Pleisterwerk op buitengevels


Introductie

‘Het komt in Nederland weinig voor dat men nieuwe gemetselde buitengevels uit esthetische overwegingen in hun geheel bepleistert’ schreef Anton Poptie in 1950 in zijn Handboek voor den Stucadoor. Dit werd vooral gedaan om de uitstraling te verbeteren van betonnen gevels en van gevels die door verwering of verbouwingen minder fraai waren geworden. Tot begin jaren zeventig werd buitenpleisterwerk slechts bij uitzondering toegepast. De voorkeur ging nog altijd uit naar baksteen dat zich over de tijd had bewezen als mooi en weervast materiaal. Wel werden in de jaren twintig en dertig binnen het Nieuwe Bouwen op kleine schaal buitengevels om architectonisch redenen gepleisterd.
Omslag Handboek voor de stucadoor uit 1950
Afb. 1. Omslag Handboek voor de stucadoor uit 1950. Collectie Ronald Stenvert
Raam van schokbeton, dorpel van sierbeton en kolom van sierpleister, Rivièrahal Diergaarde Blijdorp in Rotterdam uit 1941
Afb. 2. Raam van schokbeton, dorpel van sierbeton en kolom van sierpleister, Rivièrahal Diergaarde Blijdorp in Rotterdam uit 1941. Foto: Ronald Stenvert
Folder Terranova buitenpleister, circa 1950
Afb. 3. Folder Terranova buitenpleister, circa 1950. Collectie Ronald Stenvert
Advertentie Caparol sierpleisters uit 1972
Afb. 4. Advertentie Caparol sierpleisters uit 1972
Woningbouw met buitenbepleistering aan het Sijzenbaanplein in Deventer uit 1988
Afb. 5. Woningbouw met buitenbepleistering aan het Sijzenbaanplein in Deventer uit 1988. Foto: Ronald Stenvert

Pleisteren van gevels

Pleisterwerk op de buitengevel ontwikkelde zich in de jaren vijftig en zestig in beperkte mate. De meest gangbare werkwijze was dat een stukadoor zelf een mortel samenstelde op basis van zand en de bindmiddelen kalk of cement. Afhankelijk van de toepassing werd dit al dan niet aangevuld met wat tras: fijngemalen tufsteen (vulkanisch gesteente) dat de hechting verbetert en de mortel meer waterdicht maakt. Een veel gebruikte samenstelling was één volumedeel cement met drie volumedelen fijn zand, soms met een half deel tras.

Voor specifieke situaties en ondergronden, zoals beton, gebruikte men op beperkte schaal ook de geprefabriceerde kant-en-klare mortels die vanaf de jaren dertig vooral vanuit Duitsland op de markt kwamen. Zo kwamen decoratieve ‘droogpleisters’ (Trockenmörtel) beschikbaar, met minerale toeslagstoffen en waterafstotende toevoegingen. Daarbij onderscheiden we Edelputze en Steinputze. De laatste bevatten natuursteen toeslagkorrels en moesten na tien dagen verharding worden nabewerkt om het effect van natuursteenimitatie te krijgen. Zo kon men muschelkalk, travertin, graniet, basalt, tufsteen, zandsteen of dolomiet nabootsen. Met deze kant en klare siermortels kon ook het oppervlak van bijvoorbeeld beton meer structuur worden gegeven. In de jaren veertig werden Terranova pleisters onder meer toegepast op woningbouwblokken van in Den Haag, Arnhem en Dordrecht.

Tot in de jaren veertig werd beton gewoonlijk afgewerkt met een pleisterlaag, tenzij het schuilging achter een schil van baksteenmetselwerk. Dit pleisteren gebeurde enerzijds om esthetische redenen, anderzijds omdat afwerking technisch nodig was om wapening of grindnesten te verhullen en aantasting door vocht te voorkomen. In de jaren dertig en veertig werd in bouwkundige vakliteratuur steeds vaker geadviseerd beton niet te pleisteren, vooral in verband met de hoge onderhoudskosten van pleister en verflagen. Door de verbeterde kwaliteit van het betonoppervlak in de jaren daarna verminderde de wens en de noodzaak om beton af te werken met een pleisterlaag.

