Staalconstructies


Introductie

Voor de oorlog bestond in Nederland geen echte traditie van staalskeletbouw. Een belangrijke uitzondering daarop vormt het werk van Dirk Roosenburg, wiens Rijksverzekeringsbank in Amsterdam (1939) is uitgevoerd met een staalconstructie van de firma De Vries Robbé uit Gorinchem.
Rijksverzekeringsbank in Amsterdam van Dirk Roosenburg in aanbouw in 1938
Afb. 1. Rijksverzekeringsbank in Amsterdam van Dirk Roosenburg in aanbouw in 1938. Foto: Wilm H. M. Wouters, collectie Stadsarchief Amsterdam.
Perronoverkapping NS-station Eindhoven uit 1956 gemaakt van onderdelen voor Baileybruggen
Afb. 2. Perronoverkapping NS-station Eindhoven uit 1956 gemaakt van onderdelen voor Baileybruggen. Foto: Ronald Stenvert
Detail Polynormloods bij Weverij De Ploeg in Bergeijk uit 1956
Afb. 3. Detail Polynormloods bij Weverij De Ploeg in Bergeijk uit 1956. Foto: Ronald Stenvert
Principe raatligger
Afb. 4. Principe raatligger. Tekening: Ronald Stenvert
Detail raatligger boven het perron van NS-station Weesp uit 1967
Afb. 5. Detail raatligger boven het perron van NS-station Weesp uit 1967. Foto: Ronald Stenvert
Detail Temcorkoepel in Raamsdonksveer uit 1981
Afb. 6. Detail Temcorkoepel in Raamsdonksveer uit 1981. Foto: C.S. Baas
Detail ruimtevakwerk met MERO-knopen op NS-station Lelystad Centrum uit 1988
Afb. 7. Detail ruimtevakwerk met MERO-knopen op NS-station Lelystad Centrum uit 1988. Foto: Ronald Stenvert

Constructiebedrijven

Deze firma was een van de grootste constructiebedrijven van ons land. Ze leverde ook de staalconstructies voor de Amercentrale in Geertruidenberg (1952), de Maascentrale in Buggenum (1954) en de Gerbrandytoren in Lopik (1961). Andere belangrijke staalbedrijven waren de Kon. Ned. Machinefabriek v/h E.H. Begemann in Helmond, betrokken bij de bouw van de DAF-fabriek in Born (1967) en Gusto Staalbouw in Schiedam die in 1971 in IJmuiden drie hoogovens realiseerde. Vaak bouwden ze ook bruggen en schepen. Zo leverde F. Kloos & Zonen’s Werkplaatsen in Kinderdijk een deel van de schuif voor de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel (1958). In 1978 fuseerde dit bedrijf met Hollandia in Krimpen aan den IJssel tot Hollandia-Kloos, nog steeds bestaand onder de naam Hollandia. De perronoverkapping van het NS-station Eindhoven (K. van der Gaast 1956) bestaat uit liggers samengesteld uit tien voet (305 centimeter) lange segmenten, surplus legermateriaal dat oorspronkelijk was bedoeld voor Baileybruggen. Hoogovens in IJmuiden leverden korte tijd bouwstaal, maar legden zich daarna toe op andere staalproducten. Voor hun nieuwe hoofdkantoor (W.M. Dudok, 1951) bouwde Penn & Bauduin uit Dordrecht het staalskelet. Dunne staalplaat van de Hoogovens werd onder meer benut voor de constructie van polynormhallen met gepuntlaste spanten, zoals in de loods bij de Weverij De Ploeg in Bergeijk (1956).

Gelaste profielen

Tijdens de wederopbouw bestond het gros van de staalconstructies uit eenlaagse hallen voor de industrie. Daarbij ging het overwegend om een serie portaalspanten met daartussen windverbanden. De uit hoekstalen opgebouwde vakwerkspanten ontwikkelden zich tot paralelliggers, afhankelijk van de vorm van de diagonalen N- of V-liggers genoemd. Kort na de oorlog werden de afzonderlijke delen van het vakwerk nog in de fabriek met klinknagels verbonden en op de bouwplaats met bouten gemonteerd. Maar al snel was het elektrisch lassen zover ontwikkeld dat het de klinknagels ging vervangen. Zo bestaat de overkapping van het NS-station Heemstede-Aardenhout (K. van der Gaast, 1958) uit stalen I-profielen met gelaste hoekversterkingen. Gebruik van standaard I- en H-profielen werd de regel, naast geheel uit staalplaten gemaakte en gelaste spanten met extra opgelaste ribben.

Rond 1960 kwamen kokerprofielen op de markt, gemaakt van koudgevouwen en dichtgelaste staalplaat, zoals te zien op het perron van het NS-station van Coevorden (C. Douma, 1976). Geautomatiseerde brandsnijmachines maakten het vanaf 1960 mogelijk om het lijf van een standaard I-profiel in een regelmatig patroon door te branden en de delen iets verschoven tot een verhoogde balk te lassen. Dergelijke raatliggers, of Litza-liggers, zijn te zien boven het perron van het NS-station Weesp (C. Douma, 1967).

