Post 65 - Tuinen bij woonhuizen en gebouwen in de periode 1965-1990


Introductie

Het tuinontwerp maakte tussen 1965 en 1990 een grote ontwikkeling door. In grote lijnen bevond de tuin zich in de tweede helft van de jaren 60 nog in de sfeer van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, terwijl de maatschappijkritische en milieubewuste geluiden geleidelijk opgang maakten. Onder invloed van Open Tuinen Dagen, Tuinclubs en tal van tijdschriften en boeken, daarbij steunend op onder meer Engelse tuinen en Duitse kwekers, werd de weelderige bloementuin met vaste planten populair en werden nieuwe materialen geïntroduceerd.
Foto van een tuin met diverse planten en een vrouw die een haag knipt met een heggeschaar
Afb. 1. Domburg, 1978
Foto van een tuin met diverse kleurrijke beplanting en een pad
Afb. 2. Zuiverseweg 4 in Domburg, 1979
Foto van een tuin met heggen, een sloot en kleurrijke beplanting, vanaf een hogere positie genomen
Afb. 3. Walenburg, 1981
Foto van een betegelde tuin met ronde heggen, kleine boompjes en een bankje
Afb. 4. Wassenaar, 1988
Afb. 5. Foto van een tuin met op meerdere plekken houten dwarsliggers en kleurrijke beplanting
Afb. 5. Bielzentuin Mien Ruys, 2024
Foto van een tuin met kleurrijke en diverse beplanting, met in het midden een zogeheten border bestaande uit meerdere vierkante tegels
Afb. 6. Border tuinen Mien Ruys, 2024
Foto van een tuin met gras, beplanting en een zogeheten confectieborder, een pad bestaande uit meerdere vierkante tegels
Afb. 7. Confectieborders tuinen Mien Ruys, 2024
Foto van een stuk tuin bestaande uit grind, grote keien en hierop een grote molensteen, omringd door een heg en een pad van tegels
Afb. 8. Molensteen Arend Jan van der Horst, 2024
Foto van een tuinbank in de tuinen van Mien Ruys
Afb. 9. Tuinbank tuinen Mien Ruys, 2024

1. Geschiedenis in verhaallijnen

Vrijheid en ordenen

Maatschappijkritisch

Na de bevrijding en de wederopbouw worden gedurende de jaren 60 de kritische stemmen steeds luider, die leiden tot verdere democratisering en emancipatie, waarbij het individu maatgevend wordt. Hoogbouw wordt minder populair en alternatieve vormen van wonen, onder andere ‘experimentele woningbouw’, komen in zwang. Tuinen mogen de individuele smaak tonen, met faciliteiten voor een aangenaam verblijf voor het hele gezin, zoals een zitkuil of zandbak. Toenemende inspraakmogelijkheden vergroten de betrokkenheid van bewoners bij het ‘groen’ in stad en dorp.

Opkomst instituties

Naast de bouw van vele woningen is er een hausse aan nieuwbouw van scholen en universiteitsgebouwen, kantoren en bedrijven, zorginstellingen, overheidsgebouwen en culturele voorzieningen. Tuinarchitecten en ontwerpbureaus vinden hier in belangrijke mate hun broodwinning in. Met name de moderne tuinstijl sluit goed aan op de wens om het terrein sierlijk doch doelmatig in te richten, waarbij steeds meer aandacht komt voor een onderhouds- en natuurvriendelijke tuininrichting.

Professionalisering beroepsgroep

In Wageningen en Boskoop bevinden zich de belangrijkste beroepsopleidingen om tuinarchitect te worden. Ook op andere plekken wordt een beroeps- of praktijkopleiding gegeven, zoals aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, aan Huis te Lande in Rijswijk en in Frederiksoord. Aan de andere kant richten de hogere opleidingen zich steeds meer op landschap en ruimtelijke ordening, omdat daar de actuele opgaves liggen en opdrachten voor particuliere tuinen na de oorlog steeds schaarser worden.

Verenigingen

Als beroepsvereniging behartigt de Bond voor Nederlandse Tuinarchitecten (BNT) de belangen van de tuinarchitect. In 1970 komt hier de Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitektuur (VTL) bij, die onder meer prijsvragen voor haar leden gaat organiseren. De oudere Koninklijke Maatschappij tot bevordering van Tuinbouw en Plantkunde (KMTP) blijft voor de tuin bijzonder invloedrijk, als motor achter de Floriades in onder meer 1960, 1972 en 1982, als uitgever van het immens populaire tijdschrift ‘Groei en Bloei’ en vanuit betrokkenheid bij een Teleac-tuincursus in 1980. In 1980 volgt ook de oprichting van een nieuwe organisatie, de Nederlandse Tuinenstichting (NTs), die zich gaat richten op particuliere tuinen en aandacht vestigt op behoud van historische tuinen.

Welvaart en groei

Iedereen een tuin

Door de gestegen welvaart en vrijetijd wordt het werken in de tuin één van de vrijetijdsbestedingen. Voor groenten is men niet meer afhankelijk van een eigen moestuin, zodat de gehele achtertuin kan worden ingericht als sier- en gebruikstuin voor het hele gezin. De tuin wordt meer persoonlijk en een middel om de eigen identiteit te tonen.

