat onderdeel uitmaakt van de regio. Het is ontgonnen vanuit de kwelderwallen en in gebruik als weiland.

In de 19de eeuw maakte de Friese landbouw een grote crisis door, gevolgd door een bloeiperiode die tot 1929 aanhield. In het landschap wijzigde hierdoor weinig. Wel opmerkelijk is dat de coöperatieve zuivelfabrieken en boerenleenbanken aan het einde van de 19de eeuw opkwamen. Veel dorpen breidden zich uit met lintbebouwing aan uitvalswegen. De bloeiperiode in de landbouw is soms af te lezen aan de rijkdom in architectuur. Na 1945 veranderde het landschap door de uitvoering van ruilverkavelingen.

Waterstaat

Omstreeks het jaar 1000 werden de eerste grotere dijken in Westergo aangelegd, lage ringdijken die hooguit een of enkele terpdorpen beveiligde. Dit werden de eiland-, moeder- of memmepolders. Zij lagen tussen Bolsward en Witmarsum en bij Oosterend, Tzum en Wijnaldum. Bij de geulen en slenken werden sluisjes gelegd. Er werden steeds meer dijken vanuit de moederpolders gelegd en rond 1200 werd geheel Westergo door een aaneensluitende dijk beschermd. In plaats van defensieve was vanaf dat moment sprake van offensieve bedijking: niet alleen het bestaande beschermen, maar ook nieuw land inpolderen en grote getijdenkreken afdammen.

Door het groeiende netwerk van dijken verloren veel zeewerende dijken hun functie en werden slaperdijk: waterkeringen die alleen dienst doen als de zeedijk het begeeft. Er werden ook dijken doelbewust als slaperdijk aangelegd, zoals de Slagtedijk en de Hemdijk. De Slagtedijk, of Vijf Delen Slachtedijk, is een 42 kilometer lange slaperdijk die is aangelegd tussen 1150 en 1200. De dijk bood bescherming bij een doorbraak van de westelijke Vijfdelenzeedijk. In 1825 functioneerde deze dijk voor het laatst. De Hemdijk, de Exmorradijk en de Schaarderhemmerdijk vormen samen een doorgaande binnendijk in de Hemmen. De dijk loopt van Sneek naar Skraard. Ze zijn aangelegd in de 12de eeuw en hadden tot doel het gebied ten zuiden van de voormalige Middelzee te beschermen tegen het binnenwater uit de veengebieden van het Lage Midden en het water van de Zuiderzee.

De Pingjumer Gulden Halsband was een primaire dijk, maar onderging enige aanpassingen alvorens het na sluiting van de Zuiderzeedijk een slaperdijk werd. De dijken langs de Marne stammen waarschijnlijk uit de 11de eeuw toen de verbinding met het Vlie nauwelijks meer bestond. Bij Bolsward werd een dam gelegd om het water van de Marne en de Middelzee te scheiden waarna de Marneboezem begon dicht te slibben. Later legde men doorgaande dijken aan op de kwelderwallen. Door de snelle verzanding kon de zeearm omstreeks 1100 door de Griene Dyk tussen Zurich en Dijksterburen worden afgesloten. Vanaf die tijd konden de hoog opgeslibde en vruchtbare gronden van de Marneboezem permanent in gebruik worden genomen. Er werden echter geen nieuwe dorpen aangelegd.

Aan de westkust van Westergo zijn ook stukken land ingepolderd. De Polder het Workumer Nieuwland werd begin 17de eeuw ingepolderd. Met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 was er opnieuw sprake van landaanwas langs de westkust. Stukken land voor de kust kwamen droog te liggen en werden omkaad, zoals de huidige Polder Geele Strand en de Makkumer Noord- en Zuidwaard.