Utiliteitsbouw

Hoogbouw

In de utiliteitsbouw verrezen ook hoge gebouwen met een stijve betonnen kern en een stalen constructie rondom. Het 65 meter hoge kantoorgebouw van Philips Nederland in Eindhoven (Roosenburg, Verhave, Luyt, De Iongh, 1965) heeft boven op de betonnen kern een stalen hangconstructie met stijlen die de vloeren dragen, uitgevoerd door De Vries Robbé. Het 77 meter hoge Okurahotel in Amsterdam (B. Bijvoet en G.H.M. Holt, 1971) kreeg een betonnen kern met daar omheen een door Hollandia geleverde staalconstructie. Een volledige staalconstructie heeft het gebouw elektrotechniek van de TU-Delft (G. Drexhage, 1972). De hoogbouw daarvan wordt gedragen door HE 300 kolommen met aangelaste zijplaten, bekleed met een brandbescherming in de vorm van een perliet pleisterlaag op strekmetaal, wat resulteert in een totale kolomdoorsnede van 40 x 40 cm.

Hallen

Voor grotere hallen werkte men met hang- en tuiconstructies, zoals bij de Rodahal in Kerkrade (L. Bisscheroux, 1966), waarvan het tentachtige dak met een overspanning van 61 meter door een kabelvakwerk wordt gedragen. Voor dit soort structuren zijn trekkrachten bepalend, net als voor zogenaamde membraanconstructies. Een bekend buitenlands voorbeeld daarvan is het Olympisch Stadion in München (F. Otto, 1972). Een andersoortige membraanconstructie is de geodetische koepel, die bestaat uit gekoppelde driehoekige aluminiumelementen. Deze is op de World Expo 67 in Montreal populair gemaakt door de Amerikaanse architect R. Buckminster Fuller en verder ontwikkeld door de firma Temcor uit Los Angeles. In Nederland kennen we de geodetische koepels van de door IBC in licentie gebouwde Aviodome op Schiphol (E.A. Riphagen, 1971), de eerste in zijn soort in Europa en met een overspanning van zestig meter lange tijd de grootste aluminium koepel ter wereld, en van de vergelijkbare koepel in Raamsdonksveer (1981).

Bij de Europahal van de RAI in Amsterdam (A. Bodon, 1961) met een overspanning van 67,45 meter paste architect A. Bodon driehoekige vakwerken boogspanten toe met één bovenrand en twee onderranden die tevens als lichtrupsen dienden. Bij de latere uitbreiding met het Hollandcomplex (1982) koos Bodon voor een stalen ruimtevakwerk. Het gebouw won in 1983 de Nationale Staalprijs. De grootste staalconstructie van die tijd van was de Scheepsbouwloods Van de Giessen-De Noord in Krimpen aan den IJssel (W. Quist, 1982), van 235 bij 100 meter en 55 meter hoogte, uitgevoerd door vijf constructiebedrijven waaronder Bailey en Hollandia. Van recenter datum is het door Cepezed ontworpen Bedrijfsverzamelgebouw in Haarlem (1986) in de vorm van een staalconstructie met masten en afgetuide gieken.

Ruimtevakwerken

Vanaf 1970 verschenen de eerste ruimtevakwerken, ook spaceframes genoemd. De overkapping van het Thermenmuseum in Heerlen (Peutz, 1977) is hiervan een goed voorbeeld. Ruimtevakwerken werden vanaf 1980 onderdeel van de perronoverkappingen van een nieuwe serie NS-stations naar ontwerp van P.A.M. Kilsdonk, zoals in Zaandam (1983), Amsterdam-Sloterdijk (1986), Almere Centrum (1987) en Lelystad Centrum (1988) (afb. 7). Bij het Thermenmuseum werden nog geboute knooppunten toegepast, maar bij de NS-stations gebruikte men stalen knopen in combinatie met ronde buizen van het systeem MERO. De woning Hard Glas van Jan Benthem en Mels Crouwel in de Fantasie in Almere (1982) staat op een octatube spaceframe. Een variant daarop is het in 1984 geïntroduceerde Tuball (‘tube’ en ‘ball’), toegepast aan het muziekpaviljoen in de Haarlemmerhout in Haarlem (W. Röling, 1984).

Literatuur

  • E.A. van Genderen Stort, Theorie en practijk van den staalskeletbouw, Deventer 1941.
  • A.P. Potma en J.E. de Vries, Staalconstructies. Theorie, berekening en uitvoering, Amsterdam et al. 1941.
  • H.J. Stuvel, 80 Jaar IBC. Evolutie naar turnkey, Best 1969.
  • M. Eekhout, Architecture in Space Structures, Rotterdam 1989.
  • A. den Ouden, Een hoekstaal van de maatschappij. Constructiewerkplaatsen in Nederland van 1840 tot heden, Eindhoven 1994.
  • C. Douma, Stationsarchitectuur in Nederland 1938-1998, Zutphen 1998.
  • T. Claassen, A. Bodon (1903-1993). Lichtheid en transparantie - architectuur als dienend ambacht, Rotterdam 2001.
  • H. Bouwmeester, G. Timmermans en J. Post, Woningen uit de fabriek. De woningen van Polynorm, Eindhoven 2006.
  • J. Oosterhoff, Kracht + vorm. Inleiding in de constructieleer van bouwwerken, Zoetermeer 2008.

Dit is een bewerking van: Ronald Stenvert en Danielle Takens, ‘Staalconstructies', in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 95-100.


Rijksmonumenten bij dit artikel

Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.

Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 11:59.