Schuif- en vouwwanden
Introductie
In veel gebouwen kan het praktisch zijn om binnenruimten met enkele eenvoudige handelingen tijdelijk onder te verdelen of samen te voegen. Hiervoor bestaan verschillende systemen die in de jaren 1940-1990 werden toegepast. Deze zijn te verdelen in twee groepen: schuif- en vouwconstructies.




Schuiven en vouwen
Het principe van schuif- en vouwdeuren en -wanden in het interieur bestond al voor de Tweede Wereldoorlog. In de jaren dertig werden dit soort systemen onder meer toegepast in scholen, kerken, tehuizen, kantoren, verenigingsgebouwen, buurthuizen, vergaderzalen, horecagelegenheden en sportvoorzieningen. Vanaf begin jaren vijftig nam de vraag ernaar toe en kregen veel openbare en andere gebouwen op deze manier een bepaalde mate van flexibiliteit in de indeling. Vernieuwingen in het onderwijs in de jaren zestig leidden ertoe dat veel nieuwe schoolgebouwen werden uitgerust met systemen waarmee de ruimten eenvoudig konden worden aangepast.
Schuifdeuren en -wanden
Schuifdeuren en -wanden zijn geschikt om brede openingen mee af te sluiten en nemen in hun beweging weinig ruimte in. Zij kunnen bestaan uit één of meer langs elkaar schuivende panelen. Grote schuifdeuren worden, zowel in de gevel als binnen, vrijwel uitsluitend toegepast in utiliteitsbouw: fabrieken, werkplaatsen, loodsen, pakhuizen, silo’s, hangars en dergelijke. Zij rollen langs een rail die in of aan het plafond is gemonteerd en worden soms mechanisch aangedreven. Kleinere schuifwanden zien we ook wel in vergaderzalen, leslokalen of in woonhuizen.
Vouwdeuren en -wanden
Vouwdeuren en -wanden zijn constructies met een aantal verticale deurbladen die scharnierend zo met elkaar zijn verbonden dat zij in een schuivende beweging zigzagsgewijs worden samengevouwen. Vouwdeuren zien we, net als schuifdeuren, vooral in utiliteitsbouw voor het afsluiten van grote openingen, meestal als buitendeur en soms in het interieur. Voor toepassing binnen zijn lichte vouwwanden praktischer.
Lichte vouwwanden
Lichte vouwwanden worden geleid met een rail aan het plafond, de vloer blijft dan vrij. Ze bestaan uit een of meer gedeelten en kunnen in geopende toestand in een muurkast worden weggewerkt. Er zijn verschillende soorten lichte vouwwanden.
Harmonikawanden
Harmonikawanden of -deuren hebben hun ophangpunt boven het midden van elk blad en worden vaak uitgevoerd in kostbare houtsoorten of als eenvoudig raamwerk beslagen met gaas. Pella deuren zijn samengesteld uit panelen en regels die met een veerconstructie aan elkaar verbonden en draaibaar zijn. De panelen bestaan uit aaneengelijmde stroken gesorteerd hout, aan beide zijden beplakt met fineer. Om en om hebben zij boven een nylon wieltje waarmee de deurconstructie door een rail loopt. Panelen en verbindingsregels zijn in de breedte met trekveren aan elkaar geregen en draaibaar gemaakt, waardoor het mogelijk is een gebogen wand te vormen.
Blaasbalgwand
Een blaasbalgwand bestaat uit balgen of lamellen, die zijn samengesteld uit regels waaraan lichte zijplaten van triplex of spaanplaat met pianoscharnieren draaibaar zijn bevestigd. Voor regelmatige ontplooiing van de wand bij open en sluiten, zijn de lamellen onderling gekoppeld door een schaarconstructie van verzinkt staal of aluminium. Dit systeem kent als meest voorkomende uitvoeringen hout om te schilderen, edelhout (eiken, noten, teak, mahonie enz.) en hout beplakt met kunstleer, metaalfolie, behang of textiel. De geluidsisolatie van de blaasbalgwand is relatief goed.
