Sanitair in huis


Introductie

Het sanitair in huis heeft tussen 1940 en 1990 een aantal grote ontwikkelingen ondergaan. Mede door technische vernieuwingen en modegevoeligheid was de afwerking van deze voorziening aan veel verandering onderhevig. Daarbij wijzigden ook de inrichting en het gebruik van de ruimtes en de visie op de badcultuur. Zo werd de badkamer pas medio twintigste eeuw gemeengoed in woningen van de arbeiders- en middenklasse.
Wastafelcombinatie Vedette met mengkraan, in catalogus Sanitair van de Technische Unie uit 1967
Afb. 1. Wastafelcombinatie Vedette met mengkraan, in catalogus Sanitair van de Technische Unie uit 1967. Collectie Ronald Stenvert
Omslag catalogus Sanitaire artikelen Peck & Co. uit 1957
Afb. 2. Omslag catalogus Sanitaire artikelen Peck & Co. uit 1957. Collectie Ronald Stenvert
Omslag brochure Erres wasmachines, circa 1957
Omslag brochure Erres wasmachines, circa 1957. Collectie Ronald Stenvert
Advertentie Ocrietfabriek N.V. Baarn
Afb. 4. Advertentie Ocrietfabriek N.V. Baarn
Lavet in Huis Polman in Nagele uit 1956
Afb. 5. Lavet in Huis Polman in Nagele uit 1956. Collectie Henrick de Keyser
Ronde wasfontein van ocriet in Spoorwegmuseum in Utrecht, circa 1955
Afb. 6. Ronde wasfontein van ocriet in Spoorwegmuseum in Utrecht, circa 1955. Foto: Ronald Stenvert
Omslag boek Sanitair, Wegwijs naar meer wooncomfort
Afb. 7. Omslag boek Sanitair, Wegwijs naar meer wooncomfort uit 1977. Collectie Ronald Stenvert
Duobloc met kleedje en dekje uit 1969
Afb. 8. Duobloc met kleedje en dekje uit 1969. Collectie KB
Vier Badkamerinterieurs in 1970
Vier Badkamerinterieurs in 1970
Afb. 9 en 10. Badkamerinterieurs in 1970
Documentatieblad Monobloc catalogus Sphinx, circa 1960
Afb. 11. Documentatieblad Monobloc catalogus Sphinx, circa 1960. Collectie Ronald Stenvert

Badkamers in nieuwbouw

Van het begin tot in de jaren zestig van de vorige eeuw konden volwassen bewoners van sociale woningbouw gebruikmaken van badhuizen, terwijl de kinderen thuis in zinken teilen werden gewassen. Amsterdam was in 1933 de eerste gemeente die voor nieuwbouwwoningen een bad- of doucheruimte verplichtte. Na de Tweede Wereldoorlog werden nieuwe woningen in heel Nederland standaard voorzien van een badkamer, vaak niet meer dan een utilitair vertrek waarin enkel noodzakelijk en makkelijk schoon te houden sanitair stond. In nieuwe eengezinswoningen en flatgebouwen bestond de badgelegenheid meestal uit een vaste douchecel of een kleine badruimte met lavet, voor de noodzakelijke lichaamsreiniging en de textielwas.

Lavet

Het lavet was een combinatie van een klein zitbad en een grote spoelbak met aanrecht en douchekraan, die minder ruimte innam dan een aparte douche en wastafel (afb. 5). Dit was ideaal voor het wassen van kinderen en textiel, maar minder ideaal voor volwassenen. Deze voorziening was een Nederlandse uitvinding van de Ocrietfabriek en werd gemaakt van ocriet (afb. 4). Vanaf 1956 bracht de fabriek een hulpstuk uit waarmee het lavet als wasmachine met centrifuge kon worden gebruikt. Eind jaren zestig introduceerde de fabriek een nieuw lavet in ocron, voordat dit onderdeel begin jaren zeventig vrijwel volledig uit de Nederlandse woning verdween.

