Panorama Landschap - Zuidenveld

Introductie

De regio Zuidenveld bestaat uit een zandlandschap met een groot deel jonge heideontginningen, waaronder grote boswachterijen. De 20ste-eeuwse ruilverkavelingen zijn in deze regio met zorg ontworpen. De belangrijkste steden in de regio zijn Emmen en Coevorden.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Sleen Westenveld langs de Jongbloedvaart. Rechts een bomenrij. In het midden van de afbeelding is een geasfalteerd weggetje te zien die oost-west loopt.
Afb. 1. Sleen Westenveld langs de Jongbloedvaart. Foto: Wim van der Ende
Geasfalteerde weg met aan weerszijden bomen en striuken.
Afb. 2. Drift Coevorden. Foto: Wim van der Ende
Noord-zuid lopend water tussen de weilanden door. Voor het water staat een rood-wit waarschuwingshekje.
Afb. 3. Drostendiep. Foto: Wim van der Ende
Woonwijk in Emmen. Rijtjeshuizen met grasveld ervoor.
Afb. 4. Emmen. Foto: Beeldbank RCE
Topografische kaart van Coevorden in 1780.
Afb. 5. Coevorden in 1780. Bron: Nationaal Archief
Kasteel Coevorden. In de voorgrond waaiend riet.
Afb. 6. Kasteel Coevorden. Foto: Wim van der Ende
Kaart van Zuidenveld.
Afb. 7. Zuidenveld.

Karakteristiek

Zuidenveld is een overwegend agrarische regio met twee steden: Emmen en Coevorden. De naam komt van het middeleeuwse dingspel, één van de rechtsgebieden waar Drenthe uit bestond. De regio bestaat uit een esdorpenlandschap met een aanzienlijk oppervlak aan 19de-eeuwse heideontginningen, zoals het Ellertsveld en enkele kleine veengebieden. Op de essen wordt akkerbouw bedreven. De groenlanden in de beekdalen worden vooral als weideland gebruikt. De regio ligt op het Drents Plateau, waarbij in het oosten de Hondsrug vanaf Emmen via Odoorn en Exloo naar het noorden loopt. Het huidige landschap is ten tijde van de ruilverkavelingen in de jaren 1960-1970 heringericht, waarbij het oude cultuurlandschap als uitgangspunt diende en op veel plaatsen is gerespecteerd. Uitgebreide boscomplexen uit de 19de en 20ste eeuw bevinden zich in het noordoosten bij Exloo, Odoorn, Sleen en in het westen bij Meppen en Gees.

Coevorden was vanouds de poort naar Drenthe. De economische betekenis is sinds de jaren 1960 overgenomen door de stad Emmen, die tegenwoordig meer dan 100.000 inwoners telt. Emmen is het centrum van de regio en omgeving.

Zuidenveld wordt doorsneden door diverse grotere wegen, waarvan de A37 de belangrijkste is. Van regionaal belang zijn verder de N34 vanaf het noorden langs Emmen naar Coevorden, de N376, de N381 en de N374. De spoorlijn Emmen-Zwolle dateert van 1903.

Diverse kanalen lopen door Zuidenveld, zoals het Oranjekanaal van Beilen naar Emmen, de Verlengde Hoogeveensche Vaart van Hoogeveen naar Emmen en verder naar de grens. In het westelijke en zuidelijke deel liggen nog veel beekjes en diepjes. Bij Coevorden komen het Drostendiep, Loodiep en Schoonebeekerdiep samen. In het westen liggen de Geeserstroom/Marsstroom en langs Oosterhesselen en Aalden de Westerstroom/Aelderstroom.

De regio wordt doorsneden door meerdere hoogspanningsleidingen van 110kV en 380kV. Windturbines komen alleen in het havengebied van Coevorden voor. Pal ten oosten van de regio ligt het door het Rijk aangewezen gebied Veenkoloniën waar op grote schaal windturbines worden ontwikkeld.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

Gedurende de voorlaatste ijstijd, het saalien, liet het landijs een laag keileem achter waarin ook zwerfstenen voorkwamen. Een aantal zand- en keileemruggen vormden samen de Hondsrug. Deze wordt onderscheiden in een oostelijke rug met daarop Exloo, Valthe en Emmerschans en een westelijke met Borger, Odoorn, Emmen en Erica. De Rolderrug van Peize tot Sleen is een uitloper. Tussen Hondsrug en de Rug van Sleen lag een smalle strook hoogveen, dat nu uitgeveend is en waar de nederzetting Odoornerveen ligt. Het centrale deel van de regio, het Drents Plateau, is in dezelfde tijd ontstaan. De ondergrond bestaat uit grondmorene van keileem, met daarop een dunne laag dekzand, afgezet in de laatste ijstijd.

