Restauratie van natuursteen aan de Domkerk in Utrecht

Introductie

Artikel over de verschillende restauraties aan het natuursteen van de Utrechtse Domkerk die plaats hebben gevonden vanaf 1850. Oorspronkelijke titel : Het veranderde aanzicht van de Utrechtse Domkerk. Over de omgang met natuursteen in de Nederlandse restauratiepraktijk.

zicht op het koor van de Domkerk
Afb.1. Utrecht, Domkerk. Zicht op de noordkant van het koor, met op de voorgrond rechts de traptoren tussen het koor en het noordertransept. Aan het koor zijn verschillende materialen zichtbaar: de balustrade is van Peperino duro (donkergrijs), de hogels en kruisbloemen op de wimbergen boven de vensters zijn deels van terracotta (oranjerood van kleur) en de onderste zijn van tufsteen (lichtbruine kleur), de traceringen in de vensters en wimbergen zijn van Bentheimer zandsteen en de steunberen van Ledesteen (foto auteur)
bewerkte zandsteen
Afb.2. Utrecht, westwand transept Domkerk. Bentheimer zandsteen daterend van de bouwtijd van het transept (tweede helft 15de eeuw). Het zichtvlak van de blokken is gescharreerd met een vlakke beitel van ongeveer 4 tot 5 cm breed en voorzien van een schuine randslag. De richting van de slagen varieert, al naar gelang het de steenhouwer het beste uit kwam (foto auteur)
natuursteen aan transept
Afb.3.Utrecht, noordgevel transept Domkerk. Steen- en beeldhouwwerk daterend van de periode Kamperdijk. De vlakke kanten van de tracering zijn gefrijnd (1), de holle profielen geschuurd (2) en in het fond is nog iets van de scharreerslag zichtbaar (3). Ook het beeldhouwwerk is glad en strak afgewerkt (foto auteur)
Straalkapel Domkerk
Afb.4. Utrecht, straalkapel Domkerk. Het venster in het midden is uitgevoerd in Udelfanger zandsteen en voornamelijk glad geschuurd. De paramentblokken rondom het venster zijn van Weiberner tufsteen en zeer fijntjes gefrijnd
Bewerkte pijler van de Domkerk
Afb.5. Utrecht, Domkerk. Afwerking van de Drachenfels trachiet in het koor van de kerk (foto auteur)
tufsteen traptoren
Afb.6. Domkerk Utrecht, traptoren in de hoek tussen koor en noordertransept. Er resteert aan dit gedeelte van de kerk nog Weiberner tufsteen met de afwerking die dateert van de bouwtijd. Deze afwerking was zeer verfijnd, met een regelmatige schuine randslag. Eerst werd de steen glad geschaafd of geschuurd waarna met een vlakke beitel een inkerving in de steen werd gestoken (foto auteur)
bewerkte tufsteen
Afb.7. ‘s- Hertogenbosch, St.-Janskathedraal. In de viering en het koor van deze kerk is Weiberner tuf gebruikt als bouwmateriaal voor de pijlers. Ondanks de dunne verflaag op de steen is nog goed te zien dat de steen op een vergelijkbare manier is afgewerkt als bij de Domkerk in Utrecht (foto auteur)
traptoren zandsteen
Afb.8. Utrecht, traptoren in hoek noordertransept/koor. De hoekblokken zijn vervangen en grof afgewerkt, de dieper liggende blokken links daarvan zijn blokken Weiberner tufsteen uit de bouwtijd van de kerk. Deze waren in de periode Kamperdijk bepleisterd met mortel en in de periode Slothouwer is dat weer weggekapt. Vandaar dat ze ook dieper terug liggen in de gevel
bewerkte zandstenen pinakel
Afb.9. Utrecht, traptoren in de hoek van het koor en het noordertransept. Pinakel aan de voorzijde van de toren, die in de periode Slothouwer opnieuw is bekapt (foto auteur)
steunbeer Domkerk
Afb.10. Utrecht, Domkerk. Steunbeer aan de noordzijde van het koor. Links: Drachenfels trachiet uit de bouwtijd van de kerk, zeer verfijnd afgewerkt. Midden: Bentheimer zandsteen, gefrijnd en geschuurd, uit de periode Kamperdijk. Daaromheen grof bekapte tufsteen uit de periode Slothouwer (foto auteur)
Maastricht stadhuis
Afb.11. Maastricht, stadhuis. De blokken die recent zijn vervangen tekenen zich duidelijk af, niet alleen door het gebruik van een andere steensoort, maar ook door een andere afwerking (foto auteur)