Douche en wastafel

In de loop van de jaren zestig kregen nieuwbouwwoningen steeds vaker een douche in plaats van een badruimte met lavet. Dit kwam mede door de toenemende welvaart en de opkomst van de wasmachine. Bovendien eisten de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 dat de badruimte was voorzien van douche-apparatuur én een wastafelcombinatie in de vorm van een wastafel met mengkraan, een oplegplank en een spiegel. De wastafel kon verschillend worden uitgevoerd: een enkele of dubbele wastafel op een console aan de wand, opgehangen aan muurhaken, op een zuil op de vloer of vanaf eind jaren zestig steeds vaker ingebouwd als wastafelmeubel. Begin vorige eeuw waren wastafels vaak van marmer en vuurklei. Vanaf halverwege de eeuw gebruikte men daarvoor voornamelijk kristalporselein en in de jaren zeventig kwamen daar geëmailleerd plaatstaal en kunststof, met name ocron, en in mindere mate roestvrijstaal bij. Een wasvoorziening die in woningen niet voorkwam maar wel in industriegebouwen, scholen en sportkleedkamers is de wasfontein, waaraan meerdere personen zich tegelijk konden wassen. De Ocrietfabriek bracht in de jaren veertig ronde wasfonteinen uit en had hiervoor omstreeks 1960 zo’n 116 klanten in Nederland en 47 in België (afb. 4). In het Spoorwegmuseum in Utrecht staat nog een exemplaar (afb. 6).

Zit- of ligbad

Een zit- of ligbad was tot in de tweede helft van de twintigste eeuw nog een luxe die vooral in koopwoningen voorkwam. Lig- en zitbaden werden gemaakt van geëmailleerd gietijzer, plaatstaal, keramiek (vuurklei of kristalporselein) en voor medisch gebruik van roestvrijstaal. Eind jaren zestig waren baden in toenemende mate ook van kunststof zoals ocron. Actieve Nederlandse producenten en handelaars van wastafels, baden en andere sanitaire voorzieningen waren Peck & Co uit Amsterdam, Stokvis & zoon uit Rotterdam, Technische Unie uit Amsterdam, Koninklijke Sphinx uit Maastricht en Grosa uit Tilburg.

Kranen

In veel huishoudens was tot in de jaren zestig alleen warm water in de keuken, vaak verzorgd door de bekende geisers of boiler van wit kunststof of plaatstaal boven het aanrechtblad met een dubbele kraan. Vanaf de jaren zestig kwam de mengkraan in opmars, een enkele kraan met aparte knoppen voor warm en voor koud water. Waar in de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 voor wastafels een mengkraan nog werd aanbevolen, werd deze tien jaar later in de aangepaste voorschriften verplicht gesteld. De mengkraan kon op het aanrecht en de wastafel worden geplaatst of worden gemonteerd aan de wand. Eind jaren zestig werd de eenknopsmengkraan uit de Verenigde Staten geïntroduceerd en begin jaren zeventig ook de eenhendelmengkraan. In één handeling kon zowel de waterhoeveelheid als de mengverhouding worden geregeld. In de jaren zeventig kwam voor badkamers een luxe thermostatische douchemengkraan op de markt met op de knop het aantal graden Celsius, en een mengkraan met variaknop waarbij met het achterste deel van de knop de temperatuur éénmaal blijvend kon worden ingesteld en met het voorste deel de hoeveelheid water werd geregeld. Ook kwamen er luxe elektronische wastafelkranen die water geven zonder dat men ze hoeft aan te raken. Sinds de jaren twintig van de vorige eeuw werden kranen meestal van chroom gemaakt en voorzien van een rubberen leertje als afdichting. In de loop van de jaren tachtig kregen kranen in toenemende mate ook keramische afdichting en uittrekbare lopen, in vele kleuren en vormen.