Kleiner tuinoppervlak

De grote bouwgolf leidt tot miljoenen nieuwe woningen, met name de suburbane grondgebonden woning met tuin. Deze krijgt vorm volgens het ideaal van een eigen voor- en achtertuin en auto voor de deur. De opdrachten voor tuinontwerpers spitsen zich toe op een steeds kleinere tuin; de buitenplaatsen van vóór de oorlog zijn passé.

Doe-het-zelf

Commerciële trends en innovaties die het onderhoud vereenvoudigen, vinden eveneens een weg via het tuincentrum. In de jaren 70-90 komen er veel boeken op de markt waarin wordt uitgelegd hoe men zelf een tuin kan aanleggen en onderhouden. In tijdschriften leest men tips en ideeën voor tuininrichting. En op televisie komen de eerste tuinprogramma’s.

Tuincentra

In het einde van de jaren 50 ontstaan de eerste grote tuincentra, waar velerlei planten en benodigdheden voor de doe-het-zelver op tuingebied verkrijgbaar zijn. In Haaren, Eefde en Boskoop bevinden zich de eerste ‘tuinwarenhuizen’, waar klanten in de vorm van ‘zelfbediening’ de gekweekte planten kunnen verzamelen en afrekenen. Daar kan soms ook gratis advies van een tuinarchitect worden verkregen of een cursus worden gevolgd. Later volgen tuincentra bij de grote steden en vanaf 1980 biedt de landelijke keten ‘Intratuin’ haar diensten aan.

Tuinclubs

Na 1970 ontstaan verschillende lokale ‘tuinclubs’, met oog op uitwisseling van kennis en planten. Onderdeel is het bezoeken van elkaars tuin en het opdoen van nieuwe ideeën. De plantenkennis en praktische ervaring van de leden van deze tuinclubs was vaak heel groot. Eén van de bekendste tuinclubs is de ‘Zeeuwse’ op Walcheren en Zuid-Beveland, die in 1977 start met een succesvolle openstelling van tuinen waar bezoekers uit het hele land (en België) op af komen.

Een boeket aan publicaties

Het aantal publicaties over tuinen dat in deze jaren verschijnt is enorm. Ambachtelijk tuinwerk vergt grondige kennis van de materie, die menig tuinliefhebber graag wil opdoen. Naast bekende tijdschriften als ‘Groei en Bloei’ en ‘Onze Eigen Tuin’ komen vele boeken op de markt. Het zijn veelal publieksuitgaves van les- en instructieboeken, menigmaal vertaald uit het Engels of Duits. Of op basis van eigen ontwerp- en tuinervaring zoals de boeken door Mien Ruys, Arend Jan van der Horst of Elisabeth de Lestrieux, veelal voorzien van fraaie foto’s door gespecialiseerde tuinfotografen, zoals Marijke Heuff.

Actie en milieu

Grenzen aan de groei

Het besef groeit dat de welvaart een keerzijde heeft, namelijk een toenemende druk op de aarde. Een groter bewustzijn tekent zich af in hergebruik van materialen, nadruk op inheemse beplantingen en het toelaten van ecologische processen in de tuin. Het aangeveegde stoepje wordt een houtsnipperpad tussen stapelmuurtjes.

Ecokathedraal

Louis G. Le Roy is de meest opzienbarende stem in het debat. Hij propageert het benutten van natuurlijke processen in tuin en openbaar groen in plaats van de gebruikelijke beheersing. Daarnaast dienen bewoners een veel grotere rol in hun eigen woonomgeving te krijgen, is zijn devies. Om zijn ideeën in praktijk te brengen richt hij in Heerenveen een middenberm in als plantsoen en bouwt hij in Mildam aan een eeuwigdurende Ecokathedraal.

De historische tuin

Een opkomend monumentenbeleid en de bedreiging van onder meer historische buitenplaatsen en boerenerven door een geleidelijke teloorgang leidt tot een herwaardering van vormsnoei, symmetrie in de tuinaanleg en toepassing van bepaalde plantensoorten. Bij historische gebouwen worden historische tuinen gereconstrueerd, waarvan paleis Het Loo het bekendste voorbeeld is. Maar ook op nieuwe plekken doen oude tuinelementen het goed, mede beïnvloed door de Engelse plattelandstuin of de oudhollandse boerderijtuin. Strak gesnoeide buxushaagjes, een stenen trog met plantjes, rozenboogjes of hortensia’s worden veelvuldig toegepast.

2. Kenmerken

Ontwerp

Tuinstijl

Er kan in deze periode steeds minder van één dominante tuinstijl worden gesproken. Modetrends komen op en persoonlijke voorkeur ligt steeds meer aan de basis van de tuininrichting. Tegelijk zijn functioneren, doelmatigheid en beheerbaarheid van belang, zeker bij kantoortuinen en instellingsterreinen.