Bewerkingssporen op natuursteen

Bewerkingssporen op natuursteen worden meer en meer gebruikt door bouwhistorici als bron om een gebouw te dateren. Aan het interieur van veel historische bouwwerken zijn deze sporen soms nog bewaard gebleven, zij het dat bij restauraties de steen nogal eens werd gedecapeerd en dus de oorspronkelijke afwerking verloren is gegaan. Bestudering van deze sporen aan het exterieur van deze gebouwen is vaak nog lastiger. Niet alleen zijn de sporen letterlijk uitgewist door verwering van de huid van de steen, ook door het vervangen van natuursteen aan het exterieur in het kader van herstelwerkzaamheden is veel verloren gegaan. Nu zou men kunnen denken dat de afwerking van de vervangende steen niet af zal wijken van de oude steen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Het blijkt zelfs mogelijk om verschillende restauratiecampagnes uit elkaar te houden doordat de steen steeds anders is afgewerkt, los van het feit dat bij deze campagnes ook vaak een andere steensoort werd gekozen dan de aanwezige steensoort .

De afgelopen jaren is de Domkerk in Utrecht opnieuw in de steigers gezet om de nodige herstelwerkzaamheden aan het gebouw te verrichten. De buitenhuid van het gebouw bestaat voor het grootste gedeelte uit natuursteen. Voor de gevels, luchtbogen, balustrades en vensterharnassen is gebruik gemaakt van verschillende soorten natuursteen, afkomstig uit Frankrijk, België, Duitsland en zelfs Italië. Een deel van deze soorten is gebruikt tijdens de bouw van de kerk, maar bij de verschillende restauraties die het gebouw heeft ondergaan zijn er ook soorten steen gebruikt als vervangsteen, die eerder niet aan het gebouw voorkwamen. Bij de bouw van de kerk zijn vooral Drachenfels trachiet, Weiberner en Römer tufsteen, Ledesteen en Bentheimer zandsteen gebruikt als bouwsteen. Bij de restauraties die plaats vonden vanaf het midden van de 19de eeuw zijn daar nog onder andere bijgekomen Udelfanger zandsteen, Bollendorfer zandsteen, Peperino Duro, Ettringer tufsteen, Volvic basaltlava en Weidenhahn trachiet (Zie Afb.1.)

Naast het gebruik van andere steensoorten valt ook op dat de afwerking van het steen- en beeldhouwwerk bij de verschillende restauraties anders is uitgevoerd dan het oorspronkelijke werk. Nu resteert er bijzonder weinig van het oorspronkelijke steen- en beeldhouwwerk aan het exterieur van de Domkerk, maar door recent geplaatste steigers is het wel mogelijk gebleken om nog wat restanten te vinden van bewerkte natuursteen die dateren uit de bouwtijd van de kerk. De bouw van de kerk heeft een aantal eeuwen geduurd en ving aan met de aanleg van de straalkapellen in 1254, waarna vervolgens de rest van het koor, daarna het transept en als laatste het schip werden gebouwd . De bouw strekte zich uit tot 1525, toen door de Reformatie de inkomsten voor de bouw van de kerk praktisch stil vielen.

In de loop der eeuwen werden verschillende steensoorten toegepast voor de bouw. De koorsluiting is voornamelijk opgetrokken van Drachenfels trachiet en tufsteen. Bij de bouw van de noordzijde van het koor werd daarnaast gebruik gemaakt van witte Belgische gesteenten, zoals Ledesteen en Brusselse steen. Ook aan het transept zijn deze gesteenten nog te vinden, maar hogerop aan het transept is vrijwel alleen maar Bentheimer zandsteen gebruikt als bouwsteen. Het schip van de kerk is ingestort door een orkaan die in 1674 door de stad raasde, de restanten zijn geruime tijd daarna opgeruimd en er is weinig bewaard gebleven van de steen die voor de bouw dit deel van de kerk werden gebruikt. In het kader van dit artikel, waarin het gaat over de veranderingen die plaats hebben gevonden aan de afwerking van de steen gedurende restauratiecampagnes aan de Domkerk is het ook niet relevant.