Reinigen en ontspannen

In de jaren zeventig trad er een verandering op in de badcultuur. Waar de badkamer in de eerste helft van de eeuw uitsluitend voor functionele lichaamsreiniging diende, werd deze vanaf eind jaren zestig gezien als ruimte voor de algehele verzorging van het lichaam. Mede door een toename van vrije tijd en huishoudelijke apparaten had men voor dit laatste meer gelegenheid. Er ontstond behoefte aan een badkamer waarin het baden ontspannend kon zijn. De komst van centrale verwarming in de badkamer speelde hierin een belangrijke rol. Eind jaren zestig bracht Philips douchecelverwarming op de Nederlandse markt. Ook nieuwe toepassingen van mechanische ventilatie tegen damp verhoogden het comfort. Vanaf eind jaren zestig nam de populariteit van baden om te ‘relaxen’ toe. Volgens Eigen Huis & Interieur had in 1962 4% van de nieuwbouwwoningen een lig- of zitbad, 61%een douchebak en 35%een lavet. In 1968 was dit respectievelijk 14%, 76% en 10%. In 1969 had 16% van de nieuwe woningen een lig- of zitbad en dat percentage bleef stijgen.

Meer comfort

De vorm van de badkuip volgde de nieuwe functie van het bad als ontspanningsmeubel. Waar voorheen de nadruk lag op het uiterlijk van de kuip, als luxueuze mantel, kreeg vanaf eind jaren zestig de binnenkant meer aandacht. Het ligvlak voor de rug werd groter, de helling werd aangepast aan een gemakkelijke lighouding en de zijwanden werden ter hoogte van de ellebogen verbreed, zodat bij het wassen de armen vrij waren. Aan de voetzijde versmalde het bad waardoor een brede zitrand ontstond.

Inbouwbaden

Populair in de jaren zestig en zeventig waren inbouwbaden, waarbij een mantel om de badkuip werd geplaatst. Een omranding van de kuip zorgde voor een waterdichte aansluiting op de mantel of wand. Meestal werd de ommanteling bekleed met keramische tegels, maar in de jaren zeventig werden in toenemende mate ook prefabwanden, kunststofmantels en geëmailleerde plaatstalen mantels toegepast. Hiervoor werd bijvoorbeeld spaanplaat gebruikt dat waterdicht werd afgewerkt met vinyl of lak, of kunstharsplaten van fabrikanten als Formica, het Duitse Resopal en het Zweedse Perstorp, die ook als wandbekleding konden worden toegepast.

Meer luxe

Ook baden zelf werden vanaf eind jaren zestig vervaardigd in kunststof, zoals polymethylmethacrylaat (PMMA). In deze baden konden profielen worden aangebracht, zoals een verlaagde instaprand, handgrepen of ingebouwde kranen. Halverwege de jaren zeventig kwamen er meer tweepersoons‐ of familiebadkuipen op de markt, waarbij de toenemende populariteit van de sauna waarschijnlijk een rol speelde. In de categorie luxe, innovatief en sauna-gerelateerd sanitair kwamen in de jaren tachtig in Nederland ook steeds meer bubbelbaden, van bijvoorbeeld handelsnamen Whirlpool en Jacuzzi (al in 1949 door Candido Jacuzzi uitgevonden).

De douche

Naast het bad als ontspanningsmeubel bleef de douche in veel badkamers aanwezig, uitsluitend bedoeld voor lichaamsreiniging. Deze kon de vorm hebben van een douchebad of een losse douchecabine. Vaste douchestangen werden aan de wand gemonteerd en rechtstreeks aan de kraan gekoppeld. Deze waren in de hoogte niet verstelbaar, waardoor het hele lichaam nat werd.

Handdouche

De losse handdouche bood een oplossing. Werd deze in de jaren dertig en veertig nog gemaakt van vernikkeld metaal met wit porselein of geëmailleerd staal, vanaf de jaren zestig werden overwegend chroom en kunststof toegepast. De handdouche was met een slang van rubber, en vanaf de jaren vijftig van flexibele kunststof of chroom, met de kraan verbonden en kon aan de wand worden gehangen met een opsteekpen, in sanitairgidsen ook wel douche-garnituren genoemd.