Het belang van de handelsterpen nam sterk af na de bedijking en de inpoldering van de zeearmen. Vanaf toen waren ze niet meer goed bereikbaar. ‘Zijldorpen’, zoals Ritsumazijl, die bij de sluizen (zijlen) in de zeedijken ontstonden werden nieuwe handelsposten, maar deze groeiden niet uit tot centra van betekenis.

Ondanks de bedijkingen in Westergo zijn in de loop van de tijd flinke stukken land weggeslagen langs de westkust van Westergo, in het bijzonder tijdens de Allerheiligenvloed van 1570. Het grillige verloop van de Zuiderzeekustlijn en de aanwezigheid van wielen getuigt nog van diverse doorbraken in het verleden. Plaatsen als Harlingen, Hindelopen en Stavoren vormen landtongen en markeren de ligging van een oudere kustlijn.

Naast het tegenhouden van het buitenwater, moest ook het binnenwater geloosd worden. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een natuurlijke afwatering. Door de voortschrijdende bedijkingen en inpolderingen verslechterde de afwateringen. Om dit probleem het hoofd te bieden werden natuurlijke waterlopen gegraven en nieuwe vaarten aangelegd. Voorbeelden zijn de Roptavaart, Tzummarumervaart en de Oude Meer. Zuidelijker in Westergo is het afwateringspatroon gebaseerd op de bochtige kreken en geulen, zoals de Harlingervaart en Pingjumervaart. In het lager gelegen zuiden zijn de vaarten en vaartjes goed herkenbaar door de omkading, zoals de Bolswarderzijlvaart. Op de plaatsen waar de vaarten een zeedijk kruisten, werd een ‘zijl’ of sluis aangelegd om het water te lozen. Vanaf de 18de eeuw werden landerijen bemaald om de afwatering te verbeteren.

De droogmakerijen in het zuidwesten van Westergo hadden problemen met de afwatering omdat zij geen gesloten ringdijk en ringvaart hadden. Overtollig water werd direct op het bestaande afwateringsstelsel geloosd, wat problemen gaf. In de loop van de 20ste eeuw werd een waterschap opgericht dat de waterhuishouding verbeterde.

Infrastructuur

Vervoer over water is in Friesland lange tijd de belangrijkste manier van transport geweest. Grote vaarwegen als de Bolswarderzeilvaart bestonden al in de 15de eeuw. De meeste dorpen liggen aan een doorgaande watergang of zijn door een opvaart met een doorgaande vaart verbonden. In de 17de eeuw kwam een netwerk van trekvaarten tot stand. Bestaande vaarten tussen de grotere plaatsen werden verbreed en uitgediept en voorzien van één of twee trekwegen of jaagpaden. Voorbeelden van trekvaarten zijn de Bolswardertrekvaart, de Workumervaart en de Harlingertrekvaart. Ze waren bedoeld voor het vervoer van personen en goederen. De huidige weg van Tjerkwerd naar Workum volgt nog steeds het tracé van het jaagpad langs de Workumertrekvaart. De Harlingertrekvaart is in de jaren 1930 bijna in zijn geheel opgenomen in het Van Harinxmakanaal (voltooid in 1951).

Verkeer over land beperkte zich lange tijd tot wegen over dijken, jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen. De aanwezigheid van de vele meren en vaarten maakte aanleg van wegen bovendien vrij moeilijk. Halverwege de 19de eeuw werd een straatweg aangelegd tussen Leeuwarden en Harlingen. Andere wegen uit die tijd zijn de weg van Harlingen naar Bolsward en die tussen Pingjum en Witmarsum. In de periode 1830-1860 werd ook de kwaliteit van bestaande landwegen sterk verbeterd door ze te verharden.