Holoceen

Na de ijstijden, begon zo’n 10.000 jaar geleden het holoceen, de huidige geologische periode. Vanaf het hoogste punt van het Drents Plateau ontwikkelden de beekdalen zich in diverse richtingen. Het natuurlijke landschap bestond uit bossen. Vanaf de middeleeuwen is dit gebied ingericht als esdorpenlandschap. In de beekdalen en de lagere delen van het Plateau kwam plaatselijk veen voor, op plekken waar de waterafvoer door de ondergrond bemoeilijkt werd. Het veen is vanaf de 17de eeuw afgegraven [1].

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het Keileemgebied en een klein deel in het zuiden tot het Noordelijk zandgebied. Daarbinnen zijn als landschapszones keileemvlakten, beekdalbodems, dekzandruggen en dekzandruggen en rivierduinen onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De eerste bewoners waren jagers/verzamelaars, waarvan sporen in Drenthe teruggaan tot ruwweg 120.000 jaar geleden, de tijd van de Neanderthalers. De eerste boeren vestigden zich zo’n 6000 jaar geleden, gedurende de nieuwe steentijd (5300-2000 v.Chr.). De bekendste overblijfselen uit deze periode zijn de hunebedden, de gemeenschappelijke graven van mensen van de Trechterbekercultuur (3400-2850 v.Chr.). In Zuidenveld liggen er twintig, op een Drents totaal van 53. Ze liggen bij Exloo (twee), Odoorn (één), Valthe (vier), Schoonoord (één), Sleen (twee) en Emmen (tien). Uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd stammen ook urnenvelden (een ander type begraafplaats) en grafheuvels die in concentraties in de regio voorkomen. Ook in de Romeinse tijd was het gebied relatief dichtbevolkt. Nederzettingen uit deze periode (0-450 n.Chr.) zijn onder meer opgegraven bij Noordbarge, Dalen en Emmen.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Na de Romeinse tijd nam de bevolking af, maar veel minder sterk dan in sommige andere regio’s. Uitzonderlijke vondsten uit de 5de eeuw zijn de fraaie sierraden van de ‘Prinses van Zweeloo’: De bewoning in de vroege middeleeuwen verschoof nog regelmatig. Rond 800 kwam daar vrij abrupt een eind aan, toen nieuwe machthebbers de boeren dwongen zich permanent op één plek te vestigen. De meeste dorpen lagen toen op de overgang van hoog naar laag, zodat de af te leggen afstanden richting bouwlanden en weidegronden zo kort mogelijk waren.

Het natuurlijke landschap met bossen kwam door het toenemende agrarische gebruik onder druk te staan. Het bos verdween, zowel door de omzetting naar bouwland als door overbeweiding. Op den duur veranderde het landschap in heide, dat later op tal van plekken weer degradeerde tot zandverstuivingen. Via de markegenootschappen trachtten de boeren een en ander te reguleren. Het landschap kende een duidelijke geleding. De akkers of essen lagen aan de randen of op de iets hogere delen van beekdalen. Heide en bos lagen op de hoogste delen. Daar werden schapen geweid en plaggen gestoken om de es mee te bemesten. In het bos, als dat er nog was, haalde men bosstrooisel, bouw- en geriefhout. De beekdalen waren te nat voor akkerbouw en waren in gebruik als weiland of hooiland, de zogenaamde beemden of madelanden. De boerderijen lagen dicht bij het bouwland, tussen de wei- en hooilanden in de natte beekdalen en de heidevelden hogerop. Op plekken waar veen voorkwam, werd dit gebruikt om vee op te weiden, om turf te steken of soms om boekweit te verbouwen.

Om de bouwlanden vruchtbaar te houden, werd mest van het vee vermengd bosstrooisel op de essen gebracht. Doordat het oppervlak aan bos verminderde werd meer en meer gebruik gemaakt van heideplaggen. Op den duur kwamen de essen daardoor nog hoger te liggen en kregen ze de karakteristieke bolle vorm. De start van het opbrengen van plaggen ligt tussen de 15de en 17de eeuw.