Restauratie Kamperdijk

Bij de verschillende restauraties die de kerk heeft ondergaan vanaf 1850 is veel van de steen die zich aan het exterieur van de kerk bevond vervangen . Daarbij werd vaak een andere soort steen gebruikt als vervangsteen. Bij de restauraties onder leiding van architect Nicolaas Kamperdijk, die aan de Domkerk werkte tussen 1850 en 1875, werd voornamelijk Bentheimer zandsteen gebruikt als vervangsteen . Het gebruik van deze zandsteen was in ieder geval bij het transept grotendeels in overeenstemming met de steen die bij de bouw was toegepast . De afwerking van de steen was echter geheel anders van aard dan de afwerking uit de bouwtijd. De Bentheimer zandsteen aan het transept van de Domkerk werd tijdens de bouw gescharreerd met een brede vlakke beitel, een zogenaamd ceseel (Zie Afb.2. ). Bij deze afwerking zijn de slagen regelmatig van breedte en liggen ze meestal schuin over het vlak. Soms zijn er randslagen gemaakt, soms ook niet. Ook is er steenhouwwerk te vinden dat nog met een steenbijl afgewerkt lijkt te zijn. Vele van deze blokken zijn ook voorzien van een merk.

Het steenhouwwerk dat is gemaakt tijdens de restauratie onder leiding van Kamperdijk is eveneens gescharreerd geweest. Vanaf de late middeleeuwen was het scharreren een gebruikelijke bewerking om het vlak te effenen, nadat met een puntbeitel en eventueel een getande beitel het vlak was bewerkt. Na deze bewerking werden in de negentiende eeuw de vlakken echter glad geschuurd. Soms is niet intensief door geschuurd, waardoor de scharreerslag nog te zien is, maar in veel gevallen is de scharreerslag niet meer te zien. Bij gebogen vlakken en beeldhouwwerk is het geschuurde vlak verder zo gelaten, maar platte vlakken zijn na het schuren ook nog gefrijnd (Zie Afb.3.). Deze afwerking is volkomen in overeenstemming met de bewerking van natuursteen aan de gebouwen die in het midden van de negentiende eeuw werden gebouwd. Er werd dus kennelijk geen onderscheid gemaakt tussen het steenhouwwerk voor restauraties en het steenhouwwerk voor de nieuwbouw.

Ook wat betreft de keuze voor het materiaal werd door Kamperdijk niet altijd gestreefd naar het gebruik van het oorspronkelijke materiaal. Naast Bentheimer zandsteen werd door Kamperdijk ook terracotta gebruikt voor nieuw te maken hogels en kruisbloemen die werden geplaatst op de wimbergen, balustrades en geveltoppen van de Domkerk. Juist in deze periode was het gebruik van terracotta voor ornamenten sterk in opkomst. In Utrecht en Zeist (nabij Utrecht) waren fabrieken die op grote schaal ornamenten produceerden voor de bouw en zij werden door Kamperdijk ingeschakeld om ornamenten voor de Domkerk van terracotta te maken. Het was aanzienlijk goedkoper dan de toepassing van natuursteen. Daarnaast gebruikte Kamperdijk ook mortels op basis van portlandcement, een bouwmateriaal dat nog maar net zijn intrede had gedaan in de bouw, waarmee hij vooral de verweerde tufstenen paramentblokken aan de gevels van de kerk bepleisterde.

Ondanks het gebruik van andere materialen en afwerkingen op het steenhouwwerk is veel van het werk uit de periode Kamperdijk wat de vormgeving betreft wel degelijk afgestemd op het oude werk. De forse kanthogels op de wimbergen aan de westgevel van het transept zijn duidelijk gemaakt in navolging van de oude voorbeelden. Zelfs de terracotta kanthogels aan dit gedeelte van de kerk hebben overeenkomsten met de middeleeuwse natuurstenen hogels die nog resteren van dit bouwdeel.

Restauratie Nieuwenhuis

In 1875 nam Nieuwenhuis de rol over van Kamperdijk . Nieuwenhuis begon met de restauratie van de koorsluiting, waarbij hij net als Kamperdijk de vormgeving van het oude werk eerst bestudeerde en gebruikte als model voor het nieuw te maken werk. Waar voorbeelden voor ornamenten ontbraken werden door de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg, afkomstig uit Keulen maar op dat moment sinds enkele jaren gevestigd in Utrecht, modellen vervaardigd die vervolgens door ornamentwerkers werden uitgevoerd in steen. Nieuwenhuis moet naast Weiberner tufsteen ook veel Drachenfels trachiet aangetroffen hebben aan dit bouwdeel. Her en der zijn tegenwoordig nog blokken van dit materiaal gespaard gebleven, maar grotendeels is het door Nieuwenhuis vervangen. Opnieuw werd Weiberner tufsteen gebruikt, met name voor de paramenten, maar Drachenfels trachiet was niet meer voor handen. Om onbekende redenen werd gekozen voor Udelfanger en Bollendorfer zandsteen als vervangende steen (Zie Afb.4.). Steensoorten die indertijd op veel meer restauratiewerven werden gebruikt als vervangsteen, maar niet behoorde tot de historische bouwstenen in Nederland. Ze werden hier pas tegen het einde van de negentiende eeuw gebruikt als bouwsteen.