In de 19de eeuw bereikte het spoor de regio: Harlingen, Stavoren en Sneek werden vanaf 1885 verbonden met Leeuwarden. Vanuit Stavoren bestond (en bestaat) een bootverbinding met Enkhuizen. Via het lokale (tram)spoornet bestond ook een verbinding tussen Leeuwarden, Franeker en Harlingen. Tramwegen werden meestal aangelegd langs bestaande wegen. Met de komst van autobussen en vrachtauto’s in de jaren 1920 en 1930 raakten ze buiten gebruik. De loop van de lijnen is vaak echter nog in het landschap te herkennen in spoordijken of verkavelingspatronen. Zo is ten noorden van Minnertsga, in Franeker, bij Oosterbierum en Sexbierum het tracé van de lokaalspoorweg tussen Leeuwarden, Harlingen en Franeker nog in het landschap terug te vinden. Van de tramlijn Franeker-Arum is nog een spoordijk te zien, die tegenwoordig als fietspad in gebruik is.

Verkeer over land is tegenwoordig belangrijker dan het vervoer over water. In de 20ste eeuw werd de regio aangesloten op het landelijke snelwegennet via de A7 die vanaf de Afsluitdijk komt. Het tracé loopt via Bolsward naar Sneek. Een aftakking gaat als A31(Waddenzeeweg) door naar Harlingen en Leeuwarden.

De omvorming tot een volwaardige snelweg over de Afsluitdijk gebeurde tussen 1968 en 1975.De belangrijkste provinciale weg is de N359 (Lemmer-Leeuwarden), die de ruggengraat voor de regio vormt. In de jaren 1960 werd ook de N384 Tzummarum-Franeker aangelegd.

Defensie en states

Opvallend aan de Friese streken is dat ze in de middeleeuwen nooit een landsheer hadden. Hoofdelingen bepaalden de gang van zaken. Zij woonden veelal op stinsen. Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw werden in Westergo veel stinsen gebouwd. Dit waren aanvankelijk alleen verdedigbare stenen torens die als toevluchtsoord dienden als er onraad dreigde. De verdedigingstorens werden vaak op een verhoging – een stinswier – gebouwd die omgeven was door een gracht en een aarden wal. Tegenwoordig zijn er drie over: in Sexbierum, Berlikum en Jellemer Noorderburen. In de 14de en 15de eeuw werden zogenaamde ‘zaalstinsen’ gebouwd, die beter voor bewoning geschikt waren dan de torenstinsen. Vanaf de 16de eeuw verloren de stinsen langzamerhand hun defensiefunctie en kregen zij steeds meer de functie van statussymbool; zij werden veelal omgebouwd tot statige landhuizen of states. Rond de states werden in de 17de en 18de eeuw tuinen en landgoedbossen aangelegd. Het merendeel is intussen verdwenen. Na afbraak werd veelal een boerderij op het borgterrein gebouwd die soms nog wel de oorspronkelijke naam draagt. Bij de verdwenen states is de omgrachting van de terreinen vaak nog goed herkenbaar evenals de beplanting met hoge bomen. In sommige gevallen staat er nog een toegangspoort of poortgebouw, zoals op het terrein van de Liauckemastate.

Door de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 werd Noord-Holland ook vanuit het noorden over land bereikbaar. Deze toegang tot Amsterdam moest verdedigd worden. Daarom werden zware verdedigingswerken aangelegd bij Kornwerderzand en Den Oever. Naast de toegang tot Noord-Holland, verdedigde dit ook de sluizencomplexen, waarmee de waterstand in het IJsselmeer werd geregeld. Aan de Friese kant van de Afsluitdijk werd de Stelling van Wons aangelegd. De stelling bij Kornwerderzand was de enige in Nederland die de Duitse troepen heeft weten tegen te houden in de meidagen van 1940.