Aan de rand van de es legde men vaak een wildwal aan: een dichte houtsingel, al dan niet op een wal, begroeid met moeilijk doordringbare struiken. Naast de aangesloten bossen of ‘holten’, kwamen houtopstanden voor in de vorm van houtwallen en strubben. Beide werden regelmatig afgezet. Het hout werd voor verschillende doeleinden gebruikt. De strubben liggen vooral aan de rand van de heide. Houtwallen liggen vooral in de beekdalen. Ze zijn overigens meestal 18de-eeuws, dus van recenter datum dan de strubben. Via veedriften werden de schapen en koeien naar de heidevelden en de weilanden gedreven. Zo’n veedrift kwam vaak uit op een open ruimte aan de rand van het dorp, de brink. Vaak bevond zich op de brink de zogenaamde dobbe, een met drink- en bluswater gevulde kuil. De bevolkingsgroei in de late middeleeuwen en in de nieuwe tijd werd opgevangen in de bestaande dorpen. Ook de essen groeiden. In sommige gevallen leidde dit tot dochternederzettingen aan de randen van de essen.

De marken

De balans tussen de hoeveelheid vee, de hoeveelheid landbouwgrond en het gebruik van de gemeenschappelijke woeste gronden werd bewaakt door de marken. Het gebruik van deze gronden moest geregeld worden, omdat ze van groot belang waren voor de bedrijfsvoering. Het doel van de marken was om nieuwkomers te weren ter bescherming van de rechten van de bestaande boeren op de woeste gronden. Waarschijnlijk zijn de marken in de eerste helft van de 13de eeuw opgericht. Een boer had één of meer waardelen of waren, soms ook gedeeltelijke waardelen. Het gaf recht op gebruik van de markegrond. Omstreeks 1800 waren in Drenthe ongeveer 100 marken. Voor het vastleggen van grenzen koos men vaak natuurlijke punten of plaatste men veldkeien. Loofhoutbossen en veengronden behoorden vanouds tot de markebezittingen. Bij de ontginning van de heidevelden en de hoogvenen in de 19de eeuw zijn de markegrenzen medebepalend geweest voor de ontginningspatronen en de inrichting van het landschap.

Drenthe werd gekenschetst als een serie boerenrepubliekjes, waar het hoogste gezag van de Drost van Drenthe weliswaar in naam bestond, maar in de praktijk weinig effectief was. De eigenerfden of markegenoten waren meestal baas over de eigen marke. De nederzettingen in Zuidenveld bleven klein en bestonden uit hooguit tientallen boerderijen. Oosterhesselen kende een havezate, de Klencke.

Moderne tijd (1800-1950)

De landbouw in Zuidenveld bleef tot ver in de 19de eeuw bestaan uit gemengde bedrijven, waarbij de veeteelt in dienst stond van de akkerbouw. Het markesysteem bleef functioneren tot in de 19de eeuw. Een nieuwe ontwikkeling vormde de oprichting van de Zwindersche Veencompagnie in 1819. Deze liet turf graven in de omgeving van Zwinderen. Hier ontstond de veenkolonie Nieuw-Zwinderen. Ook bij Dalen werd in de eerste helft van de 19de eeuw het veen ontgonnen en verrees Dalerveen.

Onder druk van landbouwhervormers kwam in de jaren 1830 wetgeving tot stand die de marken formeel sommeerde over te gaan tot verdeling en verkoop van de gronden. Tot grote veranderingen in het landschap leidde dit vooralsnog niet, omdat de woeste gronden nodig bleven voor het landbouwbedrijf.

Pas rond 1900 begon het landschap te veranderen. De introductie van kunstmest en gelijktijdig de opkomst van de coöperatie, waarin boeren zich verenigden om zuivelproducten te vervaardigen en om zaaizaad en kunstmest te kopen, waren hierbij van groot belang. Op effectieve wijze konden voorheen onvruchtbare gronden worden bewerkt. In 1900 waren de heide tussen het Oranjekanaal tot aan Wezup, Zweeloo, Aalden, Meppen, Noord-Sleen nog vrijwel onontgonnen, evenals Oosterhesselen en Zwinderen ten noorden van de Verlengde Hoogeveensche Vaart. Veertig jaar later was het landschap veranderd in een nieuw heideontginningslandschap. Vooral door ontginningen in het kader van de werkverschaffing vanaf de jaren 1920 werd veel woeste grond omgezet in weide en akkerland.