Niet alleen de steensoort werd een andere, ook de afwerking van de steen werd anders uitgevoerd dan hetgeen nog te zien is op de Drachenfels trachiet en de Weiberner tufsteen. Net als in de periode Kamperdijk werd de zandsteen gescharreerd en geschuurd. De frijnslag die soms te zien is bij het werk uit de periode Kamperdijk is in deze periode niet meer toegepast. Ook nu weer is de afwerking van de vervangsteen geheel anders dan de afwerking van het steen- en beeldhouwwerk uit de bouwtijd. Aan de sporadisch bewaard gebleven Drachenfels trachiet blokken aan het koor is te zien dat tijdens de bouw van dit deel van de kerk het zichtvlak werd afgewerkt met een vlakke bijl en een smalle schuine randslag. Deze bewerking werd zeer verfijnd uitgevoerd; de slagen waren zeer smal en verliepen vrijwel parallel aan de zijden van het blok (Zie Afb.5.). Deze afwerking was waarschijnlijk het resultaat van een aantal herhaalde bewerkingen van het oppervlak met een vlakke bijl. Deze afwerking werd zowel aan het exterieur als aan het interieur toegepast.

Net als bij de Drachenfels trachiet is ook bij de Weiberner tufsteen die nog resteert van de bouwtijd een bijzonder verfijnde afwerking te zien. Ook bij deze steen heeft het vlak een schuine randslag en is het vlak voorzien van zeer regelmatige aangebrachte slagen die parallel lopen aan de zijden van het blok. Het lijkt daarmee sterk op de afwerking van de Drachenfels trachiet, maar de techniek en gereedschappen waarmee het tot stand is gekomen is een geheel andere. Het oppervlak van de tufsteen is glad geschaafd of gestoken en vervolgens zijn de slagen in het vlak gekerfd met een scherpe vlakke beitel. Deze wijze van afwerking is eveneens weer verbazingwekkend verfijnd uitgevoerd. Op een aantal blokken aan de voet van de traptoren, die in de hoek staat tussen het koor en het noordertransept, is deze afwerking nog bewaard gebleven (Zie Afb.6.). De blokken tufsteen zijn hier van flinke afmetingen (zeker een halve meter hoog) en de voegen tussen de blokken zijn slechts enkele millimeters dik. Deze afwerking komt ook bij andere gebouwen uit dezelfde periode waar deze tufsteen is gebruikt: in het koor van de Stevenskerk in Nijmegen, aan de restanten van het noorderportaal aan de Eusebiuskerk in Arnhem en in het koor en de viering van De St.-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch (Zie Afb.7.).

De frijnslag op de Weiberner tufsteen paramenten die zijn aangebracht tijdens de restauratie onder Nieuwenhuis heeft wel enige gelijkenis met deze middeleeuwse afwerking van de tufsteen. Het verschil is echter dat bij de restauratie de tufsteen met een vlakke brede beitel daadwerkelijk is gefrijnd. De slagen die daarbij gemaakt zijn met de beitel hebben een breedte van ongeveer drie millimeter. Tussen deze slagen door is geen glad geschaafd oppervlak te zien en de slagen zijn ook niet in de steen gekerfd, zoals bij de middeleeuwse afwerking het geval is. De afmetingen van de tufstenen paramentblokken die Nieuwenhuis gebruikte hebben ongeveer het formaat van een flinke baksteen. Dergelijke afmetingen werden in de bouwtijd van de kerk gebruikt voor paramentblokken van Römer tufsteen en niet bij de Weiberner tufsteen. Waarschijnlijk is dan ook het paramentwerk aan de koorsluiting dat door Nieuwenhuis integraal werd vervangen in Weiberner tufsteen nooit van deze tufsteen geweest. Hoe de Römer tufsteen die hier dan gezeten moet hebben afgewerkt was, is helaas niet meer te zien.