Recente ontwikkelingen

De schaalvergroting en modernisering van de landbouw heeft in Westergo geleid tot het bouwen van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en een rationelere inrichting van landbouwgronden. Er zijn verschillende ruilverkaveling uitgevoerd in de regio.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Wymbritseradeel 8104 1991 - 2010 18,5%
Warns 3029 1966 - 1974 44,7%
Koudum 6933 1977 - 1994 52,8%
Berlikum 4388 1968 - 1980 67,4%
Wonseradeel-Zuid 8894 1986 - 2005 77,1%
Baarderadeel 10055 1995 - 0 80,6%
Wommels 8287 1985 - 2001 94,9%
Wonseradeel-Noord 8250 1972 - 1987 99,5%
De Bjirmen 8551 1974 - 1990 100,0%
De Zuiderpolder 2192 1966 - 1971 100,0%

In het kader van de WILG (Wet Inrichting Landelijk Gebied) loopt thans nog een ruim 7.000 hectare groot project in de regio. In alle gevallen werden naast de belangen van de landbouw ook recreatieve belangen gediend, bijvoorbeeld door de aanleg van bos, wandel- en fietsvoorzieningen. De laatste decennia heeft de glastuinbouw zijn intrede in het terpengebied gedaan. Dit leidde tot kassencomplexen bij Berlikum en Sexbierum.

Verschillende dorpen tussen Franeker en Leeuwarden zijn na de Tweede Wereldoorlog flink uitgebreid. De meeste dorpen in de regio hebben echter hooguit een bescheiden groei meegemaakt. Forse uitbreidingen zijn gerealiseerd bij de steden Harlingen en Franeker en in mindere mate Bolsward. Voor de kust bij Makkum is vanaf de jaren 1990 in de Zuidwaard woningbouw gerealiseerd. In het zuiden van het gebied is de uitbreiding van het aantal recreatieve voorzieningen opmerkelijk, in het bijzonder de jachthavens.

Langs de Afsluitdijk bij Kornwerderzand is door het Rijk een locatie aangewezen voor grootschalige windparken, van groter dan 100 MW opgesteld vermogen. De plannen worden daarvoor thans ontwikkeld. Rondom knooppunt Zurich langs de snelwegen A7-A31 ligt een provinciaal zoekgebied voor windenergie. Hier kan een park of parken komen die niet groter zijn dan 100MW aan opgesteld vermogen. Op meerdere plekken in de regio zijn in de laatste tien tot vijftien jaar windparken verrezen. Denk aan de parken langs de A7 bij Zurich, de A31 tussen Harlingen en Franeker en het windpark Tjessinga bij Minnertsga. Bij Stavoren staat het in 1966 geopende J.J. Hooglandgemaal, het belangrijkste boezengemaal van de provincie. Het is recent tot rijksmonument uit de wederopbouwperiode uitgeroepen.

Specifieke thema’s

Nederzettingen

Van de ruim 700 dorpen en terpen in Westergo is een flink deel aangewezen als beschermd archeologisch monument. In totaal liggen 68 beschermde archeologische monumenten in de gemeenten Franekeradeel, Harlingen en Menameradiel. De regio telt meer dan vijftien beschermde stads- en dorpsgezichten.

Franeker/Frjentsjer (13.000 inwoners) is ontstaan uit een terpdorp uit het begin van de jaartelling. Gedurende de bloeitijd van de Friese Handel in de vroege middeleeuwen ontwikkelde Franeker zich als handelsterp aan de Reid. In de 13de eeuw werd Franeker van stadswallen voorzien, stadsrechten volgden begin 15de eeuw. Aan het einde van de 16de eeuw werd de stad versterkt met enkele poorten, een singel en twee bolwerken, die grotendeels nog aanwezig zijn. Het centrum is beschermd stadsgezicht. Tussen het station en de binnenstad en langs de Leeuwarderweg kwam omstreeks 1900 een klein villawijkje tot stand. Sociale woningbouw kwam op kleine schaal tot stand, direct ten noorden, westen en zuiden van de stad. Langs de uitvalsweg naar het noorden ontstond vooral in de jaren dertig lintbebouwing, voornamelijk bestaande uit middenstandswoningen. De groei van Franeker na de Tweede Wereldoorlog is relatief omvangrijk geweest. Nieuwe woonwijken kwamen tot stand, zoals ’t War en Het Want. Het gebied langs het Van Harinxmakanaal is voornamelijk industriegebied. Tegenwoordig is Franeker bekend vanwege het planetarium van Eise Eisinga – dat voorgedragen zal worden als werelderfgoed – en de jaarlijkse ‘PC’: de belangrijkste kaatswedstrijd van Friesland.