De Ontginningsmaatschappij ‘Het Landschap Drenthe’ deed dat bijvoorbeeld in de jaren 1924-1930 met het Zwindersche Veld van 1000 hectare groot. Het Kanaal Coevorden-Zwinderen ontstond ook na een werkverschaffingsproject. Het maakte de ontginning van de Veenhuizer venen mogelijk. De hoogveenrestanten De Witten en Berkmeer bleven daarbij bewaard. Deze zijn nu natuurreservaten. In dezelfde periode werden op de flanken van de Hondsrug bij Odoorn en Exloo uitgebreide, rechthoekige boswachterijen aangelegd. Vooral dennen werden aangeplant. Het hout werd gebruikt als stuthout voor de Limburgse mijnen. Dit hout kraakt als de mijngang onder druk staat, zodat mijnwerkers tijdig kunnen vluchten als de mijn instort.

De veengebieden in Zuidenveld – eveneens woeste gronden – werden verkocht, waarna er werd verveend. Vanaf de Drentsche Hoofdvaart bij Hoogersmilde werd het 44 kilometer lange Oranjekanaal naar Emmen gegraven (1858). Langs dit kanaal ontstonden Wezuperbrug en Schoonoord. Ten oosten daarvan lag een veengebied, het Odoornerveen en het Eeserveen. Het gebied werd na 1855 verveend en hier ontstond de veenkolonie Odoornerveen en ’t Haantje, gelegen als een rechthoekige enclave tussen Odoorn en Sleen. De veenkolonie kreeg een rationele inrichting, die duidelijk afwijkt van het omringende oudere landschap. Het Oranjekanaal werd ook aangelegd ter ontsluiting van de Veenkoloniën. In 1861 werd de Verlengde Hoogeveensche Vaart naar de Zuidoost-Drentse venen aangelegd. Hier ontstonden de nederzettingen Geesbrug, Holsloot en Zwinderen.

Recente ontwikkelingen

Waar dat nodig werd geacht, werd de ontginning van de woeste gronden tot landbouwgronden of bos na de Tweede Wereldoorlog voortgezet. Enkele terreinen zijn als heide bewaard gebleven, zoals Klenckerveld of als stuifzand, zoals de Mepper Dennen. Dit zijn nu voornamelijk natuurgebieden. De ruilverkavelingen waren van grotere invloed voor het Drentse landschap en daarmee ook het landschap van Zuidenveld.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Exloerveen 923 1957 - 1964 16,9%
Dalen C.A. 7421 1964 - 1976 60,3%
Odoorn (A) 625 1950 - 1957 100,0%
Odoorn (B) 3727 1986 - 2013 73,9%
Sleenerstroom 7970 1965 - 1976 91,8%
Mars- en Westerstroom 6679 1990 - 2006 97,1%
Het Aalder en Mepperveld 1002 1940 - 1961 99,9%
Exloer Esch 429 1941 - 1954 100,0%
Odoorner Esch 166 1940 - 1949 100,0%
Valther Esch 202 1941 - 1953 100,0%
Zweeloer Esschen 961 1948 - 1958 100,0%
Sleener Esschen 636 1949 - 1959 100,0%
Geeser Esch 789 1947 - 1959 100,0%
Ermer Esch 330 1947 - 1959 100,0%
Hoonholten 599 1962 - 1966 100,0%

Uitgangspunt van de ruilverkavelingen was de verbetering van de agrarische bedrijfsvoering. Dit betekende onder meer kavelruil en verbetering van de afwatering, bijvoorbeeld door de aanleg van sloten of het normaliseren van beken. Daarnaast werd ook aandacht besteed aan het verbeteren van de ontsluiting van dorpen door de aanleg van een netwerk van kleine wegen tussen de dorpen. Bijzonder aan de Drentse ruilverkavelingen is dat ze over het algemeen zijn uitgevoerd met grote zorg voor het historische landschap. Zo zijn op passende plekken veel groen voorzieningen aangebracht. Harry de Vroome, landschapsarchitect van Staatsbosbeheer en landschapsconsulent voor Drenthe en Overijssel speelde hierin een belangrijke rol. De essen bleven in gebruik als bouwland, maar de verkaveling is grootschaliger geworden, zonder dat daarbij de herkenbaarheid afnam.