Restauratie Slothouwer

Vanaf 1921 werden er opnieuw herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan de Domkerk . Architect D.F. Slothouwer maakte een opname van het gebouw en kwam tot de conclusie dat veel van het werk dat was uitgevoerd door architect Kamperdijk niet meer in orde was. Ook het gebruik van Udelfanger zandsteen in de periode Nieuwenhuis had tot problemen geleid, want de steen bleek op een aantal plaatsen zeer gevoelig voor de elementen. Slothouwer voerde vervolgens onder andere werkzaamheden uit aan de noordkant van het koor. Daar waar Kamperdijk Bentheimer zandsteen had toegepast als vervangsteen, maar ook de Weiberner tufsteen uit de bouwtijd had gepleisterd met een mortel op basis van portlandcement. Veel van deze mortel werd door Slothouwer weer verwijderd. De tufsteen die onder deze mortel vandaan kwam werd deels gedecapeerd en deels vervangen (Zie Afb.8.). Als vervangsteen werd opnieuw tufsteen gebruikt. Een deel van deze vervangende tufsteen is van het Weiberner type, maar Slothouwer gebruikte ook Ettringer tufsteen. Deze tufsteen is net als de Weiberner en Römer afkomstig uit de Duitse Eifel, maar werd pas in de negentiende eeuw gebruikt als bouwsteen. In Nederland kwam het gebruik van deze steen sterk op gang in het begin van de twintigste eeuw. Naast het verwijderen van pleisterlagen en het decaperen en vervangen van tufsteen werd onder Slothouwer ook de vervangsteen op een opmerkelijke wijze afgewerkt. Geheel anders dan de verfijnde afwerking uit de bouwtijd, werd de tufsteen nu zeer grof afgewerkt. Met een smalle vlakke beitel is de steen zeer ongelijkmatig gescharreerd. De richting van de slagen is sterk verschillend, ook binnen een vlak. Randslagen komen niet stelselmatig voor. De breedte van de slagen is minstens vijf millimeter tot soms wel een centimeter breed. Niet alleen de vervangsteen werd van deze afwerking voorzien, ook de ontpleisterde tufsteen werd op deze wijze afgewerkt. Dat heeft er ook toe geleid dat deze tufsteen dieper in de gevel ligt. Soms met een verschil van wel een paar centimeter ten opzichte van het vernieuwde werk

Ook de zandsteen uit de periode Kamperdijk werd in een aantal gevallen gedecapeerd op dezelfde wijze als de tufsteen (Zie Afb.9.). Kennelijk was het steen- en beeldhouwwerk uit de periode Kamperdijk onacceptabel voor Slothouwer en vond hij het nodig om het oppervlak opnieuw af te werken. Het gladgeschuurde en soms gefrijnde oppervlak van de zandsteen werd voorzien van een grove scharreerslag met een smalle platte beitel.

Deze aversie van Slothouwer tegen het negentiende-eeuwse restauratiewerk was indertijd niet vreemd. In 1918 werden met het oprichten van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg nieuwe beginselen voor de restauratie van historische bouwwerken van kracht. Met name door commissielid Arend Odé, gesteund voor Jan Kalf (vanaf 1919 voorzitter van de commissie en directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg), vond er een omslag plaats wat betreft de afwerking van het steen- en beeldhouwwerk. Arend Odé, beeldhouwer en hoogleraar in Delft, vond het steen- en beeldhouwwerk uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw veel te strak uitgevoerd, typeerde het resultaat als “een doodgemarteld stuk materiaal”, en pleitte voor levendig handwerk . Slothouwer nam de opvattingen van Odé over en zei daarover in 1940: “De wijze van hakken van steenhouwers was verbasterd tot een quasi mechanisatie en wanneer de steenhouwers weer leeren hakken en het object dat zij maken weer leeren zien, dan is het mogelijk aan een gewoon iets de charme te geven die wij vinden in de wijze van ’t hakken van een werkelijk oud fragment ” . Het ging volgens Slothouwer daarbij niet om het imiteren van het oude werk, maar het “terugvinden van het juiste begrip, dat de schoonlijn die is, die gezet is door de levende hand van een kunstenaar en dat we ons niet meer hebben te regelen naar de lijn, die gemaakt wordt door de machine of door imitatie daarvan” Bij de restauratie werd het streven van Odé als leidraad gebruikt voor het nieuw te maken werk met als gevolg dat er inderdaad levendig handwerk is gemaakt, maar dat het tegelijkertijd weinig te maken heeft met de afwerking van de steen zoals die werd uitgevoerd tijdens de bouw van de kerk.