Harlingen/Harns (14.500 inwoners) is de havenstad van Friesland. Harlingen ontstond uit het terpdorp Almenum en een handelsnederzetting langs een kreek. In de 13de eeuw kreeg Harlingen stadsrechten. De stad heeft haar bloei vooral aan de haven en de scheepswerven te danken. Aanvankelijk bestond de haven alleen uit de huidige Noorderhaven, maar al in 1597 werd de Zuiderhaven gegraven. In 1644 werd de admiraliteit naar Harlingen verplaatst. In de 19de eeuw werden de Willemshaven (1852) en de Nieuwe Willemshaven (1877) aangelegd. Tegenwoordig telt de stad tien havens, waaronder de industrie- en vissershaven. De veerboten naar Terschelling en Vlieland vertrekken vanuit Harlingen. De stad werd omstreeks 1580 versterkt met wallen en stadspoorten; in het begin van de 17de eeuw werden de verdedigingswerken uitgebreid met een aantal bastions. Delen daarvan zijn bewaard gebleven. De oude stad is beschermd stadsgezicht.

Buiten de stad liggen de industrieterreinen Hermes, Oostpoort en Koningsbuurt. In het zuiden en oosten liggen de nieuwbouwwijken het Oosterpark, Groot Ropens, Bynia State en het nieuwbouwplan Ludinga.

Bolsward/Boalsert (10.000 inwoners) was al in de Karolingische tijd een belangrijke markt- en handelsplaats, gelegen aan de Marne. De stad is ontstaan op twee terpen: een grote, langgerekte terp ten zuiden van de huidige hoofdstraat en een kleinere terp waar de Sint Maartenskerk op staat. Dit was de moederkerk van Westergo. Een derde terp werd aangelegd tussen de twee oudste in. De omwalling van de stad dateert uit de 16de eeuw, nadat deze een eeuw ervoor stadsrechten had gekregen. Tot ver in de 19de eeuw groeide de stad niet buiten de wallen. Daarna vonden op bescheiden schaal enkele uitbreidingen plaats, onder meer het Plan Zuid. Na 1945 zette de groei door en werden nieuwe wijken ontwikkeld, zoals het Plan Noord. Ook kwamen ten westen en noorden van de stad industrieterreinen, zoals de Klokslag en de Wijmerts. Nieuwe woonwijken als de Fûgelkrite en Hartwerdervaart verrezen ten noorden van het centrum. Het centrum is beschermd stadsgezicht.

Delfstoffenwinning

Terpaarde, bestaande uit huisvuil, mest en kleizoden, bleek prima meststof te zijn voor de armere landbouwgronden van Friesland, Drenthe en Groningen en in de veenkoloniën. Tussen 1840 en 1945 vonden daarom op grote schaal commerciële terpafgravingen plaats. Veel terpen werden deels of geheel afgegraven.

De aanwezigheid van vele steilranden en versnipperde dorpsdelen getuigt nu nog van de grootschalige afgravingen van de terpen. Weinig terpen in Westergo zijn in tact gebleven (Longerhouw, Allingawier en Aaxens zijn nog vrij gaaf). Voor de afvoer van de terpaarde werd het aanwezige net van vaarwegen gebruikt. Als een dorp geen directe aansluiting op een vaart had dan werd voor het vervoer van de aarde een kleine opvaart gegraven.