Schaarconstructie
Tot slot is er een type vouwwand dat bestaat uit een metalen schaarconstructie bekleed met vinylstoffen in verschillende kleuren, in uiterlijk gelijkend op de blaasbalgwand. Bekende merken waren in deze periode de Modernfold deur, Acordial vouwwand, Haro vouwwand, Goldwell wand en de Harmolux vouwwand.
Flexibele woningen
Voor de oorlog
In de woningbouw bestond al sinds eind negentiende eeuw de kamer en suite: voor- en achterkamer werden van elkaar gescheiden door schuifdeuren, die bij het openen in de muur of achter kastenwanden verdwenen. Dit principe werd toegepast tot aan de Tweede Wereldoorlog, meestal met de zitkamer aan de voorzijde en de eetkamer achter. Nadat Gerrit Rietveld in 1924 in zijn Rietveld Schröderhuis in Utrecht een revolutionaire vorm van flexibiliteit had gerealiseerd ‒ de grote open woonverdieping kon ’s nachts met schuifwanden in drie afzonderlijke (slaap)kamers worden verdeeld – pasten ook andere moderne architecten schuif- en vouwwanden toe in vaak exclusieve woningontwerpen. Tegelijkertijd zocht men tijdens de crisisjaren naar manieren om ook minimale woningplattegronden te ontwikkelen met een maximum aan efficiëntie en gebruikscomfort: schuifwanden, opklapbedden en lichte meubels maakten een dubbel gebruik van ruimten mogelijk waardoor de plattegrond overdag anders kon zijn dan ’s nachts.
Meer flexibiliteit
Tijdens de wederopbouw was er minder ruimte voor dit soort ideeën. Centraal stond het snel en goedkoop bouwen, en vanaf 1946 legde de rijksoverheid in richtlijnen voor de gesubsidieerde woningbouw (‘Wenken en Voorschriften’) de indeling van de woningen en de functie, groepering, afmetingen en vorm van de verschillende ruimten vast. Mede geïnspireerd door ‘Het verhaal van een andere gedachte’ van de jonge architecten rond het tijdschrift Forum, ontstond vanaf de jaren zestig meer belangstelling voor flexibiliteit in de ruimtelijke organisatie van de woning. Van invloed was ook het eerder genoemde boek De dragers en de mensen. Het einde van de massawoningbouw uit 1961. Hierin pleitte architect John Habraken voor een nieuw woonconcept, waarin geïndustrialiseerde woningbouw en inspraak van bewoners samengaan: de productieprocessen van de collectieve bouwskeletten – de dragers – en individuele inbouwpakketten voor de bewoners zouden op elkaar worden afgestemd.
Doe-het-zelf
Een belangrijke producent van inbouwpakketten was de firma Bruynzeel. In 1977 bracht deze een systeem op de markt dat zonder ingrijpend sloop- en breekwerk ook na de bouw wijzigingen mogelijk maakte, zodat de plattegrondindeling kon worden aangepast aan veranderingen in de gezinssamenstelling. We zien in deze jaren een groeiend streven naar flexibele en eenvoudig aanpasbare woningplattegronden die verschillende manieren van gebruik toelieten; enerzijds als antwoord op het probleem van de onbekende bewoner, anderzijds om tegemoet te komen aan veranderende woonwensen. Naarmate de economische ontwikkeling grotere marges in woningplattegronden toeliet, nam de mogelijkheid tot flexibiliteit toe. Woonrubrieken in de dagbladen wezen bewoners op de mogelijkheden van schuif- en vouwwanden en nodigden doe-het-zelvers uit deze in hun woning toe te passen. Systemen die zich hiervoor leenden waren de Fademac harmonicadeur van de firma Eternit, houten vouwdeuren van Pella in Bussum, harmonicadeuren van Bricolage in Venlo en de Easyfold van Maassen-Maastricht.
