Rijksmonumenten - Buitenplaatsen - 't Gooi en de Vechtstreek


Introductie

’t Gooi en de Vechtstreek staat bekend als een gebied met een hoge concentratie buitenplaatsen. De ontwikkeling van de Vechtstreek tot een gebied van buitenplaatsen vond voornamelijk plaats in de zeventiende eeuw. Het maakte deel uit van een bredere ontwikkeling waarin welgestelde Amsterdammers in de zeventiende eeuw de reinheid en de rust van het platteland zochten. Vijf gebieden hadden hiervoor de voorkeur: langs De Amstel, het Kennemerland, de drooggemalen plassen van Noord-Holland, het Gooi en de Vechtstreek. De eerste buitenplaatsen van welgestelde Amsterdammers werden in de zestiende eeuw dicht bij Amsterdam gebouwd, langs de Amstel en in het gebied achter de duinen. Tot in de negentiende eeuw werden de meeste buitenplaatsen alleen in de zomermaanden bewoond.

Buitenplaatsen langs de Vecht

Zwart-wit prent met op de voorgrond een waterpartij met een paar bruggetjes, en daarachter een aantal voorname gebouwen.
Afb. 1. Gezicht over de Vecht op de voorgevel van het huis Goudestein aan de Vecht te Maarssen. Gedrukte reproductie van een door C. Steenbergh gefotografeerde prent (kopergravure) van Philibertus Bouttats uit 1690/91 naar een schilderij van Jan van der Heyden uit die tijd. Het Utrechts Archief, Publiek Domein.

De zeventiende eeuw bood toenemende politieke stabiliteit en economische bloei. Het voorspoedige handelsverkeer zorgde voor een nieuwe bevolkingslaag: het patriciaat. In deze periode veranderde het Amsterdamse patriciaat vanaf 1626 de Vechtstreek geleidelijk in een lint van buitenplaatsen langs de rivier. Rond 1700 was deze ontwikkeling voltooid. Omdat de buitenplaatsen voornamelijk in de zomermaanden bewoond werden, was de ligging ten opzichte van de stad van groot belang voor nieuw gestichte buitenplaatsen. De buitenplaatsen moesten over water vanuit de stad bereikbaar zijn. De Vechtstreek was hierdoor een interessant gebied vanwege de Vecht. Vanuit Amsterdam was er een trekschuitroute waarmee de buitenplaatsen in de Vechtstreek in zeven uur bereikbaar waren.

De reden dat de Amsterdamse elite gronden langs de Vecht kon verwerven, lag in het gegeven dat na de reformatie het kerkelijk grondbezit in handen kwam van de Staten van Utrecht. Om oorlogsschulden te kunnen voldoen, werden tijdens de Tachtigjarige Oorlog veel van deze gronden verkocht aan de Amsterdamse burgerij. De eerste buitenplaatsen aan de Vecht werden gesticht door de Amsterdamse burgemeester Joan Huydecoper (1599-1661). Hij kocht natte weilanden op, verbeterde de waterhuishouding, legde lanen aan en verkocht vervolgens de gronden aan Amsterdammers die op zoek waren naar een buitenhuis. De ontwerptekeningen voor de buitenplaatsen werden al bij de verkoop van de kavels aangeleverd. Hiervoor werkte Huydecoper vrijwel altijd samen met architect Philips Vingboons (1602-1678). Huydecoper stichtte voor zichzelf de eerste buitenplaats aan de Vecht: Goudestein (1625-1628).

De buitenplaats vervulde drie functies voor deze hogere burgerij. Ten eerste bood zij de mogelijkheid te ontsnappen aan de vuiligheid, stank en drukte van de stad. Ten tweede fungeerde de buitenplaats als uitdrukkingsvorm van de burgerlijke elite om zich met de adel te identificeren. Tot slot was grondbezit een waardevast beleggingsobject waarvan de exploitatie winstgevend was.

Buitenplaatsen in ’s-Graveland

Foto van de achtergevel van een rond gedeelte van het hoofdgebouw met balkon en drie witte beelden. Om het gebouw ligt een gracht.
Afb. 2. Trompenburg. Foto door A. Barnard, beeldbank RCE CC BY-SA 3.0

’s-Graveland staat bekend om zijn buitenplaatsen. Ook deze buitenplaatsen werden gesticht door de burgerlijke elite van Amsterdam. In 1625 kregen Amsterdamse ondernemers vergunning van de Staten van Holland om een gebied van ongeveer 500 hectare te ontginnen.

De verkoop van de afgegraven grond was winstgevend. Het zand werd namelijk vervoerd naar Amsterdam voor de uitlegging van de Heren-, Prinsen- en Keizersgracht. Andersom werd Amsterdams huisvuil naar ’s-Graveland gebracht om te vermengen met zand en veen om een vruchtbare ondergrond te creëren. In 1636 waren de ontginningswerkzaamheden zo ver gevorderd dat de ontstane polder kon worden verkaveld in 27 kavels. ’s-Graveland werd opgezet volgens een modern en geometrisch plan, met veel buitenplaatsen op een relatief klein rechthoekig gebied. Deze ontwikkelingen werden versneld in 1638 toen de ’s-Gravelandse vaart gereed was. ’s-Graveland ontwikkelde zich tot een dorp met een eigen centrum en enkele publieke gebouwen, zoals een herberg, kerk, school en een jaarlijkse paardenmarkt.

Na het rampjaar 1672 raakten de eerste buitenplaatsen in ’s-Graveland verwoest of zwaar beschadigd door de Franse inval. Na hun vertrek in 1673 brak een nieuwe bloeitijd aan. Het is in deze periode dat admiraal Tromp zijn buitenplaats Trompenburg liet bouwen. Veel buitenplaatsen in ‘s-Graveland komen daarom uit de zeventiende en achttiende eeuw.


Rijksmonumenten bij dit artikel

Bronnen


Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 21 apr 2026 om 02:07.