Geprefabriceerde mortels

In de jaren zestig wonnen de geprefabriceerde mortels, steeds vaker ook kunststofhoudend, geleidelijk terrein. Binnenruimten werkte men in toenemende mate af met geprefabriceerde (gips)mortels die werden aangebracht met een compressor en een spuit. Door de ontwikkelingen in de betonbouw met onder meer betere bekistingsmethoden, werden betonnen oppervlakken steeds gladder en kon de pleisterlaag dunner zijn. Stukadoorsvakmanschap was minder gevraagd. De rol van de stukadoor op de bouwplaats veranderde en het aantal stukadoors liep terug. Wanneer de stukadoor nog zelf de mortel samenstelde, voegde hij vaker hulpstoffen toe om het materiaal eigenschappen te geven die beter aansloten bij de omstandigheden. Zo werden mortels waterafstotend gemaakt door toevoeging van Amirol, Pudlo of Ceresit. Dit laatste is een mengsel van Paraffine en kalkzeep. Ook werden kunststofdispersies (van) Murafan en Pci gebruikt. Een kunststofdispersie is een mengel waarbij een stof fijn is verdeeld in een andere stof, in dit geval kunststofdeeltjes in water. Die kan aan mortels worden toegevoegd om eigenschappen als hechting, waterdichtheid en elasticiteit te verbeteren. Kant-en-klare sierpleisters voor gevels waren in het begin vooral wit en beige van kleur. Later, met name in de jaren tachtig, werden vaak ook gekleurde pleisters toegepast.

Typische merken en producten aan het begin van de jaren zeventig waren: Vugo sierpleisters en kwartcoat op kunstharsbasis voor in- en exterieur; Striklolith en andere sierpleisters van Van Strien, Digo sierpleister en Ebro van Van Boxtel. Het Rietveld Schröderhuis in Utrecht (G. Rietveld 1924) werd in 1974 gerestaureerd met kunststofmortels (type 105 R.M. Sikkens) voor de scheuren en kunststof gemodificeerde cementmortel voor de vlakken.

Krabpleisters

Vanaf de jaren zeventig werden krabpleisters toegepast. Een krabpleister, ook wel edelpleister genoemd, is een mineraal gebonden pleister met grof toeslagmateriaal met korrels tot twaalf millimeter. Na enige verhardingstijd wordt het oppervlak ruw gekrabt met een ‘egel’, een borstel met stalen pennen. Enkele dagen later wordt het met een harde borstel afgeborsteld. Soms wordt het cement voorzichtig met water uit het oppervlak gewassen, waardoor de korrels goed zichtbaar worden. De samenstelling van de mortel kan variëren. Het bindmiddel is doorgaans mineraal, maar de samenstelling van het grove toeslagmateriaal wordt meestal niet nader gespecificeerd. Het kan bijvoorbeeld bestaan uit gebroken natuursteenkorrels of kalksteen. Gevels van woningen werden afgewerkt met krabpleister van Terranova of Renovo en voor interieurs gebruikte men Haldener krabpleister. In de jaren daarna werd krabpleister steeds populairder, het ruwere textuurrijke oppervlak sprak veel mensen aan en het opgekrabde en daardoor vergrote oppervlak liet sneller waterdamp door.

Pleisterdragers

Stucmortel kon worden aangebracht op verschillende materialen: steengaas, stukadoorsgaas (gegalvaniseerde draden 2 millimeter dik met mazen van 15 millimeter) en haringgraatstaal (plaatstaal van 0,3 millimeter dik met ingeponste insnijding dat tot gaas is uitgerekt). In 1972 kwam Bekaert met Stucanet, verzinkt gaas met geperforeerd absorptiekarton. Steengaas was al veel langer op de markt en werd in advertenties aangeprezen met ‘oude liefde roest niet’. In 1973 was ook Rippa beschikbaar, ribstrekmetaal met papier en ribbenstrekmetaal gegalvaniseerd, dat werd omschreven als de moderne morteldrager.

Dergelijke pleisterdragers werden overwegend in het interieur gebruikt. Ze werden echter ook bij bepleisterde gevelisolatiesystemen die vanaf 1978 in zwang kwamen toegepast om pleister op de isolatie aan te brengen, met name bij de half-harde minerale isolatiematerialen. Speciaal voor het wapenen van buitengevelisolatie kwam rond 1984 Armanet van Bekaert op de markt. Om strakke hoeken te krijgen en beschadigingen te verminderen werd in 1968 voor buitenpleisterwerk al gebruikgemaakt van hoekbeschermers en sokkelprofielen, eerst van verzinkt ijzer en later ook van aluminium.