Nieuwe ontwikkelingen

Een andere mogelijkheid was de in 1953 door Hansgrohe ontwikkelde glijstang met houder waarmee de handdouche op elke gewenste hoogte kon worden gesteld. In de jaren zeventig kwamen in plaats van de gebruikelijke plaat met gaatjes douchekoppen op de markt met een brede sleuf waaruit een watergordijn viel. In de tweede helft van de jaren tachtig zien we ook de waterbesparende douchekop, zoals de ‘Mistral Eco’ handdouche van het Duitse Hansgrohe die met een verstelring van volle naar halve kracht kon worden versteld. Douchebakken werden van graniet, keramiek, geëmailleerd gietijzer of plaatstaal vervaardigd en vanaf de jaren zestig in toenemende mate van kunststof zoals ocron en acryl. In de jaren zeventig kwam ook de antislip douchebak, met ingebrande noppen.

Douchegordijn en scheidingswand

De meest eenvoudige en goedkope manier om bad en douche af te schermen was een douchegordijn van kunststoffolie of van badstof met één geplastificeerde kant was. Een luxere oplossing die vanaf halverwege de jaren zeventig vaker werd toegepast, was de vaste scheidingswand van glas of kunststof in een aluminium profiel. Publieke gebouwen zoals scholen, sportzalen en zwembaden hadden gezamenlijke douches, in de jaren veertig en vijftig vaak bestaand uit een waterleiding aan de muur of het plafond met eenvoudige sproeikoppen op een rij, eventueel met al dan niet betegelde scheidingswandjes. Voor scheidingswanden in toilet- en doucheruimten werden ook wel speciale dunne badcelstenen gebruikt. Aparte douchecabines werden opgebouwd uit een vierkante douchebak waarvan de wanden omhoog werden doorgetrokken, al dan niet voorzien van deur- en frontelementen in een roestvrijstalen frame en profielen. Hiervoor werd bijvoorbeeld geëmailleerd of vuurverzinkt plaatstaal of aluminium gebruikt en vanaf de jaren zeventig vaker kunststof.

De gezellige badkamer

De badkamer werd in de loop der tijd een ontspanningsruimte voor het hele gezin en moest daarvoor gezellig worden aangekleed (afb. 9 en 10). Het aantal badkamermeubelen en -accessoires nam eind jaren zestig toe. De inrichting beperkte zich niet langer tot een planchet boven de wastafel, een spiegel met daarboven een bolletjeslamp en een handdoekenrek. Kosmetische verzorging zoals scheren en opmaken gebeurde in de nieuwe badkamer, in plaats van aan een kaptafel in de slaapkamer. De wastafel werd een inbouwmeubel met daaromheen kasten van vochtbestendige kunststoffen, keramische tegels of mozaïek en in de jaren zeventig en tachtig in toenemende mate hout en bamboe. Accessoires als zeepbakjes en bekerhouders werden aangeboden in alle kleuren. Voor de badmantel bleven reliëftegels, mozaiëkwandjes en keramische tegels in allerlei kleuren en patroontjes populair. De eisen die aan hygiëne werden gesteld leken te versoepelen. Zo plaatste men dekjes en kleedjes op de toiletdeksel en kleedjes onder de wc-pot. Sanitair werd gaandeweg een decoratief element in het badkamerinterieur. Keramisch sanitair verscheen in de jaren zeventig in kleuren als turquoise, roze en groen. Geëmailleerde en kunststof wastafels waren in nog meer kleuren beschikbaar en kostten gekleurd evenveel als wit. Toch bleef wit een gangbare kleur.

Het toilet

Het meest gebruikte toilet in Nederland is het vlakspoeltoilet, naast het minder gebruikelijke diepspoeltoilet (afb. 11). In 1899 produceerde de firma Sphinx in Maastricht de eerste toiletpot van porselein, in plaats van geëmailleerd aardewerk of hout. Toen vanaf het begin van de twintigste eeuw de toiletpotten uit één stuk werden gegoten, nam de productie toe en werd sanitair toegankelijk voor meer huishoudens. In de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 werd in een woning met binnentrap en vijf of meer kamers een tweede toilet verplicht, evenals een handwasfonteintje in de toiletruimte. Dit werd meestal direct tegen de wand geschroefd.