Restauratie Van Hoogevest

Tussen 1981 en 1988 werd de Domkerk opnieuw in de steigers gezet . Dit keer werden onder leiding van ir. T. van Hoogevest herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan het bestaande steen- en beeldhouwwerk aan het exterieur van de kerk, zij het op bescheiden schaal. Daarbij werden soms dezelfde steensoorten gebruikt als de reeds aanwezige. Udelfanger zandsteen aan het koor van de kerk werd dus zo nodig vervangen door Udelfanger zandsteen. De afwerking van de vervangsteen lijkt enigszins op de afwerking uit de negentiende eeuw. De steen is vooral gescharreerd en soms geschuurd. Naast deze herstellingen is er ook gereconstrueerd; een deel van de balustrades op het koor en het transept en de pinakels op de steunberen rond het koor waren al eeuwen van de kerk verdwenen, maar bij deze restauratie zijn deze onderdelen gereconstrueerd en uitgevoerd in een Italiaans tufsteen, Peperino duro. Volgens de architect werd deze steen gebruikt om duidelijk te maken dat het om een nieuwe tijdslaag gaat aan het gebouw . De afwerking van deze onderdelen van Peperino wijkt niet veel af van hetgeen is gedaan in de voorafgaande restauratiecampagnes. De steen is vooral met een brede vlakke beitel gescharreerd, waarbij de slagen over het algemeen 3 tot 4 mm breed zijn en in verschillende richtingen over het vlak liggen. De afwerking is dus wat verfijnder uitgevoerd dan het steenhouwwerk uit de periode Slothouwer, maar wat grover dan het steenhouwwerk uit de periode Kamerdijk en Nieuwenhuis. Het heeft eveneens geen gelijkenis met de afwerking zoals die in de bouwtijd werd uitgevoerd.

Hoe nu verder?

Het mag duidelijk zijn dat bij de opeenvolgende restauraties van de Domkerk in de afgelopen anderhalve eeuw het nodige is gewijzigd aan het gebouw. Niet de hoofdvorm van het gebouw is gewijzigd, maar wel de huid van het gebouw. Andere steensoorten zijn toegepast en andere afwerkingen dan degenen die gebruikt werden voor de bouw van de kerk. Het is opmerkelijk te noemen dat een gebouw als de Domkerk bij deze restauratiecampagnes uitgebreid werd opgenomen, opgemeten en uitgetekend, dat er over het gebouw zo veel is geschreven, maar dat de hierboven weergegeven wijzigingen aan het gebouw meestal aan de aandacht ontsnappen. Er is in ieder geval nooit een aparte studie gemaakt naar de oorzaak van deze wijzigingen en de gevolgen ervan (Zie Afb.10.).

Deze ontwikkelingen zijn bovendien niet ten einde. Het blijft helaas noodzakelijk om steen te vervangen, omdat bepaalde natuurstenen onderdelen van het gebouw nu eenmaal op den duur in een te slechte staat verkeren om ze te kunnen behouden. Vaak betreft dat steen die gedurende een restauratie is verwerkt, want natuursteen uit de bouwtijd is op kwetsbare plekken niet of nauwelijks meer voor handen. In de toekomst zal dus opnieuw nagedacht moeten worden hoe vervangsteen afgewerkt moet worden en welke soort steen daarvoor gebruikt moet worden. Moet terug gegrepen worden op hetgeen is gedaan in de bouwtijd van de kerk, moet aansluiting gezocht worden bij de afwerking en materiaalgebruik van een restauratieperiode of voegen we weer een nieuwe tijdslaag toe? Zie hier de impasse waar iedere restauratiecampagne vroeg of laat in verkeert; voor elke optie zijn argumenten aan te voeren.

Teruggrijpen op de afwerking uit de bouwtijd levert mogelijk geschiedsversvalsing op. Het is dan niet meer aan het gebouw af te lezen welke onderdelen zijn vervangen en welke van de bouwtijd dateren. Nu blijkt dat in de praktijk vrijwel altijd nieuw werk zich onderscheidt van het oudere werk, hoe men ook tracht het oude werk te benaderen. Dit probleem is in de praktijk dus zelden aan de orde, maar het vraagt natuurlijk wel om een geoefend oog om een en ander te kunnen onderscheiden. Wanneer er voor gekozen wordt om de afwerking van de vervangsteen bewust af te laten wijken van de oorspronkelijke afwerking kan daarentegen het verschil tussen de oude steen en de vervangsteen zodanig in het oog springen dat het verband tussen het oude en nieuwe werk verloren gaat en het de architectuur van het gebouw verstoord. Het gebouw is niet meer wat het was, ondanks dat de hoofdvorm bewaard is gebleven.