Er werden vaak nieuwe kaarsrechte zandwegen aangelegd die de essen opdeelden in voor die tijd optimale akkers. Het huidige Drentse landschap heeft zijn aanzien dus in deze recente periode gekregen. Van recenter datum is de ontwikkeling van recreatiebossen: in boswachterijen die aan het begin van de 20ste eeuw zijn aangelegd worden de rechthoekige structuren omgevormd tot een meer gevarieerd patroon voor de recreant. Ook de variatie in beplanting neemt toe. Voor de recreatie zijn enkele golfterreinen aangelegd, bijvoorbeeld bij Aalden en Emmen.

Na ongeveer 1950 werd de bereikbaarheid van de regio over de weg verbeterd. Per spoor bestond sinds de eeuwwisseling een verbinding tussen Emmen en Zwolle. De N37 werd na 1960 aangelegd. Deze is ongeveer 20 jaar geleden omgevormd tot snelweg A37. Ook de overige N-wegen in de regio stammen uit de jaren 1960, waarbij de N34 de belangrijke noord-zuidverbinding van Drenthe is.

Drenthe is altijd een dunbevolkte provincie geweest. In de regio Zuidenveld heeft Emmen een explosieve ontwikkeling doorgemaakt (zie verder) en is ook Coevorden gegroeid. De overige nederzettingen zijn vrij beperkt gegroeid met een of twee wijken van bescheiden omvang. Zweeloo en Aalden groeiden aan elkaar vast. Vier dorpen hebben de status van beschermd dorpsgezicht: Westenensch, Benneveld, Aalden en Gees.

Opmerkelijk element in het landschap vormt LOFAR: een radiotelescoop bestaande uit duizenden kleine antennes vlak bij Exloo. Het centrale punt van de in totaal 400 hectare grote telescoop is de ‘superterp’ bij Exloo, een opvallend element in het landschap.

Specifieke onderwerpen

Steden

Emmen (stad: 57.000 inwoners; gemeente: 108.000 inwoners) is de op drie na grootste plaats van Noord-Nederland. Dit is een recente ontwikkeling. Eerst was het een typisch Drents esdorp, met ten westen van het dorp een grote es die zich voortzette naar het zuiden tot Zuidbarge. De groenlanden lagen langs de Sleenerstroom/ Vlatherdiep, terwijl grote delen van de omgeving woest waren. Dit betrof zowel heidegronden op het Drents Plateau als veengebieden in het oosten. De Emmerdennen oostelijk van het dorp waren in de 19de eeuw aangelegd om stuifzand vast te leggen. Vanaf het einde van de 19de eeuw werden de woeste gronden stukje bij beetje ontgonnen. Het waren vooral de veengronden die de grootste verandering ondergingen (zie regio Veenkoloniën). In Emmen woonde leidinggevend personeel van de turfwinning, was een station, postkantoor, een markt en zetelde het gemeentebestuur. Vanaf de jaren 1920 begon het dorp langzaamaan te groeien.

De jaren na de Tweede Wereldoorlog heerste flinke werkloosheid in de streek. Een actieve industrialisatiepolitiek vanuit het Rijk leidde tot de vestiging van meerdere industrieën, zoals de AKU (Algemene Kunstzijde Unie). Min of meer tegelijkertijd werd een nieuw stedenbouwkundig beleid gevoerd, waarbij Emmen de centrale kern werd van een door annexaties vergrote gemeente. Er werd een stedenbouwkundige hoofdopzet bedacht, zodat een goed functionerende kern ontstond met een goede ordening van wonen en werken, de zogenaamde ‘open groene stad’. Emmermeer werd nog aangesloten op de oude kern, maar latere wijken kwamen los van het centrum tot stand. Het bestaande landschap vormde de basis van deze ontwikkelingen. Op die manier werden onder meer Angelslo en Emmerhout gebouwd, die nu samen met Emmermeer als wederopbouwgebieden van nationaal belang zijn aangemerkt. In latere jaren kwamen in Emmen de eerste ‘bloemkoolwijken’ van ons land tot stand.