Duoblok

In de twintigste eeuw werd de toiletpot die op de vloer stond met een hooghangende stortbak van gietijzer, porselein of kunststof en een valpijp naar de pot het meest toegepast. In de jaren zestig werd de ‘duobloc’, ook wel ‘duoblok’, geïntroduceerd. Dit was een toilet met laaghangende stortbak die direct vastzat aan de pot (afb. 8). Hiermee verdwenen de open stortbak en de valpijp, en daarmee de geluidshinder van naar beneden kletterend water. Bovendien bleef het leidingwerk uit het zicht. Vanaf eind jaren zeventig werden in nieuwbouwwoningen vrijwel geen hooghangende stortbakken meer toegepast, mede doordat in de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1976 een closetinstallatie met laag reservoir werd voorgeschreven omdat deze minder lawaai maakte en zuinig in watergebruik en eenvoudig te bevestigen was.

Wandcloset

In 1964 werd het wandcloset ontwikkeld en begin jaren zeventig werd dit door de Duitse firma Geberit in Nederland op de markt gebracht. Het wandcloset bleef vrij van de vloer en was daardoor eenvoudig schoon te maken. Dit type werd vanaf de jaren zeventig steeds vaker in de luxe woningbouw toegepast. Geberit bracht in de loop van de jaren tachtig ook wandclosetten op de markt waarbij alle toilettechniek, inclusief spoelbak en leidingen, achter een voorzetwand werd ingebouwd.

Toiletbrillen

Toiletbrillen waren aan het begin van de twintigste eeuw vaak van massief beukenhout, als warme zitting boven het koude porselein. Vanaf de jaren dertig werd hiervoor veel bakeliet gebruikt, door Philips in hoogglanzend witcrème, mahonie en zwart geproduceerd onder de merknaam ‘Philite’. Deze brillen werden aangebracht met rubberen stootblokjes en bevestigingsmontuur van vernikkeld messing. Vanaf halverwege de twintigste eeuw werden toiletbrillen uitsluitend in kunststof of hout geproduceerd. Voor het doorspoelen werden bij de laaghangende stortbak meestal drukknoppen of hendels gebruikt.

Bidet en urinoir

Een toiletmeubel dat in Nederland niet veel is toegepast is het bidet, en later de douchewc met ingebouwde waterreiniging die rond 1980 werd geïntroduceerd. Eveneens zeldzaam in woningen, maar wel veel voorkomend in publieke gebouwen en de openbare ruimte, is het urinoir. Dit kan verschillende vormen hebben, zoals het piedestalmodel vrijstaand op de vloer, een wandurinoir of een staand urinoir dat bestaat uit een wandelement met opvangbak en afvoer in de vloer.

Literatuur

  • F. de Sterke, Baden in ’n notedop, Den Haag 1970.
  • E.K.H. Wulkan (ed.), Kunststoffen en bouwtechniek, Rotterdam 1970, p. 597-607.
  • ‘Produktengroep lig- en zitbaden’, Bouwwereld 67 (1971) 51, p. 31.
  • J. Roding, Schoon en Net. Hygiëne in woning en stad. De cultuurgeschiedenis van bad en toilet, ’s Gravenhage 1986.
  • P. van Overbeeke, Kachels, geisers en fornuizen. Keuzeprocessen en energieverbruik in Nederlandse huishoudens 1920-1975, Hilversum 2001.
  • P. Bot, Vademecum historische bouwmaterialen, installaties en infrastructuur, Alphen aan de Maas 2009.
  • N. Hogen, In weelde baden. De badkamer in het Nederlandse interieur, Amsterdam 2012.
  • E. de Bruijne, Het Post 65 wooninterieur 1966 – 1980, ongepubliceerd rapport onderzoeksstage RCE, 2019.
  • M. Kuipers (red.), Interieurs van herrijzend Nederland 1940-65. Binnenruimten van een opkomende welvaartsstaat, Zwolle 2019. 

Dit is een bewerking van: Eva de Bruijne, ‘Keukens en sanitair’, in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 299-314.


Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 11:57.