Inspiratie

Professionele tuinontwerpers volgen de wereldwijde tendensen op gebied van tuinarchitectuur, zoals de heldere lijn van de Deense ontwerpen (o.a. C.Th. Sørensen) of de moderne Amerikaanse tuin. In de jaren 70 en 80 zijn kleurrijke tuinontwerpen van de Zuid-Amerikaanse Roberto Burle Marx en de stedelijke impulsen in Barcelona invloedrijk.

Voor de ‘huiselijke’ inrichting van privétuinen wordt in belangrijke mate gekeken naar voorbeelden in Engeland en Duitsland. Speciaal georganiseerde tuinreizen doen bekende Engelse tuinen aan, zoals Sissinghurst, Great Dixter of Hidcote Manor. Instructieboeken worden met name uit het Engels en het Duits vertaald, door bekende auteurs als vader en zoon (Rob) Herwig of Wim Oudshoorn. Het ontwerpen van een vaste plantenborder waarin veel verschillende soorten planten tot een bloeiende harmonieuze eenheid worden gesmeed, is een vaardigheid die velen willen leren beheersen.

Ontwerpers

Mede door de professionalisering van de opleiding en beroepsgroep zijn er enkele invloedrijke ontwerpers in deze periode. Vanuit de opleiding in Wageningen is professor Jan Bijhouwer en zijn opvolger Meto Vroom van belang. Naast andere vakbeoefenaars zijn tuin- en landschapsarchitecten Hans Warnau, Wim Boer en Nico de Jonge als docent bepalend, veelal vanuit een modernistische stijlopvatting. Mien Ruys is via haar docentschap, door de productiviteit van haar bureau en als auteur van talloze boeken en artikelen bijzonder invloedrijk. Met name de adviezen en voorbeelden werkten door op het aanzien van vele voor- en achtertuinen, waarin vaste-plantenborders, bielzen en grindtegels verschijnen. Oud-medewerker van Bureau Mien Ruys en tuinarchitect Arend Jan van der Horst krijgt in de jaren 80 bekendheid als auteur van tuinboeken en mede-initiatiefnemer van de Nederlandse Tuinenstichting.

3. Componenten en materialen

Thema’s en deeltuinen

Deze tuinthema’s (niet altijd per se typisch voor deze periode) vonden een eigen schaal en toepassing in de tuinen in de periode 1965-1990:

  • Rozentuin: toepassing van verschillende typen rozen in een vak (met buxus omgeven) of klimmend over een rozenboog
  • Rotstuin: kleinblijvende (vet)planten tussen veldkeien of stapelmuurtjes, eventueel in een bak op het balkon of in een trog bij de schuur
  • Heidetuin: heidesoorten gecombineerde met (kleine) coniferen en afgewerkt met bijvoorbeeld flagstones en houten kantopsluiting (bielzen, perkoenpalen)
  • Border-gazontuin: rand met gegroepeerde en in stroken gezette vaste planten, weelderig in variatie en bloei, in contrast met het aanliggende gazon of pad
  • Heemtuin: een natuurlijk opgezette tuin met inheemse boom- en (vaste) plantensoorten en variatie vanuit landschappelijke gradaties, zoals door middel van waterplassen of hoogtes
  • Vijvertuin: veelal in de vorm van kleine, voorgevormde kunststof bakken met variatie aan vijverplanten

Hout en beton

Ook de tuin ontkomt niet aan massaal beschikbaar gekomen en geproduceerde elementen. Bekende voorbeelden zijn de houten spoorbiels of de palissadenrand om hoogteverschillen mee vast te leggen. Verschillende soorten betonblokken worden gebruikt om randen mee te creëren. Ook grindbetontegels en grasbetontegels komen in deze periode op de markt.

Vaste planten

Onder meer door het bezoeken van binnen- en buitenlandse tuinen of onderlinge uitwisseling in tuinclubs ontstaat vergroting van het plantensortiment. Zogenaamde ‘fijnkwekers’ specialiseren zich in een aanbod van bijzondere vaste planten. Ook de bolgewassen of stinzenplanten krijgen hernieuwde aandacht.

4. Enkele voorbeelden

  • Buitenplaats Kloetinge, tuin van Ineke en Jan Lenshoek-Van de Water, één van de Zeeuwse tuinen.
  • Provinciehuis in Zwolle met buitenruimte ontworpen door Mien Ruys.
  • Kasteel Walenburg, tuin van/door echtpaar Canneman-Philipse te Langbroek, één van vroege opengestelde tuinen.
  • Tuinen van Mien Ruys in Dedemsvaart, als complex van voorbeeldtuinen, aangelegd naast de kwekerij van haar vader.
  • Kloostertuin Abdij Sint Benedictusberg te Mamelis, ontworpen door Pieter Buys.
  • Prionatuinen in Schuinesloot, ontworpen door Henk Gerritsen en Anton Schlepers
  • Kantoorgebouw ING door Alberts en Van Huut te Amsterdam, met dak- en binnentuinen door Copijn Groenadviseurs.


Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 13 mrt 2026 om 17:15.