De stad groeide uit tot de grootste nederzetting van de wijde omgeving. Na 1980 stagneerde de groei door economische tegenspoed, maar zette wel door met onder meer de aanleg van Rietlanden. Het centrum van de stad is na 1970 aangepakt.

Coevorden ( 35.500 inwoners) ontstond op een strategische plek op een zandopduiking in het veen op een kruispunt van wegen en diepen, die als Kleine Vecht verder stromen. Rond het jaar 1000 werd de nederzetting een leengoed van de bisschop van Utrecht, die er een kasteel liet bouwen. Coevorden was de enige toegang tot de noordelijke provincies vanuit het zuidoosten. Aanvankelijk was de stad nauwelijks beschermd, maar na de inname in 1594 door Staatse troepen werd Coevorden omgevormd tot een vestingstad met grachten, zeven bastions en zeven ravelijnen. Ook het kasteel met zijn bolwerken werd bij de vesting getrokken. De stad zelf kreeg een nieuw radiaal stratenpatroon. Eind 17de eeuw werden de werken verbeterd. Coevorden was in de 16de en 17de eeuw met Meppel de grootste plaats van Drenthe.

In 1870 werd de vesting ontmanteld, waardoor van de zeer omvangrijke vestingwerken nu nog slechts aan de noordzijde van de stad herkenbare sporen zijn overgebleven. De vervening van zuidoost-Drenthe in de tweede helft van de 19de eeuw, leidde tot de aanleg van een uitgebreid netwerk van kanalen en de verharding van wegen. Dit resulteerde in een versterking van de economische positie van Coevorden: er kwam een tramlijn naar Dedemsvaart (1897) en spoorverbindingen met Emmen, Zwolle, Stadskanaal (1905), Nordhorn en Bentheim (1910). Ten behoeve van de fabrieksarbeiders werd tijdens de industrialisatie in het begin van de 20ste eeuw een groot aantal arbeiderswoningen gebouwd. Vanaf omstreeks 1910 ontwikkelde Coevorden zich als regionaal industrie- en onderwijscentrum. De opvallende industriecomplexen aan de westzijde van de stad dateren van na de Tweede Wereldoorlog. In economisch opzicht wordt de stad sinds enkele decennia overvleugeld door Emmen. Het centrum is een beschermd stadsgezicht. Het in Coevorden gelegen Plopsa Indoor is een bekend recreatiepark voor jonge gezinnen.

Literatuurlijst

  • Gerding, (red.), 1989. Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe. Meppel.
  • Sanden, W. van der, en M. Gerding, 2018. Geschiedenis van Drenthe, een archeologisch en nieuw perspectief (2 dln). Assen.
  • Spek, T, H. Elerie, J. Bakker en I. Noordhoff, 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Assen.
  • Timmer, K. en G.E. de Vries, 2011. 400 jaar venen rondom Emmen. Bedum.
  • Vries, G. de, 2005. 200 jaar Veenkoloniën van Borger en Odoorn. Bedum.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap Zuidenveld
Algemeen zandlandschap met esdorpen en 19de-eeuwse heideontginningen
Landbouw akkerbouw op hoger gelegen essen
Ruilverkavelingen met doordacht ontwerp (bv Harry de Vroome)
19de eeuwse heideontginningen tot landbouwgrond (toponiem “-veld”)
Weilanden in beekdalen, veelal met houtwallen
Bosbouw Boswachterijen Exloo, Odoorn, Sleen, Meppen, Gees (heideontginningen tot bos)
Valtherbosch, Emmerdennen, Noordbarger Bosch
Wonen Coevorden historische vestingstad
Emmen grootste stad, met Wederopbouwgebieden van Nationaal Belang
Esdorpen, veelal met brinken
Lintbebouwing Odoornerveen
Waterstaat Drostendiep
Loodiep
Schoonebeekerdiep
Geeserstroom/Masrsstroom
Westerstroom/Aelderstroom
Diverse beken
Delfstofwinning Veenkolonie Odoornerveen
Verkeer A37
Spoorlijn Zwolle-Coevorden-Emmen
Oranjekanaal
Verlengde Hoogeveensche Vaart
Stieltjeskanaal
Kanaal Coevorden-Zwinderen
Religie Hunebedden op oostflank Hondsrug
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. Zie ook de regiobeschrijving Veenkoloniën

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:01.