Op veel plaatsen werd in Westergo klei gewonnen voor de baksteenfabricage. Hieraan kwam een eind aan begin van de 20ste eeuw als gevolg van de grote concurrentie buiten de regio en het opkomende gebruik van andere steensoorten. Op verschillende plaatsen zijn de afgetichelde percelen in het landschap te herkennen. De percelen werden tot een diepte van 50-100 centimeter afgegraven of afgeticheld, terwijl men de verkaveling veelal in tact liet. Deze percelen zijn in het landschap herkenbaar aan de steilrandjes tussen de afgegraven en de niet afgegraven gronden. Het zwaartepunt van deze kleiwinning lag tussen Franeker en Harlingen, ten oosten van Franeker, bij Bolsward en bij Winsum.

Literatuurlijst

  • Horst, M., 2015, De Pingjumer Gulden Halsband; 8 fasen van een Friese ringdijk. In: Historisch-Geografisch Tijdschrift 33/3, 131-145.
  • Hosper, U., P. Karstkarel en S. van der Woude, 2001. De Slachte. Ljouwert.
  • Knol, E., 1993. De Noordnederlandse kustlanden in de Vroege Middeleeuwen. Amsterdam (diss. VU).
  • Langen, G.J. de, 1992. Middeleeuws Friesland. De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle middeleeuwen. Groningen.
  • Mol, J.A., 1992. Middeleeuwse kloosters en dijkbouw in Friesland. In: E.H. Walsmit en M.H. Boetes (red.), Strijd tegen het water. Het beheer van land en water in het Zuiderzeegebied. Zutphen.
  • Rienks, K.A. & G.L. Walther 1954. Binnendiken en slieperdiken yn Fryslân. Boalsert.
  • Schroor, M., 2000. Van Middelzee tot Bildt. Landaanwinning in Fryslân in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Abcoude/ Amersfoort.
  • Wiersma, J., 2018. De Greidhoeke. Cultuurhostorie van een rijk weidevogelgebied. Utrecht.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Westergo
Algemeen Kenmerkend open Fries terpenlandschap met oude zeekleipolders
Landbouw Greidhoek: onregelmatige blokverkaveling
Bouwhoek: regelmatige blokverkaveling
Droogmakerijen: rationele verkaveling
Rond terpen: radiaire verkaveling
Hogere gronden: akkerbouw
Lagere gronden: grasland en veeteelt/td>
Wonen Terpen en terpdorpen met zadeldakkerken
- Zuidelijk deel jongere terpen en vrij willekeurig gelegen
- Noorden jonger en veelal in reeksen op kwelderwallen
Historische steden:
- Franeker (Planetarium, kaatsstadion ‘PC’)
- Bolsward
- Harlingen (haven en veerdienst Wadden)
- Hindeloopen
- Stavoren
- Workum
Workum
Waterstaat Veel poldermolens
Gemalen
Zeedijken, thans langs Waddenzee en IJsselmeer
Afsluitdijk
Slagtedijk
Oude dijken langs Marneboezem en Middelzee
Dijken rond ‘Moederpolders’
Pingjumer Gulden Halsband
Slaperdijken
Kreken en vaarten, veel met natuurlijke oorsprong
Defensie Stinsen of stinswieren
Stelling Kornwerderzand
Delfstoffenwinning Kleiwinning, herkenbaar op veel afgetichelde percelen, m.n. tussen Franeker en Harlingen
Terpafgravingen tbv terpaarde
Verkeer A7, A31/N31, N359
Spoorlijnen en stationsgebouwen:
- Harlingen-Leeuwarden
- Leeuwarden-Stavoren
Relicten oude spoordijken in landschap
Lorentzsluizen Afsluitdijk
Sluizen en havens Harlingen
Van Harinxmakanaal (ten dele vml. Harlinger Trekvaart)
Johan Frisokanaal met sluis
Diverse trekvaarten
Bedrijvigheid Havenactiviteiten Harlingen
Landgoederen en buitenplaatsen Tot states omgebouwde stinsen


Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.