Producenten
Een van de eerste Nederlandse producenten van harmonicadeuren was de firma Schmidt & Co in Naarden-Bussum. Begin jaren dertig maakte deze onder de merknaam Aristos onder meer harmonicadeuren. Behalve de hierboven genoemde waren vanaf de jaren vijftig in ons land verschillende fabrikanten op dit gebied actief, waarvan enkele van de belangrijkste hier worden genoemd. Tussenbroek’s Rolluikenfabriek in Utrecht en Amsterdam was de licentiehouder van de Amerikaanse Modernfold vouwwand voor Nederland en West-Indië. Deze was verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen en zo’n tachtig kleuren, met een maximale breedte van dertig en hoogte van acht meter, al of niet elektrisch aangedreven. De standaarduitvoering werd vooral toegepast in de woningbouw en was goedgekeurd voor het verkrijgen van bouwpremies. De luxe uitvoering was voorzien van geanodiseerde aluminium profielen en had een slot met modern vormgegeven geanodiseerde handgrepen.
De firma Nederpelland in ‘s-Hertogenbosch maakte als dochteronderneming van de Amerikaanse Rolscreen Company diverse typen Pella vouwwanden en vouwdeuren, afgewerkt in hout en kunststof, voor toepassing in verschillende gebouwtypen en interieurstijlen. Het Engelse Henderson was sinds 1965 actief op de Nederlandse markt, aanvankelijk gevestigd in Nieuw-Vennep en vanaf 1972 in Bladel. Het maakte vouwwanden speciaal voor scholen en openbare gebouwen, maar ook kanteldeuren en systemen voor schuif- en vouwdeurbeslag. Espero in Rotterdam, in 1939 begonnen als fabrikant van houten speelgoed (Van Es Speelgoed Rotterdam), importeerde vanaf de jaren zestig de Amerikaanse Panelfold vouwwanden en ging vervolgens in Waalwijk zelf vouwwanden en plafondplaten voor diverse sectoren van de bouw produceren. Interieurbouwbedrijf Breedveld in Horssen maakte vanaf de jaren zeventig mobiele wandsystemen, van eenvoudige vouwwanden tot dubbelwandige (smart)glaswanden.
Acordial Koch & Viol in Den Haag maakte verschillende producten: Planacord verplaatsbare scheidingswanden, waarmee zowel een geheel gesloten wand als een wand met gedeeltelijke afscheidingen en openingen mogelijk was; Lignacord houten harmonicadeuren en -wanden die met veel fineersoorten konden worden afgewerkt; Acordial kunstleren harmonicadeuren en -wanden in zestien kleuren; Ligna-wall mobiele wanden; en elektrisch aangedreven kunstleren Acordial verticale vouwwanden die vooral geschikt waren voor sporthallen. Het Rotterdamse W.A. Hamel, tot slot, maakte onder meer kunstleren Haro vouwwanden voor in huis: ‘’s avonds een rustig studeervertrek en een intieme zithoek en ’s ochtends weer die heerlijke ruime woonkamer’.
Literatuur
- J.J. Vriend, Bouwen. Handboek voor de praktijk van het bouwen, Amsterdam/ Antwerpen 1961, deel 1 m.m.v. J. Bakker, eerste en tweede druk 1952.
- R. Jellema, M.C.A. Meischke en J.A. Muller, Bouwkunde voor het hoger technisch onderwijs (nieuwe reeks onder redactie van R. Jellema en A. van Tol) Deel 11: skeletbouw, systeembouw, Delft 1978 (tweede druk).
- Binnenwanden in scholen. Verplaatsbare wanden, schuifwanden, vouwwanden, Stichting ICS, Informatie Centrum Scholenbouw, ICS informeert 15, Rotterdam 1979.
- ‘Flexibele woningindeling door inbouwpakket’, Bouwwereld 75 (1979) 18, p. 96-99.
- Binnenwanden in scholen. Verplaatsbare wanden, schuifwanden, vouwwanden, Stichting ICS, Informatie Centrum Scholenbouw, ICS-info 34, Rotterdam 1988.
- A.G.W.J. Proveniers, H. Crijns en J.P.M. van Eldonk, Historische experimenten met flexibele bouwmethoden (Fundamentele grondslagen van de open bouwwijze), Technische Universiteit Eindhoven 1989.
- N. de Vreeze, Woningbouw, inspiratie & ambities. Kwalitatieve grondslagen van de sociale woningbouw in Nederland, Almere 1993.
- I. van Zijl en B. Mulder, Het Rietveld Schröderhuis, Utrecht 2009.
Rijksmonumenten bij dit artikel
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema's
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 7 mrt 2026 om 04:27.