Dit probleem werd door Odé gesignaleerd en in verband gebracht met de restauratiepraktijk vóór 1918, maar het blijkt achteraf gezien ook te gelden voor de restauraties na 1918. Odé wees er op dat een strakke uitvoering van het steen- en beeldhouwwerk een doods en levenloos karakter gaf, wat volgens hem in tegenspraak was met het oude werk. Deze veronderstelling is op zich juist, maar de afwerkingen die we na 1918 zien aan de Domkerk zijn eveneens in tegenspraak met het oude werk. De steenhouwers die tussen 1850 en 1918 bij restauraties werkzaam waren hadden gestreefd naar een perfectie die het werk van een machine benaderde, maar die machine was er toen nog niet. Odé pleitte voor levendig handwerk en zorgde er daarmee voor dat het gebruik van machines voor het afwerken van natuursteen in de restauratie ook nog lange tijd op zich liet wachten. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw kwam het gebruik van machines om steenhouwwerk ten behoeve van restauraties uit te voeren pas echt goed op gang. Dat had niet zozeer zijn weerslag op de uitvoering van beeldhouwwerk of geprofileerd steenhouwwerk, maar vooral op de uitvoering van vlakke blokken. In het verleden werden vlakken met handgereedschappen gemaakt, terwijl in de loop van de twintigste eeuw meer en meer vlakken gezaagd werden. Na het zagen werden ze dan nog bewerkt met handgereedschappen, maar het resultaat is toch geheel anders van aard als het handwerk uit het verleden. Het gebruik van machines leidde tot een aanzienlijke kostenbesparing, maar ook tot een andere afwerking van het oppervlak wanneer steen werd vervangen. De aldus verkregen afwerking van de vervangende steen maakt het goed mogelijk om nieuw van oud werk te onderscheiden, maar met name het steenhouwwerk verandert van karakter. Wanneer na eeuwen bij het gehele gebouw op deze wijze de natuursteen op zeker moment is vervangen heeft er toch een wezenlijke verandering van het monument plaats gevonden.

Soms heeft het behoud van een afwerking ook meer gevolgen dan alleen maar het verlies van het oorspronkelijke karakter. Dat laat zich illustreren aan de hand van restauraties aan het zeventiende-eeuwse stadhuis van Maastricht. In de hal van het stadhuis is de natuursteen tijdens de bouw op dezelfde wijze afgewerkt als de natuursteen aan de buitengevels. Deze behandeling van het oppervlak heeft een bepaalde betekenis; deze hal wordt “het Plein” genoemd en heeft ook het karakter van een buitenruimte. Deze ruimte was waarschijnlijk altijd vrij toegankelijk en functioneerde als ontmoetingsplaats tussen burgers en bestuurders . Niet alleen is zowel in de hal als aan de buitengevels van het gebouw dezelfde steensoort gebruikt, maar ook dezelfde afwerking. Deze afwerking oogt nu merkwaardig grof voor het interieur van zo een belangrijk gebouw, alsof het gaat om een buitengevel, en dat was ook de bedoeling van de ontwerper. Aan het exterieur is in het kader van restauratiewerkzaamheden in de afgelopen eeuw inmiddels al het een ander vervangen, waarbij met name bij de laatste restauratie aan het einde van de vorige eeuw blokken zijn afgewerkt op een wijze die niet aansluit bij het oude werk (Zie Afb.11.). Dat is met name te wijten aan het feit dat de steen die bij de laatste restauratie is aangebracht niet op maat gemaakt is met handgereedschappen, maar met de zaagmachine. Op den duur gaat door deze wijze van vervangen de relatie tussen de hal en het exterieur van het gebouw meer en meer verloren.