Isolerende buitengevels

Het op grote schaal isoleren van woningen om het energieverbruik terug te dringen zorgde voor een kentering in de toepassing van buitenpleisters. Door renovatie- en woningverbeteringsprojecten ontstond in de tweede helft van de jaren zeventig een opleving van stukadoorswerk. Dat ging echter niet snel. In 1974 werd als proefproject een uit gasbetonblokken opgetrokken villa afgewerkt met een isolerende buitenpleister van Caparol: Disbotherm 360.

Eind jaren zeventig was men nog steeds terughoudend met het toepassen van buitenpleisterwerk, terwijl ons land toen een half miljoen bouwwerken zonder isolerende spouw telde. Ter vergelijking: in toenmalig West-Duitsland was in 1977 al vier miljoen vierkante meter bepleisterde gevelisolatie aangebracht. Daarmee was men twintig jaar eerder begonnen. In Nederland begon Jan van Wijk in 1970 met Ispo, later Isoned, een gevelbekleding aan de buitenzijde in de vorm van een mortel met polystyreen aangebracht op een weefsellaag. Een onderzoek van TNO Bouw naar de stootvastheid van isolerende buitengevels geeft een beeld van de rond 1980 toegepaste pleistersystemen. Deze bestaan uit een mineraal of kunststof gebonden pleister met glasvezel- of metaalgaaswapening op platen, zoals polystyreenschuim (EPS geëxpandeerd of XPS geëxtrudeerd), mineraalwol of foamglas (cellulair glas), of op een laag isolerende pleister. De laagdikten varieerden bij minerale pleister van 8 tot 12 millimeter, bij kunststofpleister van 3 tot 4 millimeter en bij de isolatielagen van 30 tot 55 millimeter. Het aantal fabrikanten dat thermische gevelafwerkingssystemen leverde nam toe van zo’n vijf in 1978 tot 22 in 1984. Aanvankelijk werden op pleisterlagen vooral dunne kunstharsgebonden pleisters toegepast, in 1985 vooral dikkere minerale krabpleisters met een steenachtig karakter.

Patina en kleur

Vanaf 1982 waren in Nederland, net als eerder in Duitsland, voor het afwerken van buitenisolatie elastische steenstrips op de markt als alternatief voor pleisterwerk. Deze waren in meerdere kleuren leverbaar en konden bij hoeken haaks worden omgezet zodat het op een echte bakstenen leek.

Stedenbouwkundige Thomas Zomerschoe schreef in 1978 het gebrek aan waardering voor pleisterwerk vooral toe aan het onvoldoende benutten van de vormmogelijkheden van nieuwe materialen en aan de ‘nieuwe kneuterigheid’ die maakte dat steeds weer voor baksteen werd gekozen. Karakteristiek voor pleisterafwerking was volgens hem het brede scala aan oppervlaktestructuren dat samenhangt met de specifieke applicatietechnieken. ‘Hierdoor kunnen verschillende optische effecten verkregen worden, die in belangrijke mate de beeldvorming en betekenisgeving kunnen beïnvloeden’, stelde hij: ‘effecten als fijn-grofkorreligheid, glad of ruw, hoekig of afgerond, hard of zacht, vlak of met reliëf’. Door een juiste vormgeving en toepassing zou volgens hem net als bij baksteen een fraai patina kunnen ontstaan. In de jaren tachtig veranderde het uiterlijk van menige woonwijk drastisch door de toepassing van gevelstucwerk in verschillen kleuren. Met als bont hoogtepunt de Regenboogbuurt in Almere, gebouwd tussen 1994 en 1998, die ook internationaal belangstelling geniet. Aan de gestucte gevels ligt een zorgvuldig en gedetailleerd ontworpen kleurenplan ten grondslag.

Literatuur

  • A. Poptie. Handboek voor den Stucadoor, Deel 1, Haarlem 1950.
  • W. Persijn en A.H. Kooiman, Bouwmaterialen, Culemborg 1968.
  • T.F. Zomerschoe, ‘Isolatiepleister en belevingswaarde’, Mebest 12 (1978) 3, p. 28-30.
  • P.W.A. Metman, Gepleisterd Bouwen 1981-1991, Leeuwarden 1992.
  • R. Stenvert, ‘Mooier voor minder: cementlagen en betonafwerking’, in: E. Koldeweij (ed.), Stuc, Kunst en Techniek, Zwolle 2010, p. 412-425.
  • H.A. Heinemann, Historic Concrete. From Concrete Repair to Concrete Conservation, Delft 2013.


Rijksmonumenten bij dit artikel

Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 11:49.