Ook relaties met andere gebouwen raken verloren door bij restauraties naast de gebruikte steensoorten ook de afwerking te wijzigen van de vervangsteen. Natuursteen is in Nederland in de meeste gevallen ingevoerd vanuit gebieden ver over de grens. Er blijkt niet zelden een overeenkomst te zijn tussen de afwerking van de steen hier en gebieden elders, waar de steen eveneens is toegepast en waar deze vandaan komt. Bij Drachenfels trachiet is dat duidelijk het geval. Deze steen werd even ten zuiden van Keulen langs de Rijn gewonnen en stroomafwaarts toegepast voor de bouw van de Dom van Keulen, Xanten en Utrecht. De afwerking van deze trachiet aan de Dom van Xanten en de Dom van Keulen heeft duidelijk overeenkomsten met de afwerking van deze steen bij de Utrechtse Domkerk. De bouw van deze kerken begon nagenoeg gelijktijdig, de bouwsteen was hetzelfde en ook de afwerking is vergelijkbaar. Door de afwerking van de steen te wijzigen doen we tegelijk recht en onrecht aan de geschiedenis van het gebouw. Er gaat betekenis verloren en er komt een nieuw hoofdstuk bij. Maar moet er wel altijd een nieuw hoofdstuk geschreven worden? Bij de meeste recente herstellingen aan de Domkerk, die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd onder leiding van architect G. van Hoogevest, is ervoor gekozen om de aangetroffen situatie zo veel mogelijk te handhaven. De materiaalkeuzes en afwerkingen van voorgaande restauraties zijn dus gerespecteerd. Dit werd mede ingegeven door het feit dat het om een zeer geringe hoeveelheid natuursteen ging die moest worden vervangen. De steenhouwers die de vervangende blokken natuursteen hebben gemaakt, hebben zich er voor ingezet om de steen op dezelfde manier af te werken als de steen die ze moeten vervangen. In dit geval ging dat meestal om tufsteen die werd toegepast in de periode Slothouwer. Ook het beeldhouwwerk van tufsteen, dat in een zeer slechte staat verkeerde is door de beeldhouwers als voorbeeld genomen voor het nieuwe beeldhouwwerk dat opnieuw is uitgevoerd in tufsteen. Het was niet direct evident dat er weer tufsteen toegepast moest worden, want de beperkte houdbaarheid van de steen gaf aanleiding om te twijfelen aan het gebruik als vervangsteen. Het karakter van de steen en de mogelijkheden die het de steen- en beeldhouwers verschaft om het nieuw te maken werk aan te laten sluiten bij het oude werk gaven echter de doorslag. Het aanzicht van het gebouw als geheel is daardoor nagenoeg ongewijzigd gebleven. Voor het geoefend oog is het mogelijk om de natuursteen uit de periode Slothouwer te onderscheiden van de recent toegevoegde vervangsteen, maar het verschil is miniem. Een aantal blokken is van een jaartal voorzien, om toch in de toekomst enig houvast te geven aan degenen die dan weer het gebouw in de steigers zetten en opnieuw zich moeten gaan afvragen welke natuursteen ze gaan gebruiken als vervangsteen en hoe deze moet worden afgewerkt.

Bibliografie

  • Hartog. E. den. 2015. De bouwsculptuur van de Utrechtse Dom. Een andere kijk op de bouwgeschiedenis. Zwolle.
  • Haslinghuis, E.J. en Peeters, C.J.A.C.1965. De Dom van Utrecht. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Deel II, de provincie Utrecht, eerste stuk, tweede aflevering. Den Haag.
  • Heer, A.R.E. de. 1985. Het programma van de plafondschilderingen in de grote hal van het stadhuis van Maastricht. In : Een seer magnifick Stadthuys. Delft. p.85-112
  • Hoogevest, T. van. 1981. Domkerk. In: Restauratie vijf hervormde kerken in de binnenstad van Utrecht. Jaarverslag 1979 1980 1981. Nr.6. p.56-73
  • Kipp, F. 2014 Van Oudmunsterkerkhof naar Domplein. In: Jaarboek Oud-Utrecht. p.5-40
  • Notulen van de vergaderingen van afdeeling B gehouden in het jaar 1919. Rijkscommissie voor de monumentenzorg. Afdeeling voor het behoud en de herstelling. Notulen no.11. p.75-96
  • Slothouwer, D.F. 1940. Het restaureeren van oude monumenten. Inleiding door professor Slothouwer. In: Bouwkundig Weekblad Architectura. Nr.15. p.123-130

Oorspronkelijk verscheen dit artikel in: "La pierre comme porteur de messages du chantier de construction et de la vie du batiment ". Actes du XXIe Colloque International de Glyptographie. Bruxelles 2019. p.389-402

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 13 dec 2022 om 17:07.